| |
4.1 Inleiding
Aan de hand van de ontwikkelingen die in het vorige hoofdstuk zijn weergegeven wordt duidelijk dat Holtenbroek een steeds
groter wordende achterstandspositie inneemt ten opzichte van de andere Zwolse wijken. Ook de gemeente Zwolle ziet deze
ontwikkelingen plaatsvinden en besluit eind jaren tachtig in te grijpen. Zij besluit om met de wijk te participeren in de
"Voorbeeldplannen Vierde Nota" van het Ministerie van VROM, die door de Werkgroep 5x5 gestart zijn. De naam van deze
werkgroep staat voor vijf disciplines (wethouders, opdrachtgevers, architecten/kunstenaars, bewoners en wetenschappers), die
door middel van onderlinge samenwerking proberen de kwaliteit van het stedelijk gebied in vijf steden (Amsterdam, Den Haag,
Groningen, Rotterdam en Zwolle) te verbeteren. In een later stadium is Maastricht hier nog als zesde stad bijgekomen
(Gemeente Zwolle, 1989). De gemeente Zwolle probeert te achterhalen wat nu precies de problemen zijn binnen de wijk
Holtenbroek, zodat deze met behulp van gericht beleid aangepakt kunnen worden. De eerste paragraaf zal ingaan op de
verkenningsfase, namelijk het rapport "Holtenbroek, eindrapport 1e fase (1989)". Vervolgens zal de tweede paragraaf ingaan
op de verschillende plannen die zijn opgesteld in de "Rapportage 2e fase Holtenbroek (1991)". Daarna zal het "Voorbeeldplan
VROM: Aanpak naoorlogse wijk Holtenbroek (1994)" kort weergegeven worden. Tot slot zal gekeken worden naar de gerealiseerde
herstructureringsplannen.
4.2 Visie "Werkgroep 5x5"
Alvorens ingegaan kan worden op de inventarisatiefase zal eerst duidelijk moeten worden waar de Werkgroep 5x5 voor staat.
De heer Taverne van het Kunsthistorisch Instituut Groningen stelde in 1987 aan de Werkgroep 5x5 voor om in een aantal
gemeenten projecten te ontwikkelen in het kader van een discussie over kwaliteitscriteria. Als reactie hierop werd in 1988
een manifest (de "Oproep", bijlage 2) gepubliceerd, waarin de inspiratie die ten grondslag ligt aan het 5x5-initiatief terug
te vinden is: "de specialisatie op de vele onderdelen van het totale bouwproces leidt tot een product dat bol staat van de
compromissen, waarvoor niemand zich meer persoonlijk verantwoordelijk voelt, laat staan aanspreekbaar is. Eén grote grijze
gehaktbal, die weliswaar voldoet aan de voorschriften van het ministerie, bouwers woningtoezicht, de brandweer, de
nutsbedrijven, het welstandstoezicht, de milieudienst, de verkeersdienst en de onderhoudsdienst van de woningcorporatie,
maar die niets meer uitstaande heeft met goed wonen" (Werkgroep 5x5, 1989, p.8).
De Werkgroep 5x5 is dus vooral ontevreden over het gebrek aan een (nieuwe) visie op "goed wonen" en de kwaliteit van het
stedelijk gebied. De Werkgroep 5x5 is van mening dat deregulering, privatisering en decentralisatie gemakkelijk kunnen
leiden tot oppervlakkigheid en verschraling, terwijl woningbouw, stedenbouw en het beheer van de gebouwde omgeving de
uitdrukking moeten zijn van een cultuurpolitiek, die (Werkgroep 5x5, 1989):
· inspeelt op demografische en sociaal-economische ontwikkelingen,
· ruimte biedt voor nieuwe woonvormen en optimale ontplooiing voor individu en gemeenschap,
· werkt vanuit een duidelijke opvatting over schoonheid en kwaliteit van het wonen en de gebouwde omgeving,
· voortbouwt op de tradities van de sociale woningbouw en de stedenbouw,
· gebruik maakt van de specifieke kwaliteiten van de locatie.
Dit houdt in dat karakter en culturele identiteit verkozen moeten worden boven bureaucratische processen, standaardisering
en regelgeving. De Werkgroep 5x5 maakt zich dus zorgen over de kwaliteit van het wonen. "In het wonen heeft het
reglementaire de inspiratie verdrongen, de bureaucratie regeert en verstikt de cultuur en kwantiteit in plaats van kwaliteit
heeft in dit land de toon gezet" zijn dan ook citaten die door de Werkgroep veelvuldig gebruikt worden. De Werkgroep verzet
zich tegen deze ontwikkelingen. Of beter gezegd, "wij zijn voorstanders van een stedenbouw en volkshuisvesting die
betrokkenheid uitstraalt" aldus de Werkgroep 5x5 (Werkgroep 5x5, 1989).
Eindrapport 1e fase
Ook in het plan van Embden (hoofdstuk 3) is het bouwtempo te veel bepalend geweest voor de woningbouw en werd er dus te
weinig aandacht besteed aan de werkelijke woonbehoeften van de mens (c.q. consument). Dit kwaliteitsgebrek (vergeleken met
de nieuwbouw sinds de jaren zeventig) is dan ook de grootste oorzaak van de ruimtelijke uitsortering die sinds de jaren
zeventig (einde woningnood en begin sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen) in de wijk Holtenbroek
geleidelijk heeft plaatsgevonden (Meyer, 1974). In het kader van de "Voorbeeldplannen Vierde Nota" is er eind jaren tachtig
een projectgroep Holtenbroek opgesteld. Deze projectgroep bestaat uit vijf werkgroepen (disciplines), waarbij elke werkgroep
zich bezig gaat houden met de inventarisatie (onderzoeken huidige situatie en knelpunten, uitvoeren van een sterkte/zwakte
analyse, inschatten en aangeven van kansen en bedreigingen voor strategisch beheer) van een specifiek thema. De vijf
werkgroepen zijn bevolkingsontwikkeling en -samenstelling, volkshuisvesting, stedenbouw, sociale veiligheid en economie. De
werkgroepen bestaan uit vertegenwoordigers van verschillende organisaties en instanties, zoals de gemeente Zwolle
(economische zaken, politie, stadsontwikkeling, groen, sport & recreatie en sociale veiligheid), de Stichting
Wijkgemeenschap Holtenbroek, Stad & Welzijn, diverse woningeigenaren (met name de corporaties Savo en SWZ) en de
Christelijke Hogeschool Windesheim. De bewoners kunnen in het project participeren door mee te werken aan een enquête en/of
hun mening te geven op één van de inspraakavonden (Gemeente Zwolle, 1989).
Alvorens de resultaten van de inventarisatiefase per werkgroep weergegeven worden, kan gesteld worden dat Holtenbroek vanaf
het begin (1958) al te maken heeft met een negatief imago. Toen had het slechte imago vooral te maken met de perifere
ligging van de wijk (achter de Rijksweg). Tegenwoordig associëren Zwollenaren de wijk met een onaantrekkelijk stedelijk
woonklimaat, criminaliteit, sociale onveiligheid en vervuiling, waardoor het voor velen een wijk is waar men liever niet
zou willen wonen. De werkelijke situatie is echter geheel anders. Holtenbroekers blijken over het algemeen redelijk tevreden
te zijn over hun woonsituatie en ook zeer verknocht aan de wijk. Het negatieve imago wordt voornamelijk bepaald door de
situatie in een zeer klein deel van de wijk, terwijl het daar ook vaak vooroordelen betreft zoals zal blijken uit de
resultaten (Gemeente Zwolle, 1989).
4.2.1 Resultaten rapport "Holtenbroek, eindrapport 1e fase"
Werkgroep bevolkingsontwikkeling en -samenstelling
Terwijl het bevolkingsaantal in Zwolle als geheel sterk gegroeid is in de jaren zeventig en tachtig is er in de wijk een
daling te zien van 14.161 inwoners in 1971 naar 10.043 inwoners in 1988. De verwachting is dat dit aantal zich zal
stabiliseren rond de 10.000 inwoners. Het aantal woningen is in dezelfde periode nagenoeg constant gebleven (4462 woningen
in 1989 tegenover 4420 in het structuurplan 1961) en dus is de daling van het bevolkingsaantal vooral te danken aan de
veranderende bevolkingssamenstelling binnen de wijk. Starters (op de woning- en arbeidsmarkt) en oudere huishoudens (55+)
zijn oververtegenwoordigd binnen de wijk, terwijl jonge gezinnen in vergelijking met de stad als geheel ondervertegenwoordigd
zijn (figuur 4.1). Het percentage traditionele gezinnen ligt in Holtenbroek dan ook veel lager dan in Zwolle als geheel.
Tevens huisvest Holtenbroek eenderde van de Zwolse allochtone bevolking (15%, 7%, 15% en 3% van de bevolking in
respectievelijk Holtenbroek I, II, III en IV), zijn de eenoudergezinnen oververtegenwoordigd en woont in Holtenbroek een
relatief groot aantal uitkeringsgerechtigden en mensen met een bijstandsuitkering, met name in Holtenbroek I waar 17% van de
bevolking een uitkering heeft en 7% in de bijstand zit (Gemeente Zwolle, 1989).
Figuur 4.1 Huishoudenssamenstelling in Holtenbroek en Zwolle (in %), 1 jan 1988.

Bron: Gemeente Zwolle, 1989.
Werkgroep volkshuisvesting
De wijk is een typische vroegnaoorlogse wijk waarin (middel)hoogbouw en de goedkope huursector domineren. In figuur 3.2 is
de wijkopbouw rond 1970 reeds visueel weergegeven, tabel 4.1 geeft de (vrijwel ongewijzigde) situatie van 1988 weer
(Gemeente Zwolle, 1989).
Tabel 4.1 De samenstelling van de woningvoorraad per wijkdeel in 1988 (in %).

Bron: Gemeente Zwolle, 1989.
Ondanks de oververtegenwoordiging van (middel)hoogbouw blijkt dat bewoners over het algemeen tevreden zijn over hun woning
en de woonomgeving (tabel 4.2). Hierbij maakt de gemeente Zwolle gebruik van cijfers uit het rapport "Signalen uit
Holtenbroek" dat in 1988 is samengesteld door de heer E. Schoon. De werkgroep concludeert uit eigen onderzoek (geen
enquête) dat de woonkwaliteit binnen de wijk als redelijk tot goed bestempeld kan worden, waardoor de resultaten van de
heer Schoon bevestigd en dus gebruikt (kunnen) worden (Gemeente Zwolle, 1989).
Tabel 4.2 Tevredenheid bewoners over woning en woonomgeving (in %).

Bron: Gemeente Zwolle, 1989
Uit de tabel blijkt dat de bewoners in Holtenbroek I het meest ontevreden zijn over hun woning en de woonomgeving. De
ontevredenheid over de woning wordt in alle vier de wijkdelen veroorzaakt door slechte geluidsisolatie, tocht en ouderwetse
keuken/douche. In Holtenbroek I komen daar de slechte warmte-isolatie, te kleine tuintjes bij de eengezinswoningen en de
beperkte balkongrootte van de portiekflats bij. In Holtenbroek II wordt de extra ontevredenheid veroorzaakt door de beperkte
grootte van de berging en in Holtenbroek III zijn er relatief veel klachten over het buitenschilderwerk. Qua woonomgeving
hebben de klachten vooral te maken met de verkeersveiligheid en geluidsoverlast (met name in deel I) en veiligheid op
straat (met name 's nachts in deel II) (Gemeente Zwolle, 1989).
De werkgroep heeft tevens gekeken naar de plaats en functie van Holtenbroek binnen de Zwolse woningmarkt, waarbij er binnen
de interne verhuisbewegingen op de Zwolse woningmarkt een vast patroon valt te ontdekken. Hierbij speelt het
nieuwbouwprogramma van de gemeente Zwolle een zeer belangrijke rol. Sinds de jaren zeventig heeft er constant nieuwbouw
plaatsgevonden, namelijk in de Aa-landen (jaren zeventig), Zwolle-Zuid (jaren tachtig en begin jaren negentig) en
Stadshagen (midden jaren negentig en nog steeds in aanbouw). Holtenbroek heeft hierdoor steeds meer een startersfunctie
gekregen binnen de Zwolse woningmarkt. Starters zijn over het algemeen gebaat bij een snelle woningtoewijzing en lage
huurprijs en stellen zodoende weinig eisen ten aanzien van de kwaliteit van de woning en de woonomgeving. De grote
hoeveelheid (middel)hoogbouw in de wijk voldoet uitstekend aan deze specifieke woonwensen. Wel zal het merendeel van deze
starters, zodra het financieel mogelijk is, willen doorstromen naar een eengezinswoning (in een "nieuwere" wijk of suburbane
kern), waardoor de bevolkingsstabiliteit in de wijk in vergelijking met andere Zwolse wijken (erg) laag ligt (Gemeente
Zwolle, 1989).
Wanneer we naar de bevolkingsstabiliteit per wijkdeel kijken valt op dat in Holtenbroek I vooral de HAT-eenheden
("Housing Apart Together") aan de Beethovenlaan en het binnengebied (opvallend genoeg de eengezinswoningen) te maken hebben
met veel mutaties en huurderving, waardoor een slecht woonklimaat is ontstaan. Als gevolg van de lage huurprijzen en korte
wachttijden zijn deze woningen wel ideaal voor starters (zeer tijdelijk) en heeft er zodoende nog geen leegstand
plaatsgevonden. De portiekflats aan de Obrechtstraat en de trapjeswoningen vormen geen problemen. Vooral bij de
trapjeswoningen is dit gezien de bouwtechnische problemen (vocht en tocht) opmerkelijk. Waarschijnlijk is hier sprake van
een gedwongen stabiliteit, hetgeen wil zeggen dat de bewoners zich niet kunnen verbeteren op de woningmarkt en zodoende
honkvast zijn (Gemeente Zwolle, 1989).
In Holtenbroek II hebben met name de hoogbouwflats een hoge mutatiegraad. Dit komt vooral doordat deze flats te
grootschalig zijn gebouwd en daardoor als sociaal onveilig worden ervaren. Daarnaast is voor een aantal huishoudens de
relatief hoge huur (in verhouding met de woonkwaliteit) een belangrijke reden om te verhuizen. De portiekflats in
Holtenbroek II scoren redelijk, maar als gevolg van een gebrekkige kwaliteit van de trappenhuizen en de galerijen toch
bovengemiddeld. De eengezinswoningen in het wijkdeel vormen geen problemen. In Holtenbroek III is hetzelfde beeld terug
te vinden als in Holtenbroek II. Opvallend is wel de positie van de portiekflats in de particuliere huursector waarvan
de mutatiegraad, als gevolg van een ongunstige prijs-kwaliteitverhouding, dicht tegen die van de hoogbouwflats aanligt.
In Holtenbroek IV is de mutatiegraad, dankzij een vrij goed woonklimaat, relatief gezien gering met name in de
eengezinswoningen. Dit komt vooral door het oostelijk deel van het wijkdeel, koopwoningen in de vrije marktsector, waar men
zeer tevreden is over de huidige woonsituatie. Opvallend is ook de lage mutatiegraad in de hoogbouwflats, hetgeen
waarschijnlijk te maken heeft met de hogere huurprijzen in deze flats (te duur voor starters) (Gemeente Zwolle,
1989).
Werkgroep stedenbouw
De werkgroep stedenbouw heeft deels samengewerkt met de twee eerder genoemde werkgroepen en daarom zal hier alleen ingegaan
worden op stedenbouwkundige aspecten die nog niet eerder aan bod gekomen zijn. De werkgroep heeft een sterkte/zwakte
analyse (tabel 4.3) gemaakt van de stedenbouwkundige kwaliteit van de wijk (Gemeente Zwolle, 1989).
Tabel 4.3 Sterkte/zwakte analyse stedenbouwkundige kwaliteit Holtenbroek.

Bron: Gemeente Zwolle, 1989.
Nog niet eerder genoemde aspecten zijn de groen- en verkeersvoorzieningen. De groenvoorzieningen, voornamelijk openbaar
groen, zijn in de wijk in ruime mate aanwezig. Dit zorgt voor voldoende recreatiemogelijkheden zowel binnen als langs de
randen van de wijk, maar tegelijkertijd zorgt het groene assenkruis voor een scherpe scheiding tussen de vier wijkdelen.
Tevens wordt een aanzienlijk deel van de groenvoorzieningen in de wijk niet of onvoldoende onderhouden, waardoor deze
stukken groen vervuild of sociaal onveilig worden (Gemeente Zwolle, 1989).
De verkeersstructuur in de wijk zorgt voor meer na- dan voordelen. Doordat de Rembrandtlaan voor de ontsluiting van de
wijk richting centrum belangrijker is geworden dan men oorspronkelijk dacht is de verkeersstructuur in Holtenbroek IV
onduidelijk geworden. In Holtenbroek I speelt een soortgelijk probleem doordat de (aan de Mozartlaan parallel lopende)
Beethovenlaan meer verkeer trekt dan wenselijk wordt geacht. Op de Beethovenlaan vinden dan ook de meeste ongevallen
plaats, gevolgd door de twee hoofdwegen van de wijk (de Bachlaan en de Mozartlaan). Een laatste verkeerstechnisch probleem
is de hoge parkeerbezettingsgraad in sommige delen van de wijk, terwijl er in de wijk als geheel voldoende
parkeermogelijkheden zijn. Het overaanbod aan parkeerplaatsen kan in sommige wijkdelen herbestemd worden (bijvoorbeeld
groen- en speelvoorzieningen), terwijl op andere plaatsen deze voorzieningen dan misschien plaats kunnen maken voor
parkeerplaatsen (Gemeente Zwolle, 1989).
Werkgroep sociale veiligheid
De werkgroep heeft een onderverdeling gemaakt tussen objectieve en subjectieve sociale veiligheid. Objectieve sociale
veiligheid is vast te stellen op basis van het aantal door de politie geregistreerde misdrijven, terwijl de subjectieve
sociale veiligheid veel moeilijker te meten is. Het gaat hierbij namelijk om veiligheidsgevoelens van mensen. Binnen de
objectieve sociale veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen veel voorkomende criminaliteit (zoals inbraak, vandalisme en
diefstal), gewelddelicten (mishandeling, beroving en openlijke geweldpleging) en zedendelicten (aanranding en verkrachting).
Als gevolg van gericht beleid is er eind jaren tachtig een sterke daling van de criminaliteit in de wijk waar te nemen.
Hierdoor neemt Holtenbroek in 1989 geen uitzonderlijk hoge positie meer in ten opzichte van de andere Zwolse wijken, maar
blijft er binnen de wijk wel sprake van concentratiegebieden (Holtenbroek II en IV). Ook qua gewelddelicten neemt
Holtenbroek een middenpositie in en is er binnen de wijk sprake van concentratiegebieden (Holtenbroek I en II). Tot slot de
zedendelicten, waarbij Holtenbroek samen met de Aa-landen, Assendorp en de binnenstad hoger scoort dan het Zwols gemiddelde.
Binnen de wijk gebeurt het vooral langs de randen, waarbij opgemerkt moet worden dat het maximum aantal zedendelicten in één
straat van een kilometer lengte in één jaar tijd slechts vier is (Gemeente Zwolle, 1989).
Geconcludeerd kan dus worden dat Holtenbroek geen extreme positie inneemt als het gaat om het geregistreerde aantal
misdrijven en om die reden is het negatieve imago van de wijk (Zwollenaren zien de wijk als sociaal onveilig) dus ongegrond.
Enquêtes geven echter wel aan dat Holtenbroekers vaker betrokken zijn bij een misdrijf en dat de subjectieve veiligheid in
de wijk lager ligt dan het Zwols gemiddelde. Dit komt doordat het imago niet alleen afhankelijk is van de sociale
veiligheid, maar van meerdere variabelen, waaronder de kwaliteit van de buitenruimte. In dit opzicht neemt Holtenbroek wel
een bijzondere positie in aangezien vervuiling een continue bron van ergernis vormt binnen de wijk. Sociale controle op
maaiveldniveau ontbreekt waardoor vervuiling makkelijker plaatsvindt. Tevens blijft het onderhoud (c.q schoonmaken)
achterwege doordat het onduidelijk is wie (bewoners, corporatie of gemeente) verantwoordelijk is voor welk gedeelte van het
karwei. Met name de semi-openbare ruimten zoals de trappenhuizen, galerijen, portieken, gezamenlijke bergingen en
gemeenschappelijke tuinen zijn dan ook vaak vervuild (Gemeente Zwolle, 1989).
Werkgroep economie
Als gevolg van een sterke functiescheiding die in de jaren vijftig en zestig centraal stond in het gedachtengoed van het
CIAM is er weinig werkgelegenheid in de wijk te vinden. Wel ligt er een voorzieningenstrook (met name middelbaar onderwijs)
tussen de Rijksweg 28 en de Zwartewaterallee. Verder zijn er voorzieningen (op wijkniveau) terug te vinden in het groene
assenkruis, zoals de basisscholen, kerken, bibliotheek etc. De winkelvoorzieningen zijn verspreid terug te vinden in de drie
winkelcentra. Dit zijn twee buurtwinkelcentra (Obrechtstraat en Bachplein) en één wijkwinkelcentrum Sweelinckplein. Om te
controleren of deze winkelvoorzieningen nog voldoen aan de wensen van de huidige wijkbevolking is er een sterkte/zwakte
analyse uitgevoerd door de werkgroep (tabel 4.4). Tevens is gebleken dat er uitgaande van de bevolkingssamenstelling in
1988 onvoldoende draagvlak is voor drie winkelcentra in de wijk (Gemeente Zwolle, 1989).
Tabel 4.4 Sterkte/zwakte analyse winkelcentra.

Bron: Gemeente Zwolle, 1989.
Uit de verschillende inventarisaties en onderzoeken van de werkgroepen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een
viertal centrale probleemvelden binnen de wijk. Dit zijn de volkshuisvestingssituatie, de (subjectieve) sociale veiligheid,
het imago van de wijk en de kwaliteit van de buitenruimte. Op deze probleemvelden zal de verdere aandacht van het beleid
(dus ook de 2e fase) zich met name richten. Echter zijn er nog 21 andere items geconstateerd, die in mindere mate ook
bijdragen aan de problematiek binnen de wijk (bijlage 3). Het is belangrijk om een probleem binnen de wijk in zijn gehele
context te benaderen, dus kijken naar de onderlinge relaties tussen de verschillende problemen. Het rapport "Holtenbroek,
eindrapport 1e fase" eindigt met een opsomming van een aantal aanbevelingen (bijlage 4), die in de planvormingsfase gebruikt
kunnen worden (Gemeente Zwolle, 1989).
4.3 Rapportage 2e fase Holtenbroek
In deze fase is geprobeerd aan de hand van de onderzoeksresultaten uit de inventarisatiefase een goed herstructureringsplan
op te stellen voor de wijk Holtenbroek. Dit nieuwe plan zal bestaan uit vier componenten die gezamenlijk de vier centrale
probleemvelden (en de 21 items) op zouden moeten lossen. In deze tweede fase wordt het al snel duidelijk dat het gaat om een
tussenstap. Het zal in de toekomst noodzakelijk zijn nog een derde fase (de uiteindelijke grootschalige herstructurering
waar men nu mee bezig is) in het leven te roepen. De vier componenten waaruit het herstructureringsplan in de tweede fase
bestaat zijn een volkshuisvesting-, een voorzieningen-, een ruimtelijk- en een sociaal beheersplan (wijkbeheer/sociale
vernieuwing) (Gemeente Zwolle, 1991).
In het volkshuisvestingsplan worden de wenselijkheden en mogelijkheden tegen elkaar afgezet. Dit resulteert in doeleinden
van beleid (bekendmaken doelgroepen) en een daarop afgestemd uitvoeringsprogramma 1990-2000. Het voorzieningenplan dient
vooral als aanloop naar de grootschalige herstructurering in de 3e fase. Het ruimtelijk plan geeft weer hoe de verschillende
aanpassingen en verbeteringen ruimtelijk gerealiseerd kunnen worden binnen de wijk. De functie van het ruimtelijk plan is
een ruimtelijk kader te vormen, waarbinnen de aanpak van de verschillende wijkdelen, voorzieningen en de verschillende
zone's ontwikkeld dient te worden. Bepalend daarbij is niet de precieze detaillering, maar het structuurbeeld. Tot slot zal
kort ingegaan worden op het beheer van de wijk (Gemeente Zwolle, 1991).
4.3.1 Volkshuisvestingsplan Holtenbroek
De doelstelling van het volkshuisvestingsbeleid is het doorbreken van de eenzijdige bevolkingssamenstelling in de wijk. Dit
kan alleen gerealiseerd worden door een veelzijdig woningaanbod. Er moet in de wijk dus meer variatie komen qua
huishoudenssamenstelling (met name meer gezinnen en hogere inkomensgroepen) en woningaanbod (meer eengezinswoningen in
duurdere sectoren). Allereerst is het hierbij handig om te kijken wat nu precies de huidige situatie is. Dan pas kan
ingegaan worden op de verbeteringsmaatregelen, zoals deze genoemd zijn in de eerste fase (Gemeente Zwolle, 1991).
In de vorige paragraaf zijn de samenstelling van de woningvoorraad en de huishoudenssamenstelling van Holtenbroek in
vergelijking met Zwolle als geheel al weergegeven. Daarom zal hier alleen ingegaan worden op de huishoudenssamenstelling
per wijkdeel (figuur 4.2), waaruit blijkt dat er ook binnen de wijk verschillen bestaan. Hierbij is het opvallend dat
Holtenbroek I en II gekenmerkt worden door een relatief jonge bevolking tegenover een relatief oude bevolking in
Holtenbroek III en IV (zo is in Holtenbroek III 17 % en in Holtenbroek IV 38% van de bevolking ouder dan 60 jaar tegenover
respectievelijk 7% en 9% in Holtenbroek I en II) (Gemeente Zwolle, 1991).
Figuur 4.2 Huishoudenssamenstelling Holtenbroek per wijkdeel (in %), 1 jan 1988.

Bron: Gemeente Zwolle, 1991.
Begin jaren negentig gaat men er vanuit dat er binnen de regio Zwolle een drietal ontwikkelingen plaatsvinden. Allereerst
verwacht men een voortgang van nieuwe keuzemogelijkheden in de nieuwbouw. De Vinex-wijk Stadshagen wordt aan de andere kant
van het Zwartewater min of meer tegen Holtenbroek aan gebouwd. De komst van deze nieuwbouwwijk zorgt, dankzij nieuwe
verbindingen richting Stadshagen, voor een betere ligging van Holtenbroek in de stad en tevens zal het gebied langs het
Zwartewater weer aantrekkelijk worden voor bijvoorbeeld recreatie en duurdere woningbouw. Nadeel is dat een verdergaande
trek van draagkrachtige huishoudens uit de wijk naar Stadshagen verwacht mag worden. Ten tweede zal het aantal huishoudens
in Zwolle blijven toenemen, met name de één- en tweepersoonshuishoudens van middelbare leeftijd (35-54 jaar) en de
empty-nest huishoudens. Tot slot verwacht men een verdergaande welvaartstijging en een voortgaande individualisering van de
maatschappij, waardoor de woonwensen zullen blijven stijgen en een verdere verfijning van leefstijlen plaats zal vinden
(Gemeente Zwolle, 1991).
Om de bevolkingssamenstelling van de wijk dichter bij het Zwols gemiddelde te krijgen zijn er in de 2e fase een aantal
doelgroepen van beleid aangewezen. Dit zijn de traditionele gezinnen, de één- en tweepersoonshuishoudens met een
(boven)modaal inkomen en de ouderen. Om er voor te zorgen dat deze huishoudenstypen in de toekomst voor de wijk behouden
blijven (of zelfs naar de wijk toe komen) is er in de eerste fase een aantal verbeteringsmaatregelen opgesteld. Het gaat om
de volgende (fysieke gerichte) maatregelen (Gemeente Zwolle, 1991):
· Maatregelen gericht op verruiming van de woonmogelijkheden voor traditionele gezinnen (inbreiding en overheveling van
huur naar koop van eengezinswoningen).
· Maatregelen gericht op huisvesting van ouderen in hun eigen wijk (wonen op maat).
· Maatregelen gericht op het blijven bieden van huisvesting aan startende huishoudens (aanwijzen complexen voor starters,
c.q. studenten).
· Maatregelen gericht op het bieden van huisvesting aan één- en tweepersoonshuishoudens met een bovenmodaal inkomen
(inbreiding en overheveling van huur naar koop van zowel laag als middelhoogbouw).
· Maatregelen gericht op verbetering van de woonkwaliteit (met name de kwaliteit van trappenhuizen, liften, entrees en
galerijen).
Om deze doelstellingen te bereiken worden er zo'n 1000 nieuwe woningen gebouwd, waarvan ongeveer 250 woningen op korte
termijn (de vier onderzoeksgebieden). De overige 750 woningen zullen tijdens de grootschalige herstructureringsplannen in de
3e fase gebouwd worden. Voor de traditionele gezinnen gaat men uit van de bouw van 450 nieuwe eengezinswoningen, waarvan
eenderde in de (duurdere) huursector. Voor de ouderen wil men ongeveer 100 à 150 bestaande woningen opknappen en zo'n 200
nieuwe woningen bouwen, waarvan de helft met een steunpunt (zorg om de hoek). Tot slot wil men voor de kleine huishoudens
met een (boven)modaal inkomen zo'n 350 nieuwe meerpersoonswoningen (appartementen) bouwen, waarvan de helft in de
koopsector. Hierbij geniet een locatie aan het Zwartewater de voorkeur (Gemeente Zwolle, 1991).
Naast nieuwbouw zal een aanzienlijk deel van de huidige woningvoorraad verbeterd en aangepast moeten worden aan de wensen
van de zittende bevolking. In de inventarisatiefase is gebleken dat een aanzienlijk deel van de bevolking tevreden is over
de huidige woning en woonomgeving, maar er zijn toch een aantal aspecten binnen de wijk voor verbetering vatbaar. Wat de
woningen betreft gaat het om verbeteren van vocht- en tochtproblemen, warmte- en geluidsisolatie, inbraakbeveiliging,
voorzieningen (keuken en sanitair) en het bevorderen van minder strakke woningplattegronden. Wat de woonomgeving betreft
gaat het om het opwaarderen van de entrees van portieken en galerijen (overzichtelijk en schoon maken), het herinrichten
van de openbare ruimte (meer variatie), het verbeteren van de verkeersveiligheid, het verbeteren van de speelmogelijkheden
voor kinderen (waar nodig) en het bevorderen van de sociale veiligheid (Gemeente Zwolle, 1991).
Terug naar boven
|