5 De kleinschalige herstructureringsprojecten (vervolg)

 


5.5 Betrokkenheid bewoners bij de wijk

Welke rol speelt de wijk in het leven van de bewoners die na de herstructurering in de nieuwe woonblokken zijn komen wonen? De verwachting is dat deze betrokkenheid zeer gering zal zijn aangezien het sociale leven van een huishouden, als gevolg van een toenemende welvaart en mobiliteit, zich steeds minder op buurt- en/of wijkniveau is gaan afspelen (§2.4.4). Hierbij geven huishoudens veelal de voorkeur aan sociale interactie met "soortgenoten" ongeacht de wijk en/of stad waarin deze "soortgenoten" wonen. Men woont in de wijk, maar werkt en recreëert elders, waardoor er dus vanuit gegaan kan worden dat de bewoners in het onderzoeksgebied weinig tot geen binding hebben met de nieuwbouwbuurt en/of de rest van de wijk. Of dit daadwerkelijk zo is zal in deze paragraaf behandeld worden, waarbij gekeken wordt naar de betrokkenheid van de bewoners bij de wijk, de woonlocatie van de sociale contacten, de verhuisgeneigdheid van het huishouden, het wel of niet lid zijn van een vereniging en de locatie van het voorzieningengebruik.

Wanneer aan de bewoners gevraagd wordt in welke mate men zich verbonden voelt met de wijk geeft 57,3% van de respondenten aan geen binding met de wijk te hebben. Ruim de helft van de bevolking dus, waarmee aangetoond is dat de wijkgedachte (§2.2.2), op basis waarvan de wijk eind jaren vijftig is opgezet, tegenwoordig niet langer meer toegepast kan worden. Desondanks is toch nog 12% van de bewoners volledig aan de wijk gebonden en geeft 30,7% van de bevolking aan deels aan de wijk gebonden te zijn. Deze laatste groep geeft aan dat het merendeel van hun familie en vrienden in de wijk woonachtig is, waardoor het sociale leven van deze huishoudens zich dus vooral binnen de wijk afspeelt (tabel 5.6). Opvallend is dat de helft van deze huishoudens in buurt C woont, waarvoor de seniorenwoningen aan de Telemannstraat een logische verklaring vormen. Veel van deze ouderen wonen al decennia lang in de wijk en zijn door hun geringe mobiliteit ook meer op de wijk aangewezen.

Tabel 5.6 Locatie sociale contacten naar gebondenheid respondenten (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.

Binnen het onderzoeksgebied zijn er qua sociale contacten dus verschillen waar te nemen tussen de vier buurten, waarbij zojuist al is gebleken dat met name de bewoners in buurt C zich aan de wijk verbonden voelen. Zo geeft 34,3% van de respondenten in buurt C aan dat het merendeel van hun vrienden en kennissen in de wijk zelf woont tegenover gemiddeld 12% in de andere drie buurten. Overigens wordt de gebondenheid voornamelijk bepaald door de vrienden en kennissen, want qua familie nemen de huishoudens in buurt C een middenpositie in. Daarnaast wijkt buurt D af van de andere drie buurten. In deze buurt geeft namelijk 45,4% van de respondenten aan dat het merendeel van hun vrienden en kennissen buiten de stad woont tegenover gemiddeld 16,6% in de andere drie buurten. Dit is op zich niet zo opvallend aangezien in buurt D 27,1% van de respondenten en (eventuele) partners eerst buiten de stad woonde (tegenover 22,2%, 15,3% en 10,2% in respectievelijk buurt A, B en C). Wat betreft de familie is in buurt D het tegenovergestelde waar te nemen, dan woont juist 72,2% van de familie binnen Zwolle tegenover gemiddeld 57,7% in de andere drie buurten.

Dat men over het algemeen niet gebonden is aan de wijk blijkt ook uit de verhuisgeneigdheid van de bewoners. Eerder is al gezegd dat nog maar 55,9% van de eerste bewoners in het onderzoeksgebied woonachtig is. Uit de enquête blijkt dat nog eens 30,1% van de respondenten van plan is binnen vijf jaar te gaan verhuizen. Meest genoemde reden voor deze verhuisgeneigdheid is dat men groter wil wonen en het moeilijk is, qua vergunningen, om op de huidige locatie uit te bouwen. Wanneer vervolgens aan de verhuisgeneigde huishoudens gevraagd wordt of men wederom een woning in Holtenbroek zou zoeken geeft slechts 36,2% van de bewoners aan daarvoor open te staan, hetgeen inhoudt dat 63,8% van de verhuisgeneigde bewoners bij een verhuizing niet in de wijk zelf zal terugkeren.

Uit de enquête blijkt tevens dat slechts 7,8% van de respondenten en (eventuele) partners deelneemt aan activiteiten van de wijkvereniging. Hiermee samenhangend maakt ook maar 7,6% van de respondenten en hun partners gebruik van het Wijkservice Punt Noord van de gemeente Zwolle. Dit servicepunt voorziet de bewoners uit Holtenbroek en de Aa-landen van informatie en dient tevens als aanspreekpunt. In het Wijkservice Punt Noord (in het wijkcentrum gevestigd) vinden ook de wijkplatforms plaats van de gemeente Zwolle, waarbij bewoners kunnen discussiëren met de gemeente over de gang van zaken in de wijk. Vanuit het onderzoeksgebied bezoekt slechts 4,7% van de respondenten en de partners deze wijkplatforms. Echte betrokkenheid bij de besluitvorming over de wijk is er in het onderzoeksgebied dus niet.

Samenhangend met de geringe deelname aan activiteiten van de wijkvereniging blijkt het voor de bewoners in het onderzoeksgebied ook niet veel uit te maken of de vereniging, waarvan men lid is, binnen of buiten de wijk ligt. Van alle 533 bewoners (respondenten, eventuele partner en kinderen) is 35,5% lid van een vereniging (alle soorten verenigingen, zoals sport, kerk, speeltuin etc.). Het merendeel van deze groep (58,7%) is lid van een vereniging buiten de wijk. Daarnaast is een klein deel (13,8%) lid van zowel een vereniging binnen als buiten de wijk en dus de rest (27,5%) lid van een vereniging binnen de wijk. Dit alles komt er op neer dat van de gehele bevolking in het onderzoeksgebied dus maar 14,6% lid is van een vereniging binnen de wijk.

Voorzieningengebruik
Een laatste manier om te kijken naar de wijkgebondenheid is te achterhalen waar de huishoudens gebruik maken van de voorzieningen. In een consumentenonderzoek begin jaren negentig wordt voorspeld dat de wijkbewoners 84% van de dagelijkse boodschappen en 31% van de niet-dagelijkse boodschappen in de wijk zelf doen (§4.3.2), maar gezien het feit dat de winkelvoorzieningen pas tijdens de grootschalige herstructurering (hoofdstuk 6) verbeterd worden is de verwachting dat deze cijfers niet gehaald worden. Zo is eerder al aangegeven dat 29,9% van de bewoners niet tevreden is over de kwaliteit van de winkelvoorzieningen in de wijk zelf (§5.3), waardoor er vanuit gegaan mag worden dat een flink aantal van deze huishoudens de (niet-)dagelijkse boodschappen buiten de wijk zal doen. Om te achterhalen of dit daadwerkelijk zo is en of er verschillen zijn waar te nemen tussen de verschillende soorten voorzieningen zal in de paragraaf een onderscheid gemaakt worden tussen de commerciële-, de niet-commerciële- en de onderwijsvoorzieningen.

Allereerst de commerciële voorzieningen. Rekening houdend met het feit dat een flink aantal huishoudens ontevreden is over de kwaliteit van de winkels in de wijk is het niet zo verwonderlijk dat 18,5% van de huishoudens helemaal geen boodschappen in de wijk doet. Het merendeel (72,4%) van deze groep doet de dagelijkse boodschappen in de Aa-landen. Daarnaast is er een grote groep (35,6%) huishoudens die zowel gebruik maakt van de winkelvoorzieningen in Holtenbroek als in de Aa-landen. De overige bewoners (45,9%) doen de dagelijkse boodschappen in de wijk zelf, hetgeen inhoudt dat dus 81,5% van de huishoudens in het onderzoeksgebied voor de dagelijkse boodschappen gebruik maakt van de winkelvoorzieningen in de wijk (en dus niet de 85%, zoals voorspelt in het consumentenonderzoek). Wat betreft de niet-dagelijkse boodschappen blijft het onderzoeksgebied nog verder achter op de voorspellingen. In het consumentenonderzoek wordt er vanuit gegaan dat 31% van de bewoners deze boodschappen in de wijk zelf zullen gaan doen, maar uit de enquête blijkt dat slechts 2,6% van de bewoners hiervoor wel eens gebruik maakt van de winkelvoorzieningen in de wijk. Over het algemeen gaat men voor de niet-dagelijkse boodschappen naar het centrum of elders.

Daarnaast zijn er nog de niet-commerciële voorzieningen, zoals de medische diensten en de bibliotheek. Ruim 46 % van de bewoners geeft aan één of meerdere medische voorzieningen (huisarts, tandarts, apotheek, medisch wijkcentrum) binnen de wijk te gebruiken. Een aantal mensen die later in de wijk zijn komen wonen geeft aan dat zij graag gebruik zouden willen maken van de medische voorzieningen in de wijk, maar dat deze vol zitten met patiënten. Wat het gebruik van de bibliotheek betreft ligt het verhaal iets anders. Van deze voorzieningen maakt slechts 41,2% van de bewoners gebruik, waarvan 33,7% naar de bibliotheek in Holtenbroek gaat en de rest (66,3%) naar een bibliotheek elders (meestal centrum of Aa-landen).

Tenslotte de onderwijsvoorzieningen. Van de 194 respondenten blijkt precies de helft thuiswonende kinderen te hebben. Het overgrote deel (79,4%) van deze huishoudens met kinderen maakt geen gebruik van kinderdagopvang. De huishoudens die wel gebruik maken van kinderdagopvang doen dit meestal in Holtenbroek (40%), de Aa-landen (35%) of Stadshagen (20%). In §5.2 is al gekeken naar de relatief jonge leeftijdsopbouw in het onderzoeksgebied. Hierdoor zal het ook niet verbazen dat 27% van de kinderen nog te jong is om naar school te gaan en 40,5% van de kinderen op de lagere school zit. Verder is 22,7% van de kinderen bezig in het voortgezet of beroepsonderwijs en volgt 7% een opleiding op HBO of universitair niveau. Wanneer we naar het opleidingsniveau van de kinderen per buurt (figuur 5.6) kijken valt meteen op dat de thuiswonende kinderen in buurt D ouder zijn en zodoende vaker een hogere opleiding volgt.

Figuur 5.6 Opleidingsniveau kinderen per buurt (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.

Voor de wijkgebondenheid is het echter belangrijk te achterhalen waar de kinderen naar school gaan. Hierbij valt op dat slechts 27,9% van de schoolgaande kinderen (136 in de enquête) in Holtenbroek zelf op school zit. Aangezien zojuist is gebleken dat het merendeel van de kinderen nog naar het basis-, het lagere of voortgezet onderwijs gaat is dit een opvallend laag percentage. Zeker waneer er rekening mee gehouden wordt dat deze onderwijsvoorzieningen ruim aanwezig zijn in de wijk. Uit de enquête blijkt dan ook dat zeer veel kinderen (33,8%) in de Aa-landen naar school gaat. Dit zijn vooral (autochtone) kinderen uit de buurten A en B (figuur 5.7). Reden voor het feit dat men de kinderen niet in Holtenbroek op school doet is het feit dat de verhouding allochtoon-autochtoon in de ogen van de respondenten te ver doorgeslagen is op de basisscholen.

Als gevolg hiervan zal het aandeel allochtonen kinderen op de basisscholen alleen maar toe blijven nemen, hetgeen nog meer autochtone ouders zal doen besluiten de kinderen elders naar school te doen. Dit proces kan alleen gestopt worden indien ouders min of meer verplicht worden de kinderen in de eigen buurt naar school te doen, hetgeen gezien vrijheid van onderwijs niet mogelijk is. Een andere manier kan zijn dat de gemeente autochtone ouders zoveel mogelijk stimuleert hun kinderen in de wijk zelf naar school te doen.

Figuur 5.7 Locatie school van de schoolgaande kinderen per buurt (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.

5.6 Conclusie

In het vorige hoofdstuk is naar voren gekomen dat er in Holtenbroek begin jaren negentig een viertal centrale probleemvelden terug te vinden zijn. Dit zijn de volkshuisvestingssituatie, de (subjectieve) sociale veiligheid, het imago van de wijk en de kwaliteit van de buitenruimte. In dit hoofdstuk is gekeken of de nieuwbouw, zoals voorgesteld in de 2e fase, het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Hierbij is gekeken naar de bevolkingssamenstelling in het onderzoeksgebied, de tevredenheid van bewoners over de woning en woonomgeving, het beeld dat de bewoners van de wijk hebben en de betrokkenheid van bewoners bij de wijk.

Allereerst de bevolkingssamenstelling. In het onderzoeksgebied is er een sterke oververtegenwoordiging van de gezinnen en de tweepersoonshuishoudens, terwijl deze huishoudenstypen in de wijk juist ondervertegenwoordigd zijn. Hiermee samenhangend neemt het onderzoeksgebied in vergelijking met Holtenbroek en Zwolle als geheel ook qua leeftijdsopbouw en etnische samenstelling een tussenpositie in, terwijl het inkomensniveau zelfs op het Zwols gemiddelde ligt en daarmee beduidend boven het wijkgemiddelde. Er kan dus geconcludeerd worden dat de nieuwbouwbuurten er daadwerkelijk aan bijdragen dat de eenzijdige bevolkingssamenstelling in de wijk doorbroken wordt, waarbij de nieuwbouwbuurten uitermate geschikt zijn voor gezinnen en tweepersoonshuishoudens met een modaal inkomen op zoek naar hun eerste koopwoning. Veel van deze huishoudens krijgen echter nog te maken met een (aantal) verandering(en) qua inkomenspositie of huishoudenssamenstelling, waardoor de woning in de loop van de tijd minder aan de wensen en/of mogelijkheden van het huishoudens gaat voldoen (meestal wil men doorstromen naar een grotere woning). Hierdoor is er binnen het onderzoeksgebied sprake van een relatief groot verloop, waarbij het opvalt dat de doorstroming van (autochtone) wijkbewoners naar de buurten toe enigszins tegenvalt.

Ten tweede de tevredenheid over de woning en de woonomgeving. Over het algemeen is men redelijk tot zeer tevreden over de woning. Alleen over de maandelijkse aflossing en het aantal kamers in de woning is men in mindere mate tevreden. Over de woonomgeving is men daarentegen minder tevreden. Vaak is men wel tevreden over de nieuwbouwbuurt waarin men woont, maar niet over de wijk als geheel, waarbij de bewoners verwijzen naar dezelfde probleemvelden die tien jaar eerder door de gemeente Zwolle in haar "Rapportage 2e fase" benoemd zijn. Dit is opvallend, zeker gezien het feit dat de komst van het politiebureau en het project "Hekwerk" wel degelijk geleid hebben tot een verbeterde leefbaarheid in de wijk (Gemeente Zwolle, 2003). De objectieve sociale veiligheid in de wijk is in de jaren negentig sterk verbeterd, maar de subjectieve sociale veiligheid (dankzij het negatieve imago) is hetzelfde gebleven. Daarnaast is men ook in mindere mate tevreden over de kwaliteit van de winkelvoorzieningen in de wijk. Dit is echter niet zo verrassend aangezien deze pas tijdens de grootschalige herstructurering op de schop gaan. Wel kan uit het onderzoek geconcludeerd worden dat de parkeer- en jeugdvoorzieningen (voor zowel de kleintjes als de oudere jeugd) in het onderzoeksgebied in de ogen van de bewoners onvoldoende aanwezig zijn.

Ten derde het beeld dat de bewoners van de wijk hebben. Een aanzienlijk deel van de respondenten vindt de wijk veilig genoeg voor zichzelf en hun (eventuele) partner en kinderen. De rest geeft aan dat men, met name 's avonds, liever niet in bepaalde delen van de wijk komt. Opvallend is dat de nieuwe wijkbewoners (vorige woning was buiten Holtenbroek) aangeven dat het negatieve imago van de wijk overdreven of zelfs onterecht is. Nu men eenmaal zelf in de wijk woont blijkt het allemaal wel mee te vallen met de problemen en de overlast, waarvan men heeft gehoord. Bijna alle respondenten denken dat de wijk dankzij de herstructurering een beter imago zal krijgen en een ruime meerderheid (63,4%) is zelfs van mening dat de problemen binnen de wijk volledig opgelost zullen worden. Het overige deel van de respondenten geeft aan dat de problemen zich naar andere delen van de wijk en/of stad zullen verplaatsen of heeft geen mening.

Vervolgens is het zo dat de betrokkenheid van de bewoners uit het onderzoeksgebied bij de wijk en de herstructurering (zeer) gering is. Gezien de toegenomen welvaart, mobiliteit en individualisering van de afgelopen decennia is dit overigens geen verrassend patroon. Het sociale leven van een huishouden vindt in steeds mindere mate binnen de wijk zelf plaats, waarbij het wel opvallend is dat een aanzienlijk deel van de huishoudens op de Aa-landen gericht is (men vindt met name de onderwijs- en winkelvoorzieningen in deze wijk beter). Bij de huishoudens die wel aan de wijk gebonden zijn, blijkt dat het merendeel van hun familie en vrienden in de wijk woonachtig is en men mede daardoor ook vaker lid is van een vereniging binnen de wijk. Overigens zijn dit over het algemeen de wat oudere huishoudens, die al zeer lang in de wijk wonen en zodoende zich meer aan de wijk gebonden voelen.

In grote lijnen kan dus gesteld worden dat de kleinschalige herstructurering wel degelijk bijdraagt aan een positieve ontwikkeling van de wijk. Met name het volkshuisvestingsbeleid en het beheersplan (objectieve sociale veiligheid), zoals opgesteld tijdens de "Rapportage 2e fase", zijn hierbij succesvol geweest. De vraag is echter of men in de grootschalige herstructureringsplannen rekening houdt met de ervaringen uit het verleden (oftewel de kleinschalige projecten). Om hier een antwoord op te geven zullen de grootschalige herstructureringsplannen eerst behandeld moeten worden, hetgeen in het volgende hoofdstuk plaatsvindt.

Terug naar boven

Hosted by www.Geocities.ws

1