| Hoofdstuk 8 Pagina 5 |
| Steenbokken leven net als Gemzen in roedels. De bokken verblijven alleen langer bij de roedel. Zij voegen zich bij de roedel tijdens de bronsttijd die in december-januari valt. Pas de volgende zomer als de geiten hun jongen hebben geworpen, verlaten de bokken de roedels. De bokken leveren, zowel in de bronsttijd als in de zomer, forse onderlinge gevechten. Ze gaan dan op hun achterpoten staan en met hun gewicht van 100 kg kunnen ze met hun hoorns grote doffe dreunen aan elkaar uitdelen. Het geluid van de op elkaar klappende hoorns is tot zeer ver te horen. Deze gevechten, waarbij de beesten elkaar slechts zelden echt toetakelen, heeft tot functie om de onderlinge krachtsverhoudingen te meten. Die zijn dan weer van belang als de bronstige geiten gedekt willen worden. Prenten van een Steenbok die voornamelijk in de rotsen leeft, zal men niet zo gemakkelijk vinden. De keutels zijn rond tot boonvormig; in de zomer blijven ze in lange strengen aan elkaar kleven. Hun waarschuwingsroep lijkt veel op die van een Gems, maar de roep is korter en scherper van klank. Maar dit soort kenmerken is eigenlijk niet zo belangrijk, want Steenbokken zijn zeer gemakkelijk waarneembaar. Het enige probleem is vaak dat ze met hun bruinige kleur tussen de rotsen nauwelijks opvallen. Bovendien gaan ze niet zoals Gemzen er met forse sprongen vandoor. Een Steenbok doet alles heel kalm en rustig en valt daardoor veel minder op. Steenbokken dalen 's winters net als Gemzen af om de meest barre invloeden van de hooggebergtewinter te ontlopen. Maar ze gaan niet zo ver naar beneden als Gemzen. Ze zoeken vooral de sneeuwarme zuidhellingen op, waar meestal nog wel wat gras te vinden is. Ze dalen pas af als in het voorjaar beneden het eerste voorjaarsgroen te vinden is. Later in het seizoen gaan ze steeds verder naar boven het frisse eiwitrijke groen achterna. Ree - le Chevreuil Ree�n komen in flinke aantallen in de omgeving van Gresse voor. Ze kunnen in principe in allerlei soorten terrein voorkomen, van bossen tot open landschappen. Hun voorkeursbiotoop is echter een min of meer parkachtig landschap: bossen of bosjes met open plekken. De bossen worden gebruikt voor dekking. Ree�n zijn echte schemerdieren; overdag liggen ze op de grond in een soort leger dat ze zelf hebben uitgeschuurd in de bodem; bijna altijd zijn er ree�n-haren te vinden in deze legers. In de schemering gaan ze foerageren en dat doen ze vooral waar de bosjes aan weilanden grenzen. Dit soort terrein is volop in Gresse aanwezig. Ree�n eten graag de jonge loten van loof- en naaldboompjes. Daarnaast ook grassen, kruiden, bladeren en paddestoelen. Als je ree�n wilt zien, moet je dan ook in de schemer de halfopen terreinen opzoeken en dan langs de bosranden kijken. Je moet dan wel heel rustig aan doen, want ree�n reageren snel op verstoring en ze gaan er zo vandoor. |
| Overigens kun je op allerlei plaatsen in de omgeving van Gresse ree�n tegenkomen. Als er sneeuw ligt, vinden we 's morgens prenten achter het huis; we hebben ze ook meerdere keren voor het huis de weg zien oversteken of zaten ze te knabbelen aan de kruiden op de helling. Ze zijn niet echt schuw, maar als ze je zien bewegen, gaan ze er in gracieuze sprongen vandoor. De wetenschappelijke naam is dan ook Capreolus capreolus. 's Winters leven ree�n in groepjes die sprongen worden genoemd. Winters met veel sneeuw veroorzaken voedselproblemen voor ree�n, ze kunnen immers niet meer zo gemakkelijk bij hun favoriete voedsel komen. Ze eten dan vooral droog gras, klimop en de twijgen van boompjes. In de winter trekken ree�n zich terug in beschutte gebieden, waar ze weinig kans op verstoring hebben. Wegvluchten is immers alleen maar mogelijk door met hoge sprongen de diepe sneeuw te overwinnen, wat een hoop energie kost. Als de winter voorbij is, vallen de sprongen uiteen en leven ree�n min of meer solitair. De basthuid van het gewei van de reebokken laat los en wordt afgeveegd aan boompjes. Deze boompjes kun je zo herkennen doordat de stam en de takken op een hoogte van ongeveer een halve meter flink zijn toegetakeld. Daarna bakent de bok een territorium af, waarbij hij de grenzen markeert door met zijn gewei boompjes enkele decimeters boven de grond te ontschorsen. Deze plaatsen worden dan nog voorzien van een reukstof uit de voorhoofdsklieren. Zo'n territorium wordt tegen andere bokken verdedigd. In het territorium leven ��n of twee geiten die in de bronsttijd, juli-augustus, door de bok worden beslagen. In die tijd zijn de bokken actief. Ze proberen indringers uit hun territoria te verjagen en roepen naar elkaar met een v�rdragend blaffend geluid. Daarna houdt de bok het voor gezien, de grenzen van de territoria vervagen en de ree�n gaan weer over naar een solitair leven. Het gewei van een reebok wordt in de herfst afgeworpen. Daarna groeit weer een nieuw gewei aan dat groter is. Reegeiten hebben een draagtijd van 40 weken. Dat is lang voor een hertachtige. Dat komt doordat de bevruchte eicel tot in december in rust blijft, waarna deze zich in normaal tempo ontwikkelt. De jonge kalfjes worden in mei geboren. Prenten van ree�n kun je op allerlei plaatsen vinden. Vooral bospaadjes staan soms vol met deze afdrukken. Je herkent ze gelijk aan hun spitse hoefjes, terwijl de bijhoeven alleen worden afgedrukt als ze ver weg in de modder zakken; normaal zie je die bijhoeven niet. Als je op bospaadjes, vooral na regenachtig weer, je ogen eens goed de kost geeft, zul je tot de conclusie komen, dat bijna overal in de buurt van Gresse ree�n voorkomen. |
| TIP Er zijn twee plaatsen hier in de buurt waar je in de schemering bijna altijd ree�n kunt zien. Voor de ene plaats moet je afdalen richting Monestier de Clermont. Je moet dan helemaal doorfietsen tot je de echte daling hebt gehad. De hoogte bedraagt dan ruim 800 meter. Links heb je daar een aantal weilanden liggen. Daar zitten in de schemer bijna altijd ree�n. Voor de tweede plaats moet je in de schemer de richting op fietsen van de Col de l'Allismas. Ook daar heb je tussen de bossen allerlei open stukken. Daar foerageren vaak ree�n. |