Hoofdstuk 7

Pagina 4
Rotskruiper - Tichodrome �chelette
Rotskruipers komen op steile en vochtige rotswanden voor. Rotskloven waar wat water over de rotsen sijpelt zijn het optimale biotoop. Maar het is geen echte hooggebergtevogel; hij kan ook op laag gelegen rotswanden broeden. Bovendien houdt hij het in de hoog gelegen bergen 's winters voor gezien. Hij zakt dan af naar lager gelegen gebieden en je kunt hem dan ook regelmatig zien op kerktorens in Lyon, Gen�ve, Bern en dergelijke. Twee jaar achter elkaar heeft er in Amsterdam een rotskruiper overwintert. Hij gebruikte als `rotswand' het gebouw van de Vrije Universiteit in Amstelveen en het Olympisch Stadion. Het was duidelijk dat het in beide jaren om dezelfde vogel ging, want hij ging steeds op hetzelfde plekje slapen. Dit is echter een speciaal geval, want normaliter overwinteren Rotskruipers niet zo ver van hun broedgebied.
Hoewel het heel opvallende vogels zijn met hun rode vleugels, is het heel moeilijk om Rotskruipers vast te stellen. Iedere grote rotswand die wat vochtig is, is een potentieel broedgebied. Dat betekent dat de Oostwand van de keten die 50 kilometer noord-zuid over de Vercors loopt in zijn totaliteit in aanmerking komt. Deze oostwand is enkele honderden meters hoog, dus probeer maar eens een Rotskruiper in deze wanden op te sporen.

Ze leven van kleine insecten, poppen en insecteneieren, die ze uit spleetjes in de wand halen. Vooral kleine spinnetjes zijn favoriet. Een rotswand heeft aanzienlijk minder insecten dan een boom of een rietveld. Dat betekent dat Rotskruipers continue in de weer moeten zijn om aan het einde van de dag voldoende voedsel te hebben verorberd. Ze doen dit door net als een Boomkruiper van beneden naar boven het voedselgebied af te kruipen. Als ze boven zijn, laten ze zich vallen, soms wel over meerdere honderden meters, tot ze weer beneden zijn. Ze pakken dan het strookje naast het stuk dat ze net hebben gehad. Een Rotskruiper is inderdaad de hele dag in de weer met het kruipen over de rotsen.
Ik had niet verwacht dat er hier Rotskruipers zouden zitten, want ik ken ze vooral van Zwitserse en Oostenrijkse rotskloven waar ��n of andere forse beek doorheen dendert en waar het water van de rotsen druipt. De zonnige Vercors is dan wat anders. Maar kennelijk zijn de oostwanden van de keten geschikt voor Rotskruipers. Vlak onder de top van de Grand Veymont zagen we ze in de wand, terwijl we een paartje zagen dat bij de Pas de Berri�ves de rotsen aan het afzoeken was. Een fantastisch gezicht als ze van de ene plek naar de andere fladderen; het lijken dan net Atalanta's met hun rode vleugelvelden. Het ligt voor de hand dat ze ook in de oost- en noordwand van de Mt. Aiguille zitten; maar wie zoekt ze daar op?

Alpenkauw - Chocard � bec jaune
Alpenkauwen spreken tot de verbeelding. Ze behoren bij het hooggebergte als welhaast geen andere vogelsoort; zo zijn nesten gevonden in het Mont Blanc-gebied op een hoogte van 3800 meter. Dat doet geen enkele andere vogelsoort hem na. Ze broeden altijd in steile rotswanden. Het broeden op deze grote hoogte is alleen maar mogelijk door een fabelachtige vliegkunst. Er is geen enkele vogel die op zulk een superieure wijze gebruik kan maken van iedere luchtstroming in de bergen. Ze storten zich vanaf de kammen in een duik honderden meters naar beneden en komen dan met hetzelfde gemak op de thermiek zonder een vleugelslag weer naar boven zweven. Deze vliegkunst hebben ze nodig om in de broedtijd vanuit hun hoog gelegen nesten voedsel op te sporen, dat beneden nu eenmaal meer aanwezig is dan in de rotsen en het ijs van de gletschers.

Alpenkauwen zijn omnivoren; het zijn opportunisten die net als vele andere kraai-achtigen gewoon eten wat beschikbaar is of wat gevonden kan worden. Is het niet in de buurt, dan zoeken ze wel wat verderop. De laatste decennia is deze soort gebruik gaan maken van skidorpen, pistes en dat soort zaken die vroeger in het hooggebergte nauwelijks voorkwamen. Op zulke plaatsen is meer voedsel te vinden dan vroeger. Alpenkauwen zijn in het geheel niet schuw. Als je de Grand Veymont beklimt, zullen er tijdens je bezoek aan de top zeker Alpenkauwen komen kijken of je niet wat van hun gading hebt achtergelaten. Ze gaan nauwelijks voor je opzij.
Alpenkauwen broeden in de Vercors in de gehele kam die noord-zuid loopt. Vele honderden paren bouwen hier hun nesten in rotsholten en op beschutte richels. De jongen blijven na het uitvliegen nog een maand afhankelijk van hun ouders voor wat voedsel betreft. Daarna vormen ze grote groepen, die het gebied afstruinen. Maar het zijn wel echte standvogels. Alpenkauwen verlaten zelden of nooit het gebied waarin ze zijn opgegroeid.
's Winters blijven ze ook in hun broedgebied, maar ze passen zich op een heel speciale manier aan. Als slaapplaats blijven ze de rotswanden gebruiken ook als die diep onder de sneeuw en het ijs zitten. Maar 's morgens vertrekken ze massaal naar beneden, waar minder of in het geheel geen sneeuw ligt, om voedsel te zoeken. Zo kan men 's winters in de Tri�ves volop Alpenkauwen zien foerageren, die in de wanden van de Grand Veymont broeden. Aan het einde van de middag omstreeks vier uur verzamelen deze vogels zich tot grote groepen. Wij hebben wel eens groep van ruim 600 vogels gezien. Zo'n groep blijft onder luid geroep rondcirkelen. Op een geven moment besluit men echt te gaan slapen en de groep vliegt in zijn geheel naar het westen, naar de rotskammen van de Grand Veymont waar de nacht wordt doorgebracht. Zo'n groep rondcirkelende Alpenkauwen is ��n van de mooiste beelden die je hier kunt zien.

Beflijster -  Merle � plastron
Nederlandse vogelaars kennen de Beflijster vooral als een doortrekker in voor- en najaar op de Waddeneilanden. Deze vogels zijn van de ondersoort torquatus, die in Scandinavi� en op de Britse eilanden broedt. Ze zijn in het veld moeilijk van de alpiene ondersoort alpestris te onderscheiden. In beide gebieden broeden ze in ongeveer dezelfde biotopen: naaldbossen met open plekken.
De alpiene ondersoort broedt in Frankrijk in de Pyrenee�n, het Centraal Massief en de Alpen. De ondersoort torquatus broedt op een enkele plek langs de Atlantische kust, maar het gaat hier om enkelingen. De Beflijster bereikt op de Hauts Plateaux zijn meest westelijke verspreiding in de Alpen.
In de broedtijd eten Beflijsters slakken en allerlei insecten. Na de broedtijd schakelen ze over op bessen van bosbes en jeneverbes. Het voedsel wordt voornamelijk op de open grond gezocht. Dichte naaldbossen zijn niet geschikt voor Beflijsters. Het optimale biotoop moet je zoeken in de buurt van de boomgrens, waar nog wel flink wat naaldbomen of jeneverbessen staan, maar waar ook talrijke open plekken voorkomen. In de bomen of struiken bouwen ze hun nest, terwijl het open terrein als voedselgebied functioneert.
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hoofdmenu
Hoofdstuk
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
<===== Pagina achteruit    Pagina vooruit =====>
Hosted by www.Geocities.ws

1