Conclusie

 
In de hoofdstukken hiervoor zijn de onderzoeksvragen reeds behandeld en beantwoord. Aan de hand van deze onderzoeksvragen zal een antwoord gegeven worden op de centrale probleemstelling in dit onderzoek, die uit twee delen bestaat:
· In hoeverre zijn de bewoners die na de herstructurering in één van de vier nieuwbouwbuurten zijn komen wonen tevreden over hun woning en woonomgeving?
· In hoeverre zijn de bewoners die na de herstructurering in één van de vier nieuwbouwbuurten zijn komen wonen betrokken bij hun wijk?


Beide variabelen, de tevredenheid over en de betrokkenheid bij de wijk van bewoners, zijn afhankelijk van zowel de gezinsfase (huishoudenssamenstelling, woonwensen en woonmogelijkheden) waarin het huishouden zich bevindt als de maatschappelijke ontwikkelingen en de manier waarop de overheid op deze ontwikkelingen inspeelt. Daarnaast speelt de wijk waarin men woonachtig is een belangrijke rol (figuur 2.1, §2.6).

Het onderzoek richt zich op Holtenbroek, een typische (vroeg)naoorlogse wijk in Zwolle, die sinds de jaren tachtig te maken heeft gekregen met de opkomst van een aantal problemen. Net als veel andere (vroeg)naoorlogse wijken krijgt ook Holtenbroek steeds vaker te maken met een verslechterde positie op de woningmarkt (Rosemann & Westra, 1987). Als gevolg van een sterke economische groei en daarmee samenhangend een toenemende individuele welvaart en mobiliteit voldoet de woningvoorraad in de wijk steeds minder aan de veranderende woonwensen van de huishoudens. Hierdoor vindt er een ruimtelijke uitsortering plaats, waarbij de sociaal-economisch zwakke huishoudens vanwege hun beperkte financiële mogelijkheden noodgedwongen achterblijven in de goedkopere sectoren, de middelhoog- en hoogbouw in de (vroeg)naoorlogse wijken. Deze concentratie heeft in veel (vroeg)naoorlogse wijken (en zo ook in Holtenbroek) geleid tot een eenzijdige bevolkingssamenstelling met een verslechterde sociale samenhang en leefbaarheid als gevolg (Klijn, 1987).

De gemeente Zwolle ziet de wijk ook steeds verder achteruitgaan en besluit eind jaren tachtig met Holtenbroek te participeren in de Werkgroep 5x5. In dit kader wordt er onderzoek gedaan naar een vijftal aspecten in de wijk, namelijk de bevolkingsontwikkeling en -samenstelling, de volkshuisvesting, de stedenbouw, de sociale veiligheid en de economie (Gemeente Zwolle, 1989). Op basis van deze inventarisatie wordt begin jaren negentig de "Rapportage 2e fase" opgesteld, waarin aan de hand van het volkshuisvesting-, het voorzieningen-, het ruimtelijk- en het sociaal beheersplan, het herstructureringsbeleid voor de wijk wordt weergegeven. In de vier plannen wordt, naast verbetering en onderhoud van het bestaande, voorgesteld op een aantal plaatsen in de wijk nieuwbouw in te passen, waarbij men zich richt op de huishoudenstypen die in de wijk ondervertegenwoordigd zijn, de tweepersoonshuishoudens en de gezinnen met een (boven)modaal inkomen, om zo de bevolkingssamenstelling van de wijk dichterbij het Zwols gemiddelde te krijgen. Het woningaanbod wordt dus afgestemd op de specifieke woonwensen van beide huishoudenstypen (eengezinswoningen in de koopsector). Tevens besluit men een aantal seniorenwoningen in de wijk te plaatsen om tegemoet te komen aan de woonwensen van een aantal oudere wijkbewoners die graag in de nabijheid van de voorzieningen gelijkvloers willen wonen (Gemeente Zwolle, 1991).

Na felle kritiek van de bewoners besluit men de grootschalige herstructurering voorlopig uit te stellen en het beleid eerst te richten op de kortetermijnproblematiek (c.q. de sociale problemen) en een aantal kleinschalige herstructureringsprojecten om in de toekomst de voorzieningen en het grootste concentratiegebied (in Holtenbroek I) te herstructureren. Dit heeft ertoe geleid dat men midden jaren negentig op een viertal plaatsen in de wijk nieuwbouw (eengezinswoningen) heeft ingepast door groen her te bestemmen (buurten A, B en D) of portiekwoningen te slopen (buurt C) (Gemeente Zwolle, 1994). Nu de kleinschalige projecten afgerond zijn en de grootschalige herstructurering voor de deur staat is het belangrijk te achterhalen of het beleid succesvol is geweest om er achter te komen of het beleid tijdens de grootschalige herstructurering gecontinueerd of aangepast moet worden.

Het volkshuisvestingsplan, het ruimtelijk plan en het sociaal beheersplan, zoals opgesteld tijdens de "Rapportage 2e fase", zijn in het onderzoeksgebied redelijk tot goed geslaagd. Zo zorgen de nieuwbouwbuurten ervoor dat Holtenbroek wat betreft de bevolkingssamenstelling dichter bij het Zwols gemiddelde is komen te liggen. Men is er in geslaagd meer tweepersoonshuishoudens en gezinnen met een (boven)modaal inkomen naar de wijk toe te trekken. Wat betreft het ruimtelijk plan is men er in geslaagd 269 woningen in te passen zonder de ruimtelijke structuur (met het vele groen) van de wijk, één van de sterkste punten van de Holtenbroek, aan te tasten. Voor het sociaal beheersplan gelden twee visies. Enerzijds is men er in geslaagd de objectieve sociale veiligheid in de wijk sterk te verbeteren (dankzij de komst van het politiebureau en het project Hekwerk), waardoor Holtenbroek, qua criminaliteit en onveiligheid, geen extreme positie meer inneemt ten opzichte van andere Zwolse wijken. Anderzijds geven de bewoners en bezoekers van de wijk nog steeds aan zich regelmatig (met name 's nachts) onveilig te voelen in (bepaalde delen van) de wijk, waardoor de subjectieve sociale veiligheid nog wel steeds een extreem hoge positie inneemt ten opzichte van andere Zwolse wijken.

Dit is ook terug te vinden in de tevredenheid van de (nieuwe) bewoners over de wijk. Over het algemeen is men zeer tevreden over de woning, hetgeen logisch is aangezien het woningaanbod is afgestemd op de doelgroepen van het beleid, de tweepersoonshuishoudens en de gezinnen met een (boven)modaal inkomen. Wel blijkt dat de woning voor een aanzienlijk deel van de huishoudens dient als startpunt in de koopsector. Veel huishoudens hebben zich na een aantal jaar doorontwikkeld (zowel qua samenstelling als economisch) en besluiten door te stromen op de woningmarkt (men gaat groter wonen), waardoor het verloop binnen de nieuwbouwbuurten vrij groot is. Wanneer we kijken naar de tevredenheid over de woonomgeving blijkt men wel tevreden te zijn over de directe woonomgeving (c.q. de nieuwbouwbuurt), maar in mindere mate over de wijk als geheel. Hierbij is het opvallend dat de bewoners naar dezelfde probleemvelden (criminaliteit en veiligheid, eenzijdige woningvoorraad en bevolkingssamenstelling, zwerfvuil en negatief imago) wijzen, die tien jaar eerder tijdens de "Rapportage 2e fase" naar voren zijn gekomen. Dit is zeker opvallend wanneer er rekening mee wordt gehouden dat het sociaal beheersplan wel degelijk succesvol is geweest (gezien de verbeterde objectieve sociale veiligheid).

Wat betreft de betrokkenheid van de (nieuwe) bewoners bij de wijk is het een ander verhaal. De wijkgedachte, op basis waarvan de wijk eind jaren vijftig is opgebouwd, is tegenwoordig niet meer van toepassing. De toegenomen individuele welvaart en mobiliteit hebben ervoor gezorgd dat de mensen steeds minder gebonden zijn aan de wijk waarin men woonachtig is. De wijk verliest haar werk- en recreatiefunctie en behoudt alleen nog maar haar woonfunctie. Dit is ook in de nieuwbouwbuurten terug te vinden waar de bewoners aangeven in beperkte mate aan de wijk gebonden te zijn en steeds vaker keuzes maken op basis van kwaliteit in plaats van locatie van de voorzieningen. Zo geeft een aanzienlijk deel van de bewoners aan dat de kwaliteit van de winkel- en onderwijsvoorzieningen in de wijk onder de maat is en men om deze reden elders (veelal in de Aa-landen) gebruik maakt van deze voorzieningen. Ditzelfde geldt voor het verenigingsleven waar men deel vanuit maakt. Voor veel huishoudens maakt de locatie van de vereniging niet zoveel uit, maar gaat het erom dat men zich thuis voelt binnen de vereniging, waardoor slechts een kleine groep respondenten lid is van een vereniging in de wijk. Wat wel opvalt is dat de bewoners met veel sociale contacten (familie en vrienden) in de wijk meer binding met de wijk hebben dan de bewoners waarvan de sociale contacten voornamelijk buiten de stad wonen. Dit is op zich niet zo verrassend, aangezien een groot deel van de bewoners met de sociale contacten in de wijk veelal een lange geschiedenis heeft in de wijk en zodoende ook meer emotionele binding.

Eind jaren negentig besluit de gemeente dat het tijd wordt om te beginnen met de planvormingsfase voor de grootschalige herstructurering. De voorzieningen en bepaalde delen in de wijk, met name in Holtenbroek I, zijn nodig aan vervanging toe. Binnen de plannen neemt men in grote lijnen het beleid van de kleinschalige projecten over. Zo kiest men qua woningaanbod wederom voor de bouw van eengezinswoningen in de koopsector, waarbij wel gezegd moet worden dat men nu kiest voor de duurdere segmenten om zodoende het grote verloop (zoals in het onderzoeksgebied plaatsvindt) tegen te gaan. Men probeert nu dus echt de huishoudens met een (boven)modaal inkomen voor de wijk te behouden. Of deze doelstelling gerealiseerd gaat worden valt echter nog te bezien. Qua woningaanbod kunnen de nieuwbouwbuurten in de toekomst wel degelijk concurreren met de VINEX-wijk Stadshagen, maar qua woonomgeving kan de concurrentiestrijd niet worden aangegaan. De wijk is en blijft een (vroeg)naoorlogse wijk en heeft zodoende te maken met een stedelijk karakter (dichte bebouwing, relatief veel verkeer en veel openbaar groen in plaats van privé groen). Gezien het feit dat het merendeel van de gezinnen (zelfs 90% van de stedelijk georiënteerde gezinnen) de voorkeur geeft aan een woning in het suburbane gebied mag verwacht worden dat de jonge startende tweepersoonshuishoudens en gezinnen na een (tweede) gezinsuitbreiding of verbeterde inkomenspositie toch door willen stromen naar een (grotere) woning in een suburbane wijk, zoals de Aa-landen, Stadshagen en in mindere mate Zwolle-zuid. De wijk (en dus ook de nieuwbouw) zal ook in de toekomst haar startersfunctie blijven behouden.

In het voorzieningenplan heeft men, nadat het Deltion College te kennen heeft gegeven graag op het Sweelinckplein uit te willen breiden, gekozen voor één groot centraal winkelcentrum op het Bachplein. Verwacht mag worden dat de winkelvoorzieningen in de wijk na de herstructurering dusdanig opgeknapt zijn dat ze kunnen concurreren met winkelcentra in andere wijken, waardoor de nieuwe bewoners hun dagelijkse boodschappen dan ook vooral in de wijk zelf zullen gaan doen. Voor de niet-dagelijkse boodschappen zal de gerichtheid op het stadscentrum echter groot blijven, gezien de gunstige ligging van de wijk ten opzichte van dit centrum. Wat betreft de overige voorzieningen in de wijk komt vlakbij het winkelcentrum een groot woonzorgcomplex voor ouderen, zodat deze gelijkvloers en dichtbij de winkelvoorzieningen kunnen gaan wonen. Daarnaast is het reëel te veronderstellen dat de verhouding autochtoon-allochtoon op de basisscholen minder scheef zal worden aangezien de onderwijsvoorzieningen in de wijk het dichtst bij het grootschalige herstructureringsgebied liggen (dit in tegenstelling tot de buurten A en B uit het onderzoeksgebied waar de onderwijsvoorzieningen van de Aa-landen op dezelfde

afstand liggen). Het ruimtelijk plan van de grootschalige herstructurering kent wel een aanpassing, men heeft besloten niet langer vast te houden aan de ruimtelijke structuur in de wijk en de zuid-as van het groene assenkruis te gebruiken voor nieuwbouw, waardoor de groenstructuur in de wijk aangetast wordt. Dit zal in de toekomst geen grote gevolgen hebben voor de aantrekkelijkheid van de wijk aangezien er voldoende openbaar groen overblijft om te recreëren en de wijk aan te kleden (mits goed onderhouden).

Het sociaal beheersplan blijft in zijn huidige vorm bestaan en probeert door middel van een aantal specifieke (op bepaalde doelgroepen gerichte) projecten de objectieve sociale veiligheid en leefbaarheid in de wijk nog verder te verbeteren. Op basis van de ervaringen en resultaten opgedaan tijdens de kleinschalige projecten mag verwacht worden dat de nieuwe bewoners van de nog te realiseren nieuwbouwwoningen tevreden zullen zijn over hun woning en hun directe woonomgeving (c.q. de nieuwbouwbuurt). Ook over de wijk als geheel zal men na de herstructurering (meer) tevreden zijn doordat met de grootschalige herstructurering de laatste probleemgebieden in de wijk opgeknapt zijn. Er kan dus vanuit gegaan worden dat het imago van de wijk, dankzij de herstructurering, een positieve impuls krijgt en mede hierdoor de subjectieve sociale veiligheid zal toenemen (Berends, 2004). Echter zal het jaren duren voordat de wijk definitief van haar slechte imago afkomt, waarbij het zelfs de vraag is of dit überhaupt zal gebeuren. De kans is vrij goot dat er wat betreft het imago van de wijk een tweedeling ontstaat, waarbij de geherstructureerde delen (de nieuwbouwbuurten, het winkelcentrum en het Sweelinckplein, c.q de uni-locatie van het Deltion College) een positief imago zullen krijgen en de reeds bestaande wijkdelen hun huidige imago behouden (hetgeen overigens minder negatief is dan het imago van Holtenbroek I voor de herstructurering).

De betrokkenheid (c.q wijkgebondenheid) van de nieuwe bewoners kan dankzij de grootschalige herstructurering vergroot worden, maar dit zal nooit meer hetzelfde worden als tijdens de wijkgedachte in de jaren zestig. Dankzij de individualisering, toegenomen welvaart en mobiliteit de afgelopen decennia zijn huishoudens niet meer gebonden aan een wijk. Dit wordt bevestigd en zelfs versterkt door het relatief grote verloop in de nieuwbouwbuurten. Men heeft voldoende mogelijkheden om sociale contacten elders te onderhouden of elders in de stad (of regio) lid te worden van een vereniging. Zoals gezegd mag echter wel worden verwacht dat de huishoudens in de nog te realiseren nieuwbouwwoningen meer gebruik zullen gaan maken van de voorzieningen (zowel winkel- als onderwijsvoorzieningen) in de wijk en wat dit aspect betreft dus meer gebonden zullen zijn aan de wijk. Daarnaast zal er in de nog te realiseren nieuwbouwwoningen een groot aantal oudere huishoudens komen wonen, zowel stedelijk georiënteerde gezinnen (waarvan de kinderen ouder dan 10 jaar zijn) als empty-nest huishoudens die dichtbij het centrum en de bijbehorende voorzieningen willen wonen. Van deze huishoudenstypen mag worden verwacht dat de nieuwbouwwoning (al dan niet in het woonzorgcomplex) het eindpunt zal zijn van hun woningmarktcarrière en men, mede door een afnemende mobiliteit, meer binding met de wijk zal hebben.

Er kan tot slot dus geconcludeerd worden dat de nieuwbouwbuurten ideaal zijn voor jonge startende tweepersoonshuishoudens en gezinnen met een (boven)modaal inkomen om in te wonen. Echter vormt de woning voor deze huishoudenstypen veelal het startpunt van hun woningmarktcarrière (zeker in de koopsector) en zal een aanzienlijk deel van de huishoudens, na een verandering qua huishoudenssamenstelling of arbeidsmarktpositie, door willen stromen naar een (grotere) woning in het suburbane gebied. De wijk zal binnen de Zwolse woningmarkt dus altijd een startersfunctie blijven vervullen. Wat betreft de betrokkenheid van de bewoners die na de herstructurering in de wijk zijn komen wonen mag verwacht worden dat deze na de realisatie van de grootschalige herstructurering iets zal toenemen aangezien de wijk dan geen probleemgebieden meer kent. Veel zal echter afhangen van het imago van de wijk. De herstructurering zorgt zeker voor een positieve impuls, maar de gemeente zal er zorg voor moeten dragen dat deze imagoverbetering ook overslaat op de reeds bestaande wijkdelen. Hierbij is het zeer belangrijk te voorkomen dat de problemen die in Holtenbroek I waren, zich verplaatsen naar andere delen van de wijk, zodat de wijk zich eindelijk kan ontdoen van haar negatieve imago.

Terug naar boven

Hosted by www.Geocities.ws

1