Hoofdstuk 6

Pagina 1
Hoofdstuk 6
DE VEGETATIE VAN DE VERCORS

In dit hoofdstuk een algemeen overzicht van de verschillende vegetatietypes van Gresse en omgeving gegeven. De meeste hier genoemde planten komen in Nederland niet voor en hebben dan ook geen Nederlandse naam. Mede daarom worden hier meestal de wetenschappelijke namen gebruikt

Inleiding
Planten in het hooggebergte worden geconfronteerd met omstandigheden die beneden in de vlakte niet gelden. In de eerste plaats is er het korte groeiseizoen. In de vlakte waar de lente veel eerder in het jaar zijn intrede doet, hebben planten veel meer tijd beschikbaar om hun groeicyclus te voltooien. In de bergen moeten planten alles binnen 3-4 maanden geregeld hebben; dat is zo ongeveer de totale lengte van het groeiseizoen. Net zoals elders heb je in de bergen vroege en late bloeiers. De werkelijke groeiperiode per plantensoort is dan ook nog korter dan de  genoemde 3-4 maanden.
Planten in de bergen passen zich aan door alles heel snel te doen. Ze zijn in staat om effectiever en sneller met het zonlicht om te gaan dan planten uit de vlakte. Daarnaast is er nog het probleem van de lage temperaturen 's winters en de uitdrogende werking van de wind bij een lage temperatuur. Veel planten hebben hiervan geen last doordat ze onder de sneeuw beschut de winter doorkomen. Dat beschermt ze ook tegen uitdrogen, wat ook gebeurt door de vele haren die veel bergplanten hebben.
In de bergen heeft zich een heel aparte flora ontwikkeld van soorten die optimaal aan deze eisen zijn aangepast. Je vindt daardoor in de bergen een groot scala aan soorten die in de vlakte niet of nauwelijks voorkomen. Bergplanten zijn in het algemeen uitgesproken specialisten, die juist door deze specialisatie in die omstandigheden als soort konden overleven.

In de Alpen vinden we dan ook relatief veel endemische soorten. Dat zijn plantensoorten die slechts in een relatief begrensd gebied voorkomen en niet daarbuiten. Zo zijn er endemen van de Alpen, maar er zijn ook endemische soorten van de Westalpen of de Oostalpen. Zo is de ook in Gresse groeiende Campanula alpestris een endeeem van Savoie en Piemonte. Soms is het verspreidingsgebied van een plant heel beperkt; zo vinden we Senecio halleri alleen in de Pennische en de Grajische Alpen. Op Kreta zijn endemen die alleen maar groeien op enkele bergtoppen in de Lefka Ori.
E�n van de belangrijkste impulsen voor het ontstaan van endemische soorten is isolatie ten opzichte van de omgeving. Als genetisch materiaal zich immers vrij over een grote afstand kan verspreiden, is de kans op het ontstaan van endemische soorten gering. Daarnaast speelt de tijd een rol. Endemische soorten hebben evolutionair gezien tijd nodig om zich te ontwikkelen. Deze tijdsfactor hangt overigens ook samen met de dynamiek van een gebied. Als een gebied steeds dynamisch in beweging is en allerlei impulsen van buiten ontvangt, ontstaan er slechts zelden endemische soorten. Zo verschillen moerasgebieden in Europa weliswaar van elkaar, maar endemische soorten komt men er nauwelijks tegen. De invloeden van buiten, waarbij het water een grote rol speelt, verhinderen dat. Bij een langere geologische tijdsperiode, ziet de uitkomst er waarschijnlijk anders uit.
In de Alpen hebben wij dan nog het probleem van de laatste ijstijd, die nog maar 10.000 jaar geleden zo ongeveer alles in de Alpen met een honderden meters dikke ijskap bedekte. Die ijskap heeft alle planten weggevaagd. Na het smelten van het ijs moesten de planten maar proberen vanuit de enkele plekken waar ze het ijs konden overleven, weer terug te komen op hun oude of een vergelijkbare plek. Inzicht krijgen in deze rekolonisatie is een wetenschap op zich.
De gevolgen hiervan kunnen we nog terugvinden bij die soorten die een arctisch-alpiene verspreiding hebben. Ze komen in de Alpen voor en in Scandinavi�. In beide gebieden hebben we met vergelijkbare omstandigheden te maken. Dryas octopetala is zo'n soort. De vraag is dan hoe zo'n verspreiding na de laatste ijstijd mogelijk is. Daarnaast hebben we nog arctisch- alpiene soorten die niet alleen in de Alpen en Scandinavi� voorkomen, maar ook op een enkele tussenliggende plaats in de Harz, het Zwarte Woud of de Vogezen. De vraag is dan of de omstandigheden in zo'n gebied zo alpien zijn dat je de soort er om die reden vindt of hebben we te maken met een zogenaamd ijstijdrelict. Dat is een soort die na het terugtrekken van het landijs als het ware op een koude plaats is blijven hangen. Het zal duidelijk zijn dat dit weliswaar een interessant veld van onderzoek is, maar dat de bewijzen vaak moeilijk zijn te leveren.
Op de top van de Kastro in de Lefka Ori
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hosted by www.Geocities.ws

1