home

links

gevoelige snaar

een site met
een overzicht
van diverse
schilderijen,
met een paar
gedichten
en verhalen
van de
ontwerper
van deze site

wie ben ik?

deze site
brengt u naar:
wie ban ik?
zoektocht
in jezelf:
de rollen die ik speel
ben ik mijn gevoelens?
hoe zie ik mezelf?
zijn wij echt uniek?
heb ik een eigen visie?

Goden


Goden zijn steeds een weerspiegeling geweest van het volk dat ze aanbad.
Ook nu nog is ons godendom de afspiegeling van de maatschappij waarin wij leven.

Is God Chauvinist, Rechter, Voorzienigheid, Schepper, Almachtige, Leraar, Luisteraar, Goedheid, Schoonheid, Liefde, Energie of Bewustzijn?

Geen God buiten ons die onze zaakjes regelt, niets absoluut of perfect. Wel een bron in ons, waar we vertrouwen uit putten, scheppingen mee creëren en liefhebben.

God en goden.

1. Gods geschiedenis.

Goden en demonen.

Goden zijn steeds een weerspiegeling geweest van het volk dat ze aanbad.
De primitieve mens leefde midden in de natuur met haar vele wonderen, raadsels, gevaren en genoegens. Hij kende geen onderscheid tussen goden en demonen, boven- of onderwereld. (Zie daarover bijvoorbeeld interviews met sjamanen uit primitief georganiseerde volken.) Hun goden-demonen waren natuurverschijnselen, geesten of dieren. De mens kleedde zich in een dier om de macht van de demon of god te verwerven. Hij was zich bewust van zijn nederige plaats in de natuur, daarom konden dieren zijn goden zijn. Zijn leefwereld was beperkt gestructureerd, daarom leefden zijn demonen ook niet in een georganiseerd geheel. De goden of demonen waren mysterieus en onberekenbaar, zoals de natuur voor de mens was.
Als onze voorouders in een meer georganiseerde structuur begonnen te leven, veranderden hun goden. De samenleving werd meer en meer dualistisch: de regels werden ingewikkelder en strenger bestrafbaar. Het goede of het juiste ontstond: wanneer een geheel van regels werd gevolgd. Dus bestond nu ook de overtreding van die regels: het slechte, het verkeerde. Hiermee verbonden kwam een splitsing tussen de onderwereld, met zijn demonen, en de goden in de bovenwereld. De goden stonden nu in een vast verband met elkaar, en ieder kreeg zijn rol toebedeeld: de mythologie. Vermits de samenleving een opperste leider had, kwam er ook in het godendom een oppergod.
Deze samenlevingen waren onderworpen aan onophoudelijke veranderingen. Zo ook hun goden. In de strijd was hun oppergod altijd oorlogsgod. Verloren ze de strijd, en hadden ze meer succes met een andere godheid, dan veranderden de goden van stoel. Werd een volk overwonnen, dan werd de oppergod van het ingelijfde volk vaak een demon in het pantheon van de overwinnaar. Veranderingen in de machtsstructuren gingen samen met veranderingen in het godendom: plaatsveranderingen in de hiërarchie, of transformatie van goed- naar kwaadaardig. Als overblijfselen daarvan kennen we bijvoorbeeld onze duivelse "Lucifer", hetgeen oorspronkelijk lichtbrenger betekende. Of de duivel Loki bij de Germanen, die ooit oppergod is geweest.
Engelen waren oorspronkelijk gevaarlijke demonen. Ze hadden vaak een onberekenbaar karakter: de ene keer helpen ze de mens, da andere keer voeren ze hem naar de ondergang. Het uiterlijk van een god van vruchtbaarheid in onze streken was de bok, in de tijd van de Germanen werd deze figuur nog steeds aanbeden. Deze bok werd in het christendom het specifieke uiterlijk van satan. Wat de houding weergeeft van de kerk tegenover het sexuele.

God in mensengedaante.

De verder ontwikkelde samenleving en techniek, domineerde meer en meer het landschap op deze planeet. De mens zag zichzelf nu als centraal wezen van de schepping. Zijn goden kregen dan ook een menselijk uitzicht. Geruime tijd bleef met deze mensgestaltes nog heel wat van het vroegere dierlijke verbonden. Zo hadden vele Griekse goden een dierengedaante, waarin zij zich bij wijlen veranderden. Elders werden de vroegere dieren tot attribuut van de nieuwe mens-goden. Waar in het hindoeïsme bijvoorbeeld een stier of een gazelle oorspronkelijk god waren, werden zij nu het embleem of "rijdier" van Shiva. Overblijfselen daarvan vinden we tot bij onze heiligen, zoals St.Anthonius met het varken, of het hert als de belichaming van St.Hubert.
Welbekend zijn de Oudegyptische diergoden, of halfmens-, halfdier-combinaties. Deze "halfmensen" bestonden niet enkel in Egypte, maar zijn over de hele wereld terug te vinden. De olifantshoofdige mens vindt men bijvoorbeeld in vele oude culturen terug. Welke sterkere godheid kan men bedenken dan deze combinatie van mens en dier?

Monotheïsme.

De organisaties van de menselijke samenleving werden later nog ingewikkelder, uitgebreider, en strenger hiërarchisch. Zo werd ook de oppergod machtiger, of bleef er slechts één personage met de titel God, en kregen de andere personages ondergeschikte titels, zoals engelen, aartsengelen, profeten, en heiligen in de christelijke kerk.
De farao Echnaton in het oude Egypte was zijn tijd te ver vooruit, als hij de vele goden afdankte, en één god in de plaats stelde: deze was "de liefde" en de zon, het licht. Na de dood van deze farao werden Egnatons lichttempels snel afgebroken en de oude goden in ere hersteld. Misschien was Echnaton de oorzaak dat de joden hun verschillende goden (Jahweh, Jehova..) tot één god verenigden.
Toch zijn de christelijke kerken tot op vandaag in zekere zin meergodendommen gebleven, met een theologische kunstgreep: de oppergod is tezelfdertijd een drie-eenheid: Vader, Zoon, Heilige Geest. In het begin van de kerkgeschiedenis was dit een vier-eenheid. Het vierde personage was Sofia, de wijsheid. Bij het eerste concilie werd Sofia eruit gegooid. Elk godendom is de weerspiegeling van de samenleving die hen heeft bedacht, en het afwijzen van vrouwelijke figuren in de bovenste regionen van het pantheon wijst op de ondergeschikte rol van de vrouw in die samenleving.
Vermits de kerk er niet in slaagde het vereren van de vruchtbaarheidsgodin uit te schakelen, werd na lange tijd besloten om ook deze godin in te lijven in het christelijke pantheon. Met een verhaal van de moeder van Jezus kreeg Maria een rol die enerzijds toch belangrijk was, en anderzijds machteloos. (Haar aanzien in de kerk ging in de loop van de geschiedenis voortdurend op en neer.) De vrouw kreeg hier dus iets meer aan belang, doch enkel in haar functie als voortbrengster van kinderen. Het erotische aspect van de vruchtbaarheidsgodin was de kop ingedrukt door Maria maagd te verklaren. (Hoewel virgin oorspronkelijk de betekenis had van tempelprostituee).

2. Hedendaagse visie op God(en).

God nu.

Ook nu nog is ons godendom de afspiegeling van de maatschappij waarin wij leven, die eerder streng hiërarchisch is en onveranderlijk. In onze samenleving is het individu heel belangrijk geworden. Ook het godenbeeld verschilt individueel. Wanneer we de mensen bevragen over hun god, dan blijken de meeste mensen een heel eigen antwoord te geven. Iedereen baseert zich op hetzelfde woord met drie letters, "God", maar de visies zijn zo verschillend dat ieder nu zijn eigen god lijkt te hebben. Toch doen we nog alsof het zo ongeveer om dezelfde god gaat, en doen we onze ogen dicht voor de grote verschillen. De ene opvatting over God is vaak tegengesteld aan de andere, ook tussen mensen die zich beiden gelovigen noemen van dezelfde religie!
Een ander probleem dat zich stelt is dat de wereld van nu klein geworden is. Er zijn zoveel godsdiensten op de wereld, en de communicatiemedia, het reizen, de internationale handel, de emigratie.. brengen ons in nauw contact met elkaar. Iedere "gelovige" van deze religies beweert de enige juiste godsdienst te hebben. Wij leren de goden van andere volken snel kennen, of het geloof van onze nieuwe buur… Dit alleen is al moeilijk te begrij-pen: hoe zou het kunnen dat één van hen het juist ziet en de anderen allen verkeerd zijn? Is dat geen aanstellerij. De Hindoes hebben een oud antwoord op dit probleem: het gaat uiteindelijk toch om een en dezelfde god, zeggen zij, die diverse gestaltes heeft. Maar in hun kern komen deze gestaltes op hetzelfde neer: het gaat om diverse incarnaties ("awa-tar") van dezelfde god, die in diverse verschijningsvormen op de wereld komt. Dus houden de Hindoes het maar bij hun eigen pantheon!
Bestuderen wij echter de oppergoden van diverse godsdiensten, dan blijken deze helemaal niet gelijk te zijn: hun karakter is erg verschillend, en vooral ook hun eisen. Vaak is er zelfs evenmin een gemeenschappelijke kern te vinden. De verering van diverse "enige ware" goden in deze wereld, blijft een controverse. Het niet-Tibetaanse boeddhisme is zelfs een "religie" zonder god.

Rol of eigenschappen van de hedendaagse God.

Allereerst is God "Chauvinist": hij is het eigendom van een volk, de enige ware, de enige juiste, de enige bestaande. In de oorlog dient hij zijn volk naar de overwinning te leiden. Deze chauvinistische God is oorzaak van veel onverdraagzaamheid, conflicten of (godsdienst)oorlog. Hij is de identiteit van een volk of natie, en benadrukt het verschil met andere volkeren of naties in wetten, waarden, opvattingen.
Daarnaast is zijn belangrijkste rol die van Wetgever en Rechter. Bij de kleinste groepering ontstaan er regels. Er dient een manier omschreven te worden om met elkaar om te gaan. Deze regels of wetten groeien, in een religieuze bodem, verder uit tot een moraal: dat wat God van ons verwacht wat we doen, of niet doen. "Goedheid" is nu een begrip geworden: handelen volgens de regels. God gaat na of we ons aan de moraal van de samenleving houden, of we de regels van de religie volgen. Overkomt ons een ramp of ongeluk, dan is dat vaak uitgelegd als de straf van God voor verkeerde handelingen.
De moderne mens heeft dit geloof in goddelijke straf verloren door zijn wetenschappelijk inzicht. We zien dat God nooit straft, zich met ons leven niet moeit. Dat het steeds een mens is die straft in Zijn naam. We zien ook hoe dubieus de regels zijn: als je iemand vermoordt, word je door God veroordeeld. Is er echter oorlog, dan verwacht God dat je wél moordt. "God met ons" is dan de regel. Voor wie het bijzonder duidelijk is, dat God in ons mensenleven niet tussenkomt, kan er enkel nog beloond of bedreigd worden met loon of straf in een hiernamaals. Dit is weer een punt waar de hedendaagse christelijke mens niet goed raad weet: de hel is bij velen afgedankt, de visie op de "hemel" toont een grote verscheidenheid en onduidelijkheid.

God als Voorzienigheid:

God leidt ons voortdurend. Ook deze opvatting gaat ons nog moeilijk af: door onze intelligentie hebben we nu een beter begrip hoe de omstandigheden spelen. Bovendien strookt de voorzienigheid ook niet met het feit dat we allen met elkaar samenleven: gelijk welk ongeluk er gebeurt, zal meerdere mensen raken. Je kan niet één boosdoener treffen, zonder verschillende anderen te benadelen, die niets te maken hebben met het kwade opzet van die boosdoener. Hoe kan een ramp bijvoorbeeld dan dienen om te straffen?
Is een ramp dan altijd het gevolg van kwaad? Als een aardbeving duizenden mensen treft, hebben die mensen dan allemaal op dezelfde manier, of in dezelfde mate verkeerd gehandeld? Vroeger keek men daar niet zo nauw op: een hele beschaving kon gerust verdoemd zijn. Schuld kon je zelfs gewoon erven! Nu vinden we dat fundamenteel onrechtvaardig.
Ook vroeger was die Voorzienigheid een bestreden onderwerp. Reeds in de oudheid werd veel strijd gestreden tussen diegenen die in de voorzienigheid geloofden, en anderen die vonden dat God een Schepper was die zich voorts afzijdig hield van zijn schepping.
God als Schepper. De bewering dat alles wat leeft de creatie zou zijn van een god, heeft de wetenschap weerlegd: het heelal ontstond uit zichzelf, evenals het leven. Alles is één groot chemisch proces. Nog opperen sommigen het idee dat er een schepper moet zijn van materie of energie, een oud idee dat gegroeid is uit de gedachte dat er ergens een beginner moet zijn, diegene die ervoor zorgde dat alles kon starten. Waarbij dan direct de logische vraag ontstaat: wie schiep dan de Schepper? Hoe je het ook bekijkt, ergens was er een begin dat er uit zichzelf was, iets dat we niet kunnen begrijpen. Waarom zou dit begin dan een god zijn, en geen energie of materie?

God als de Almachtige.

God is de macht van het volk, de macht van orde, wetten, regels, structuren. Met de almacht van God drukt men uit dat men macht verlangt over al Zijn gelovigen. Indien God almachtig is, moet hij ons kunnen besturen, zo komen we weer terecht bij de Voorzienigheid. Soms wordt de vrije wil van de mens als excuus voor Gods apathie ingeroepen: de mens moet uit vrije wil voor het goede kunnen kiezen. Als we zien welke wreedheid er zich op deze wereld afspeelt, welke onrechtvaardigheid, dan kan God best onze vrije wil afschaffen. Na zoveel duizenden jaren worden mensen nu veel ingenieuzer gefolterd als vroeger, dat is geen vooruitgang! Gezien vanuit een dictatoriale godheid is het totaal onverantwoord dergelijke onbeschrijfelijke wreedheden te laten gebeuren uit naam van een vrije wil. Overigens is ook onze vrije wil sterk te relativeren: onze wil is grotendeels collectief bepaald (door onze cultuur, opvoeding, conditionering…), en bovendien hebben wij ons te houden aan de regels van de bestaande machtsstructuur waarin we leven.
Of het idee van God als Leraar: dat we eerst een soort leerschool moeten doorlopen om ons te ontwikkelen, of om de hemel te bereiken, of een samadhi of nibbhana! Hier blijft het onverantwoordelijke van de ellende op de wereld niet mee te verzoenen: als miljoenen mensen van honger sterven, welke les kunnen zij daarmee leren? Waarom zou God een mens zo creëren dat hij eerst duizenden jaren school moet lopen, en vreselijk afzien, voor hij "zijn les heeft geleerd"?

Een God om mee te praten.

Dit is eigenlijk het vraagstuk van de persoonlijke of de abstracte God. Velen hebben er moeite mee dat God ook een soort mens zou zijn, het menswezen is immers maar één diersoort, en een klein deel van de schepping op deze ene planeet. Dus is het dwaas om tegen die God te praten alsof het een mens zou zijn.
Persoonlijk zie ik niet in waarom God niet gepersonifieerd zou mogen worden. Al van kindsaf praten we tegen onze knuffeldieren, zoals de vroegere mens tegen zijn goden-beelden. Waarom niet? Omdat we weten dat het niet "echt" is? In de psychotherapieën gaan we dan wél tegen een kussen praten, waarom dan niet tegen een knuffeldier, de kanarie, een foto van een dierbare overledene of tegen God? Hier is god geen absoluut persoon uiteraard, maar een projectie van iets wat in onszelf leeft. (Maar ik herhaal het: ik heb er niets op tegen, het lijkt me kerngezond.) God kan geen mens zijn, anders zou hij even zondig zijn, even onbetrouwbaar als wij. Ons gesprek met God is dan een dialoog met een onbekend deel van onszelf. Dat kan van diverse aard zijn: een verdrongen deel, een ontkende kant van onszelf, of een diepere inhoud van onszelf.

God als het oneindige goede, schone.

Als God abstract is, dan is hij een idee, want abstracties zijn ideeën. Dan is God slechts een idee van de mens. Ook het oneindige is een dergelijk idee. In de wiskunde leren we dat het oneindige ergens moet bestaan, maar de hele wiskunde is een idee. In het werkelijke leven is er geen oneindigheid, alles is beperkt en veranderlijk. Niets is absoluut, alles is relatief, daarom bestaat "hét goede" eigenlijk niet, of "dé schoonheid". Toch kunnen we intens genieten van iemand of iets dat goed is, of iets dat schoon is. Maar met "God is goed" wordt niet een persoonlijk gevoel van goedheid bedoeld, maar God als de belichaming van dat wat de samenleving schoon of goed vindt. God vertegenwoordigt voor veel mensen het ideale zelf: het perfecte, oneindige, goede, schone, almachtige. Allemaal dingen die niet tot de bestaande wereld behoren, maar wel tot de wereld van het idee. In werkelijkheid kon er geen schoonheid bestaan, als er geen lelijkheid was, of geen liefde als er geen haat was of onverschilligheid.
God als liefde. Of God als de mógelijkheid tot voelen, tot gelukkig zijn, of het geluk zelf.
Maar wat is voelen, wat is geluk, wat is liefde? Is mijn affectie tot iemand geen aan-trekkingskracht, zoals er zoveel andere zijn in het heelal? Zoals materie door materie aan-getrokken wordt?
Ook seks is een dergelijke aantrekkingskracht tussen mensen. Toch gaan we God niet snel als seks zien, want we weten dat je seks heerlijk kan beleven, maar dat je er ook mee een hel kan maken. Ook in een gewoon gevoel van genegenheid kan iemand zwaar gekwetst worden. En waarom zou dan affectie wél God kunnen zijn en seks niet? Ook de term "universele liefde" bevredigt niet, het blijft abstract, een idee.

Op zoek naar een diepere betekenis.

Toch blijven sommige enkelingen zoeken naar een diepere betekenis van het woord God. Is God energie, of is God ons bewustzijn, of is hij het binnenste van een quark?
God staat vaak voor iets absoluut. Er blijkt echter niets absoluut in deze wereld te bestaan. Absolute dingen zijn altijd het product van ons denken. Deze God is dan ook een creatie van ons denken. Energie, bewustzijn en quarks zijn echter wel concrete, bestaande dingen. Maar ze hebben niets absoluut, en ook niets heilig.
Energie bijvoorbeeld is een belangrijke substantie in het heelal, maar niet de enige. Het heelal is vol energiebronnen, maar ook vol materie, en er zijn de energie opslorpende zwarte gaten. En alles tezamen bepaalt ons heelal. Indien er enkel energie ware, dan bestonden wij niet. En waarom zou energie belangrijker zijn dan de rest?
Zonder duisternis, ware er geen licht. Als levende wezens verlangen wij naar licht, want het is voedsel voor ons. Kosmologisch is het duister echter even belangrijk. Als wij het licht aanbidden, aanbidden we voedsel als God. Misschien houdt onze poes meer van het duister, dan van het licht. En wat zou een mol ervan denken?
We kunnen ons monotheïsme niet doortrekken naar de natuurkunde. Er is niet enkel één fundamenteel iets als basis voor al het bestaande. Wat bestaat blijkt steeds een spanning te zijn tussen polen. Het bestaan van een ster bijvoorbeeld is een strijd (of dans) tussen de tegenovergestelde polen zwaartekracht en energie. Ook het ontstaan van het heelal uit de oerknal zou een dergelijk proces zijn. In die zin staat een dualistische godsdienst, met zijn eeuwige strijd tussen goed en kwaad, als Ahrimon en Ahura Mazda in het oude Perzië, dichter bij de realiteit.
Ook bewustzijn zien als God is dubieus. Bewustzijn is iets heerlijk, het bepaalt de mate waarin je leeft: hoe groter je bewustzijn, hoe intenser je leeft. De drang om steeds alert te zijn, om geconcentreerd met dingen bezig te zijn, of het verhogen van onze gevoeligheid, dienen om steeds meer van het leven te kunnen drinken. Iemand die ongelukkig is echter, probeert niet intenser te leven, hij zoekt eerder verdoving, vergetelheid. Maar ook een mens die de dingen intens wil beleven, moet soms van zijn bewustzijn kunnen neerdalen, of ervaart de nood om iets niét te hoeven zien. Of om weg te zakken, bijvoorbeeld in een slaap, in dagdromerij, of om zich te laten gaan op zijn instinct bijvoorbeeld. De liggen-de begeleide ontspanning is hierop gebaseerd: laat je wegzakken, weg van je dagdagelijks bewustzijn, maar houd een minimale aandacht bij je lichaam.
Bewustzijn is ook niet zo eenduidig. Waar we bewust van zijn is gedeeltelijk collectief bepaald: door onze opvoeding, door waar anderen onze aandacht naartoe sturen, door de televisie, door zovele oorzaken. Individueel is echter ons lichaamsbewustzijn. Ons bewustzijn is voor een groot deel een collectief goed van de samenleving, waar we soms vanaf moeten kunnen stappen om bij ons lichaamsbewustzijn te komen.
Om ons bewustzijn te verruimen dienen we vaak eerst naar het onbewuste af te zakken, de zogenaamde afdaling naar de onderwereld in oude mythologieën. Zo kan een moeilijke crisisperiode juist een bron zijn van een verhoogd bewustzijn, wanneer we er tenminste in slagen rijker uit de crisis te geraken. We zijn dan als herboren, een nieuwe mens. Jung heette dit numinositeit.
Zonder bewustzijn is er zelfs geen bestaan. Als je bijvoorbeeld verdoofd wordt voor een operatie, gaan je ogen dicht. Schijnbaar onmiddellijk gaan ze terug open: en uren blijken voorbij! Toch moeten we van bewustzijn geen God maken. Bewustzijn kan iemand tot een hel zijn, en voorts is bewustzijn niet verbonden met goedheid, schoonheid, of een schepper. Termen als hoger bewustzijn, of kosmisch bewustzijn zijn dan weer abstracties, ideeën, bedenksels. Uit niets blijkt dat er soorten bewustzijn bestaan. Wel verschillende intensiteit van bewustzijn, en verschillen van wat je bewust bent, maar geen soorten.
Is God de essentie van alle materie? De natuurkunde ontdekt misschien ooit dat ook de quark nog niet het kleinste deeltje is, of zal een duidelijker zicht krijgen op het verband tussen energie, materie en elektromagnetische velden. Als alle materie niet anders is dan een bepaalde golflengte in het elektromagnetisch veld, maakt dat deze velden tot onze God? Zeker niet tot een God die met ons begaan is, of die goed is, rechtvaardig, schoon of almachtig. Het heelal is qua menselijk gevoel een zeer koud iets.

3. En verder?

Het opruimen van illusies en het terugkeren tot de realiteit lijkt misschien een tabula rasa, in feite is het een opbouwend iets, omdat het ons terug bij de werkelijkheid brengt. Toch stelt zich ons de vraag: is er dan enkel die hoeveelheid atomen in het heelal, en ons leven niets dan een strijd om macht?
Hier blijven we op een heel persoonlijk terrein. Een terrein van ervaringen, en de interpretatie van deze ervaringen. Wij interpreteren elke ervaring. Zo kunnen we niet beweren, in een dergelijke gesprekstof, dat we ons beperken tot feiten. Iedereen ziet andere feiten, en interpreteert deze feiten ook anders. En een bepaalde interpretatie als de waarheid bestempelen is een nieuwe godsdienst creëren, een nieuwe "enige ware".
Er is niets bovennatuurlijks in dit heelal. Hoe langer we het heelal en het leven bestuderen, of hoe meer we ervan begrijpen, hoe meer we zien dat ook het allerwonderlijkste volkomen natuurlijk is. Maar we mogen niet vergeten dat er nog zeer veel over het leven te ontdekken valt, dat er nog heel veel mysterie is. De wereld is ongelofelijk rijk, en het rijkste daarvan is ons eigen innerlijk. En tevens is dit terrein voor de wetenschap nog het meest onbekende. Onze gevoelswereld, ervaringswereld, bewustzijn, zijn nog grotendeels raadsels. Binnen in ons hebben we zelfs bronnen en mogelijkheden, die niet beperkt zijn tot onze eigen persoon.
We kunnen niet alle ervaringen wetenschappelijk uitleggen. Zo voelen velen een verbondenheid met elkaar, verbondenheid met alles wat leeft, of een energie die in alles en iedereen aanwezig is. Dat waar je op uitkomt als je steeds dieper in jezelf afdaalt. Iets dat je niet kan bedenken, dat voorbij het denken is. We zijn geneigd erover te willen denken, het te willen bevatten en daarom noemen we het God, of geven we een andere naam. Zelfs al heeft deze God nog weinig te maken met God uit een godsdienst, toch is elke naamgeving zinloos, elke naam is een denkbeeld en dus niet de realiteit. Zo waren er lang geleden al dergelijke speculaties, en bedacht men andere namen, zoals bijvoorbeeld het "tao", of sommigen spraken gewoon van "dat", het onnoembare. Weer anderen willen van die namen af en zeggen: het is niets. Maar als je spreekt van "het niets", dan heb je weer een naam gegeven en ben je dus weer met een idee bezig. Waar er "niets" is, is ook "alles", is dus weer dualiteit.
Wie iets van die verbondenheid met alles wat leeft ervaart, heeft geen behoefte meer aan opgelegde regels voor goedheid. Je handelt vanuit die verbondenheid en dat is goed. We hebben geen behoefte aan een godsdienst die ons een moraal oplegt, maar zoeken naar een eigen moraal, naar de waarden van het leven. Toch denk ik dat voor de meeste mensen goedheid tegenwoordig iets pragmatisch is: het leven is aangenamer als iedereen die regels volgt. Als niemand steelt bijvoorbeeld, hoeven we ook niet zo wanhopig onze bezittingen te beschermen of te verstoppen. En als die verbondenheid slechts een idee is, en geen ervaren realiteit, zullen we voor onszelf ook snel een excuus gevonden hebben voor het benadelen van een ander, een verrechtvaardiging van onze daden, een sussen van ons geweten. Dat is niet die moraliteit die opkomt uit een eenheidsgevoel en een meevoelen met de ander.
Die allesdoordringende band is voelbaar als we echt onszelf zijn. Je kan het niet oproepen door te gaan zitten en erover te denken, of het ronkende titels te geven zoals "universeel bewustzijn". Dan is het weer een idee, een autosuggestie. Het geeft ons een prettig gevoel om ons dergelijke titels toe te kennen, een gevoel van macht, het maakt onze ego tot iets groots, iets uitgestrekt. Maar het is een spookbeeld, een illusie, die ons een al te mooi beeld van onszelf geeft.
Het gevoel van diepe verbondenheid komt uit zichzelf, het laat ons onszelf zien als een zeer klein (maar daarom niet onbelangrijk) elementje in een zeer groot geheel. Het laat ons genieten van de enorme verscheidenheid in het leven of tussen mensen, en van de schoonheid van het veranderlijke.

We komen nog eens terug op de liefde.
We hoeven in geen God te geloven om van de liefde te genieten. Ook als we alleen zijn, en in stilte zitten, kunnen wij liefde voelen. Het hoeft zelfs niet op een persoon gericht te zijn, het is heerlijk om onze capaciteit om lief te hebben te voelen. In feite projecteren we deze liefde vaak in een ander, of zelfs in een hond of poes, of in een teddybeer. Of liever in een abstractie, God, de kosmos, de universele liefde. Maar denken aan het woord "liefde" brengt nog geen liefde, het kan zelfs oorzaak zijn dat we een totaal verkeerd beeld van onszelf krijgen, en onszelf als een heilige zien, terwijl we zuur smaken voor de ander.
We kunnen ervan genieten onze eigen liefde te voelen, zonder onderwerp, zonder richting. We bedoelen ook niet eigenliefde, al is het ook nodig jezelf graag te zien. We bedoelen: de liefde zelf ervaren. Liefde is een gevoel dat je altijd kan koesteren, ook als het niet op iemand gericht is. Maar een geliefde hebben, is nog steeds de allermooiste bron van liefde. Het geeft ons veel, maar het eist van ons ook veel. Het is een test om te zien als we echt tot beminnen in staat zijn. Hier wordt liefhebben heel reëel, geen wensdroom of eigenwaan. Als we bewust zijn van de liefde die in ons leeft, kunnen we dan veel beter onze liefde geven, zonder terug te eisen.
In plaats van voorzienigheid stellen wij zelfvertrouwen. Geen god die voor ons de zaakjes in ons voordeel regelt, als we maar lang genoeg bidden, of gelovig genoeg zijn. Wel het vertrouwen dat we in onszelf grote capaciteiten hebben, mogelijkheden, talenten, die ons door alle moeilijkheden heen kunnen brengen. Die ervoor zorgen dat we het leven aankunnen en genietbaar kunnen maken. Dat we een innerlijke gids hebben, die ons helpt onszelf te blijven, ons te verwerkelijken. Misschien is zelfvertrouwen nog niet alles, en gaat het ook om een levensvertrouwen, omdat we hier een verbinding hebben met een bron in onszelf die we niet kunnen omvatten, die niet beperkt is tot onze persoon.
Zijn we dan niet terug bij een godsbegrip? Een god binnenin ons? Het verschil ligt misschien in het absolute: we hebben geen volmaaktheid, geen zekerheid. Telkens dienen we die bron in onszelf aan te boren, terug op te zoeken, het vertrouwen te herstellen. We proberen, we slagen en we mislukken. We winnen, en we verliezen. Onze mogelijkheden zijn enorm, maar toch beperkt. En we zijn niet enkel beperkt door onze omgeving, maar ook door wat we in aanleg hebben meegekregen. Iedereen is daar verschillend in. Hier is zeker geen fundamentele rechtvaardigheid: in erfelijkheid zijn we erg ongelijk toebedeeld, en we moeten het redden met wat we zijn en wat we kunnen. Toch kunnen we allemaal ons leven verruimen en onze mogelijkheden vergroten door dit diepe vertrouwen.
Hetzelfde geldt ook voor liefde, schoonheid of bewustzijn. We kunnen er zo intens van genieten, er zoveel aan hebben, ons leven er rijker mee maken. Toch is er niets absoluut aan en liefde gaat samen met haat of onverschilligheid, schoonheid met lelijkheid, bewustzijn met afstomping. We kiezen er niet altijd voor helder bewust te zijn, het is een op en neer gaan van helderheid, intens willen beleven, of je laten gaan, simpele verstrooiing zoeken, je laten afstompen.
Elke (levens)kunstenaar kent de bron in zichzelf van waaruit zijn scheppingen ontstaan. Het is een bron die het individu overstijgt. Scheppen is meer een kwestie van niét-doen, ballast van je kunnen afzetten, waardoor alles vanzelf naar boven komt. Veeleer een kwestie van ontworden, dan iets bereikt te hebben. Natuurlijk is de persoon ook belangrijk: je moet aan je uiting vormgeven, en dat is niet zo gemakkelijk. Allen hebben we die scheppingskracht in onszelf. We hoeven er geen kunstenaar voor te zijn. Heb je het bijvoorbeeld moeilijk met iemand, en je zoekt naar een nieuwe benaderingswijze naar die persoon toe, dan creëer je iets nieuws, dan schep je.
Het leven is niet minder wonderlijk omdat we er nu meer van afweten: wel integendeel. Hoe meer we weten, hoe meer we zien dat we ook niet weten. En laat geen God of mens je zeggen: ik weet alles.

Copyright Johan Framhout

Hosted by www.Geocities.ws

1