| |
3.1 Inleiding
Na de Tweede Wereldoorlog krijgt ook Zwolle te maken met een explosieve bevolkingsgroei. In een onderzoek van het
"Economisch Technologisch Instituut Overijssel" (ETIO) begin jaren vijftig wordt een bevolkingsgroei van 17.500 mensen
(5580 woningen) voorspeld, waarmee het inwonertal in 1970 op 68.000 zou komen. De samenkomst van spoor-, water- en
autowegen maakt Zwolle tot een belangrijk knooppunt binnen het nationale wegennetwerk, maar zorgt er ook voor dat de stad
steeds meer in de knoop raakt. De stad wordt omsloten door de Rijksweg 28, de spoorwegen en de oostelijke Ceintuurbaan
(bijlage 1, rode driehoek) en de ruimte om binnen dit gebied verder uit te breiden is beperkt (Van Embden, 1955). De stad
zal dus over één van deze wegen moeten uitbreiden. Hierbij valt een verdere groei in oostelijke richting (Ceintuurbaan)
direct af. De lintvorm die de stad dan zou krijgen vormt een bedreiging voor de centrumfunctie van de binnenstad en zorgt
tevens voor veel woon-werkverkeer door deze binnenstad, omdat de werkgelegenheid in het westen geconcentreerd is.
Uiteindelijk wordt gekozen voor het plan van stedenbouwkundige S.J. van Embden om in noordwestelijke richting over de
Rijksweg uit te breiden (Van Embden, 1955).
Het plan van Embden speelt zich af binnen een andere driehoek gevormd door de Rijksweg, het Zwarte Water en de Vecht
(bijlage 1, groene driehoek). Binnen dit gebied worden twee woonwijken, Holtenbroek en de Aa-landen, aangelegd en wordt er
ruimte gereserveerd voor mogelijk een derde (kleinere) wijk ten noorden van de Aa-landen. Het overige deel behoudt zijn
huidige (overwegend agrarische) bestemming en dient tevens als recreatiegebied. Om de wijken op een goede en veilige manier
te verbinden met de bestaande stadsdelen dienen er vrije kruisingen te komen met de Rijksweg. Van Embden kiest er voor om de
Rijksweg op te hogen, waardoor de verbindingswegen tussen de nieuwe wijken en het stadscentrum op de normale hoogte kunnen
blijven (viaducten in plaats van tunnels). De onderlinge afstand tussen de viaducten bedraagt niet meer dan 600 meter om zo
alle wijkdelen even goed te verbinden (Van Embden, 1955). De volgende paragraaf zal verder ingaan op het structuurplan voor
de wijk Holtenbroek, waarna gekeken wordt hoe de wijk is geworden.
3.2 Het structuurplan
De naam Holtenbroek duidt op laag en drassig land. Met de bouw van de wijk is op 17 september 1958 officieel begonnen toen
minister H.B.J. Witte de eerste paal in de grond sloeg. Holtenbroek is dan ook een echte vroegnaoorlogse wijk, die aan de
hand van het gedachtengoed van het CIAM en de wijkgedachte opgebouwd is. De gelede of samengestelde stadsstructuur zoals het
CIAM deze voor ogen heeft past echter niet geheel bij Zwolle. De uitbreidingswijken en het stadscentrum zijn te klein om
onafhankelijk van elkaar te bestaan en de stad zelf is te klein om een satellietstad (wijken met minimaal 50.000 inwoners)
te hebben. Hierdoor zal in de wijk zelf alleen voorzien moeten worden in de dagelijkse voorzieningen, waardoor de
wijkbewoners voor indirecte voorzieningen gericht blijven op het stadscentrum (ETIO, 1957).
Wel is de wijk opgedeeld in vier (ongeveer even grote) delen, waarvan de woonblokken in verband met bezonning oost-west
en/of noord-zuid georiënteerd zijn. De wijkdelen zijn onderling gescheiden door vrij brede groenstroken (met daarbinnen de
scholen en kerken) in de vorm van een assenkruis (figuur 3.1). In de wijk is dus een duidelijk rasterpatroon terug te
vinden. Het wijkwinkelcentrum (30 winkels, een servicegarage en 6 tot 10 kleine bedrijven, een postkantoor en een medisch
en sociaal verzorgingscentrum) ligt aan de zuidkant van de wijk in de richting van het stadscentrum. Daarnaast zijn er twee
kleinere buurtwinkelcentra (10 tot 16 winkels) gekomen (Van Embden, 1957).
Figuur 3.1 Structuurschets Holtenbroek

Bron: Gemeente Zwolle, 1961
Qua woningbouw in de wijk wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke differentiatie in woningtype, waarbij langs de wijk-
en buurtwegen middelhoogbouw (3 of 4 lagen) komt en langs de woonstraten tussen deze wegen een zo groot mogelijk aantal
eengezinswoningen als economisch verantwoord (de bouwkosten van een eengezinswoning zijn relatief gezien hoog, terwijl de
gemeente krap bij kas zit). Op enkele, stedenbouwkundig voor de hand liggende, punten kan hoogbouw (10 lagen) worden
geplaatst, met name langs de westrand met uitzicht over het Zwarte Water. In het oorspronkelijke plan wordt uitgegaan van
3700 woningen voor ongeveer 14 á 15.000 mensen (Van Embden, 1957). Eind jaren vijftig wordt Zwolle aangewezen als
kerngemeente binnen het industrialisatiebeleid en groeit als gevolg daarvan explosiever dan in het plan van Embden werd
aangenomen. Hierdoor wordt het aantal te realiseren woningen binnen de wijk in het "Structuurplan 1961 voor de gemeente
Zwolle" verhoogd naar 4420 woningen voor ongeveer 15.000 mensen (Gemeente Zwolle, 1961).
Tevens wordt in het structuurplan het aantal te realiseren woningen per wijkdeel weergegeven. Dit zijn in Holtenbroek I 796
woningen, in Holtenbroek II 1354 woningen en in Holtenbroek III 1007 woningen. Het resterende aantal (1263 woningen) zal in
Holtenbroek IV moeten komen, waarbij men er vanuit gaat dat er in dit wijkdeel uitsluitend hoogbouw komt. Dit blijkt als
gevolg van te hoge kosten (montagebouw was toen relatief duur) echter niet realiseerbaar. Het aantal te realiseren woningen
in Holtenbroek IV wordt in het "Uitbreidingsplan 1962" dan ook bijgesteld naar 1055 woningen. Het streven naar menging van
voorzieningen en woningen, om 's avonds "dode" wijkgedeelten te voorkomen, in Holtenbroek IV blijft wel gehandhaafd
(Gemeente Zwolle, 1961). Hoe de wijk daadwerkelijk is geworden en zich daarna ontwikkeld heeft wordt in de volgende
paragraaf behandeld.
3.3 Ontstaan van een wijk
De bouw van de wijk is eind jaren zestig grotendeels voltooid en een groot aantal bewoners is dan al aardig vertrouwd
geraakt met en gesetteld in hun nieuwe wijk. Doordat de wijkdelen (chronologisch) na elkaar zijn gebouwd, zijn veel
huishoudens al een aantal jaren in de wijk woonachtig. Er is binnen een decennium een nieuwe wijk ontstaan, zoals blijkt
uit het volgende citaat: "Waar negen jaar geleden alleen de grutto's sliepen, waakzaam op een onbeschermd nest, daar slapen
nu elke nacht honderden kinderen in hun warme bed. Soms wordt er één wakker na een onrustige droom en kijkt verschrikt om
zich heen naar de kamer, die in de nacht een heel ander gezicht draagt dan in het daglicht. Maar het rustige schijnsel van
de lantaarn en een blik uit het raam stellen het kind weer gerust. Daar liggen onveranderd en vertrouwenwekkend solide de
huizen, de winkels, de straten, de scholen, de wijk waar hij opgroeit, zijn wereld: Holtenbroek" (Gemeente Zwolle,
1967).
In figuur 3.2 is de wijkopbouw weergegeven. De wijk beslaat in totaal zo'n 190 hectare, waarvan naast bebouwing 37 hectare
openbaar groen (groene assenkruis en gebied ten noorden van de wijk) en ongeveer drie hectare speelvoorzieningen. De drie
winkelcentra in de wijk zijn het buurtwinkelcentrum Obrechtstraat (voorziet met name Holtenbroek I), het buurtwinkelcentrum
Bachplein (voorziet met name Holtenbroek II en III) en het wijkwinkelcentrum Sweelinckplein dat pas aangelegd is na
voltooiing van de wijk en boven wijkniveau functioneert. De onderwijsvoorzieningen op wijkniveau (zeven kleuterscholen en
negen basisscholen) en de drie kerken zijn gelegen op de oost-west as van het groene assenkruis met uitzondering van de
Monteverdischool (basisschool) en één kerk. Daarnaast zijn er een aantal onderwijsvoorzieningen boven wijkniveau (voortgezet
onderwijs en de vakscholen) die door hun bredere uitstraling aan de rand van de wijk zijn geplaatst (Gemeente Zwolle,
1967).
Figuur 3.2 De wijkopbouw

Bron: De Hartog-Bosboom, Van Nieuwenhuyzen-Gevers Deynoot & Vollmer, 1970
De woningen in de wijk zijn voor het merendeel eigendom van de woningbouwverenigingen A.Z.C.W., Beter Wonen, Samenwerking
en Openbaar Belang. Aangezien de wijkdelen onderling gescheiden (en in verschillende jaren gebouwd) zijn, zullen ze hier
ook los van elkaar behandeld worden.
Allereerst Holtenbroek I. Sinds het slaan van de eerste paal in 1958 zijn er 844 woningen in de woningwetsector gebouwd,
waarvan 176 eengezinswoningen. De netto woningdichtheid in dit wijkdeel is 65 woningen per hectare. In de oosthelft zijn de
woonblokken, uitsluitend middelhoogbouw, zo gerangschikt dat er vierkante open ruimten zijn ontstaan. In vier van deze
ruimten zijn blokjes bejaardenwoningen geplaatst met uitzicht op de groenstrook. Het buurtwinkelcentrum Obrechtstraat is
gevestigd op maaiveldhoogte in de zuidelijkste middelhoogbouwflat. Het groen dient hier als kijkgroen. In de westhelft zijn
de woningen gesitueerd aan woonpaden die noord-zuid lopen, terwijl de straten (met twee knikken erin) juist oost-west lopen.
Langs de randen is er middelhoogbouw met daarbinnen eengezinswoningen van het splitleveltype. Hier heeft het groen meer een
gebruikersfunctie. Tot slot staan er drie middelhoogbouwflats (4 lagen) aan de Obrechtstraat (zuidelijke randweg) en een
hoogbouwflat in de groenstrook naast de scholen (noordwest hoek). Het wijkdeel wordt omringd door wegen waardoor men altijd
moet oversteken om in de groenstroken (kerken en scholen) te komen. De oude boerderij "De Klooienberg" is de enige
herinnering aan de agrarische geschiedenis van de wijk. De boerderij is gelegen in de groenstrook langs het Zwarte Water en
doet nu dienst als jeugdclubhuis en kinderboerderij (De Hartog-Bosboom, Van Nieuwenhuyzen-Gevers Deynoot & Vollmer,
1970).
Holtenbroek II telt 1292 woningen, waarvan 348 eengezinswoningen. Een groot deel van deze eengezinswoningen zijn
koopwoningen. De netto woningdichtheid is 54 woningen per hectare. De middelhoog- en hoogbouw is ook hier aan de randen
geplaatst, maar nu juist aan de andere kant van de wegen (langs de Klooienberglaan en Beethovenlaan middelhoogbouw en
langs de Palestrinalaan hoogbouw) waardoor het wijkdeel alleen aan de zuidzijde begrensd wordt door een weg. Dit is de
Bachlaan, waaraan middelhoogbouw is geplaatst. Het middengebied is opgevuld met eengezinswoningen en vier lage flats.
Hierbij is hetzelfde verkavelingspatroon acht keer terug te vinden, namelijk woningen in lange rijen aan één zijde van de
straat met aan de andere kant grasvelden omringd door paden. Daaraan liggen in oost-west richting, dwars op de straat
"drive-in" woningen en in noord-zuid richting meer traditionele eengezinswoningen. Het groen binnen het wijkdeel is
kijkgroen en aan de oostkant (het groene assenkruis) dient het groen als speelgroen (speelweiden, klimtorens en trapveldjes
enz.). In de zuidoost hoek is het buurtwinkelcentrum Bachplein gelegen (De Hartog-Bosboom, Van Nieuwenhuyzen-Gevers Deynoot
& Vollmer, 1970).
Holtenbroek III telt 944 woningen voornamelijk in de woningwetsector, waarvan 378 eengezinswoningen. De netto dichtheid is
57 woningen per hectare. De woonbebouwing wordt aan drie zijden door wegen omsloten. Alleen aan de westkant loopt de
bebouwing, drie flats (5 lagen), door in de groenstrook en de flat aan de Palestrinalaan ligt aan de andere kant van de
randwegen. Het binnengebied bestaat uit negen delen, waarbij telkens een zelfde schakeling van eengezinswoningen en
middelhoogbouw optreedt. Hierdoor zijn laagbouw en middelhoogbouw meer vermengd dan in Holtenbroek I en II. Aan de zuidrand
(Bachlaan) is dit patroon gewijzigd, daar is alleen middelhoogbouw. De eengezinswoningen liggen aan paden en pleinen die ook
voor auto's toegankelijk zijn. Deze pleinen dienen tevens als speelpleinen voor de kinderen. De groene velden tussen de
middelhoogbouw hebben een gebruikersfunctie. Aan de oostkant van het wijkdeel bevindt zich de middelbare school
(De Hartog-Bosboom, Van Nieuwenhuyzen-Gevers Deynoot & Vollmer, 1970).
Tot slot Holtenbroek IV, dit wijkdeel is nog niet volledig afgebouwd in 1970. Het oostelijk deel met woningen in de
premie- of vrije sector (het witte gebied in figuur 3.2 tussen Lassuslaan, Gombertstraat en Middelweg) is op de hoogbouwflat
aan de Lassuslaan na dan nog in aanbouw. Aangezien dit buurtje in de premie- of vrije sector wordt gebouwd zal het een
andere doelgroep dienen dan de rest van het wijkdeel, waardoor het hieronder dan ook niet meegerekend wordt (het is
eigenlijk een apart deel van de wijk). Holtenbroek IV telt zonder dit buurtje 975 woningen, waarvan 202 eengezinswoningen.
De dichtheid is 68 woningen per hectare. Alle eengezinswoningen zijn geconcentreerd in de noordhelft, waarbij tussen de
groenstrook en de woningen geen weg loopt. De bebouwing in dit deel is vrijwel gelijk aan Holtenbroek III, alleen is hier
een onderscheid gemaakt tussen speel- en parkeerpleinen. De speelpleinen liggen tussen de woningen en daar mag niet op
geparkeerd en gereden worden. Aan de noordzijde van de Gombertstraat liggen nog drie middelhoogbouwflats. In de zuidhelft
komt alleen hoogbouw voor, waardoor dit deel qua bebouwing afwijkt van de rest van de wijk. Aan de zuidzijde van de
Gombertstraat staan vier hoogbouwflats en waar de Gombertstraat naar het noorden afbuigt staat nog een hoogbouwflat (min of
meer in het groene assenkruis). Langs de Obrechtstraat is tot slot een middelhoogbouwflat (4 tot 6 lagen) van bijna 200
meter lengte geplaatst en zijn in een later stadium nog een medisch centrum, bibliotheekfiliaal en een bank tegenover het
wijkwinkelcentrum Sweelinckplein geplaatst (De Hartog-Bosboom, Van Nieuwenhuyzen-Gevers Deynoot & Vollmer, 1970).
3.4 Ontwikkeling van Holtenbroek in de jaren zeventig
In 1972 is de wijk dan eindelijk helemaal voltooid. Het merendeel van de bewoners is er nu al vele jaren woonachtig en heeft
het prima naar de zin. Men neemt uitvoerig deel aan activiteiten van de wijkvereniging en er is een hecht sociaal netwerk
ontstaan. Tevens heeft de wijk een weekmarkt op het Bachplein gekregen en zijn er verkeersbrigadiers aangesteld om de
Zwartewaterallee (deze moet men kruisen om in de stad te komen) veiliger te maken (SWH, 1986). Met de komst van de
Aa-landen (een typische middennaoorlogse wijk) stagneert echter de ontwikkeling van Holtenbroek. Dankzij de
sociaal-culturele en sociaal-economische ontwikkelingen van de jaren zeventig verandert de vraag op de woningmarkt,
waardoor de midden- en hoge inkomensgroepen de (middel)hoogbouw verlaten en op zoek gaan naar een eengezinswoning met
tuin (zie hoofdstuk 2). Als gevolg hiervan krijgt Holtenbroek naast een eenzijdige wijkopbouw ook te maken met een
eenzijdige bevolkingssamenstelling. Deze concentratie van sociaal-economisch zwakke huishoudens (waaronder een groot
aantal allochtonen) heeft geleid tot het ontstaan van sociale problemen, zoals burenruzies, drugsoverlast, vervuiling
en vandalisme, waardoor de wijk in toenemende mate te maken krijgt met een (zeer) slecht imago (Tellinga, 2004). Wat
precies de problemen binnen de wijk zijn en hoe deze aangepakt (kunnen) worden zal in het volgende hoofdstuk besproken
worden.
Terug naar boven
|