Hoofdstuk 7

Pagina 2
Het hoofdvoedsel van de Steenarenden in de Vercors bestaat uit Alpenmarmotten. Ze kunnen ook heel goed van ander voedsel leven. Zo bestaat het hoofdvoedsel van Griekse Steenarenden uit schildpadden. Die zijn heel gemakkelijk te vangen; de Steenarend vliegt ermee omhoog en laat ze dan op de rotsen vallen, waarbij het schild breekt. Maar als er Alpenmarmotten zijn, zoals in vele delen van de Alpen het geval is, geven ze daaraan de voorkeur. Dat betekent dat de herintroductie van Alpenmarmotten die ook in de Vercors heeft plaats gevonden, een positieve invloed heeft gehad op de stand van Steenarenden.
In de winter heeft de Steenarend door zijn specialisatie op Alpenmarmotten een voedselprobleem. Alpenmarmotten houden een winterslaap in hun hol en zijn dan dus onbereikbaar voor Steenarenden. Bovendien zijn veel vogels, die ook een prooi zouden kunnen zijn, weggetrokken. Steenarenden schakelen daarom over op aas, dat ook al niet in overvloed aanwezig is. Dat gaat hun niet gemakkelijk af, want Raven zijn ook fervente aaseters. Zodra Raven en een Steenarend een dood beest hebben gevonden, proberen ze elkaar het voedsel af te pakken. De Steenarend probeert de Raven weg te jagen. Door zijn grootte en geduchte klauwen zijn Raven bang van een Steenarend. Maar de Raven komen altijd in grote groepen. Als de Steenarend Raven aan de ene kant van het aas heeft weggejaagd, zijn de Raven aan de achterkant weer druk bezig hun deel naar binnen te werken. En dan blijkt een Steenarend het af te leggen tegen een groep van bijvoorbeeld twintig Raven. Steenarenden hebben dan ook een zeer groot territorium van gemiddeld 100 km2 nodig. Roofvogels van een vergelijkbare grootte, die �s winters wegtrekken, kunnen genoegen nemen met een veel kleiner territorium. Die lossen het voedselprobleem in de winter op door naar betere voedselgebieden te trekken; ze nemen de bezwaarlijke reis op de koop toe.

Het totaal aantal nesten in de Vercors is ruim 20. De totale oppervlakte van de Vercors is ongeveer 1700 km2. Dat betekent dat een gemiddeld territorium kleiner is dan 100 km2, wat het gemiddelde is zoals we hiervoor zagen. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de Vercors �vol� is voor Steenarenden. Dat wordt ook nog bevestigd door het grote aantal jonge, niet-broedende vogels die we �s zomers kunnen waarnemen. Ditzelfde beeld zien we in grote delen van de Alpen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat Steenarenden in de toekomst wellicht weer gaan broeden in gebieden die lang geleden ook door Steenarenden werden bewoond. Elders in Europa broeden Steenarenden regelmatig in bomen. Wellicht dat dit nu ook in lager gelegen gebieden in de buurt gaat gebeuren zoals in de Tri�ves.

Paapje - Traquet tarier
Het Paapje is in Nederland een typische broedvogel van beekdalen, terwijl hij vroeger ook veel in de uiterwaarden van de Grote Rivieren broedde. Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op ruim 1000. In Frankrijk is het geen vogel van de vlakte; hij broedt hier vooral ten oosten van de lijn Lille-Menton en in het Centraal Massief. Hier prefereert hij gebieden boven de 500 meter. Als je de verspreidingskaart in de atlas bekijkt, denk je dat hij op veel plaatsen voorkomt. Maar schijn bedriegt. Iedere stip staat voor een waarneming van ��n of van heel veel broedende Paapjes. De laatste jaren worden de aantallen per blok steeds kleiner.
Wat zijn de oorzaken van deze achteruitgang? Het belangrijkste is de `modernisering' van de landbouw. Het optimale biotoop is grasland met veel bloeiende kruiden en een enigszins vochtige bodem; vooral grote aantallen schermbloemigen worden door deze soort op prijs gesteld. De grote aantallen op deze kruiden voorkomende kleine insecten zijn de prooien waarop Paapjes jagen. De hoge boven het gras uitstekende kruiden worden als uitkijkpost gebruikt. Het nest ligt op de grond, verborgen tussen de vegetatie. De `moderne' landbouw zorgt er voor dat er gras komt in plaats van kruiden; als dat gras dan ook nog in de broedtijd (begin juni) wordt gemaaid is het met deze soort snel gedaan. Bovendien is ontwatering een gangbare praktijk in landbouwgebieden. Overal waar de landbouw het primaat heeft, verdwijnt het Paapje.
TIP

In de omgeving van Gresse is het Paapje een heel gewone broedvogel van de kruidenrijke graslanden op de hellingen en onderin de dalen. Ze broeden bijvoorbeeld achter Sport 2000 op de skiweiden. Vanaf de weg kun je de lokroep horen als ze jongen hebben in juni. Als je de weg van de camping oploopt en bij de ingang links langs de draad aanhoudt, kom je in een moerassige laagte, waar ieder jaar 5-10 paar Paapjes broeden. Ze hebben hier een uitstekend biotoop: overal staan hoge kruiden en de enkele wilgen zijn goede uitkijkposten. Bovendien sijpelt overal kwelwater omhoog.
TIP

Een tweede gebied waar ze volop zitten, zijn de graslanden westelijk van de kammen die ten noorden en ten zuiden van de Pas de Serpaton lopen. Ook hier staan volop hoge kruiden. Ze zitten hier nergens op de kam zelf, maar er juist enkele honderden meters onder. Dit is een populatie van vele tientallen paren.
Ook op allerlei andere plaatsen in de kruidenrijke graslanden kan men Paapjes vinden. Al met al heeft Gresse een populatie van zeker 100 paar. Dat is voor deze soort een hoog aantal. Dit zal zo blijven zolang men hier op dezelfde extensieve wijze als tot nu toe landbouw blijft bedrijven.
De beste tijd om ze waar te nemen is half juni. Dan zijn de jongen net uitgevlogen. De oudervogels sjouwen heen en weer met voedsel en overal in de kruiden zie je jonge Paapjes zich onwennig aan de halmen vasthouden. Het familieverband wordt vastgehouden, maar het territorium in strikte zin houdt op te bestaan. Dat betekent dat je om deze tijd overal in het grasland waar voedsel is Paapjes met jongen kunt zien. Er zijn waarschijnlijk in Nederland geen plekken die een vergelijkbare populatie hebben.
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hosted by www.Geocities.ws

1