Huwelijks-wereldreis |
| Oppervlakte | : | 227.000 km2 (12% van Indonesië) |
| Bevolkingsaantal | : | 15.000.000 (7% v/d Indonesiërs) |
In de luchthaven verloopt alles goed en we stijgen op om 8u30 's morgens met Garuda Indonesia. We zijn alle vier benieuwd wat het gaat worden. We vliegen boven de krater van de Gunung Anung vulkaan op Bali en zien ook ons eilandje Nusa Lembongan vanuit de lucht. Tijdens de landing gaan we nogal vlug naar Kathleens goesting en de piloot moet hard remmen. Niet echt een zachte landing. De band waarop de valiezen naar binnen komen gerold is best wel grappig. Op het einde stopt hij gewoon en valt alles op een hoopje eraf.
We zijn aangekomen in "Ujung Padang" ofwel "Makassar". We weten nog altijd niet goed hoe de vork in de steel zit. Waarschijnlijk is Ujung Padang de naam van de luchthaven en Makassar de naam van de stad. Het is snikheet in de luchthaven en we kiezen een toeristenbureautje uit om een toer te boeken. Want het is nagenoeg onmogelijk om in Sulawesi een auto te huren waarmee je zelf mag rijden en het openbaar vervoer zien we ditmaal niet zitten, vanwege de beperkte tijd.
We boeken een toer van 10 dagen waar alles inbegrepen zit. Het klinkt allemaal aantrekkelijk. Om te betalen moesten we naar de bank in de stad rijden, want op de luchthaven kan je geen geld afhalen.
We waren blijkbaar weer in een apeland aangekomen, want alles was weer vuiler en er waren veel krotten. Kathleen wachtte met haar mama buiten terwijl de mannen geld gingen afhalen. Ze werden er ongelooflijk aangegaapt door de plaatselijke bevolking.
Dan terug naar de luchthaven om iets te eten, om daarna te vertrekken met ons wit mini-busje met chauffeur en gids. De vliegtuigen stegen vlak boven ons restaurant op in volle gas en ze maken daarbij zeer veel lawaai. Rustig eten was het niet maar wel redelijk lekker. De tocht van 150 km viel mee. Airco af en aan, ramen open en toe, voor iedereen wat wils, want ons mama had het warm en wij vonden de airco te koud, dus met airco op en ramen open zodat we wat warme lucht over ons kregen. We stopten verschillende keren om foto's te nemen en ook om mega grote pompelmoezen te eten. Die waren echt lekker omdat ze minder zuur zijn dan bij ons.
Bij de aankomst aan ons hotel aan de kust, zeiden ze dat het volzet was. Dat begon al goed, ze hadden dus niets gereserveerd. Gelukkig drong onze gids wat aan zodat we dan uiteindelijk toch elk onze kamer kregen. Al goed, want anders moesten we in de stad "Pare Pare" slapen, wat zelfs door de L.P. afgeraden wordt. Ons hotelletje noemde "Kupa Beach" en het was er zeer gezellig. We kregen bij aankomst een verfrissingsdoek en een kokosdrankje aangeboden. Tussen de palmbomen op het strand hingen er hangmatten, waar we lekker in gingen luieren, totdat onze kamers vrij waren.
's Avonds werden we verwend op een prachtige zonsondergang. De vuurrode bol zakte perfect weg in de zee. De kamers waren gemaakt in een houten huis op palen, terwijl de badkamer beneden was. Enfin, het traditionele kotje met toilet en douche tegelijkertijd. 's Nachts struikelde Kathleen over de chauffeur en gids die in de gang op de grond lagen te slapen. Zowel Kathleen als haar mama vonden dit maar niks om op die manier naar het toilet te moeten gaan.
De toekan maakte ons wakker met zijn speciale kreet, wat Kathleen graag hoort. Na het primitieve ontbijt vertrekken we voor een rit van 5 uren naar "Tana Toraja". Het gebied is bekend voor zijn dodenrituelen en daar gaat dan elke toerist op Sulawesi naartoe. Onderweg stoppen we nog aan kraampjes met zicht op de zogenaamde "Erotic Mountains". Veel erotisch zagen we er niet in, we amuseerden ons eigenlijk veel meer met lekkernijen te kopen aan de kraampjes.Er hingen o.a. mega-grote bananen, maar die bleken niet zo lekker te zijn, enkel als je ze bakte. We kochten er ook "salat", een soort lichi-achtig fruit, met witte vrucht erin. We vonden het niet zo lekker, wat wel erg meeviel was "baje". Een plaatselijke zoete lekkernij, bruin en in maisbladeren verpakt.
Een tijdje later kwamen we aan de inganspoort van het Tana Toraja-gebied. Het dak van de poort is gevormd als hoorns van een buffel. Het staat hier namelijk vol met dergelijke huizen. We trokken er enkele foto's en reden verder door de vruchtbare valleien. We stopten ook al even bij een kleurrijk begrafenisritueel tussen de rijstvelden. Het is er een drukke bedoening van mensen die levende varkens aanbrengen als geschenk voor de rouwende familie. De beesten zijn vastgebonden tussen bamboestokken en krijsen luid als de mensen ze op de grond leggen. Het is akelig om die varkens te zien afzien. Morgen zouden we er meer van zien, zei de gids ons.
Terug in de auto, voor de korte rit naar "Rantepao". Bij aankomst zagen we al direct weer vieze straten en vuile eetstalletjes, ook geenenkel buffalohuis meer. Het deed ons denken aan Indië, maar toch nog iets properder. We aten iets later langs de straat in een restaurant. Kathleen en haar ouders bestelden een buffalo-saté en Pascal iets anders. Even later kwamen ze met het eten, maar er was een schotel te kort. We deelden het eten dan maar en lachten smakelijk met hun stomiteit. Even later kon onze pret helemaal niet op toen ze met de mixed fruitjuice afkwamen voor Kathleens vader. In plaats van het fruitsap al te mengen, kregen hij twee verschillende glazen met in elk een ander fruitsap. Gelukkig zat er in elk glas een rietje zodat hij toch een mixed fruitjuice had als hij aan beide rietjes terzelfdertijd zoog.
Ons hotel "Wisma Irama" was al niet veel beter dan de rest van de vuile stad: muffe kamers met weinig licht, want de ramen waren verduisterd. Pascal en Kathleen verkenden de stad, maar kwamen ontgoocheld terug. De vuile betonnen koekestad stond in een schril kontrast met de mooie groene valleien vol buffalohuizen. Wat er 's avonds dan nog bijkwam, is dat het begon te gieten en de vochtigheid steeg tot 100%.
Die avond dan maar met onze regenjassen naar hetzelfde restaurant van 's middags. We hadden namelijk een speciaal streekgerecht besteld. Het was kip met groentjes en ginger in een bamboepijp dat een drietal uren op een houtvuur had staan sudderen. Robert at het graag, maar Kathleen en haar mama absoluut niet. Gelukkig hadden we maar 2 zo'n bamboepijpen besteld. We probeerde er ook nog palmwijn, maar dit was niet te drinken. Tenslotte amuseerden we ons toch nog door samen te kaarten.
We kregen ontbijt in een kale eetzaal, we voelden ons net op kamp. Maar het eten viel wel mee, we kregen zelfs muizekorreltjes. Dan vertrokken we met de gids naar de bekende "Tau-Tau"-rotsgraven. Hun doden begraven ze namelijk hoog in die rotsen en bij de rijkste kaste wordt er een popje voorgezet, de zogenaamde Tau Tau. De meeste poppen zijn niet meer de originele, want in de jaren '80 hebben antiekhandelaren vele Tau Taus gestolen.
Daarna naar dezelfde begrafenisceremonie van gisteren. Het is er druk met weer diezelfde aanvoer van nog meer krijsende varkens. Sommigen zullen er nog tot morgen liggen om dan pas geslacht te worden, wat we erg vonden voor die beestjes, maar dit was nu eenmaal hun traditie. We wandelden mee met de mensen langs en over de varkens over smalle paadjes tussen de rijstvelden en komen zo op de belangrijkste plaats van het hele gebeuren. Daar liggen al twee geslachte buffels in stukken en brokken op het gras, met het nodige bloed en vliegen. Ons mama was er helemaal niet voor te vinden, maar Kathleen kon er nog wel tegen.
De dode ligt boven in zo'n buffalohuis in zijn kist. Hij is al een half jaar dood. Na zijn overlijden wordt hij direct gebalsemd zodat ze hem nog lang kunnen bewaren tot aan de eigenlijke ceremonie. Want zo'n begrafenis vergt heel wat voorbereiding en geld van de familie van de overledene. De dode was directeur geweest van een schooltje en dus een redelijk belangrijk man. Er kwamen dan ook talrijke families hun rouw betuigen en dit gaat op de volgende manier: voor elke familie is een bamboehutje gemaakt waar ze kunnen wachten. Voor ze de rouwende familie begroeten, brengt een groep van 30 mannen -in het blauw gekleed- een speciale dans. Ze vormen een cirkel, wiegen wat heen en weer, en zingen een lied enkel met de letters "o" en "e". De o-en-e-dans. We zaten precies terug in de Middeleeuwen. Dan krijgt de begroetende familie een kopje thee in de grote bamboehut. Na 10 minuten gaan ze weer weg en komt de volgende familie hun varkens en andere geschenken brengen, enz.
Toen we dit spectakel beu waren, wandelden we terug naar het buske. Ons mama en wij ook moesten dan letterlijk over die piepende varkens stappen, tot grote ergernis van ons mama. Na de lunch gingen we naar weer iets anders dat met de dood te maken heeft, namelijk een boom waarin ze de gestorven kindjes begraven. Tot 10 jaar geleden deden ze dit ritueel nog. De gaten in de boom groeiden met de tijd dicht, en de gestorven kinderen groeiden mee met de boom tot in de hemel.
Dan naar grotten waar de doodskoppen bloot lagen. Want de kisten die ze daar gezet hadden waren verrot en dan vallen de beenderen er natuurlijk uit. Ons mama zag het niet meer zitten en waande zich in de tweede Indiana-Jones-film.
Het laatste wat we die dag deden, was alweer een begraafplaats. Ze hadden daar namelijk de doodskisten tegen een overhangende rotswand bevestigd. De Toraja-mensen hadden er blijkbaar niet aan gedacht dat de kist ooit zou gaan rotten en dus verschoof die met de jaren, zodat we de beenderen er half uit zagen steken. Ze konden er elk moment uit vallen op onze kop. De grond was dan ook al bezaaid met mensen-beenderen en -schedels. Een luguber zicht.
Deze dag was juist een horror-dag, en het regende dan ook nog heel hard, wat iedereen een beetje depressief maakte. Tenslotte nog een bezoek aan echt authentieke buffalo-huizen, oftewel "Tongkonan". We mochten in 1 ervan binnen gaan en stonden verbaasd hoe klein en donker het vanbinnen is. Langs buiten is het nochtans groot en overweldigend, maar eigenlijk is het een onpraktisch huis.
In het buske babbelden we over het regenweer en besluiten om de geplande wandeltocht van de twee volgende dagen niet te doen. 's Avonds zeggen we dit aan de gids, die er niet blij mee is. Hij moest ons hier vijf dagen begeleiden, en we gaan de tweede dag al weg, dus zal hij maar voor 1 dag betaald worden door zijn baas. Na veel zever, een beteuterd gezicht van de gids, kunnen we onze zin doordrijven om de volgende dag te vertrekken.
Die avond lachen we alles weg door te gaan eten in een ander restaurant met een gekke garcon. Hij lachte met alles en kon niets onthouden van wat we bestelden. De elektriciteit viel ook uit, Pascal had toevallig kaarsjes bij, en toen de garcon ook met kaarsen afkwam, en er al stonden op onze tafel kon hij er niet meer aan uit, zeer komisch allemaal.
Eindelijk weg uit dit vochtig hotel, waar de schimmel op de muren van de badkamer stond. We vertrekken vanuit Rantepao richting een groot meer in Sengkang. Weer een bustocht van vijf uren. We laten de chauffeur wel nog stoppen aan mooie buffalo-huizen om nog eens trouwfoto's te nemen. Onderweg moest de chauffeur nog bruusk uitwijken voor een elektriciteitsdraad die half over de weg was gevallen. Gelukkig werden we niet geëlektrokuteerd, want de draad bleef slechts even aan ons busje haperen en schoot dan direkt weer weg.In Sengkang dropten ze ons in een kitscherig hotel, waar de kamers en het binnenkoertje bezet waren met veel blinkende fiance. Eerst kregen we een kamer aangeboden, waar we even later weer uit moesten, omdat hun frank juist gevallen was dat die gereserveerd waren. We krijgen dan twee andere kamers, die er iets beter uitzagen, enfin, die van Kathleens ouders toch. Onze kamer is ingericht in zowat alle stijlen: Egyptische kadertjes aan de muur, lelijke blinkende lampekappen, houten tafel met een bureaustoel op wieltjes en een bed waarvan het hoofdeinde met plastiek is overtrokken.
We konden al direkt de boottocht over het meer naar de drijvende huizen aanvatten. Kathleen en haar mama gingen niet mee bij het zien van het kleine, onstabiele kano-bootje waar slechts twee stoeltjes in stonden. Onze papa en Pascal stapten in en wij gingen terug naar het hotel, dronken er thee en babbelden wat. Na drie uren komen onze mannetjes terug, papa al mankend. Hij vertelt dat hij naar het toilet moest op zo'n drijvend bamboe-huis. Daarbij moest hij over rottende bamboe, de bewoonster daar riep nog: "Hati hati" (= opgepast), maar even later zakte hij door een bamboe-stuk. Zijn ene knie was dik, en zijn ander scheenbeen was serieus geschaafd. Het was voor de rest wel de moeite geweest, zeiden ze. De tocht naar het meer ging door een netwerk van rivieren. Langs paalwoningen, onder scheefgezakte en roeste hangbruggen, naar het meer dat gemiddeld maar twee meter diep is. Het staat dan ook vol met riet en netten om vis te vangen en natuurlijk de drijvende huizen. Ze zetten er geen paalwoningen want het waterniveau gaat mee met het nat en droog seizoen.
Kathleen merkte die avond nog op dat er een stuk van het plafond naar beneden gekomen was. Zodoende kregen we natuurlijk die nacht bezoek van een spin-huisdiertje.
Alweer hadden we een lange rit voor de boeg, richting Bira, aan de kust van de zuid-westelijke tip van Sulawesi. Rond de middag stoppen we nog voor een cola en koekjes, want de rest zag er weer totaal niet eetbaar uit. Rond drie uur waren we er en het viel ons op dat de mensen in dit gebied toch al iets properder waren. Hun paalwoningen waren ooit al eens geschilderd geweest, er stond ook al een hekje rond hun eigendom en de meesten hadden al iets van een tuintje aangelegd.Onze chauffeur wilde ons eerst in een goedkoop hotel stoppen, maar we lieten ons niet vangen. Pascal en Kathleen gingen direkt naar de andere kant van de weg, de "Bira View Inn", het enige hotel daar met cottages met zeezicht. Na het gebruikelijke overleggen met de chauffeur was dit goedgekeurd. Want het probleem is dat de chauffeur geld mee krijgt van zijn baas en dit moet besteden om aan ons onderdak te verschaffen en de rest is zijn loon. Hoe goedkoper hij ons te slapen kan leggen, des te meer hij overhoud voor zichzelf.
Elke kamer was een aparte houten bungalow op palen. Mooi en gezellig, maar spijtig genoeg nogal vervallen, vooral de badkamer. Die was weer niet formidabel, als je de lavabo gebruikte waren je voeten ook gewassen van het druipend water, de muren waren groen van het vocht en de douche stond praktisch boven het toilet zodat alles nat werd. Maar, het strand was wel prachtig, spierwit heel fijn zand, en helder groen-blauw water. Het zicht van op ons terras was zo mooi dat je de onsmakelijke badkamer vlug vergat.
Robert en Clemy hadden geen sleutel om hun bungalow af te sluiten. De vorige hadden hem per ongeluk mee genomen en er was geen reserve. Toen ze dit melden werd dit vriendelijk weggelachen en zeiden ze dat ze het ooit wel eens zouden herstellen. Over de andere mankementen zwegen ze maar. Robert doopte de cottages dan ook maar "kottekes" (ipv cottages), of barakken aan een wondermooi strand.
We gingen samen naar het strand. Lekker luieren en genieten van het goede weer was de boodschap. Na een uurtje was Pascal het er al beu, vooral door de wind die het fijne zand constant over onze handdoek en ons lichaam deed opstuiven. Tijdens het zonnen en rondkijken viel onze mond open van verbazing toen we een kleuter van zes jaar zagen passeren met een sigaret in zijn mond. Hij liep er mee rond met een air alsof hij al jaren rookte.
Na de middag bleven we aan onze bungalow zitten, het was er rustiger. Kathleens ouders deden een dutje op hun terras. Daarna gingen Pascal en Robert het dorp verkennen. Het was er raar, net een spook-toeristenstad. Alles was er om massa's toeristen op te vangen, maar er was bijna geen kat. Misschien een veertigtal toeristen, waarvan we de merendeel al kenden want we hadden ze ontmoet in Rantepao en Sengkang. In die verlaten straat was een nerveus manneke ticketten aan het verkopen voor dansen die avond. Er stonden dansen van Sulawesi en Irian Jaya (het Indonesisch deel van Papua New Guinea) op het programma.
De dansen 's avonds waren een grote klucht. Vooraleerst zijn onze ingangskaartjes nooit gecontroleerd geweest. Daarenboven zou het beginnen om 7 uur, maar toen we er aankwamen waren ze de verlichting nog aan het ophangen en nog niet van plan om direkt te starten. We werden ge-entertaind door een smartlap-zangeres. Zelfs de dansers van Irian Jaya waren nog op geen honderd uren te zien. Pascal en Kathleen besloten om eerst maar te gaan eten. Rond 8u30 kwamen we terug en het was nog steeds niet begonnen. Kathleens ouders hadden al spijt dat ze niet mee waren gegaan. Ondertussen hadden ze wel al een gezellige babbel gehad met een Frans koppel van hun leeftijd. Die vertelden dat ze ook vroeger dan voorzien weggevlucht waren uit het natte Rantepao. Uiteindelijk rond 9 uur, twee uren te laat, begon het spektakel.
Voor onze rij stoeltjes hadden ze een salon neergezet en daar hadden de zogenaamde VIPs in plaats genomen, enkele lokale belangrijke mannen. Naast de ongeveer twintig toeristen, waren er ook nog een heleboel Indonesiërs die kwamen kijken. Eén voor één kwamen de vier VIPs hun speech houden. Hun speech was zo grappig omdat die bleef duren en ze geen controle hadden over hun papieren die bijna uit hun handen vlogen door de wind. Ons mama kreeg er de slappe lach van en kon niet meer stoppen.
Opeens was de moment dan toch gekomen dat de dansers van Irian Jaya op het podium kwamen. De tam-tam was goed, maar de krijgers en de vrouwen met de strorokjes konden er niet veel van. Het kwam nogal amateuristisch over en het was overduidelijk dat deze mannen die dansen niet meer in het echt toepasten, maar gewoon geleerd hadden om het aan het Indonesische publiek te kunnen tonen. Eén man kon het toch wel heel goed, onder andere de act dat hij met zijn voeten open, lichtjes door de benen gaat en dan heel rap zijn benen open en toe kan bewegen op de maat van de muziek. Maar de anderen konden dit helemaal niet en aapten hem maar wat na. Er was ook een meisje dat helemaal het ritme niet kon volgen. Ze keek dan ook de hele tijd naar de anderen om die dan te volgen.
De Sulawesi-dans was in feite een soort zwarte-magie toneelstuk. Mannen met lange zwarte gewaden met kappen over hun hoofd die een verhaal probeerden uit te beelden van een man die onsterfelijk werd door hun geheime krachten. De Indonesiërs in het publiek vonden het super en applaudiseerden luid toen de gestorvene weer tot leven kwam. Wij vonden het maar niks en een griezelige bedoening. Na 1 dans zijn we er maar vandoor gegaan.
Verlofdag voor de Sulawesen. Dat wil zeggen: gedaan met de rust voor ons, want dan bestormen ze massaal het strand en doen ze aan tourist-watching. Stel je voor: je zit aan je hotel ergens aan de Costa Brava en de zondag komen opeens alle Spanjaarden door de tuin van het hotel gewandeld en gapen je aan alsof je van de planeet Mars komt. Wel, dat is wat we meemaakten. Continu kwamen er nieuwe busjes en overladen vrachtwagens aan, vol lokale mensen, die ons kwamen bekijken, een bakje rijst eten en weer vertrokken. En ondertussen kwam de volgende lading gapende mensen alweer aan.
We probeerden er ons niet te veel van aan te trekken. Kathleen stelleerde zich met een roman van haar mama in het zonnetje, terwijl Pascal zich met de Lonely Planet stilaan begon voor te bereiden op het grote continent Australië. Het werd ons na een tijdje toch wel teveel, die voortdurende stroom van Indonesiërs die zich net naast onze bungalow parkeerden en met tientallen ons zaten aan te gapen. We legden een barricade van stenen voor de parkeerstrook naast onze bungalow. Zo bleven de auto's toch al iets op afstand, maar te voet bleven ze natuurlijk komen.
Een meisje dat al enkele minuten naar Kathleen in bikini aan het staren was, zei opeens: "Beautiful, you are beautiful". Kathleen wist niet direkt wat ze daar moest op antwoorden en was eigenlijk wel een beetje gevleid. In de ogen van dat meisje waren wij waarschijnlijk heel rijk en heel vrij en eigenlijk is dit ook wel zo.
's Avonds kwam er nog een beetle om in onze badkamer. De kever was op zijn rug gevallen en kon niet meer recht. Na een drietal uren was hij al helemaal opgegeten en verwijderd door een miereninvasie.
De dag begon zonder water in onze badkamer en ook bij Clemy en Robert hadden ze geen water. Robert trok direkt op onderzoek uit. Hij volgde de buizen van onze bungalow tot aan de watertank die elke dag met een vrachtwagen gevuld wordt. Zo ontdekte hij dat alle kraantjes onderweg toe gedraaid waren. Dit was ongetwijfeld een streek van de Indonesiërs met hun radio die ons gisteren aangegaapt hebben en stoorden met hun radio en die we weggejaagd hebben.Het was zwaarbewolkt vandaag, maar na een tijdje verbeterde het toch. We gingen snorkelgerief huren. We zagen wat kleine visjes en veel dood koraal, maar indrukwekkend was het niet echt.
Pascal en Robert maakten nog een wandeling naar een uitkijkpunt op de heuvel vlakbij. Zo zagen ze perfect het schiereiland waarop we vertoefden.
Het Frans koppel had ons nog een aperitiefdrankje aangeraden dat je in de stalletjes langs de weg kon kopen. Het kostte niet veel en was best lekker. De smaak zweefde ergens tussen Jagermeifter, pikon en Waeregemnaarke. Een pittig kruidendrankje dus, lekker.
's Avonds moeten we ons altijd goed insmeren met muggenmelk want wij nemen geen malariapillen. Een goede muggenmelk bevat tot 40% deet en Kathleens vader had daar een mooi rijmpje op gemaakt:
"Schat, voor ik het vergeet.
Heb jij nog deet?
Anders heb ik een beet."
Vandaag heel de dag zwaar bewolkt, dus met zijn allen de wandeling naar de top van de heuvel. Pascal en Robert hadden de dag ervoor apen gezien, maar nu zagen we er natuurlijk geen.
Kathleen las haar boek uit. Dat had ze op drie dagen er door gesleurd, een succes. En we gingen met zijn allen nog eens zwemmen in het prachtig blauwe water. Waar trouwens enige vulkanische activiteit in te vinden was. Want hier en daar borrelde uit het zand warm zwavelhoudend water uit. Het gevolg was natuurlijk dat het hier en daar een beetje stonk naar die zwavel.
Deze morgen hoorden we dat er een Amerikaan in ons hotel zat die juist van de dokter te horen had gekregen dat hij malaria had. Hij had juist drie Lariam-pillen moeten nemen en zag er serieus verdwaasd uit. Normaal neem je 1 zo'n Lariam-pil per week, van drie terzelfdertijd ben je dus serieus knock-out.Om 8u30 vertrokken we met ons busje richting luchthaven. Het Franse koppel reed met ons mee. Die hadden een open-ticket naar Bali en wisten nog niet zeker als ze zouden kunnen meevliegen, maar in alle geval hadden ze meer kans als ze al in de luchthaven vertoefden.
Die nacht was er bij ons mama en papa ook een huisdiertje op bezoek geweest. Een rat namelijk. Die had een gat geknaagd in hun rugzakje.
Raar maar waar, maar de chauffeur deed eens niet lastig dat er opeens nog een koppel meereed. Hij maakte ook geen probleem over het ontbijt. Want we hadden telkens een eitje en fruit bijbesteld, terwijl dit in principe niet in de prijs inbegrepen zat.
Het rijden ging vlot en we volgden de hele weg de kust. Even buiten Bira hielden we halt, want wilden we de bootbouwers bekijken. Die leven daar in houten paalwoningen aan het strand en bouwen indrukwekkende houten boten. Hiervoor gebruiken ze nog altijd geen ijzeren nagels, maar houten pennen. We stopten ook eenmaal aan een eetstalletje om naar het toilet te gaan, maar de chauffeur raadde ons af om daar iets te eten of te drinken, zelfs hij vond het er te vuil om iets te eten.
Toen we weer door de vuile stad Ujung Padang aan het rijden waren, beseften we maar al te goed dat dit weer een van de zovele vuile steden van Azië is. Met de verroeste auto's die verstikkende rookwolken achterlaten en het afval dat overal rondslingerd. Jammer, want dit eiland zou zo mooi kunnen zijn met zijn tropisch klimaat.
Op de luchthaven moesten we nog even wachten, maar we konden gebruik maken van de lounge van Garuda Airways. Deze was mooi verzorgd en knus ingericht. Je kon er ook gratis thee en koffie met muntsmaak drinken. Toch gingen Pascal en Kathleen nog even buiten wandelen om van het mooie weer te genieten. Maar het was toch wel serieus heet buiten en in de zon eigenlijk niet uit te houden. We zetten ons dan maar even neer in de schaduw en zagen een vrachtwagen met kipbak passeren die de vuilkar moest voorstellen. Een man sprong uit de bak, hijste op zijn eentje de vuilbakken op die laadbak, sprong weer op de camion en trappelde met zijn blote voeten het vuil bij elkaar. We vonden het verschrikkelijk voor die man om zo de hele dag in die stank te moeten zitten en er zelfs met zijn voeten te moeten in dabben. We hadden er medelijden mee.
Het werd stilaan tijd om op te stappen en we mochten over de tarmac naar ons vliegtuig wandelen. Kathleen wuifde naar de piloten in hun cockpit en tot haar verbazing wuifden ze terug. Het deed haar denken aan Bieke, haar beste vriendin, waar ze ook altijd zo onnozel mee doet.
De vlucht duurde slechts een uurtje, maar toch kregen we een volledig maaltijd, die we wel rap moesten binnen slikken. Boven Bali hing een dicht wolkendek en toen we geland waren, kwam de rode avondzon juist vanonder het wolkendek nog even tevoorschijn. Een mooi zicht.
We namen een taxi naar ons hotel "Masa Inn". We hadden er gereserveerd, want voor Sulawesi hadden we er ook gelogeerd. Maar het was in de soep gelopen. Er stond geen kamer vrij voor ons, en alle kamers waren bezet. Daar stonden we dan, moe en zweterig van de bus- en vliegtuigreis, in het hoogseizoen op Bali, als alle goede hotels volgeboekt zijn. We bleven maar aandringen dat we een kamer wilden en na een half uurtje kwamen ze met een voorstel op de proppen: We konden al 1 kamer krijgen die toch nog vrij was, zo konden we ons al verfrissen en ondertussen zouden ze in een ander hotel nog een kamer zoeken.
Clemy en Robert namen de kamer in "Masa Inn" en Kathleen en Pascal gingen op goed geluk mee met de receptionist naar het nabijgelegen hotel. Maar daar was ook alles volzet. Weer terug, wat rondbellen, en tenslotte kregen we een ongelofelijk sjieke bungalow in een duur hotel even verder in de straat. En bovendien betaalden zij de kamer voor ons, wat een service! De inkomdeur van onze bungalow was helemaal in hout uitgesneden, wat ze zo goed kunnen in Bali. We hadden een open badkamer met tuintje. 's Morgens kon je in het bad zitten in het zonnetje of 's nachts onder de sterrenhemel, en aan de zitruimte was ook nog een secret-garden verbonden. Die nacht sliepen we geweldig in die propere omgeving. Het was net een huwelijksuite en dit deed wel eens deugd.
Het ontbijt in dit knappe hotel was weer maar sober. Kathleens ouders kwamen ons al opzoeken, want die waren al vroeg wakker. We gingen onze foto's binnen doen en een uur later waren die al af. We verhuisden naar het Masa Inn hotel terug en Pascal en Robert gingen de mail controleren, terwijl Clemy en Robert op het strand gingen liggen. Op Sulawesi hadden we de mail niet kunnen controleren, daar hadden ze in de verste verte nog niet van het internet gehoord. Behalve in Rantepao was een ondernemende Duister een internetcafé begonnen, maar hij had geen internet provider op Sulawesi, moest dus inbellen in Jakarta en het koste bijgevolg 10 BEF/minuut! Hoe dat hij het ziet zitten om op die manier ooit klanten over de vloer te krijgen. Zo hadden we 78 mails gekregen op die 10 dagen dat we even afwezig geweest waren. Bedankt vrienden, maar toch twee uren werk om die allemaal door te nemen en te beantwoorden.Dit is de laatste hele dag tesamen met Kathleens ouders. Wat gaat de tijd toch vooruit. Het is net alsof ze gisteren nog maar bij ons waren aangekomen. 's Middags aten we een lekkere pizza en daarna wilden ons mama en papa nog eens gaan shoppen in Kuta. Ze kochten nog een gesculpteerde kokosnoot en wij moesten nog een sportzak kopen om al de spullen in te steken die we met hen mee zouden geven naar België. Ocharme, Kathleens ouders, zo moeten sleuren met al die zakken, maar het is beter dan dat wij met die extra 9 kilo moeten sleuren doorheen Australië, en over de rest van de wereldbol!
Het werd een triestige morgen. Kathleen begon al te wenen aan de ontbijttafel omdat ze opeens besefte dat haar ouders over een paar uur weer weg waren en dit weer voor vijf maanden. Nog even allen tesamen aan de zee gaan zitten, gaan kijken naar de vele surfers en nog even geplaagd worden door de steeds maar terugkerende verkopers op het strand. Rond 11 uur terug naar ons hotel, want om 11u30 stond de taxi er om hen naar de luchthaven te brengen.En daar stonden we dan, in elkaars armen afscheid te nemen en we konden er maar geen genoeg van krijgen om elkaar maar nog eens te kussen of vast te nemen. Het is heel raar, dat je beter beseft wie je echt graag ziet in België als je lange tijd gescheiden wordt. We wuifden de taxi nog achterna en weg waren ze. Kathleen weende nog een tijdje en werd getroost door haar liefhebbend ventje.
We moesten onze rugzak ook maken, want die nacht vertrokken wij ook, weliswaar nog verder van huis weg, naar Darwin. Gelukkig hadden we op tijd opgemerkt dat het vliegtuig om 1u30 's nachts opsteeg en niet juist na de middag, zoals we aanvankelijk dachten!
Al ons gerief werd aan de receptie gezet en we gingen nog wat verslag bijtypen. Kathleen was dit vlug beu en wandelde naar het strand, waar ze een sprite kocht, haar een beetje weemoedig neerzette en wachtte tot het vliegtuig met haar ouders zou opstijgen. Je kan de vliegtuigen namelijk mooi zien opstijgen omdat de baan een stuk in de zee is gebouwd. Stipt om 14 uur zag ze het vliegtuig met haar ouders in nog even wachten tot een ander vliegtuig geland was, om dan even later op te stijgen. Ze volgde het nog een hele tijd tot het als een stipje wegsmolt in de hemel. Weg waren ze, met onze foto's, de Lonely Planets en nog wat rommel, naar België.
's Avonds vertoefden we aan de toog van ons favoriete bar tijdens het happy hour. Een beetje weemoedig omdat we er weer alleen voor stonden en opnieuw een stap in het onbekende moesten zetten naar het grote Australië. En ook omdat het korte vlucht naar Darwin op zo'n onmogelijk uur gepland was. We wisten dat we er doodmoe gingen aankomen en dan is er weinig plezier aan.
Bovendien hadden we van een of andere expat verschrikkelijk onbeleefde kritiek gekregen op onze verslagen. We probeerden er ons niks van aan te trekken, maar werden er toch nerveus door en waren onze kluts kwijt. Tenslotte stuurden we naar al onze lezers een mail om te vragen wat zij er van vonden en waren zo toch al een beetje opgelucht.
Om 1h50 stegen we op en na 2 uren en 20 minuten landden we al in Darwin, na een nogal schokkerige vlucht. We moesten ons uurwerk anderhalf uur vooruit zetten, zodat we even voor zessen het luchthavengebouw buiten kwamen. De zon kwam alweer op en wij hadden nog maar twee uurtjes kunnen slapen in het vliegtuig. Wat een lastige toestand, maar de prachtige zonsopgang en de vriendelijkheid van de Australiers maakte veel goed.
| http://www.geocities.com/kathleen_pascal
De huwelijks-wereldreis van Kathleen en Pascal |