| |
5.1 Inleiding
Dit hoofdstuk zal ingaan op de vier kleinschalige herstructureringsprojecten. Doel van het hoofdstuk is te achterhalen of de
doelstellingen van het beleid, zoals opgesteld in de "Rapportage 2e fase" (hoofdstuk 4), behaald zijn. Aangezien het
onderzoek zich richt op de mate van tevredenheid over en betrokkenheid bij de wijk van de bewoners in de vier
nieuwbouwbuurten is er onder deze huishoudens een enquête gehouden. Hierdoor beslaat het onderzoeksgebied 269 woningen,
waarvan 236 koopwoningen en 33 seniorenhuurwoningen (§4.4). Van de 264 huishoudens in dit gebied (vijf woningen stonden op
moment van enquêteren leeg) hebben uiteindelijk 194 huishoudens de moeite genomen om de enquête in te vullen, waardoor een
vrij hoge respons van 73,5% behaald is. Hierbij moet opgemerkt worden dat er zeven enquêtes teruggekomen zijn zonder adres,
waardoor deze niet meegenomen zijn in de analyses per nieuwbouwbuurt. Aan de hand van de enquêtes zal in dit hoofdstuk een
antwoord gegeven worden op vijf van de zes onderzoeksvragen (op de zesde onderzoeksvraag zal het volgende hoofdstuk verder
ingaan).
Allereerst is het noodzakelijk te kijken naar de bevolkingssamenstelling in de vier nieuwbouwbuurten en de eventuele
verschillen die er onderling en in vergelijking met de wijk als geheel zijn (§5.2). Vervolgens zal gekeken worden in welke
mate de bewoners van de nieuwbouwbuurten tevreden zijn over de woning en de woonomgeving (§5.3). Het is voor de continuïteit
van de nieuwbouwbuurten (en het succes van de herstructureringsprojecten) zeer belangrijk dat de bewoners het prettig
vinden om in de buurt te (blijven) wonen, zodat de eenzijdige bevolkingssamenstelling in de wijk echt (en niet tijdelijk)
doorbroken wordt. Hierbij is het beeld dat de bewoners van de wijk hebben (§5.4) van belang. Een negatief beeld kan namelijk
leiden tot verhuisgeneigdheid, terwijl bewoners die een positief beeld van de wijk hebben geen reden hebben om verder te
kijken. Ditzelfde geldt voor de betrokkenheid die de bewoners bij de wijk hebben (§5.5). Indien de wijk een belangrijke rol
speelt in het leven van een huishouden zal men niet snel de wijk verlaten, terwijl weinig tot geen binding met de wijk kan
leiden tot verhuisgeneigdheid. Tot slot zal gekeken worden in hoeverre de resultaten in de vier nieuwbouwbuurten met elkaar
overeen komen en ze in verhouding staan tot de reeds bestaande wijkdelen (wordt in alle paragrafen meegenomen).
5.2 Bevolkingssamenstelling
Holtenbroek is een typische verschraalde portiekwijk (§2.3.2) en heeft zodoende te maken met een eenzijdige
bevolkingssamenstelling, veelal met een laag inkomen (de alleenstaande starters, allochtone gezinnen en werklozen). Het
volkshuisvestingsplan van begin jaren negentig (§4.3.1, de 2e fase) heeft dan ook als doel meer (jonge, startende) gezinnen
en tweepersoonshuishoudens, het liefst met een (boven)modaal inkomen, naar de wijk te trekken om zo de eenzijdige
bevolkingssamenstelling in de wijk te doorbreken (en dus dichter bij het Zwols gemiddelde te krijgen), hetgeen past in het
herstructureringsbeleid van de overheid in deze periode (§2.4.3). Daarnaast moet ervoor gezorgd worden dat wijkbewoners
binnen hun eigen wijk de mogelijkheid krijgen om door te stromen op de woningmarkt. Het woningaanbod zal dus moeten
veranderen en meer gericht moeten worden op de (duurdere) koopsector. In het vorige hoofdstuk (§4.4) is reeds gekeken naar
de vier nieuwbouwbuurten die midden en eind jaren negentig in de wijk geplaatst zijn. Deze vier buurten vormen het
onderzoeksgebied, waarbinnen het huishouden is aangewezen als onderzoekseenheid.
De gemiddelde huishoudensgrootte in het onderzoeksgebied is 2,8 personen per huishouden, waarbij de gemiddelde leeftijd van
de respondenten 40 jaar is. In het onderzoek zijn de mannen (50,5% tegenover 49,8% voor Holtenbroek als geheel) en vrouwen
(49,5% tegenover 50,2% voor de wijk als geheel) evenredig vertegenwoordigd. Bij de vergelijking tussen de
bevolkingssamenstelling van het onderzoeksgebied en de bevolkingssamenstelling van Holtenbroek en Zwolle zal er naar een
aantal aspecten gekeken moeten worden. Dit zijn de huishoudenssamenstelling, het besteedbaar inkomen (en daarmee
samenhangend het opleidingsniveau en de arbeidsmarktpositie), de leeftijdsopbouw, de herkomst van de bewoners (zowel de
vorige woonlocatie als de etnische samenstelling) en de gemiddelde woonduur van de huishoudens in het onderzoeksgebied.
Allereerst de huishoudenssamenstelling. Doordat er in het onderzoeksgebied, op de seniorenwoningen na, alleen maar
koopwoningen gebouwd zijn mag verwacht worden dat er in het onderzoeksgebied meer tweepersoonshuishoudens en gezinnen met
een (boven)modaal inkomen (tweeverdieners) zullen wonen dan in de wijk als geheel, waar met name sociaal-economisch zwakke
huishoudens (eenpersoonshuishoudens, eenouder- en allochtone gezinnen) woonachtig zijn in de sterk (sociale) huursector.
Wanneer naar de huishoudenssamenstelling in het onderzoeksgebied gekeken wordt (tabel 5.1) valt op dat het percentage
traditionele gezinnen in het onderzoeksgebied veel hoger (en daarmee samenhangend het percentage eenoudergezinnen en
eenpersoonshuishoudens lager) ligt dan in de wijk en Zwolle als geheel. Hieruit blijkt dat de nieuwbouwbuurten er inderdaad
aan bijdragen dat de eenzijdige bevolkingssamenstelling in de wijk doorbroken wordt, in ieder geval voor wat betreft de
huishoudenssamenstelling. Wanneer de vier buurten met elkaar vergeleken worden valt op dat het percentage één- en
tweepersoonshuishoudens in buurt C hoger ligt dan in de andere drie buurten, hetgeen logisch te verklaren is aan de hand
van de seniorenwoningen (emtpy-nest huishoudens).
Tabel 5.1 Huishoudenssamenstelling (in %), 1 maart 2004.

Bron: Afdeling onderzoek en statistiek gemeente Zwolle, 2003 en Eigen onderzoek, 2004
Ten tweede het besteedbaar inkomen per maand van de huishoudens. Dit besteedbaar inkomen hangt grotendeels af van het
opleidingsniveau en de arbeidsmarktpositie van de bewoners (zowel respondenten als eventuele partners). Uit de enquête
blijkt dat 10,7% van de respondenten en partners nog een opleiding volgt, waarbij het merendeel deze opleiding combineert
met een (vaste) baan. Wanneer in het onderzoeksgebied naar het opleidingsniveau gekeken wordt valt op dat het merendeel
(67,3%) van de respondenten en hun (eventuele) partners een opleiding in het basisonderwijs, het lager voortgezet onderwijs
of het middelbaar onderwijs als hoogst voltooide opleiding heeft en ongeveer eenderde van de bewoners een opleiding heeft
afgerond in het hoger voortgezet onderwijs of op HBO of universitair niveau.
Tussen de vier buurten in het onderzoeksgebied zit qua opleidingsniveau niet zoveel verschil. Buurt C wijkt af van de andere
drie buurten, hetgeen toe te schrijven is aan de seniorenwoningen aan de Telemannstraat. Het is bekend dat ouderen over het
algemeen een lager opleidingsniveau hebben dan jongeren en in die zin is het dan ook niet verbazend dat buurt C qua
opleidingsniveau lager scoort dan de andere drie buurten. Wanneer in buurt C de seniorenwoningen buiten beschouwing worden
gelaten blijkt dat ook in de overgebleven straten (de Kuhnaustraat en de Morleystraat) 22,2% van de bevolking een opleiding
heeft afgerond op HBO of universitair niveau.
Voor de arbeidsmarktpositie van een persoon blijkt het opleidingsniveau niet van belang. Het merendeel van de bewoners is,
ongeacht het opleidingsniveau, werkzaam in loondienst (tabel 5.2). Ook tussen de vier buurten zit geen opmerkelijk verschil.
Alleen buurt C huisvest, dankzij de seniorenwoningen, relatief gezien meer gepensioneerden.
Tabel 5.2 Arbeidsmarktpositie (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Nu het opleidingsniveau en de arbeidsmarktpositie van de bewoners behandeld zijn, kan gekeken worden naar het besteedbaar
inkomen van de huishoudens. Het gemiddeld besteedbaar inkomen per maand in Holtenbroek is 1591 Euro per huishouden, waarmee de
wijk flink achter blijft in vergelijking met Zwolle als geheel waar het gemiddeld besteedbaar inkomen per maand op 2066 Euro
per huishouden ligt (Afdeling onderzoek en statistiek gemeente Zwolle, 2003). Uit de enquête blijkt dat 64,4% van de
respondenten meer dan 1500 Euro per maand verdient en daarmee boven het wijkgemiddelde zit. Daartegenover geeft 22,7% van de
respondenten aan minder dan 1500 Euro per maand te verdienen (12,9% van de respondenten wenst het besteedbaar inkomen niet
bekend te maken). Wanneer we het besteedbaar inkomen per huishouden in het onderzoeksgebied vergelijken met het Zwols
gemiddelde blijkt zelfs dat 39,7% van de respondenten boven het Zwols gemiddelde scoort (meer dan 2000 Euro per maand
verdient), waardoor gesteld kan worden dat het onderzoeksgebied ook wat betreft het besteedbaar inkomen per huishouden er
aan bijdraagt dat de eenzijdige bevolkingssamenstelling in de wijk doorbroken wordt.
Wanneer we naar de verschillen in besteedbaar inkomen tussen de vier buurten in het onderzoeksgebied (figuur 5.1) kijken
valt meteen op dat de huishoudens in buurt D relatief gezien het minst verdienen. Het merendeel zit qua besteedbaar inkomen
per maand nog steeds boven het wijkgemiddelde, maar in deze buurt is er geen enkel huishouden dat meer dan 2500 Euro per
maand verdient, terwijl in de andere drie buurten ruim 20% van de huishoudens in deze hogere inkomensgroepen vallen. Dit
verschil wordt grotendeels verklaard door het hogere aandeel werklozen, arbeidsongeschikten en personen werkzaam in het
huishouden in deze buurt.
Figuur 5.1 Besteedbaar inkomen per maand per buurt (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Ten derde de leeftijdsopbouw. In Holtenbroek wonen relatief gezien veel jongeren (18-24 jaar) en ouderen (55+). Deze groepen
zullen niet in staat zijn (de jongeren) of geen behoefte hebben (de ouderen) om een nieuwbouwwoning te kopen, waardoor
verwacht mag worden dat juist de 25-55 jarigen (en hun kinderen) in het onderzoeksgebied oververtegenwoordigd zullen zijn.
Dit blijkt inderdaad het geval te zijn (figuur 5.2). De 25-39 jarigen en hun kinderen (de 0-3 en de 4-11 jarigen) zijn in
het onderzoeksgebied sterk oververtegenwoordigd in vergelijking met Holtenbroek en Zwolle. Opvallend is dat de
leeftijdscategorie 18-24 jaar binnen het onderzoeksgebied achterblijft in vergelijking met Holtenbroek. Voor deze groep,
veelal starters op de woning- en arbeidsmarkt, lijken de woningen inderdaad te duur. Het merendeel van de starters begint
in een (goedkope) huurwoning en zal op latere leeftijd (de groep 25-39 jarigen), als gevolg van een verbeterde
inkomenspositie of veranderde huishoudenssamenstelling, doorstromen naar een koopwoning. Wanneer we de vier buurten met
elkaar vergelijken zal het niet verbazen dat de leeftijdsopbouw in buurt C (relatief oudere bevolking), dankzij de
seniorenwoningen, afwijkt van de andere drie buurten.
Figuur 5.2 Leeftijdsopbouw (in %), 1 maart 2004.

Bron: Afdeling onderzoek en statistiek gemeente Zwolle, 2003 en Eigen onderzoek, 2004.
Dat het beleid zich richt op jonge huishoudens blijkt ook uit het feit dat de huidige woning voor 77,3% van de respondenten
en (eventuele) partners de eerste koopwoning is. Daarnaast wordt er in het volkshuisvestingsplan naar gestreefd om bewoners
uit de wijk zelf de kans te bieden om binnen hun eigen wijk door te stromen op de woningmarkt, waardoor er vanuit gegaan mag
worden dat er vrij veel huishoudens vanuit de wijk zelf zijn doorgestroomd naar één van de nieuwbouwbuurten. Vanuit dit
oogpunt bezien valt het enigszins tegen dat "slechts" 36,8% van de respondenten en 35,1% van de partners doorgestroomd is
vanuit een andere woning in de wijk. Het merendeel van de respondenten en partners komt dus uit andere Zwolse wijken
(respectievelijk 47,1% en 43,7%) of zelfs van buiten Zwolle (respectievelijk 16,1% en 21,2%).
Wanneer we kijken naar de verschillen qua locatie van de vorige woning tussen de vier buurten in het onderzoeksgebied blijkt
wederom dat buurt C het meest afwijkt van de andere drie buurten. In deze buurt zijn verhoudingsgewijs veel mensen (62,7%
tegenover 34,2%, 21,2% en 29,7% in respectievelijk buurt A, B en D) woonachtig die vanuit de wijk zelf zijn doorgestroomd.
De woningen in buurt C zijn pas eind jaren negentig gebouwd (ongeveer 3,5 jaar later dan de andere drie buurten), waardoor
het zeer goed mogelijk is dat de gemeente, als gevolg van de tegenvallende doorstroming van wijkbewoners in de andere drie
buurten, besloten heeft om Holtenbroekers bij de woningverkoop in buurt C (nog meer) voorrang te geven. Daarnaast is het
voor oudere wijkbewoners, dankzij de bouw van de seniorenwoningen aan de Telemannstraat, eindelijk mogelijk geworden om in
de eigen wijk, dichtbij de voorzieningen, gelijkvloers te gaan wonen.
Verder is er een groep allochtonen met een (boven)modaal inkomen die, vanwege de sociale contacten en (culturele)
voorzieningen, er bewust voor kiezen om in de wijk te blijven wonen (§2.3.2). Voor deze groep is het nu ook eindelijk
mogelijk geworden binnen de wijk zelf door te stromen. Hierdoor is het niet zo opvallend dat de doorstroming vanuit de wijk
zelf bij de allochtone bevolking beter op gang is gekomen dan bij de autochtone bevolking. Meer dan de helft (53,4%) van de
allochtone bevolking in het onderzoeksgebied komt uit een woning in de wijk, tegenover 32,6% van de autochtonen. De
autochtone bevolking komt vooral uit andere Zwolse wijken (49,1%). Desondanks neemt het onderzoeksgebied in vergelijking met
Holtenbroek en Zwolle qua etnische samenstelling slechts een middenpositie in (tabel 5.3).
Tabel 5.3 Etnische samenstelling (in %), 1 maart 2004.

Bron: Afdeling onderzoek en statistiek gemeente Zwolle, 2003 en Eigen onderzoek, 2004.
Tussen de vier buurten in het onderzoeksgebied valt op dat in buurt D twee keer zoveel allochtonen, met name van Turkse
afkomst, wonen als in vergelijking met de andere drie buurten. Echter is het wel zo dat ook in buurt D de autochtone
bevolking het sterkst vertegenwoordigd is (figuur 5.3). Een verklaring hiervoor kan zijn dat buurt D als enige in
Holtenbroek I gelegen is. Wanneer namelijk gekeken wordt naar de vertegenwoordiging van Turkse mensen in de vier wijkdelen
valt op dat in Holtenbroek I relatief gezien de meeste Turkse mensen wonen, namelijk 10,5% tegenover 3,5%, 10% en 6,7% in
respectievelijk Holtenbroek II, III en IV (Afdeling onderzoek en statistiek gemeente Zwolle, 2003).
Figuur 5.3 Etnische samenstelling per buurt (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Om ervoor te zorgen dat de herstructurering ook op de lange termijn effect blijft houden op de bevolkingssamenstelling in de
wijk is het belangrijk er voor te zorgen dat het verloop binnen het onderzoeksgebied beperkt blijft. Uit het onderzoek
blijkt echter dat er juist sprake is van een vrij groot verloop. Zo is nog maar 55,9% van de eerste bewoners in het
onderzoeksgebied woonachtig (figuur 5.4), waardoor de gemiddelde woonduur in het onderzoeksgebied slechts 5 jaar is.
Figuur 5.4 Woonduur respondenten per buurt, 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Gelet op de huishoudenssamenstelling en de jonge leeftijdsopbouw in het onderzoeksgebied is het echter niet eens zo
verrassend dat er een vrij groot verloop is in het onderzoeksgebied. Het is namelijk bekend dat jonge huishoudens na een
verbetering op de arbeidsmarktpositie of een verandering in de huishoudenssamenstelling vaak doorstromen op de woningmarkt
(§2.2.1). Het feit dat voor 77,3% van de respondenten en (eventuele) partners de woning de eerste koopwoning is geeft aan
dat de nieuwbouwbuurt voor veel huishoudens dient als startpunt van hun woningmarktcarrière in de koopsector. Desondanks
heeft het relatief grote verloop binnen het onderzoeksgebied tot nu toe nog geen invloed gehad op de bevolkingssamenstelling
in de vier nieuwbouwbuurten, hetgeen te verklaren is door het feit dat de woningen opnieuw zijn bewoond door jonge
tweepersoonshuishoudens en/of gezinnen die starten in de koopsector. De vier nieuwbouwbuurten hebben dus net als de rest van
de wijk een doorstroomfunctie.
Wanneer we terugkijken naar de doelstelling van het beleid kan gesteld worden dat het volkshuisvestingsplan grotendeels
succesvol is geweest. Men is er in geslaagd meer (jonge, startende) tweepersoonshuishoudens en gezinnen met een
(boven)modaal inkomen naar de wijk toe trekken. Zo behoort in het onderzoeksgebied 79,4% van de huishoudens tot één van
deze twee huishoudenstypen tegenover 46,9% in Holtenbroek en 59,7% in Zwolle. Tevens is gebleken dat 64,4% van de
respondenten, qua besteedbaar inkomen per maand, boven het wijkgemiddelde zit (en zelfs 39,7% boven het Zwols gemiddelde).
Minpunt is het relatief grote verloop in het onderzoeksgebied. Tot nu toe heeft dit verloop nog weinig effect gehad op de
bevolkingssamenstelling aangezien de vrijgekomen woningen opgevuld zijn door (andere startende) tweepersoonshuishoudens en
gezinnen, maar voor de continuïteit van de nieuwbouwbuurten zou het beter zijn als het verloop beperkt blijft.
5.3 Tevredenheid bewoners over de wijk
Wat zijn de problemen die tijdens de uitvoering van de herstructureringsplannen naar voren zijn gekomen en in hoeverre zijn
de bewoners tevreden over de woning en de woonomgeving? Op deze onderzoeksvraag zal in deze paragraaf verder worden ingegaan.
De problemen, die tijdens de planvorming en uitvoering van de plannen naar voren zijn gekomen, zijn reeds behandeld (§4.4).
Zo werd de herstructurering in eerste instantie een aantal jaren uitgesteld doordat de wijkbewoners tegen de
nieuwbouwplannen waren. Zij waren van mening dat er juist niet meer woningbouw bij moest komen, maar dat de gemeente eerst
maar eens de alledaagse problemen (zoals criminaliteit, vandalisme en verpaupering) moest aanpakken. Of er tijdens de
daadwerkelijke bouw van de nieuwbouwbuurten midden en eind jaren negentig problemen naar voren zijn gekomen is niet bekend.
Vanwege verschillende reorganisaties binnen de gemeente Zwolle en AM Wonen (waar Wilma Bouw, destijds verantwoordelijk voor
de bouw van de nieuwbouwbuurten, nu deel vanuit maakt) is het helaas niet mogelijk de rapporten die hierover gaan in te
zien . Daarom zal in deze paragraaf alleen worden ingegaan op de tevredenheid van bewoners over de woning en de
woonomgeving.
Tevredenheid over de woning
Zoals eerder gezegd zijn er in het onderzoeksgebied, op de seniorenwoningen na, alleen maar koopwoningen geplaatst. In de
vorige paragraaf is al gebleken dat dit van invloed is geweest op de bevolkingssamenstelling, maar verwacht mag worden dat
het ook van invloed is op de tevredenheid van de bewoners over de woning en de woonomgeving. De doelgroepen van het beleid,
de tweepersoonshuishoudens en gezinnen met een (boven)modaal inkomen, zullen alleen een woning kopen als dit een vooruitgang
is in hun woningmarktcarrière en stellen zodoende hogere eisen aan de woning (§2.2.1). Op basis hiervan mag verwacht worden
dat de huishoudens in het onderzoeksgebied zich van tevoren goed georiënteerd hebben op de woningmarkt en men uiteindelijk
voor de huidige woning gekozen heeft, omdat dit op dat moment de best mogelijke optie was. Uit de enquête blijkt dan ook dat
de bewoners over het algemeen redelijk tot zeer tevreden zijn over hun woning (tabel 5.4). De ontevredenheid wordt vaak
veroorzaakt door een verandering qua inkomen of huishoudenssamenstelling, waardoor de woning in mindere mate voldoet aan de
wensen en/of mogelijkheden van een huishouden.
Tabel 5.4 Tevredenheid over de woning (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Zo blijkt uit het onderzoek dat men in vergelijking met de andere variabelen vooral minder tevreden is over het aantal
kamers in de woning en de maandelijkse aflossing/huurprijs. Het eerste is niet zo vreemd, want zoals gezegd is het heel goed
mogelijk dat er in de periode dat men in de woning woonachtig is een gezinsuitbreiding heeft plaatsgevonden, waardoor men
een kamer extra wenst (c.q. nodig heeft). In het onderzoek is dan ook naar voren gekomen dat een aantal bewoners (met name
in buurt D) geprobeerd heeft een vergunning te krijgen voor de bouw van een extra verdieping op de woning, maar helaas voor
de bewoners is dit verzoek door de gemeente afgewezen. De enige andere manier om dan nog tegemoet te komen aan de veranderde
woonwensen is verhuizen, hetgeen veel huishoudens dan ook hebben gedaan of nog gaan doen. Zo geeft 60% van de verhuisgeneigde
huishoudens aan dat men groter wil wonen. Of men deze grotere woning in Holtenbroek of elders zoekt zal later behandeld
worden (§5.5). Ten tweede is er nog de ontevredenheid over de maandelijkse aflossing/huurprijs, waarbij de ontevreden
bewoners aangeven dat kosten altijd lager kunnen.
Wanneer gekeken wordt naar de verschillen tussen de vier buurten in het onderzoeksgebied zijn er slechts een aantal kleine
verschillen waar te nemen (tabel 5.5). Over het algemeen kan gesteld worden dat de bewoners in buurt B het meest tevreden
zijn over hun woning. Deze bewoners zijn dan ook op geen enkel aspect het meest ontevreden, terwijl de bewoners uit de
andere drie buurten allemaal op een aantal aspecten aangeven het minst tevreden te zijn. De grootste onderlinge verschillen
zijn waar te nemen bij de oppervlakte van de keuken, het aantal kamers en de maandelijkse aflossing/huurprijs.
Tabel 5.5 Tevredenheid over de woning per buurt, 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Met name de bewoners uit buurt D nemen hierbij een afwijkende positie in. In deze buurt geven de bewoners op alle aspecten
het vaakst een neutraal antwoord, maar die keren dat de bewoners zich wel echt uitspreken over hun (on)tevredenheid wijkt
hun mening ook gelijk flink af van die van de bewoners in de andere drie gebieden. Dat de bewoners in buurt D daarbij het
meest ontevreden zijn over het aantal kamers en de maandelijkse aflossing is op zich niet zo verrassend. Wat betreft het
aantal kamers blijkt dat met name de bewoners in buurt D geprobeerd hebben een bouwvergunning van de gemeente te krijgen om
op de huidige plek uit te bouwen en wat betreft de maandelijkse aflossing is reeds opgemerkt (§5.2, figuur 5.1) dat de
huishoudens in buurt D gemiddeld een lager besteedbaar inkomen hebben. Hierdoor mag aangenomen worden dat de maandelijkse
aflossing bij deze huishoudens zwaarder op het besteedbaar inkomen drukt. Overigens is de gemiddelde verkoopwaarde in het
onderzoeksgebied 69.323 Euro (door de bewoners zelf geschat) en ligt de huurprijs van de seniorenwoningen rond de 420 Euro
per maand, waarbij de meeste bewoners gebruik maken van Individuele Huur Subsidie en zodoende vaak tussen de 200 Euro en
220 Euro per maand betalen.
Tevredenheid over de woonomgeving
Wat betreft de woonomgeving is het een ander verhaal. De gemeente is al sinds begin jaren negentig bezig om de sociale
veiligheid en de leefbaarheid in Holtenbroek te verbeteren (§4.3.4), maar desondanks heeft de wijk nog steeds te maken met
een negatief imago binnen Zwolle. Er mag dan ook verwacht worden dat de bewoners in het onderzoeksgebied (waarvan het
merendeel van buiten de wijk komt) op de hoogte zijn van dit negatieve imago en als gevolg daarvan in mindere mate tevreden
zijn over de woonomgeving. Het is dan ook opvallend dat 90,7% van de respondenten aangeeft tevreden te zijn over de
woonomgeving, maar hierbij moet gezegd worden dat een flink aantal van de respondenten de eigen nieuwbouwbuurt als
woonomgeving ziet en dus niet de wijk als geheel. Vaak is men dus tevreden over de nieuwbouwbuurt, terwijl men over de rest
van de wijk minder tevreden is of zelfs geen mening heeft doordat men geen binding heeft met de rest van de wijk (§5.5).
Wanneer gevraagd wordt naar de bevolkingssamenstelling dan geeft 82,3% van de bewoners aan tevreden te zijn. De ontevreden
mensen geven aan dat het evenwicht in de wijk zoek is, er wonen te veel sociaal-economisch zwakke huishoudens (waaronder een
grote groep allochtonen en studenten).
Om dieper in te gaan op de (on)tevredenheid over de woonomgeving is de bewoners gevraagd wat in hun ogen de problemen zijn
binnen de wijk en wat men vindt van het huidige voorzieningenaanbod in de wijk. Wanneer gevraagd wordt wat men de grootste
problemen binnen de wijk vindt valt op dat 21,7% van de bewoners aangeeft dat er geen problemen zijn. Dit is een opvallend
grote groep aangezien wel alle bewoners het erover eens zijn dat de wijk geherstructureerd moet worden. Doordat de bewoners
de kans hebben gehad meerdere problemen tegelijk te noemen is er in totaal 213 keer een probleem genoemd door de 152
respondenten die aangeven dat er problemen zijn binnen de wijk. De grootste problemen in de wijk zijn volgens de bewoners de
criminaliteit en veiligheid (19,7%), de eenzijdige bevolkingssamenstelling (19,2%), de eenzijdige wijkopbouw en het slechte
onderhoud van de bestaande woningvoorraad (13,6%), het zwerfvuil (12,2%) en de verkeersstructuur (10,3%). Andere problemen
die door de bewoners worden genoemd zijn het slechte imago (6,6%), de verpaupering (5,2%), de rondhangende jeugd (4,7%), de
gebrekkige sociale controle (4,7%, zowel toezicht van politie als bewoners onderling) en het slechte onderhoud van de
openbare ruimte (3,8%).
In het geval van de voorzieningen is er een onderverdeling gemaakt tussen de parkeervoorzieningen, de winkelvoorzieningen en
de onderwijsvoorzieningen. Een ruime meerderheid (69,1%) van de bewoners geeft aan tevreden te zijn met de
parkeervoorzieningen in de wijk. Wanneer we dit echter per buurt gaan bekijken blijkt dat er tussen de verschillende buurten
een verschil is in de mate van tevredenheid. Met name in de buurten B (41,7% ontevreden) en D (40,9% ontevreden) blijkt men
minder tevreden te zijn over de parkeervoorzieningen. In deze buurten is het met name 's avonds (als iedereen thuis is)
moeilijk om de auto voor de deur te parkeren. In buurt C daarentegen is men (88,9%) zeer tevreden over de
parkeervoorzieningen. Hierbij moet er echter wel rekening mee gehouden worden dat veel bewoners van de seniorenwoningen ook
aangegeven hebben dat ze tevreden zijn over de parkeervoorzieningen, terwijl (of juist doordat) ze zelf geen auto (meer)
hebben. Desondanks blijkt men in buurt C over het algemeen de auto voor de deur te kunnen parkeren. Buurt A neemt een
tussenpositie in, daar is 70,3% van de bewoners tevreden over de parkeervoorzieningen.
Ten tweede de winkelvoorzieningen. Aangezien de winkelvoorzieningen pas tijdens de grootschalige herstructurering (hoofdstuk
6) opgeknapt zullen worden is de verwachting dat men over het algemeen in mindere mate tevreden is over de kwaliteit van de
winkelvoorzieningen. Desondanks is een ruime meerderheid (70,1%) van de bewoners tevreden over de kwaliteit van de
winkelvoorzieningen. De ontevreden bewoners geven aan dat de winkelcentra in de wijk verouderd zijn en dat er te weinig
variatie is in het aanbod. Het merendeel van de ontevreden bewoners doet dan ook de dagelijkse boodschappen elders in de
stad, met name in de Aa-landen (§5.5).
In het onderzoek is aan de bewoners gevraagd welke voorzieningen in de wijk ontbreken of voor verbetering vatbaar zijn en
het is dan ook niet opvallend dat een goed winkelaanbod het meest (43,2%) genoemd wordt. Daarna volgen de
parkeervoorzieningen (15,3%), de speelvoorzieningen (13,6%, zowel voor de kleine kinderen als hangplekken voor de oudere
jeugd), een bank of pinautomaat op het Bachplein (6,3%), de sportvoorzieningen (5,4%), meer politietoezicht (4,5%), beter
onderhoud van de openbare ruimte (3,6%) en een aantal overige voorzieningen (gezamenlijk 8,1%, waaronder een bushalte,
brievenbus en een nieuw wijkcentrum). Over de onderwijsvoorzieningen in de wijk zijn de huishoudens over het algemeen niet
zo tevreden. Met name de autochtone huishoudens vinden dat, mede dankzij de bevolkingssamenstelling van Holtenbroek, de
verhouding allochtoon-autochtoon te ver doorgeslagen is op de basisscholen in de wijk, waardoor veel autochtone huishoudens
besluiten de kinderen in een andere wijk naar school te doen (zoals in §5.5 zal blijken).
5.4 Beeld van de bewoners over de wijk
Welk beeld hebben de bewoners, die na de herstructurering in de nieuwe woonblokken zijn komen wonen, van de rest van de
wijk? Op deze onderzoeksvraag zal deze paragraaf dieper ingaan, waarbij gekeken wordt naar het veiligheidsgevoel, de
eventuele verandering van het wijkbeeld en het beeld van de huidige herstructureringsplannen van de bewoners in het
onderzoeksgebied. Aangezien de wijk te maken heeft met een negatief imago is het vrij logisch er vanuit te gaan dat de
bewoners die geen verleden in de wijk hebben (64% van de respondenten en partners) in het begin een vrij negatief beeld
zullen hebben van de wijk (en dan met name de bestaande wijkdelen). Echter is tijdens de inventarisatiefase (§4.2.1,
werkgroep volkshuisvesting) gebleken dat de woonkwaliteit binnen de wijk als redelijk tot goed bestempeld kan worden en
veel Holtenbroekers dan ook (zeer) tevreden zijn met hun woonsituatie. Er mag dus verwacht worden dat het negatieve beeld
van de bewoners zal bijtrekken naarmate men langer in de wijk woonachtig is vanwege het feit dat Holtenbroek qua objectieve
veiligheid (het geregistreerde aantal misdrijven) geen extreme positie inneemt binnen Zwolle (§4.2.1, werkgroep sociale
veiligheid) en het negatieve imago dus gebaseerd is op de problematiek in een zeer klein deel van de wijk. Kanttekening
hierbij is dat de subjectieve veiligheid in de wijk zeer laag is en dus een remmende factor kan zijn.
Allereerst het veiligheidsgevoel. Driekwart van de respondenten en hun (eventuele) partners (78,3% van de mannen en 72,9%
van de vrouwen) geeft aan zich volkomen veilig te voelen binnen Holtenbroek. Voor de rest geldt dat zij, op één man na (deze
man voelt zich altijd onveilig), zich deels veilig voelen in de wijk. Met name de vrouwen geven hierbij aan dat ze 's avonds
liever niet in bepaalde delen van de wijk komen. Tevens geeft 79,4% van de respondenten met thuiswonende kinderen aan dat de
wijk veilig genoeg is voor hun kinderen.
Ten tweede geeft 50,8% van de respondenten volgens verwachting aan dat het beeld dat men van de wijk heeft in de loop van
de tijd veranderd is, waarbij met name de bewoners uit Zwolle (de vorige woning lag in een andere Zwolse wijk) aangeven dat
het negatieve beeld dat men van de wijk had niet juist was (figuur 5.5). Nu men er woont blijkt het allemaal wel mee te
vallen met de problemen en overlast binnen de wijk. Opvallend is dat een aanzienlijk deel van de bewoners die al in
Holtenbroek woonachtig waren ook aangeeft dat hun beeld van de wijk veranderd is sinds men in de huidige woning is komen
wonen. Deze bewoners doelen hierbij meestal op de komst van de nieuwbouwbuurten zelf en het grootschalige onderhoud dat
midden jaren negentig in de rest van de wijk heeft plaatsgevonden. De bewoners van buiten Zwolle nemen een tussenpositie
in, waarbij een deel van deze bewoners van tevoren nog nooit van de wijk gehoord had en zodoende vooraf ook geen beeld bij
de wijk had.
Figuur 5.5 Verandering beeld van de wijk naar locatie vorige woning (in %), 1 maart 2004.

Bron: Eigen onderzoek, 2004.
Beeld van de huidige herstructureringsplannen
Op basis van de theorie met betrekking tot stedelijke vernieuwing (§2.4.4) mag verwacht worden dat de eenzijdige
woningvoorraad en bevolkingssamenstelling door middel van de fysieke maatregelen doorbroken zullen worden. De woonkwaliteit
in Holtenbroek I zal verbeteren en dankzij het woonzorgcomplex wordt het wonen (en zorg) op maat ook bevorderd. Het is
echter nog maar de vraag of er ook op sociaal vlak voldoende maatregelen genomen worden zodat de problemen zich niet
(tijdelijk) verplaatsen naar andere delen van de wijk en/of stad. De bewoners van de sloopwoningen (veelal
sociaal-economisch zwakke huishoudens) worden bij het uitverhuizen begeleid, financieel ondersteund en waar nodig geholpen
bij hun zoektocht naar een nieuwe, passende woning, maar of deze bewoners daarmee ook daadwerkelijk met hun problemen
geholpen worden is nog maar sterk de vraag. Daarnaast is de verwachting dat de betrokkenheid van de wijkbewoners (en zeker
van de bewoners uit het onderzoeksgebied) bij de herstructurering zeer gering zal zijn. Zolang een bewoner zelf geen belang
heeft bij, c.q. erop vooruit gaat dankzij, de herstructurering zal men niet snel bereid zijn actief deel te nemen aan een
project (§2.5).
In de enquête geven alle bewoners aan het een goede zaak te vinden dat de gemeente de wijk gaat herstructureren. Er is reeds
genoemd (§5.3) dat de bewoners vinden dat de eenzijdige woningvoorraad en bevolkingssamenstelling doorbroken, de
verpaupering van de wijk tegengegaan, de leefbaarheid verbeterd en het winkelaanbod uitgebreid moet worden. Echter is
slechts 63,4% van de respondenten van mening dat de problemen binnen de wijk opgelost zullen worden dankzij de
herstructurering. De kritiek van de overige bewoners (24,7% denkt dat de problemen niet opgelost zullen worden en 11,9%
heeft geen mening) is vooral dat de problemen zich in hun ogen zullen verplaatsen naar andere delen van de wijk of naar
elders in de stad. Indien de problemen zich binnen de wijk zelf verplaatsen dan denken veel respondenten dat het nieuwe
concentratiegebied in Holtenbroek II zal komen te liggen, namelijk rond de Klooienberglaan en de hoogbouw aan de
Palestrinalaan. De herstructurering zal namelijk weinig veranderen aan de achterstandspositie van de vertrekkende
huishoudens. Uiteraard zullen de sociaal-economisch zwakke huishoudens meer gespreid worden dankzij de herstructurering,
maar of deze huishoudens daarmee geholpen worden is volgens deze groep bewoners nog maar afwachten.
Wel is 94,8% van de respondenten van mening dat de wijk een betere uitstraling zal krijgen dankzij de herstructurering en
zodoende dus een beter imago binnen Zwolle. Slechts drie personen (1,5%) zijn van mening dat de wijk haar negatieve imago
zal behouden (de overige 3,7% van de respondenten heeft geen mening). Grotendeels zal het betere imago te danken zijn aan
het nieuwe winkelcentrum dat in het hart van de wijk zal komen. Over de locatie van het nieuwe winkelcentrum is men ruim
tevreden, 93,3% van de respondenten vindt het Bachplein een goede keuze. Opmerkelijk is dit echter niet aangezien het
Bachplein dichter bij de nieuwbouwbuurten ligt dan het Sweelinckplein. Desondanks had toch nog 3,6% liever het
Sweelinckplein als nieuwe locatie gehad, terwijl 1 persoon (0,5%) een geheel nieuwe locatie wenselijk had geacht (2,6% van
de respondenten heeft geen mening).
Op de vraag of de bewoners voldoende betrokken worden bij de herstructureringsplannen is 82,5% van mening dat dit het geval
is. Hierbij geeft een groot aantal respondenten aan dat ze zelf weinig betrokkenheid hebben bij de herstructurering, maar
indien men de interesse zou hebben voldoende mogelijkheden heeft om op de hoogte te blijven van of mee te discussiëren over
de herstructurering (door middel van de wijkkrant, het Wijkservice Punt Noord, het Projectteam Holtenbroek I en de
wijkplatforms). De bewoners die vinden dat men niet voldoende betrokken wordt (11,3%, de overige 6,2% heeft geen mening) bij
de herstructurering geven aan dat ze wel voldoende informatie ontvangen, maar dat de gemeente en de woningcorporaties weinig
doen met de wensen van de bewoners. De inspraakavonden zouden volgens deze bewoners beter informatieavonden genoemd kunnen
worden. Dat de bewoners zich niet zo betrokken voelen bij de herstructurering blijkt ook uit het feit dat 42,9% van de
verhuisgeneigde huishoudens aangeeft wel in de nieuwbouw te willen wonen. Dit lijkt een vrij redelijk percentage, maar voor
bijna alle verhuisgeneigde huishoudens blijkt de nieuwbouw in Holtenbroek slechts één van de vele opties. Met name de hoge
prijs van de woningen is voor veel huishoudens reden om verder te kijken.
Tot slot is de bewoners gevraagd wat ze vinden van de manier waarop de herstructurering plaatsvindt. Ook hier zijn de
bewoners vrij positief over. Zo geeft 51,3% van de respondenten aan dat men geen overlast heeft van de herstructurering.
Van de huishoudens die wel hinder ondervinden van de herstructurering is 95,6% van mening dat de wijk geherstructureerd
moet worden en dat daar nu eenmaal bouwactiviteiten bij horen. Slechts een enkeling (4,4%), van de huishoudens die hinder
ondervinden van de herstructurering, is van mening dat de overlast uit de hand loopt. Opvallend is dat zelfs de huishoudens
in buurt D tevreden zijn over de manier van aanpak aangezien deze buurt tegen het herstructureringsgebied aanligt.
Terug naar boven
|