| Hoofdstuk 7 Pagina 1 |
| Hoofdstuk 7 DE VOGELS VAN GRESSE In dit hoofdstuk zullen we een aantal vogels de revue laten passeren die typisch zijn voor de Gresse en omgeving. Het is niet eenvoudig om een keus te maken omdat we maar een beperkt aantal soorten kunnen bespreken. Er zijn twee atlassen, die voor de kennis van de verspreiding van vogels in Frankrijk onontbeerlijk zijn. Bovendien zijn de teksten van een zeer goede kwaliteit, vooral omdat ze van een algemene beschrijving van biotopen en eisen uitgaan en die dan toepassen op de actuele situatie van de desbetreffende soort, zoals dat ook is gebeurd in Randstad en Broedvogels (Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland (Red.), Tilburg, 1981). Het zijn: Dosith�e Yeatman-Berthelot et Guy Jarry, Nouvel Atlas des Oiseaux Nicheurs de France, 1985-1989. Societ� Ornithologique de France, Paris, 1995. ISBN 2-9505440-2-9. Dosith�e Yeatman-Berthelot, assist�e de Guy Jarry, Atlas des Oiseaux de France en Hiver, Societ� Ornithologique de France, Paris, 1991. ISBN 2-9505440-0-2. Steenarend - Aigle Royal Van de roofvogels is de Steenarend ongetwijfeld de meest opvallende soort in Gresse. Er broeden meestal twee paar. Er zit een paar in de flanken van La P�le, een paar kilometer ten noorden van de Pas de Serpaton en er zit een paar ten noorden van de Grand Veymont. Roofvogels nemen een speciale plaats in. Hun prooien bestaan uit andere dieren, die ook weer van andere dieren of van planten leven. Men zegt dan dat ze aan de bovenkant van de voedselpyramide staan. Roofvogels hebben geen vijanden meer, wat betekent dat hun aantal afhankelijk is van de hoeveelheid en de kwaliteit van de prooidieren. Daarnaast zijn ze altijd in hoge mate vervolgd. Hoe belangrijk de kwaliteit van de prooidieren is, bleek in de loop van de jaren zestig toen roofvogels sterk te lijden hadden van pesticiden die volop in de agrarische sector voor van alles en nog wat werden gebruikt. Deze vergiften werden bijvoorbeeld door wormen opgenomen in hun weefsel; de wormen werden weer door Merels en Steenuilen gegeten; deze soorten concentreerden het gif nog meer; als dan de Merels en de Steenuilen door roofvogels werden opgegeten, kregen die een nog hogere en vaak fatale concentratie vergif in hun lijf. Vooral de zogenaamde gechloreerde koolwaterstoffen waren hier de grootste boosdoener. Roofvogels en ook Steenarenden werden in die tijd gedecimeerd. E�n van de grootste problemen was de dikte van de eischaal. Onder invloed van de vergiften die roofvogels binnen kregen, werd deze zo dun, dat de vogels op het nest door de eieren zakte. Het werk van Rachel Carson - Silent Spring - werkte als een schok en men begon deze gechloreerde koolwaterstoffen in de meeste landen te verbieden. Maar dit waren niet de enige problemen met roofvogels. Met name vervolging speelde een grote rol. Traditionele jagers hebben roofvogels steeds gezien als concurrenten; dus moesten die verdwijnen. Het afschieten en verstoren van de nesten van deze �rotbeesten� was in heel Europa een normale praktijk. De stand van roofvogels bereikte dan ook aan het einde van de jaren zestig een absoluut dieptepunt. Zo broedden er in die periode in Nederland nog maar enkele tientallen Havikparen, terwijl dat er tegenwoordig ongeveer 2.000 zijn. zogenaamde gechloreerde koolwaterstoffen waren hier de grootste boosdoener. Roofvogels en ook Steenarenden werden in die tijd gedecimeerd. E�n van de grootste problemen was de dikte van de eischaal. Onder invloed van de vergiften die roofvogels binnen kregen, werd deze zo dun, dat de vogels op het nest door de eieren zakte. Het werk van Rachel Carson - Silent Spring - werkte als een schok en men begon deze gechloreerde koolwaterstoffen in de meeste landen te verbieden. Maar dit waren niet de enige problemen met roofvogels. Met name vervolging speelde een grote rol. Traditionele jagers hebben roofvogels steeds gezien als concurrenten; dus moesten die verdwijnen. Het afschieten en verstoren van de nesten van deze �rotbeesten� was in heel Europa een normale praktijk. De stand van roofvogels bereikte dan ook aan het einde van de jaren zestig een absoluut dieptepunt. Zo broedden er in die periode in Nederland nog maar enkele tientallen Havikparen, terwijl dat er tegenwoordig ongeveer 2.000 zijn. Langzamerhand veranderde de houding van de bevolking ten aanzien van roofvogels. De bescherming werd overal in de wet beter geregeld, terwijl ook de neiging om ze daadwerkelijk te beschermen onder de bevolking, ook in Frankrijk en Itali� veel groter is geworden. De gevolgen van deze betere bescherming en het verbod op gechloreerde koolwaterstoffen, is in Frankrijk duidelijk waarneembaar. Zo is er in 1976 en 1995 een atlas van de Franse broedvogels verschenen. In beide atlassen worden schattingen gemaakt van de aantallen broedparen. Van bijna alle roofvogelsoorten is het aantal in deze periode aanzienlijk toegenomen. Uiteraard zijn de positieve en negatieve invloeden op verschillende soorten niet hetzelfde. Zo trekken wouwen, Boomvalken, Slangenarenden, Wespendieven en Kiekendieven in de herfst weg naar Afrika, terwijl Steenarenden in hun territorium blijven. De voedselsituatie in die verschillende gebieden gedurende de winter hebben verschillende effecten op de stand van de genoemde soorten. In 1976 werden het aantal broedparen van de Steenarend in Frankrijk op 100-150 geschat. In 1995 kwam men op 274-288 paar. Uit deze cijfers blijkt niet alleen een forse toename, maar de aantallen zijn nu ook nauwkeuriger. Roofvogels en zeker Steenarenden worden in Frankrijk zorgvuldig geteld, wat ook samenhangt met de veel serieuzere bescherming die roofvogels vandaag de dag in Frankrijk krijgen. In wat voor soort terreinen broeden Steenarenden? Vroeger was de Steenarend geen uitgesproken bergvogel; hij broedde in allerlei terrein en hij gebruikte ook boomnesten. Door de continue vervolging is de Steenarend overal in Europa teruggedrongen naar de dun bevolkte wildernissen van de bergen. Dat betekent dat hij nu vooral een broedvogel is van de Alpen, het Centraal Massief en de Pyrenee�n. Het nest wordt zelden in bomen gebouwd; meer dan 90 % van de nesten ligt op richels in steile rotswanden. Over het algemeen zoekt de Steenarend geen hoog gelegen gebieden uit voor zijn nest. De hoogte ligt in Frankrijk tussen 250 meter in het zuiden van het Massief Centraal tot 2350 meter in de Alpen. |