2 Theoretische achtergronden

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de theoretische achtergronden van de problematiek in naoorlogse wijken, de verschillende vormen van beleid (stadsvernieuwing, stedelijke herstructurering en stedelijke vernieuwing) en bewonersparticipatie weergegeven. De tweede paragraaf zal ingaan op de woningmarkt. Welke typen woonconsumenten (en hun bijbehorende woonwensen en woonmogelijkheden) en wijktypen zijn er te onderscheiden? Vervolgens zal in de derde paragraaf gekeken worden naar het ontstaan van fysieke en sociale problemen in een aantal naoorlogse wijken. Welke sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen hebben, samen met problemen binnen de wijken zelf, geleid tot het minder aantrekkelijk worden van de naoorlogse wijken en in welke wijktypen vindt dit plaats (wijktypering op basis van bouwperiode, sociaal-economische kenmerken van de bewoners, leefbaarheidsaspecten en ligging ten opzichte van andere stadsdelen)? De vierde paragraaf zal ingaan op de verschillende beleidsvormen in de loop van de tijd, zoals stedelijke herstructurering (1960-1972), stadsvernieuwing (1973-1987), stedelijke herstructurering (1988-1996) en stedelijke vernieuwing (1997-heden). Tot slot is het belangrijk te achterhalen wat de rol van de woningcorporaties is binnen de herstructureringsplannen en in hoeverre bewoners betrokken zijn bij hun wijk. Welke bewonersgroepen zijn er betrokken (en welke niet) bij het leefbaar en dus aantrekkelijk houden van de wijk. Op welke manieren is deze betrokkenheid terug te vinden?

2.2 De woningmarkt

Alvorens gekeken kan worden naar de wisselwerking tussen vraag en aanbod op de woningmarkt is het noodzakelijk te achterhalen welke huishoudenstypen, c.q. woonconsumenten (vraagzijde), en wijktypen (aanbodzijde) er te onderscheiden zijn. De woningmarktpositie van een huishouden hangt namelijk af van een aantal variabelen. Enerzijds zijn dit huishoudenskenmerken zoals de gezinsfase c.q. levensfase (leeftijd en samenstelling), de leefstijl, het inkomen en de etnische achtergrond van het huishouden. Anderzijds zijn dit woningkenmerken, zoals de eigendomsverhouding, het woningtype, de woninggrootte, de prijs en de bouwperiode van de woning (Van Engelsdorp Gastelaars & Vijgen, 1991). Vandaar dat in deze paragraaf eerst aandacht wordt besteed aan de verschillende huishoudenstypen en hun bijbehorende woonwensen en woonmogelijkheden (§2.2.1). Vervolgens wordt er op basis van fysieke verschillen (bouwperiode) een onderverdeling gemaakt tussen de verschillende naoorlogse wijktypen (§2.2.2).

2.2.1 Woningmarktpositie van de verschillende huishoudenstypen

In de Volkstelling van 1960 wordt een huishouden door het "Centraal Bureau voor de Statistiek" (CBS) omschreven als een groep van twee of meer personen, die in huiselijk verkeer met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (onder één dak wonen, gezamenlijk de hoofdmaaltijd gebruiken en een gezamenlijke woonkamer hebben). Tijdens het Woningbehoefteonderzoek (WBO) in 1985/1986 wordt deze omschrijving de definitie voor een meerpersoonshuishouden, waartegenover het eenpersoonshuishouden wordt geplaatst. Een eenpersoonshuishouden is volgens het WBO een persoon die alleen in een woning of woonruimte woont of een persoon die samen met anderen woont, maar met die andere personen geen gemeenschappelijke huishouding voert (Ministerie van VROM, 1989a).

De nieuwe onderverdeling tussen één- en meerpersoonshuishoudens is een logisch gevolg van de sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen die vanaf de jaren zeventig hebben plaatsgevonden. Een sterk groeiende economie en daarmee samenhangend een verbetering van de inkomenspositie van vele huishoudens (meer woonmogelijkheden) heeft in combinatie met een veranderde houding ten opzichte van gezinsvorming en een sterke immigratiestroom gezorgd voor een sterkere differentiatie van de huishoudenstypen. Zo verlaten jongeren steeds eerder het ouderlijk huis om alleen of ongehuwd samen te gaan wonen (in plaats van te wachten tot het huwelijk), terwijl ouderen steeds langer zelfstandig blijven wonen. Deze sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen zetten zich in de jaren tachtig onverminderd door, waardoor er in de periode 1960-1990 een verdubbeling plaatsvindt van het aantal huishoudens, namelijk van 3 naar 6 miljoen huishoudens. (Van Engelsdorp Gastelaars & Vijgen, 1991).

Het traditionele gezin verliest steeds meer terrein aan de andere huishoudenstypen. Waar in 1960 nog 85% van de huishoudens een gezinshuishouden vormt, is in 1985 nog maar 67% van de huishoudens een gezinshuishouden. Dit ondanks het feit dat het aantal gezinshuishoudens absoluut nog wel toegenomen is. Alleenstaanden zijn sinds 1960 de sterkst groeiende groep geweest, hun aandeel in het aantal huishoudens is van 12% in 1960 gestegen naar 27% in 1985. Deze groei is vooral te danken aan de jongeren die steeds eerder het ouderlijk huis verlaten, het toegenomen aantal echtscheidingen en het langer zelfstandig blijven wonen van ouderen (het aantal verweduwde alleenstaanden is nagenoeg constant gebleven). De overige groei komt voor rekening van de tweepersoonshuishoudens (hun aandeel is van 3% naar 6% gestegen). In de toekomst zal het traditionele gezinshuishouden terrein blijven verliezen (Ministerie van VROM, 1989a).

Waar het CBS in 1960 nog aan de hand van drie kenmerken (woonsituatie, wooncarrière en woonwensen van een huishouden) een basistypologie kon samenstellen zal er nu ook rekening gehouden moeten worden met een aantal nieuwe kenmerken van het huishouden. Allereerst de leeftijd (levensfase) van het hoofd van het huishouden. Dit kenmerk speelt een belangrijke rol bij de beoordeling van de woonsituatie, de eventuele verhuisgeneigdheid en woonwensen van het huishouden. Ten tweede de huishoudenssamenstelling, het zal duidelijk zijn dat een (alleenstaande) student een andere leefstijl (en bijbehorende woonwensen) heeft dan een gezin en/of een ouder huishouden. Ten derde de arbeidsmarktsituatie van het huishouden, waarbij met name de opkomst van de tweeverdieners opvallend is. Deze groep stelt andere eisen aan hun woning en woonomgeving dan de traditionele gezinnen. Tot slot het belangrijkste kenmerk, namelijk de inkomenspositie van het huishouden. Het inkomen bepaalt voor het grootste gedeelte de mogelijkheden van een huishouden op de woningmarkt (Kempen, 1994).

Aan de hand van deze kenmerken kan er vervolgens een huishoudenstypologie opgesteld worden, waarbij gekeken wordt naar de gezinsfase waarin het huishouden zich bevindt. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt tussen huishoudens in de pre-gezinsfase, de gezinsfase en de post-gezinsfase. Bij deze indeling speelt het wel of niet hebben van kinderen een belangrijke rol, want de huishoudens in de pre-gezinsfase hebben (nog) geen kinderen, huishoudens in de gezinsfase juist wel en in de post-gezinsfase hebben de kinderen het ouderlijk huis reeds verlaten. Binnen de drie gezinsfasen wordt vervolgens een onderverdeling gemaakt op basis van de zeven bovenstaande kenmerken. De huishoudenstypologie is weergegeven in tabel 2.1.

Tabel 2.1 Huishoudenstypologie per gezinsfase

Bron: Ministerie van VROM, 1992

Pre-gezinsfase
Binnen deze fase zijn er vier huishoudenstypen te onderscheiden. Allereerst de alleenstaande starters. Dit zijn over het algemeen jonge studenten met een laag tot zeer laag inkomen, die nog aan het begin van hun wooncarrière staan en nog weinig waarde hechten aan de woning en de woonomgeving. Voor deze groep zijn aspecten als betaalbaarheid van de woning en de nabijheid van het centrum (de voorzieningen, met name uitgaansgelegenheden) belangrijker. Ook bij de woningtoewijzing wordt aan deze groep minder prioriteit gegeven, waardoor de alleenstaande starters aangewezen zijn op de goedkope meergezinswoningen in het bezit van particulieren of corporaties. Vanwege de zwakke positie op de woningmarkt neemt deze groep veelal genoegen met kleine woningen (weinig ruimte) en ligt het percentage niet-zelfstandig wonende huishoudens (kamers, HAT-eenheden, etc.) relatief gezien hoog. Toch geniet zelfstandig wonen de voorkeur binnen deze groep (Kempen, 1994).

Ten tweede zijn er de alleenwonende werkers. Deze huishoudens zijn gemiddeld ouder en hebben een aanzienlijk hoger inkomen in vergelijking met de starters, hetgeen komt doordat deze groep al tot de arbeidsmarkt is toegetreden. Als gevolg hiervan hebben ze dus meer geld te besteden, maar minder vrije tijd. Vanwege dit tijdsgebrek wil men zo dicht mogelijk bij het werk en de voorzieningen wonen, waarbij men de voorkeur geeft aan een zelfstandige eengezinswoning in het liefst nieuwbouw of gerenoveerde oudbouw dichtbij het centrum (Ministerie van VROM, 1992). Een ruime meerderheid van de groep wenst een grote woning (meer dan drie kamers), hetgeen verband kan hebben met een verwachte (gewenste) uitbreiding van het huishouden (samenwonen en/of trouwen en eventueel gezinsuitbreiding). De jongeren (jonger dan 35 jaar) binnen deze groep hebben gemiddeld een hoger opleidingsniveau, c.q. inkomen, dan de alleenwonende werkers van middelbare leeftijd (35-55 jaar). Deze laatste groep wordt gekenmerkt door een hoog aantal werklozen, bijstands- en WAO-gerechtigden. Wel is deze groep langer actief op de woningmarkt, waardoor men over het algemeen verder gevorderd is in de wooncarrière (voldoet al meer aan de woonwensen) (Kempen, 1994).

De alleenstaande starters en alleenwonende werkers hechten over het algemeen weinig waarde aan het uiterlijk van de buurt en de bebouwing. Ook sociale aspecten binnen de buurt zijn voor deze groepen minder belangrijk doordat men de woning als een tussenstap ziet. Binnen deze groepen is er dan ook sprake van een relatief hoge verhuisgeneigdheid. Wat deze groepen wel belangrijk vinden is de afstand tot school/werk en de nabijheid van de voorzieningen (het centrum). Door de veranderde houding ten opzichte van gezinsvorming zal het alleenstaand wonen in steeds meer gevallen tevens de eindfase van een huishouden zijn, maar ook deze groep ("eeuwige") alleenstaanden is van plan om op (korte of lange) termijn te verhuizen naar een kwalitatief betere woning. Het overgrote deel van beide groepen zal echter gaan samenwonen/trouwen en eventueel een gezin stichten (Ministerie van VROM, 1992).

Ten derde zijn er de stedelijk georiënteerde tweepersoonshuishoudens. Dit zijn veelal tweeverdieners (zonder kinderen) die dichtbij de voorzieningen willen wonen. Deze huishoudens hebben over het algemeen een hoog opleidingsniveau, c.q. hoog inkomen, en zijn reeds in hun studententijd gewend (gehecht) geraakt aan de stedelijke leefstijl. De locatie van de woning ten opzichte van het centrum is voor deze groep het belangrijkste, daarna gaat men pas (binnen die locatie) op zoek naar een passende woning. Het merendeel van deze huishoudens houdt bij de woningkeuze rekening met eventuele gezinsuitbreiding in de toekomst en wenst een grote eengezinswoning (vier kamers of meer), het liefst in de koopsector. De oudere huishoudens binnen deze groep voldoen vaak al aan hun woonwensen en zijn daardoor iets minder verhuisgeneigd (Ministerie van VROM, 1992).

Tot slot zijn er de traditionele (suburbane) tweepersoonshuishoudens. Dit zijn de tweepersoonshuishoudens met een traditionele leefstijl, die een voorkeur hebben voor een woning in het suburbane gebied. Bij de woningkeuze houdt deze groep (nog meer dan de stedelijk georiënteerde tweepersoonshuishoudens) dan ook sterk rekening met een toekomstige gezinsuitbreiding, waardoor men een eengezinswoning met tuin in een rustige, groene buurt met voldoende speelvoorzieningen wenst. Ook binnen deze groep komen wel degelijk tweeverdieners voor, maar vaak zal bij de komst van een kind één van de partners (vaak de vrouw) stoppen met werken. Binnen dit huishoudenstype is er een relatief sterke scheiding tussen de lage en hoge inkomensgroepen. Huishoudens met een laag inkomen geven de voorkeur aan een huurwoning (87% van deze huishoudens), terwijl huishoudens met een hoog inkomen juist de voorkeur geven aan een koopwoning (67% van deze huishoudens) (Ministerie van VROM, 1992).

Gezinsfase
Binnen de gezinsfase zijn er allereerst de traditionele (suburbane) gezinnen. Bij deze huishoudens staat het gezin centraal (ook binnen de vrije tijdsbesteding) en geeft men de voorkeur aan een grote eengezinswoning (4-5 kamers of meer) met tuin in een rustige, groene omgeving met voldoende speelgelegenheden indien men jonge kinderen heeft. Naarmate de kinderen ouder worden neemt het belang van de speelvoorzieningen als woonwens af en hecht men steeds meer waarde aan de netheid van de woning en woonomgeving (Ministerie van VROM, 1992). De lage inkomensgroepen zijn meestal aangewezen op eengezinswoningen in de huursector of de goedkope delen van de koopsector, terwijl de hoge inkomensgroepen veelal een eengezinswoning in de vrije sector kopen. Doordat er in het landelijk (suburbane) gebied relatief weinig huurwoningen zijn in vergelijking met het stedelijk gebied wonen huishoudens met een hoog inkomen over het algemeen dan ook suburbaner dan de huishoudens met een laag inkomen. Ook hier geldt dat de oudere huishoudens vaker in een woning woonachtig zijn die reeds voldoet aan hun woonwensen (Kempen, 1994).

Ten tweede zijn er de stedelijk georiënteerde gezinnen. Deze huishoudens hebben veelal een hoog opleidingsniveau, c.q. hoog inkomen, waarvan vaak beide partners na de gezinsuitbreiding zijn blijven werken. Opvallend is dat deze groep ondanks het gemiddeld hoger inkomen niet vaker in een koopwoning woonachtig is dan een traditioneel gezin. Wel wonen de stedelijk georiënteerde gezinnen relatief gezien duurder (zowel qua huur- als koopprijs). Deze huishoudens moeten na de gezinsuitbreiding kiezen tussen het behoud van hun stedelijke leefstijl (en de nabijheid van de voorzieningen) enerzijds en het laten opgroeien van hun kind(eren) in een ruime, rustige en groene buurt anderzijds. Het overgrote deel (90%) kiest voor de kinderen en gaat suburbaan wonen, veelal in één van de uitbreidingwijken aan de stadsrand waardoor men toch nog redelijk dichtbij het centrum woont. Naarmate de kinderen ouder worden of de deur uitgaan keert een deel van deze gezinnen terug naar de stadscentra, waardoor de gezinnen die in de stadscentra wonen over het algemeen ouder zijn dan de gezinnen in de suburbane woonmilieus. De woonwensen van deze groep zijn verder hetzelfde als die van de traditionele gezinnen, namelijk een eengezinswoning met tuin (ook in het stedelijk gebied), het liefst in de koopsector, waarbij ook hier de oudere gezinnen vaak al aan hun woonwensen hebben kunnen voldoen (Ministerie van VROM, 1992).

Binnen de stedelijk georiënteerde en de traditionele gezinnen is er nog een bijzondere groep waar te nemen, namelijk de gezinnen zonder werk. Dit zijn vaak huishoudens van middelbare leeftijd (35-55 jaar) met een laag opleidingsniveau die rond moeten komen van een sociale-, bijstands- of WAO-uitkering. Als gevolg hiervan is deze groep veelal woonachtig in een goedkope meergezinswoning in de huursector. Een klein aantal van deze huishoudens woont wel degelijk in een koopwoning, maar deze woning was dan op het moment van werkloos worden vaak al hypotheekvrij, waardoor men kan blijven wonen. Ongeveer ¾ van de gezinnen zonder werk is reëel genoeg om in te zien dat men aangewezen is op een woning in de goedkopere segmenten, waardoor men ook qua woonwensen beperkte eisen stelt. Vaak wenst men een zo goedkoop mogelijke (veelal meergezins) huurwoning (Kempen, 1994).

Tot slot zijn er de eenoudergezinnen. Dit is, als gevolg van een toenemend aantal echtscheidingen, een groeiende groep, waarbij het aantal verweduwde huishoudens nagenoeg constant blijft. Een echtscheiding gaat vaak gepaard met een achteruitgang in het inkomen van beide partijen en heeft zodoende bijna altijd tot gevolg dat minimaal één van de partijen qua woonsituatie achteruitgaat. Opvallend is dat zo'n 85% tot 90% van de eenoudergezinnen een alleenstaande moeder is en ruim 67% van deze groep werkloos is. Logisch gevolg van deze hoge werkloosheid is dat de huishoudens veelal een laag inkomen hebben. De woningvoorkeur van deze huishoudens blijft opvallend genoeg een eengezinswoning (3-4 kamers) met tuin in een nette, rustige omgeving, maar dit is gezien de beperkte financiële mogelijkheden echter vaak niet mogelijk. Hierdoor zijn deze huishoudens veelal gedwongen in een meergezinswoning (in de huursector) te gaan wonen. Het zal dan ook niet verbazen dat de ontevredenheid over de huidige woonsituatie binnen deze groep relatief gezien dan ook het hoogst is (Kempen, 1994).

Post-gezinsfase
In deze fase worden twee huishoudenstypen onderscheiden. Allereerst de empty-nest huishoudens. Dit zijn vaak oudere (echt)paren (ouder dan 55 jaar), waarvan de kinderen het huis hebben verlaten. Qua woonvoorkeur vertoont deze groep veel overeenkomsten met de traditionele gezinnen. Dit is op zich niet zo vreemd omdat deze huishoudens veelal de eindfase van hun wooncarrière (eengezinswoning met tuin) bereikt hebben en zodoende zeer tevreden zijn over hun huidige woon- en leefsituatie. Bij de empty-nest huishoudens is de verhuisgeneigdheid dan ook laag. Ouderen wonen dus ook het liefst in een ruime, rustige en groene omgeving, maar hechten meer waarde aan de sociale aspecten binnen de buurt (veiligheid en sociale contacten) dan de gezinshuishoudens. Een klein deel van deze huishoudens, de stedelijk georiënteerde gezinnen, keert terug naar de stedelijke woonmilieus nadat de kinderen de deur uit zijn. Indien een empty-nest huishouden besluit om te verhuizen heeft dit meestal te maken met een (verwachte) achteruitgaande lichamelijke gesteldheid (gelijkvloers wonen) of een aanpassing aan de veranderde huishoudenssamenstelling (kleiner wonen) (Ministerie van VROM, 1992). De tweede groep binnen deze fase zijn de alleenwonende ouderen. Dit zijn veelal huishoudens waarvan de kinderen de deur uit zijn en waarbij een scheiding heeft plaatsgevonden of één van de partners is overleden. Echtscheiding en verweduwing leiden meestal tot een verslechterde inkomenspositie van het huishouden, waardoor deze huishoudens vaak aangewezen zijn op de goedkope woningen, waarbij de voorkeur uitgaat naar een kleine, gelijkvloerse woning in het bezit van particulieren of corporaties (onderhoud uitbesteed). De huishoudens houden dus net als de empty-nest huishoudens rekening met een (toekomstige) achteruitgaande lichamelijke gesteldheid. Opvallend is wel dat deze groep ouderen minder waarde hecht aan een rustige, groene omgeving en liever woonachtig is in een iets drukkere omgeving in de buurt van hun sociale contacten en de voorzieningen (vanwege de angst om geïsoleerd te raken). Met name de sociale contacten zijn voor veel ouderen het belangrijkste in hun leven (Ministerie van VROM, 1992).

Over het algemeen kan worden gezegd dat de oudere (echt)paren een hoger inkomen hebben dan de alleenwonende ouderen. Hierdoor hebben ze ook meer mogelijkheden op de woningmarkt indien men de woonsituatie gaat aanpassen aan de veranderde woonwensen (kleiner en/of gelijkvloers wonen). De lage inkomensgroepen zijn binnen het stedelijk gebied aangewezen op seniorenwoningen en de meergezinswoningen (huursector) met lift, terwijl de hoge inkomensgroepen (vooral de paren) meer gericht zijn op de (duurdere) appartementen (zowel in de koop- als de huursector) (Kempen, 1994).

Algemene woonwensen
Of een huishouden daadwerkelijk besluit om te gaan verhuizen heeft voor een belangrijk deel te maken met de huidige woonsituatie, waarbij gezegd moet worden dat een lage waardering van de woning en/of de woonomgeving lang niet altijd leidt tot een verhuizing. Wel zijn mensen geneigd het verschil tussen wens en werkelijkheid zo klein mogelijk te maken. Dit kan op drie manieren, namelijk door aanpassing van de huidige woning en woonomgeving aan de wensen, aanpassing van de woonwensen aan de woon- en leefsituatie of door te verhuizen. Bij het aanpassen van de woning en woonomgeving aan de wensen zijn de mogelijkheden vaak beperkt, met name binnen de huursector en de woonomgeving. Het aanpassen van de woonwensen gebeurt vaker, maar dit heeft veelal te maken met het ontbreken van reële (betaalbare en gewenste) alternatieven of een gebrekkige kennis van de woningmarkt waardoor men besluit in de huidige woning te blijven wonen. Door te verhuizen kan men de grootste veranderingen binnen de woonsituatie realiseren. Verhuismotieven kunnen ontstaan vanuit de woonsfeer, de persoonlijke sfeer en/of de werksfeer. Deze motieven hangen vaak af van de woonconsument zelf (verschilt per huishouden) en de wooncarrièrefase waarin het huishouden zich bevindt (Kempen, 1994).

Het overgrote deel van de bevolking is tevreden over de huidige woonsituatie en dus niet-verhuisgeneigd (Kempen, 1994). Binnen de verhuisgeneigde huishoudens kan geconcludeerd worden dat huishoudens in de pre-gezinsfase het meest verhuisgeneigd zijn. Deze huishoudens moeten zich nog ontwikkelen qua gezinsfase en/of arbeidsmarktpositie. Als starters op de woningmarkt zijn deze jonge huishoudens, mede door hun lage inkomen, vaak aangewezen op de goedkope huurwoningen. Bij een inkomensstijging of verandering in gezinsfase (samenwonen, huwelijk en/of gezinsuitbreiding) zullen deze huishoudens doorstromen naar een beter passende woning. Dit proces zal zich bij elke nieuwe verandering binnen het huishouden en/of inkomen waarschijnlijk herhalen (Ministerie van VROM, 1992). Vanaf het veertigste levensjaar neemt de verhuisgeneigdheid enorm af doordat het huishouden dan meestal een eengezinswoning (in een rustige, groene en kindvriendelijke buurt) heeft betrokken die binnen de mogelijkheden ligt. Uitzondering hierop vormen de eenoudergezinnen en de gezinnen zonder werk, die wel willen verhuizen maar hiervoor niet de (financiële) mogelijkheden hebben (Kempen, 1994). Pas rond of na de pensionering ontstaat opnieuw de neiging tot aanpassing van de woonomstandigheden. Veel ouderen gaan dan kleiner en gelijkvloers (dichter bij de sociale contacten) wonen als gevolg van een achteruitgaande lichamelijke gesteldheid en/of het overlijden van de partner (Ministerie van VROM, 1992).

2.2.2 Fysieke verschillen (bouwperiode) naoorlogse wijken

Naast de verschillende huishoudenstypen is het belangrijk te achterhalen welke wijktypen er zijn om zo een goed beeld te krijgen van de wisselwerking tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. De vooroorlogse woningvoorraad bestaat uit de centrummilieus en een aantal arbeiderswijken daar omheen. Doordat deze vooroorlogse wijken grotendeels geherstructureerd zijn en de overheid zich pas na de Tweede Wereldoorlog intensief bezig is gaan houden met ruimtelijk beleid zal hier verder alleen ingegaan worden op de naoorlogse woningvoorraad. Ruim driekwart van de stedelijke woningvoorraad is na de Tweede Wereldoorlog gebouwd. Het verschil tussen voor- en naoorlogse wijken is vaak ruimtelijk terug te vinden doordat er na de oorlog in de steden voor het eerst gebruik gemaakt wordt van systeembouw, hetgeen middelhoogbouw mogelijk maakt. Zelfs in plattelandsgemeenten is de naoorlogse woning terug te vinden, doordat men hier na de oorlog massaal gekozen heeft voor de bouw van eengezinswoningen. Het gaat dus vooral om verschillen in schaal, men bouwt grotere volumes, langere blokken en hogere gevels (Thijssen, 1987).

Binnen de naoorlogse wijken wordt op basis van bouwperiode vaak een onderverdeling gemaakt tussen vroegnaoorlogse (1945-1971), middennaoorlogse (1971-1981), recente (1981-heden) en gemengde (geen overheersende bouwperiode) wijken (Rohde, 1995). Allereerst de vroegnaoorlogse wijken (1945-1971). Als gevolg van verwoesting en een geboorte explosie was er na de oorlog sprake van een enorm woningtekort. Doordat de economie nog niet volledig hersteld is komt de bouw van nieuwe woningen maar langzaam op gang. De overheid probeert dit woningtekort te bestrijden met behulp van goedkope bouwmaterialen en ongeschoolde arbeidskrachten (Wassenberg, 1993). Vanaf 1948 worden de wijken voor het eerst opgebouwd met behulp van systeembouw, waarbij twee stedenbouwkundige stromingen centraal staan, namelijk het gemeengoed van het CIAM (Congrès International des Architectes Modernes) en de wijkgedachte (Gemeente Zwolle, 1989).

Het CIAM is in 1928 opgericht en gaat uit van de organisatieleer van Taylor: uiteenlegging van het geheel in afzonderlijke, beheersbare delen. Belangrijkste principes hierbij zijn de functiescheiding van wonen, werken, recreëren en verkeer en er dient een efficiënte en economische uitwisseling te zijn tussen woon- en werkgebieden (Gemeente Zwolle, 1989). De woonwijk wordt opgesplitst in verschillende delen waarbinnen de woningblokken vrij staan in de openbare ruimte. De delen worden gescheiden door een ruime hoeveelheid openbaar groen. De belangrijkste ordenende principes zijn licht, lucht, bezonning en verkeersontsluiting (De Haan & Lijbers, 1987). De wijkgedachte gaat er aansluitend vanuit dat elke eenheid (wijkdeel) één geheel vormt, waarbij een homogene bevolkings-samenstelling, wegwerken van fysieke barrières en een rijk verenigingsleven moeten leiden tot een goede sociale samenhang tussen de bewoners (Gemeente Zwolle, 1989).

De combinatie van beide stromingen heeft geresulteerd in drie verschillende wijktypen qua bouwstijl. In de jaren vijftig worden, met behulp van de nieuwe montagebouwsystemen, vooral wijken met laag- en middelhoogbouw gebouwd. Dit zijn voornamelijk portiekwoningen (3 of 4 verdiepingen hoog, zonder lift) die in de wijken gemengd worden met eengezinswoningen. Daarnaast komen er in de jaren zestig wijken met een menging van bouwhoogten. De montagebouwsystemen krijgen concurrentie van nieuwe (Franse en Zweedse) gietbouwmethoden, waardoor het mogelijk wordt hoge (galerij)flats te bouwen. Er ontstaan wijken met een menging van laag-, middelhoog- en hoogbouw. Uit de "Volkstelling 1960" is gebleken dat er nog steeds een enorm woningtekort is waardoor er vanaf 1963 (tot 1973) ook wijken gebouwd worden met overwegend hoogbouw (Thijssen, 1987).

Ten tweede de middennaoorlogse wijken (1971-1981). In dit decennium is er sprake van economische groei en een veranderende woningmarkt. De ernstige woningtekorten zijn ten einde en als reactie op de eenzijdige (middel)hoogbouw worden er wijken aangelegd met een groot aandeel eengezinswoningen. Tevens wordt er gebroken met de strakke stedenbouwkundige wijkopbouw en kiest men voor een "speelse" verkaveling en kronkelig stratenpatroon. Dankzij de differentiatie in het woningaanbod en de toegenomen individuele welvaart en mobiliteit hebben steeds meer huishoudens de kans om aan hun woonwensen te voldoen. Met name jonge gezinnen kiezen er voor om in deze uitbreidingswijken te gaan wonen waar rust en (groene) ruimte te vinden is. Als gevolg van economische achteruitgang en maatschappelijke veranderingen eind jaren zeventig komt aan deze periode van "gevarieerde laagbouwwijken" na een decennium al een eind (Wassenberg, 1993).

Ze worden opgevolgd door de recente wijken (1981-heden). De begin jaren tachtig worden gekenmerkt door een economische terugval en terugtrekkende overheid. Meer marktwerking en minder overheidssturing leiden ertoe dat er efficiënter (goedkoper) gebouwd moet worden. Naast uitbreiding komt er tevens interesse voor inbreiding als gevolg van het streven naar een compacte stad. Eenderde van de woningen in de jaren tachtig wordt binnen de bebouwde kom geplaatst, waarbij het veelal gaat om kleine woningen in de sociale sector. In de uitbreidingswijken is er sprake van versobering, waarbinnen eenvoud opvalt. De stedenbouwkundige structuur is eenvoudiger en de woningen vallen grotendeels binnen de goedkopere (huur)sectoren. In de jaren negentig maakt eenvoud plaats voor kwaliteit. Inbreiding is nog steeds het streven, maar nu wordt er gekozen voor duurdere (koop)woningen, een aantrekkelijk woonmilieu en woningen met extra voorzieningen voor ouderen. Met dit beleid hoopt de overheid meer in te spelen op het marktmechanisme van vraag en aanbod (Wassenberg, 1993).

Tot slot zijn er nog de gemengde wijken, waarvan de bouwperiode niet precies is vast te stellen. De bouw van een wijk vergt tijd, waardoor het kan gebeuren dat de plannen voor de wijk gemaakt zijn in de ene periode, terwijl de realisatie pas plaats vindt in een andere periode. Er vindt dus overlapping plaats. Daarnaast is een flink aantal (vooroorlogse) wijken inmiddels geherstructureerd, waarbij vaak een groot deel van de woningen gesloopt is of zeer ingrijpend verbeterd, waardoor het bouwjaar aangepast (vernieuwd) wordt (Teule, Heeger & Hilkhuysen, 1991).

2.3 Verslechtering positie naoorlogse wijken

De verschillende bouwperioden hebben geresulteerd in een diversiteit aan wijken (en woningen). Een deel van deze naoorlogse wijken kampt met fysieke en/of sociale problemen, waardoor deze wijken minder aantrekkelijk worden. Deze problemen hangen vaak nauw samen met de veranderde woonwensen van de huishoudens (als gevolg van de sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen) sinds de jaren zeventig. De verschillende huishoudenstypen stellen verschillende eisen aan hun woonmilieu. De verschillende huishouden- en wijktypen zijn reeds in de vorige paragraaf behandeld. Hier zal gekeken worden naar de andere factoren, zoals een terugtrekkende overheid en problemen binnen de wijken zelf (§2.3.1) die mede geleid hebben tot het ontstaan van probleemwijken (§2.3.2).

2.3.1 Problemen in naoorlogse wijken

Naast de veranderde woonwensen van huishoudens zorgen problemen binnen de (vroeg)naoorlogse wijken zelf voor het minder aantrekkelijk worden van deze wijken. Deze problemen zijn onder te verdelen in drie categorieën, namelijk problemen met betrekking tot de woningmarkt, woontechnische en sociale problemen en exploitatieproblemen. In de eerste plaats problemen met betrekking tot de woningmarkt. Door de sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen stellen huishoudens steeds hogere eisen aan hun woning en de woonomgeving, waaraan een deel van de naoorlogse woningen niet meer kan voldoen (Ministerie van VROM, 2000). Met name de vroegnaoorlogse wijken hebben als gevolg van stadsvernieuwing in de vooroorlogse wijken en nieuwbouw aan de stadsranden tegenwoordig een verslechterde positie op de woningmarkt. Gezien de gebrekkige kwaliteit (in verhouding met andere wijktypen) van de woningen in deze wijken ontstaat een ongunstige prijs-kwaliteitverhouding. De woningen zijn in de ogen van de consument te duur in verhouding tot de kwaliteit van de woningen, dit ondanks het feit dat de woningen tot de goedkoopste segmenten van de woningmarkt behoren (Rosemann & Westra, 1987).

Daarnaast zijn er in de (vroeg)naoorlogse wijken woontechnische en sociale problemen. De eenzijdige wijkopbouw heeft geleid tot een negatief imago van de wijken. Middelhoog- en hoogbouw wordt vaak geassocieerd met onveilig. Voor een groot deel heeft dit te maken met het gebrek aan sociale controle op "maaiveldhoogte". De onderste verdieping van flats is vaak ingericht met garages en schuurtjes, hetgeen leidt tot anonimiteit, slechte zichtbaarheid en veel uitwegen. Deze aspecten werken criminaliteit en vandalisme in de hand (Gemeente Zwolle, 1989). Huishoudens die het zich kunnen veroorloven verhuizen naar de kwalitatief betere sectoren, terwijl de sociaal-economisch zwakke huishoudens achterblijven in de minst aantrekkelijke wijken. Gevolg van deze ruimtelijke uitsortering is een versterking van de sociale problemen, zoals een extra daling van de sociale controle en een toename van vandalisme en leegstand in desbetreffende wijken (Klijn, 1987).

Door de slechte woningmarktpositie, woontechnische en sociale problemen ontstaat er veelal een derde probleemsoort in de (vroeg)naoorlogse wijken, namelijk exploitatieproblemen. Veel probleemcomplexen hebben een negatief exploitatieverloop. Terwijl de kosten voor onderhoud en verbetering van de complexen gestegen zijn in de loop van de tijd, zijn de huurprijzen relatief laag gebleven. In het begin (de jaren vijftig) waren de woningen alleen betaalbaar voor huishoudens met een modaal inkomen, tegenwoordig wonen er veelal lage inkomensgroepen. Tevens is er het probleem van leegstand, de woning levert niks op, terwijl onderhoud nodig blijft. De woningcorporaties moeten kiezen tussen economische en sociale belangen. Economisch gezien is het onrendabel om de complexen te onderhouden (de kosten zijn hoger dan de huuropbrengsten), waardoor er alleen nog maar verbeteringen en onderhoud worden toegepast indien dit maatschappelijk gezien noodzakelijk is (Klijn, 1987). Tot slot hebben de woningcorporaties onderling een verschillende financiële positie en woningbestand, waardoor corporaties die bij de woningtoewijzing wel rekening houden met sociale aspecten vaak opgezadeld worden met een overschot aan sociaal-economisch zwakke huishoudens, die vanwege bedrijfseconomische redenen bij de andere corporaties afgewezen zijn (Westra, 1987).

Deze problematiek binnen de naoorlogse wijken wordt in de jaren tachtig versterkt doordat de overheid zich steeds verder terugtrekt van de welvaartstaat. De overheid pleit voor meer marktwerking en besluit de sociale woningbouw niet langer meer te financieren. Dit zal steeds meer vanuit de kapitaalmarkt plaats moeten gaan vinden. Tevens wordt de objectsubsidiëring van sociale huurwoningen sterk aangepast, c.q. afgeschaft, en stopt de overheid met de subsidiëring voor woningverbetering. De financiële prikkels van de overheid worden dus stopgezet en het is aan de woningcorporaties om een passend aanbod te realiseren. Hierbij richten de corporaties zich op de doorstroming, de bouw van duurdere nieuwbouwwoningen voor de midden- en hoge inkomensgroepen, die op hun beurt goedkope bestaande woningen vrij maken voor de lagere inkomensgroepen (Kempen, 1994).

Overigens moet opgemerkt worden dat een groot deel van de lage inkomensgroepen met behulp van Individuele Huur Subsidie (IHS) toch in staat is om een duurdere (nieuwbouw)woning te bewonen (Koolma, 1987). Het verschil tussen de lage en hoge inkomengroepen is vooral zichtbaar in de koopsector (geen subsidies). Dit is zowel terug te vinden in de suburbanisatie van midden- en hoge inkomensgroepen naar de nieuwe uitbreidingswijken als binnen het stedelijk gebied, waar "gentrification" opkomt. Dit is de trek van midden- en hoge inkomensgroepen terug naar de stad. Met name stedelijk georiënteerde huishoudens (veelal tweeverdieners zonder kinderen) voelen er veel voor om een kwalitatief goede woning (nieuwbouw of gerenoveerde oudbouw) in de stad te kopen zodat men dicht bij het werk en de voorzieningen woont. Hiervoor zoekt men de kwalitatief betere buurten met voldoende sociale en verkeersveiligheid en een goed voorzieningenaanbod met name gericht op eventuele gezinsuitbreiding (kinderopvang etc.) (Karsten, 1999).

2.3.2 Probleemwijken

Als gevolg van de verslechterde woningmarktpositie van een deel van de naoorlogse wijken vindt er ruimtelijke uitsortering plaats, hetgeen binnen deze wijken leidt tot een eenzijdige bevolkingssamenstelling. De lage inkomensgroepen, waaronder een groot aantal allochtonen, zullen steeds vaker geconcentreerd bij elkaar in een wijk wonen. Vaak zijn dit de minst aantrekkelijke wijken op de woningmarkt, die door hun onaantrekkelijkheid betaalbaar zijn voor deze groepen. Deze concentratiewijken worden veelal aangeduid als achterstandswijken en/of probleemwijken. Tussen beide benamingen zit een belangrijk verschil. Een concentratie van huishoudens met een sociaal-economische achterstand (laag inkomen en opleidingsniveau of gebrek aan andere sociale vaardigheden) wordt aangeduid als een achterstandswijk, maar dit wil niet direct zeggen dat er in de wijk ook problemen zijn qua overlast, veiligheid etc. Een achterstandswijk is lang niet altijd een probleemwijk (Ministerie van VROM, 2000).

Op basis van een achttal dimensies (welstand, woningtype, bouwperiode en bouwtechnische kwaliteit, gezinnen, jongeren, sfeer en overlast, voorzieningen en de ligging en bedrijvigheid) zijn er vier typen (vroeg)naoorlogse wijken te onderscheiden die te maken hebben met fysieke en/of sociale problemen. Dit zijn de vergrijsde portiekwijk, de verschraalde portiekwijk en in mindere mate de recente hoogbouw doorgangswijk en de centrale vroegnaoorlogse rijtjeswijk. De recente laagbouw gezinswijk, de welvarende laagbouwwijk en de gemiddelde naoorlogse wijk hebben daarentegen over het algemeen weinig fysieke en sociale problemen (Rohde, 1995). Hier zal verder alleen ingegaan worden op de vier wijktypen die wel met fysieke en/of sociale problemen te maken hebben.

De vergrijsde en verschraalde portiekwijk
Beide wijktypen zijn in de jaren vijftig en zestig gebouwd en hebben te maken met een eenzijdige wijkopbouw, waardoor ze weinig sfeer uitstralen. Veelal is gekozen voor meergezinswoningen (gemiddeld 64%), waarvan ruim de helft middelhoog- en de andere helft hoogbouw. Eengezinswoningen zijn met percentages tussen de 30 en 40% in verhouding sterk ondervertegenwoordigd (in de andere wijktypen scoort dit woningtype tussen de 70 en 80%). Tevens valt gemiddeld 80% van de woningvoorraad van deze wijken binnen de (sociale) huursector (in sommige gevallen zelfs 90%). Niet alle goedkope woningen zijn per definitie kwalitatief slecht, maar binnen deze wijktypen bestaat er wel degelijk een verband tussen het lage huurprijs- en kwaliteitsniveau en de hoge bouwtechnische herstelkosten (Rohde, 1995).

Daarnaast hebben beide typen portiekwijk een overschot aan ouderen en oudere gezinnen en dus te maken met vergrijzing. Oudere mensen hebben vaak een lage verhuisgeneigdheid doordat de buurt hun sociale integratiekader vormt. Hiervan is sprake indien een individu het merendeel van zijn/haar contacten in de buurt zelf heeft (Schröder, 1991). Dankzij de verslechterde woningmarktpositie van de portiekwijken en maatschappelijke veranderingen in de jaren tachtig vormt de buurt steeds minder een hechte gemeenschap. Veel ouderen verdwijnen uit de buurt (overlijden of verhuizen naar een seniorenwoning) en de vrijgekomen woningen worden door jongeren (studenten en starters op de arbeidsmarkt), werklozen en allochtone gezinnen bewoond (Kalle & Teule, 1997). Waar de oude bewoners nog een grote betrokkenheid bij de buurt hebben (hadden), ontbreekt dit bij de nieuwkomers. Door het wegvallen van het sociale netwerk lopen steeds meer mensen kans op maatschappelijke desintegratie. De belangrijkste risicogroepen zijn de ouderen en de langdurig werklozen (Schröder, 1991). Daarnaast is er door een gebrek aan onderlinge sociale samenhang (cohesie) veelal een gebrek aan sociale controle, hetgeen vaak leidt tot overlast, zoals vervuiling, (kleine) criminaliteit en geluidsoverlast (Rohde, 1995).

Een laatste kenmerk van beide wijktypen is de hoge concentratie allochtonen. Uit onderzoek is gebleken dat inkomenssegregatie (gedwongen keuze) hierbij een belangrijkere rol speelt dan congregatie (vrijwillige keuze) op basis van culturele achtergrond en/of organisatievorm van het huishouden. Veel allochtone huishoudens vallen binnen de lage inkomensgroepen en zijn als gevolg daarvan aangewezen op de goedkope woningmarktsector in de achterstandswijken (inkomenssegregatie). Deze etnische segregatie leidt in Nederland niet tot het ontstaan van extra problemen binnen de concentratiewijken (Ministerie van VROM, 2003). Voordeel van deze concentratie is dat het voor etnische minderheden mogelijk wordt culturele normen en waarden in stand te houden, doordat er een draagvlak ontstaat voor culturele en/of etnische voorzieningen. Een klein deel van de allochtone bevolking zal om deze redenen er zelf voor kiezen om in de wijk te gaan wonen (ook al heeft men de middelen elders te wonen). In deze gevallen is er sprake van een vrijwillige keuze (congregatie) en dus geen segregatie (Kloosterman & Van der Leun, 1999).

De toekomst van de portiekwijken is in de jaren negentig voorspeld op basis van drie scenario's van het Centraal Plan Bureau (CPB). Dit zijn Competitie (marktmechanisme centraal, sterke economie en gespannen arbeidsmarkt), Coördinatie (gelijkwaardigheid, coördinatie en duurzaamheid gaan voor marktwerking) en Verdeeldheid (geringe economische groei en dalende werkgelegenheid). In alle drie de scenario's behoren de portiekwijken tot de goedkope (koop)woningvoorraad en zijn de wijken niet erg gewild. Afhankelijk van de economische groei zal er dan ook veel geïnvesteerd moeten worden in verbetering van de woontechnische kwaliteit van de woningcomplexen door middel van herstructurering, sloop, verkoop, renovatie, onderhoud etc. (Wassenberg, 1999).

De recente hoogbouw doorgangswijk en de centrale vroegnaoorlogse rijtjeswijk
Deze twee wijktypen hebben in vergelijking met de portiekwijken in mindere mate te kampen met fysieke en/of sociale problemen. De recente hoogbouw doorgangswijk is met name in de jaren zestig en zeventig gebouwd (gemiddeld bouwjaar is 1968). In dit wijktype overheersen de meergezinswoningen (veelal in de huursector), voor meer dan de helft hoogbouw (Rohde, 1995). Het aandeel jongeren in dit wijktype is hoog en daarmee samenhangend ligt het opleidingsniveau relatief gezien ook vrij hoog. Dit duidt op veel studenten en jonge starters op de arbeidsmarkt, die de wijk zullen verlaten indien men overgaat in een andere levensfase (gezin, goed betaalde baan) (Schröder, 1991). De wijk wordt dan ook vaak getypeerd als een doorstroomwijk, waardoor de sociale samenhang tussen bewoners laag is (men woont er maar tijdelijk, dus waarom goed contact opbouwen met buren). Dit leidt tot relatief veel overlast en een sterk gevoel van onveiligheid. Vanaf begin jaren negentig is ook in dit wijktype het aandeel allochtonen enorm toegenomen, waarbij het de vraag is of deze huishoudens ook kunnen doorstromen of qua inkomen gebonden zijn aan de wijk (Rohde, 1995).

De centrale vroegnaoorlogse rijtjeswijk is het oudste wijktype en heeft zodoende het laagste aandeel huurwoningen. De rijtjeswoningen zijn vaak dichtbij het centrum gelegen en in de wijken is relatief veel bedrijvigheid geplaatst. Inmiddels heeft dit wijktype te maken met vergrijzing. Er zijn veel oudere gezinnen (met kinderen) en ouderen die gebonden zijn aan de wijk. Het merendeel van deze oudere wijkbewoners heeft een lage opleiding genoten en zodoende is er in de wijk sprake van hoge werkloosheid en een gemiddeld laag inkomensniveau. De verhuisgeneigdheid was altijd laag, maar is eind jaren tachtig licht toegenomen. Veelal zijn dit de overgebleven jongeren, die op zoek zijn naar een grotere woning elders (Rohde, 1995).

Het toekomstperspectief voor de recente hoogbouw doorgangswijk is op basis van de drie scenario's van het CPB vrij gunstig. Door renovatie, creëren van voorzieningen op "maaiveldhoogte" en herinrichting van de openbare ruimte zal het imago van deze wijken zich verbeteren en zullen de wijken meer gewild worden. Het Verdeeldheidscenario is echter minder rooskleurig en wijst op leegstand en doorzettende congregatie en segregatie. De hoogbouwwijk zal nooit helemaal van zijn functie als doorgangswijk afkomen (Wassenberg, 1999). De recente vroegnaoorlogse rijtjeswijk krijgt ook steeds meer een functie als "starterswijk". De goedkope (koop)woningen zijn ideaal voor jonge huishoudens die op zoek zijn naar hun eerste koopwoning. De bouwtechnische achterstand van de woningen zorgt er echter voor dat veel van deze huishoudens (na een inkomensverbetering of gezinsuitbreiding) uiteindelijk willen doorstromen en dus weer plaats maken voor starters (Wassenberg, 1999).

Tot slot is het belangrijk om bij de wijktypering te wijzen op het verschil tussen de vier grote en de middelgrote steden. Waar de problematiek binnen vooroorlogse wijken geconcentreerd in de vier grote steden terug te vinden is, moet men zich realiseren dat de naoorlogse wijken relatief juist veel meer in middelgrote steden voorkomen, met name de verschraalde portiekwijk en de recente hoogbouw doorgangswijk. Dit vraagt om lokale aanpakstrategieën, waarbij er in de vier grote steden vaak sprake is van meerdere probleemwijken (zowel voor- als naoorlogs) en men zodoende met plannen boven wijkniveau werkt, terwijl in de middelgrote steden bijna altijd een aanpak op wijkniveau volstaat (Kalle & Teule, 1997).

Terug naar boven

Hosted by www.Geocities.ws

1