| |
1.1 Inleiding
De (vroeg)naoorlogse wijk in verval. Dit is een thema dat sinds eind jaren tachtig steeds meer terug te vinden is in de
sociale en geografische literatuur. De woningen in deze wijken behoren tegenwoordig tot de goedkoopste delen van de
woningvoorraad en zodoende tot de potentiële probleemwijken (Van Kempen, 1991). De problemen verschillen echter van wijk
tot wijk en van stad tot stad. Toch zijn de problemen in (vroeg)naoorlogse wijken in grote lijnen vaak hetzelfde, een
eenzijdige wijkopbouw gedomineerd door (middel)hoogbouw van slechte kwaliteit, verslechterde leefbaarheid, achterblijvend
voorzieningenniveau en een tekortschietende milieukwaliteit (Priemus & Van Kempen, 1997).
In de jaren vlak na de oorlog speelt de wijk nog een belangrijke rol in het leven van de mensen, het vormt hun
bestaansmilieu. Bijna alle activiteiten (werken, wonen, gebruik voorzieningen, sociale contacten) worden binnen de wijk
gedaan, de wijkgebondenheid is dus groot. Vanaf de jaren zestig krijgt een zeer groot deel van de huishoudens, dankzij de
toegenomen individuele welvaart en mobiliteit, echter de mogelijkheid om aan hun specifieke woonwensen te voldoen, waardoor
suburbanisatie op gang komt. Steeds meer activiteiten vinden, als gevolg van de toegenomen mobiliteit (groei autobezit),
buiten de buurt plaats in andere stadsdelen en/of steden. In steeds meer gevallen heeft de buurt alleen nog een woonfunctie,
de buurtgebondenheid neemt hierdoor af (Engelsdorp Gastelaars & Vijgen, 1991). In de jaren tachtig wordt dit proces door
een aantal maatschappelijke veranderingen versterkt. Binnen de huishoudenstypen vindt er differentiatie plaats en het
traditionele gezin verliest aan terrein. De nieuwe huishoudenstypen hebben andere leefpatronen en stellen zodoende andere
eisen aan hun woonmilieu.
Hierdoor zijn er op wijk- en buurtniveau ruimtelijke concentraties terug te vinden van bevolkingsgroepen met dezelfde
sociaal-economische karakteristieken. Deze ruimtelijke uitsortering vindt plaats op basis van drie factoren. In de eerste
plaats op basis van verschillen in welstand. Het inkomen bepaalt grotendeels de mogelijkheden op de woningmarkt van een
huishouden. Lage inkomensgroepen hebben hierdoor een beperkte keuze en zijn vaak aangewezen op de goedkopere woningvoorraad,
waardoor inkomenssegregatie plaats kan vinden. De tweede factor is op basis van culturele achtergrond (etniciteit of religie)
. Over het algemeen wordt het als prettig ervaren om in de buurt van "soortgelijken" te wonen doordat men dezelfde normen en
waarden hanteert. Tevens creëert men zo draagvlak voor etnische en culturele voorzieningen. Tot slot is er uitsortering op
basis van verschillen in organisatievorm (huishoudenstype en bijbehorende activiteiten). Bij deze twee laatste vormen wordt
er gesproken van congregatie (tegenover segregatie), hetgeen duidt op een vrijwillige keuze van het huishouden om in een
buurt te wonen (Van Engelsdorp Gastelaars & Vijgen, 1991).
Naast de sociale en economische ontwikkelingen is ook het ruimtelijk en stedelijk beleid in de loop van de tijd onderhevig
geweest aan veranderingen. Ruim veertig jaar van beleid heeft geresulteerd in vijf Nota's Ruimtelijke Ordening en is, ten
aanzien van stedelijk beleid, onder te verdelen in vier perioden, namelijk stedelijke herstructurering vanaf de jaren zestig
tot 1972, klassieke stadsvernieuwing in de periode 1973-1987, stedelijke herstructurering in de periode 1988-1996 en
stedelijke vernieuwing in de periode 1997-heden (Vermeijden, 2001). Ten tijde van de eerste periode van stedelijke
herstructurering heeft Nederland te maken met een sterke economische groei en toename van de individuele welvaart, waardoor
suburbanisatie op gang komt. De overheid probeert de ruimtelijke spreiding te beperken door suburbanisatie zoveel mogelijk
geconcentreerd in een beperkt aantal steden en dorpen plaats te laten vinden (gebundelde deconcentratie). Tevens wordt er
naar gestreefd om de verschillende functies (wonen, werken) op wijkniveau van elkaar te scheiden. Tijdens de klassieke
stadsvernieuwing is het beleid, door een politieke verschuiving in 1972 (van liberaal naar sociaal-democratisch), meer
gericht op gelijkheid en wordt er voor het eerst rekening gehouden met het milieu. De overheid streeft niet alleen naar
gelijkheid voor het individu, maar ook naar gelijkheid op buurt-, wijk-, stedelijk- en regionaal niveau. Wederom staat
bundelen centraal, maar nu doelt men juist op menging van wonen en werken, waardoor afstand geen invloed heeft op de
arbeidsmarktpositie van een individu en de mobiliteit beperkt blijft (gunstig voor milieu). In de nieuwbouwwijken (al dan
niet sub-urbaan) wordt sociale woningbouw geplaatst om de lage inkomensgroepen dezelfde kansen op de woningmarkt te bieden
(Vermeijden, 2001).
Tot slot de twee belangrijkste perioden van het stedelijk beleid met betrekking tot deze scriptie, de stedelijke
herstructurering (1988-1996) en de stedelijke vernieuwing (1997-heden). In de jaren tachtig verschuift de politieke
macht terug richting de liberalen en wordt er gestreefd naar versterking van de markteconomie. Voor het stedelijk beleid
houdt dit in dat er een verschuiving plaatsvindt van sociale woningbouw naar het bouwen van (dure) kwalitatief goede
woningen voor de midden- en hoge inkomensgroepen. Hierdoor komen elders in de stad de kwalitatief slechtere woningen vrij
voor de lage inkomensgroepen. De scheefheid op de woningmarkt (hoge inkomens wonen te goedkoop en lage inkomens te duur) en
de eventuele negatieve externe effecten van de marktwerking moeten door middel van beleid bestreden worden
(Vermeijden, 2001).
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen technische en sociale maatregelen. De technische maatregelen hebben veelal te maken
met de woning, de woonomgeving en de stedenbouwkundige structuur. De sociale maatregelen zijn gericht op verbetering van de
leefbaarheid in de wijk. Afhankelijk van de problemen binnen de wijk zijn er drie manieren van aanpak. De eerste methode is
onderhoud, dit is het behouden van de huidige situatie in de wijk. Deze methode wordt toegepast in wijken waar weinig tot
geen problemen zijn. Ten tweede is er stadsvernieuwing, hetgeen duidt op fysieke én sociale verbetering van de wijk. Dit
gebeurt in wijken met onoplosbare problemen, waarbij veelal sloop plaatsvindt. Tussen deze twee extremen ligt de derde
methode, namelijk beheer. Welke methode gebruikt moet worden hangt af van de specifieke problemen en mogelijkheden binnen de
wijk (Flier & Klijn, 1989).
Inmiddels is al een groot aantal wijken (of wijkdelen) geherstructureerd. Tijdens de stadsvernieuwing zijn met name de
vooroorlogse wijken opgeknapt, waardoor de positie van vroegnaoorlogse wijken op de woningmarkt achteruit is gegaan. Vanaf
de jaren negentig komt er dan ook steeds meer aandacht voor herstructurering van deze wijken (Rosemann & Westra, 1987). Elk
herstructureringsplan heeft zijn eigen specifieke problemen en mogelijkheden, maar in grote lijnen komen veel plannen met
elkaar overeen. Het is dus van belang om onderzoek te doen naar reeds gerealiseerde projecten om erachter te komen welke
fysieke en sociale problemen er voor, tijdens en na een project (door de bewoners) in de wijk geconstateerd worden. Op basis
van ervaringen van projecten uit het verleden kan in de huidige en toekomstige herstructureringsplannen beter ingespeeld
worden op de mogelijke problemen die zich voor kunnen doen bij de realisatie van een plan. Uit de casestudie over de
naoorlogse wijk Holtenbroek in Zwolle, die in deze scriptie gedaan wordt, zal moeten blijken of gemeenten ook daadwerkelijk
rekening houden met eerdere ervaringen.
1.2 Onderzoeksdoel
Het doel van dit onderzoek is te achterhalen in hoeverre stedelijke herstructureringsprojecten geleid hebben tot een
voldoende tevredenheid over en betrokkenheid bij de wijk van bewoners die na de herstructurering in de wijk zijn komen
wonen. Wie zijn betrokken en wordt er rekening gehouden met eerder gerealiseerde projecten? Als onderzoeksgebied is gekozen
voor de naoorlogse wijk Holtenbroek in Zwolle. De gemeente heeft eind jaren tachtig met de wijk geparticipeerd in de
Werkgroep 5x5, waardoor Holtenbroek is aangewezen als voorbeeldplan voor de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening. Op basis
hiervan is de gemeente Zwolle begin jaren negentig begonnen met een viertal (inmiddels gerealiseerde)
herstructureringsprojecten (figuur 1.1, rode gebieden). Momenteel is binnen de wijk, als vervolg op de kleine
herstructureringsprojecten, een grootschalig herstructureringsproject (figuur1.1, gele gebied) van start gegaan.
Figuur 1.1 Herstructureringsprojecten in Holtenbroek.

Bron: Gemeente Zwolle, 2004.
De kleinschalige herstructureringsprojecten vormen een eerste aanzet om de eenzijdige woningvoorraad in de wijk te doorbreken
. Om dit te bereiken is op een viertal plaatsen in de wijk nieuwbouw toegepast, waarbij bestaande huizen gesloopt zijn
(buurt C) of groen herbestemd is (buurten A, B en D). In het onderzoek zal tevens rekening gehouden worden met de onderlinge
verschillen tussen de vier buurten. De gebieden hebben namelijk niet alleen een andere ligging (en dus een andere
woonomgeving) binnen de wijk, maar zijn tevens niet tegelijkertijd geherstructureerd. Om het onderzoeksdoel te bereiken zal
een antwoord gegeven worden op de volgende probleemstelling, die uit twee delen bestaat:
· In hoeverre zijn de bewoners die na de herstructurering in één van de vier nieuwbouwbuurten zijn komen wonen tevreden
over hun woning en woonomgeving?
· In hoeverre zijn de bewoners die na de herstructurering in één van de vier nieuwbouwbuurten zijn komen wonen betrokken
bij hun wijk?
Deze probleemstelling zal aan de hand van een zestal onderzoeksvragen, die door middel van literatuurstudie, enquête
(onder de bewoners van de vier nieuwbouwbuurten) en interviews met sleutelpersonen beantwoord moeten worden. Voor een
enquête zijn er in de geherstructureerde buurten voldoende huishoudens woonachtig, waarbij de eventuele verschillende
tussen de buurten onderling naar voren zullen komen. Daarnaast zal de vergelijking gemaakt worden tussen de bewoners uit
de bestaande delen van de wijk en de geherstructureerde buurten. De onderzoeksvragen zijn hieronder weergegeven:
1) Hoe verschilt de bevolkingssamenstelling van de vier nieuwbouwbuurten onderling en in vergelijking met de wijk als
geheel?
De woningen in buurt A, B en D zijn negen jaar geleden gebouwd in de wijk geplaatst. De eerste twee buurten zijn aan de rand
van de wijk gekomen in Holtenbroek III, terwijl buurt D midden in de wijk geplaatst is (Holtenbroek I). De laatste buurt,
buurt C is vijf jaar later gerealiseerd, waarbij portiekflats plaats hebben moeten maken voor eengezinswoningen en een
seniorenflat. Doel van de nieuwbouw is jonge tweepersoonshuishoudens en gezinnen naar de wijk te trekken om zo de eenzijdige
bevolkingssamenstelling in de wijk te doorbreken en de leefbaarheid in de wijk te verbeteren. De nieuwbouw bestaat
(op de seniorenwoningen in buurt C na) alleen maar uit eengezinswoningen in de koopsector, terwijl de bestaande
woningvoorraad in de wijk gedomineerd wordt door (middel)hoogbouw in de (sociale) huursector (90% van de bestaande
woningvoorraad in de wijk is huur). Hierdoor is de verwachting dat er in vergelijking met de wijk als geheel relatief
meer (jonge) gezinnen en "blijvers" in de nieuwbouwbuurten zullen wonen (veel studenten en jonge starters waren begin
jaren negentig in de wijk komen wonen met de bedoeling zich een paar jaar later te verbeteren op de woningmarkt). Dit
brengt andere leefomstandigheden en leefpatronen met zich mee, hetgeen de leefbaarheid ten goede zou moeten komen. Hierbij
is het echter belangrijk dat de "nieuwe" bewoners (een deel zal reeds in de wijk woonachtig zijn geweest en dus niet echt
een nieuwe wijkbewoner zijn) zich betrokken bij en verantwoordelijk voor hun wijk voelen. Uit de enquête zal moeten blijken
wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen de wijkdelen onderling en in vergelijking met andere wijkdelen in
Holtenbroek.
2) Wat zijn de problemen met betrekking tot de planvorming en uitvoering van de vier kleinschalige herstructureringsprojecten
en in hoeverre zijn de bewoners tevreden over de woning en de woonomgeving?
Zijn er bij de realisatie van de kleinere projecten onverwachte problemen ontstaan bij de uitvoering? Zijn de bewoners
betrokken geweest bij het opstellen en uitvoeren van de projecten? Zijn de bewoners tevreden met het resultaat of zijn er
nog problemen (minpunten) aan het licht gekomen waarmee nieuwe projecten rekening kunnen houden? Op dit soort vragen zal
door middel van literatuurstudie en interviews (eventueel aangevuld met de enquête) een antwoord gegeven moeten worden om
zodoende een beeld te krijgen van het verloop van de gerealiseerde projecten. Een soepel verloop en overleg met bewoners
kan leiden tot een grote tevredenheid onder de bewoners, terwijl een moeizaam verloop en miscommunicatie met bewoners juist
leidt tot ergernis en eventueel verhuisgeneigdheid. Tevens is het belangrijk om het verloop van de vier
herstructureringsprojecten te achterhalen om te kijken of er in het huidige beleid rekening gehouden is met ervaringen uit
het verleden.
3) Welk beeld hebben de bewoners die na de herstructurering in de nieuwbouwbuurten zijn komen wonen van de rest van
de wijk?
In de nieuwbouwbuurten zullen ook mensen zijn komen wonen die daarvoor geen binding met de wijk hebben gehad. Begin jaren
negentig is het imago van de wijk met name buiten de wijk slecht tot zeer slecht. Is dit voor de nieuwkomers reden geweest
hun sociale leven buiten de wijk te houden of heeft men zich aangepast aan (en dus geïntegreerd met) de bewoners uit andere
delen van de wijk (buiten de nieuwbouwbuurten)? Is het beeld dat men van de wijk heeft veranderd sinds men zelf in de wijk
is komen wonen? Als de bewoners een negatief beeld hebben van de rest van de wijk zal dit de bereidheid tot participatie in
projecten (om de leefbaarheid in de wijk te verbeteren) kunnen beïnvloeden. Men kan gemotiveerd raken om juist wat te doen
aan de problemen en deelnemen of juist schrikken van de problemen en zich ervan afzonderen. Het is van belang voor de wijk
om erachter te komen hoe de bewoners van de nieuwbouwbuurten denken over de wijk, hetgeen uit de enquête zal
blijken.
4) Welke rol speelt de wijk in het leven van de bewoners die na de herstructurering in de nieuwbouwbuurten zijn
komen wonen?
Naast het herstructureringsbeleid zijn er in de wijk ook een aantal sociale projecten geweest om de wijk op te knappen.
Een groot deel van de projecten is in overleg en samenwerking met bewoners gebeurd. Welke bewoners hebben het meest
geparticipeerd in de projecten, zijn dit de oude bewoners van de wijk (er zijn nog veel ouderen die al sinds de jaren
zestig in de wijk wonen en dus zeer betrokken zijn bij de wijk) of juist de nieuwe bewoners, die naast hun nieuwbouwwoning
zich ook in willen zetten voor een betere woonomgeving. Maken de bewoners van de nieuwbouwwoningen deel uit van het
verenigings- en sociale leven binnen de wijk? Vooral voor buurt A is dit een interessante vraag aangezien het gebied
gelegen is aan de rand van de wijk en de voorzieningen in de aanliggende wijk (Aa-landen) op dezelfde (fiets)afstand
liggen, waardoor het de vraag is in hoeverre deze bewoners zich betrokken voelen bij de wijk Holtenbroek (of juist meer
gericht zijn op de Aa-landen of zelfs andere wijken). Interviews en de enquête zullen deze onderzoeksvraag moeten
beantwoorden.
5) In hoeverre komen de gevonden resultaten in de vier buurten met elkaar overeen en staan ze in verhouding tot de
reeds bestaande wijkdelen (waardoor wordt dit verklaard)?
De ligging binnen de wijk is hierbij met name van belang. Zo zal men in buurt D qua voorzieningen meer gericht zijn op
de wijk, doordat deze buurt in verhouding ver weg ligt van voorzieningen in andere wijken. De buurt ligt in een ander deel
van Holtenbroek, waardoor er andere voor- en nadelen de kop op zullen steken. Uit de enquête zal moeten blijken wat de
verschillen en overeenkomsten zijn tussen de vier buurten. De overige wijkdelen zullen behandeld worden door middel van
literatuurstudie over de wijk als geheel.
6) Is er in de huidige grootschalige herstructureringsplannen rekening gehouden met de ervaringen en resultaten uit het
verleden?
Nu er aan de hand van de eerste vijf onderzoeksvragen een goed beeld is gekregen van de verschillen tussen de vier
herstructureringsprojecten onderling is het belangrijk om te kijken in hoeverre de gemeente Zwolle in haar huidige
grootschalige herstructureringsproject in de wijk rekening heeft gehouden met de resultaten van deze vier projecten. Is er
in het huidige beleid ingespeeld op de problemen die voor, tijdens of na de uitvoering van de kleinschalige projecten naar
voren zijn gekomen? In hoeverre hebben de ervaringen van (en met) de nieuwe bewoners een rol gespeeld bij het opstellen van
het grootschalige herstructureringsproject? Om dit te achterhalen zal het nodig zijn het huidige herstructureringsplan te
bestuderen en zullen betrokkenen geïnterviewd moeten worden.
1.3 Opzet scriptie
Allereerst zal in hoofdstuk 2 dieper ingegaan worden op de reeds bestaande theorieën met betrekking tot stedelijke
herstructurering van naoorlogse wijken en de problematiek die hierbij een rol kan spelen. Hierbij zal het allereerst
belangrijk zijn om een goed beeld te krijgen wat nu het typische is aan (vroeg-)naoorlogse wijken en wat de voor- en
nadelen zijn van deze wijken. Ten tweede zal gekeken moeten worden wat bedoeld wordt met de begrippen stadsvernieuwing en
stedelijke herstructurering. Tot slot zal de theorie over het "wijkbelang" en het "wijkgevoel" van bewoners behandeld
worden. Welke rol spelen bewoners in het leefbaar en dus aantrekkelijk houden van de wijk? Welke groepen bewoners voelen
zich zodanig verbonden met de wijk dat zij participeren in bewonersorganisaties? Waarom voelen juist deze bewoners zich
betrokken bij de wijk en andere groepen bewoners juist niet (ligt dit aan levensfase, etniciteit, inkomen,
woonduur etc.)?
Hoofdstuk 3 zal vervolgens een inleiding geven op het onderzoeksgebied. De geschiedenis en ontwikkeling van de wijk
Holtenbroek zal aan het licht komen. Wanneer zijn de problemen binnen de wijk ontstaan en hoe zijn deze ontstaan? Verder
zal de samenstelling van de bevolking in de wijk behandeld worden, waarbij ook gekeken wordt naar de ontwikkeling hiervan in
de loop van de tijd. Hoofdstuk 4 zal vervolgens dieper ingaan op de herstructurering van de wijk Holtenbroek. De vier kleine
herstructureringprojecten zullen behandeld worden, waarbij met name gekeken wordt naar de plannen en bijbehorende literatuur
met betrekking tot deze herstructureringsprojecten. Tot slot zal de huidige situatie beschreven worden, dus na realisatie
van de vier projecten.
Hoofdstuk 5 begint met de weergave van de onderzoeksresultaten. De resultaten van de enquête zullen hier weergegeven worden
en er zal verslag gedaan worden van de verschillende interviews, waarmee antwoord gegeven kan worden op de eerste vijf
onderzoeksvragen. Hoofdstuk 6 zal dan op basis van literatuurstudie dieper ingaan op de koppeling tussen de gerealiseerde
projecten en de huidige grootschalige herstructurering, waarbij het van belang is te achterhalen in hoeverre de gemeente
Zwolle rekening houdt met bewoners en eerdere resultaten. Oftewel hierin zal de zesde onderzoeksvraag beantwoord worden en
tevens zullen er aanbevelingen gedaan worden voor toekomstig herstructureringsbeleid. Tot slot zal hoofdstuk 7 de conclusie
vormen.
Terug naar boven
|