Hoofdstuk 6

Pagina 7
Vroeg in het voorjaar groeit hier volop Pulsatilla alpina subsp. alpina. Dit is een grote witte anemoon, die meer dan een halve meter hoog wordt. In kalkgebieden groeit de witte ondersoort, terwijl in het kristallijne gesteente een gele ondersoort voorkomt. In sommige gebieden waar kalk en kristallijn gesteente aan elkaar grenzen zoals in de Silvretta, kun je tegelijkertijd de gele en witte ondersoort zien en curieus genoeg: ze houden zich daar precies aan de grens tussen beide gesteentesoorten. Ook onder de Pas de Berri�ves kun je deze soort massaal vinden.

De bossen

In de omgeving van Gresse heb je weinig bossen waarin slechts ��n boomsoort voorkomt zoals in Oostenrijk waar je over grote afstanden bossen met Picea abies tegenkomt. Dat zijn in principe dezelfde soort boomplantages als de Nederlandse Pinus sylvestris-bossen op de arme zandgronden. Het verschil tussen de bossen in de Vercors en Oostenrijk is vooral te verklaren uit het geringere belang van bosbouw in de Vercors. Er vindt hier wel bosbouw plaats, maar deze is kleinschalig en heeft weinig invloed op de bossen zelf.
De bossen in de Vercors zijn sterk bepaald door verschillen in klimaat. Hoe groot die verschillen zijn, kan duidelijk gemaakt worden aan het voorbeeld van Quercus pubescens, die in het Nederlands Donzige eik wordt genoemd, maar die in Nederland niet voorkomt. Het is een zuidelijke soort, die op een enkele, zonnige plek in het Duits Rijndal de noordelijkste grens van zijn verspreiding heeft. Zijn optimale groeiplaats is het overgangsgebied tussen het Mediterrane en het Continentale klimaat. Men vindt hem bijvoorbeeld massaal op de hellingen van de Lub�ron in de Provence.
Als je van Grenoble naar Monestier rijdt, vindt je hem overal langs de weg. Je vindt hem ook als je van Monestier naar boven rijdt. Maar zodra de weg door het bos heen naar boven gaat, is het afgelopen met deze eik. Al snel worden de omstandigheden te continentaal: boven 900 meter komt hij niet meer voor en in Gresse vind je hem in het geheel niet. Maar als je via de Col de Men�e 1402 m) naar Die rijdt, dan vind je Quercus pubescens ver boven deze col tot op een hoogte van meer dan 1500 meter. De Col de Men�e ligt slechts een tiental kilometers zuidelijker dan Gresse. Hoe is het mogelijk dat deze eik hier op een hoogte van meer dan 1500 meter voorkomt? De verklaring is het klimaat. Gresse is in hoge mate afgeschermd tegen de invloed van het Mediterrane klimaat uit het zuiden, waardoor daar het Continentale klimaat overheerst. Maar de Col de Men�e ligt geheel open naar de vallei van de Dr�me, waardoor het klimaat hier sterk Mediterraan wordt be�nvloed.
Een andere soort waarbij dit klimaatsverschil een rol speelt is de Beuk. Deze boom die slecht tegen droogte kan, komt alleen aan de randen van de Alpen voor, waar de neerslag aanzienlijk hoger is dan in de voor neerslag afgeschermde binnenste delen van de Alpen. Bovendien ligt de grens van de Beuk bij een gemiddelde januari-temperatuur van min twee graden, waardoor de centraal gelegen delen van de Alpen met hun Continentale klimaat te koud zijn voor deze soort. De noordelijke verspreidingsgrens van de Beuk in deze regio loopt zo ongeveer over het midden van de Vercors. In het noorden bij Autrans vind je geen beuken meer, maar bij Vassieux en bij Lente vind je prachtige beukenbossen met stammen van meer dan 30 meter hoog en een omvang van vele meters. In de omgeving van Gresse komen ook Beuken voor, maar het zijn maar simpele boompjes als je ze vergelijkt met die bij Vassieux en Lente. Ze zitten hier in de buurt van hun mogelijkheden: het gaat nog net.
Maar hier staan er meer dan in heel Drenthe!
Een heel apart grasland kom je tegen als je via de Col des Deux omhoog gaat naar de Pas de Berri�ves. Dit pad gaat eerst door het bos, daarna kom je op een open helling waar Alnus viridus scheef gezakt in de schuivende humus het hoofd boven de grond probeert te houden. Via een zig-zag paadje ga je in deze helling omhoog. Daarna kom je op een kammetje, dat je naar links in de richting van de rotsen volgt. Als je hier in de zomer bent, zie je links onder dit pad een schrale vegetatie met onder andere Struikheide en Blauwe knoop in bloei staan.

Dat is hoogst curieus, want Struikhei is een uitgesproken kalkvlieder. Zo komt deze soort in Nederland wel in de kalkarme duinen ten noorden van Bergen voor, maar in de kalkrijke duinen ten zuiden daarvan zul je hem tevergeefs zoeken. De verklaring is, dat de humus hier bovenaan de helling zo sterk is uitgeloogd door de overvloedige neerslag, dat de kalkinvloed zo ongeveer verdwenen is. Bovendien staan er hier nogal wat dwergvormen van Juniperus communis, die met zijn naalden de bodem ook enigszins verzuurt. Dat neemt niet weg dat het voor een enigszins ervaren botanist een heel aparte ervaring is om deze soort in een kalkgebied aan te treffen.
TIP

Tenslotte zijn er nog de alpiene graslanden. Het mooist ontwikkeld vind je die onder het pad dat van 'Sous Pas de la Ville' naar beneden loopt naar de bronnen van de Gresse. Hier zijn rijke groeiplaatsen van Traunsteinera globosa. Dit is geen echte alpen-orchidee; je vindt hem vooral aan de randen van de Alpen en bovenin de Harz en in de Jura. Iets later bloeit Nigritella nigra hier volop en dat is wel een echte Alpen-orchidee. Je kunt ook nog op zoek gaan naar Nigritella corneliana. Dat is een typische soort van de zuidwestelijke Alpen. Hij is roder dan N. nigra en bloeit iets eerder. Langs het pad vind je Lonicera alpigena. De meeste Lonicera-soorten zijn klimplanten, maar dit is een struik van zo'n twee meter hoog. Het duurt even voor je hem als Lonicera herkent. Het is in de Franse Alpen een vrije zeldzame soort.
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hosted by www.Geocities.ws

1