God
en goden.
1. Gods
geschiedenis.
Goden en
demonen.
Goden zijn
steeds een weerspiegeling geweest van het volk dat ze aanbad.
De primitieve mens leefde midden in de natuur met haar vele wonderen,
raadsels, gevaren en genoegens. Hij kende geen onderscheid tussen goden
en demonen, boven- of onderwereld. (Zie daarover bijvoorbeeld interviews
met sjamanen uit primitief georganiseerde volken.) Hun goden-demonen waren
natuurverschijnselen, geesten of dieren. De mens kleedde zich in een dier
om de macht van de demon of god te verwerven. Hij was zich bewust van
zijn nederige plaats in de natuur, daarom konden dieren zijn goden zijn.
Zijn leefwereld was beperkt gestructureerd, daarom leefden zijn demonen
ook niet in een georganiseerd geheel. De goden of demonen waren mysterieus
en onberekenbaar, zoals de natuur voor de mens was.
Als onze voorouders in een meer georganiseerde structuur begonnen te leven,
veranderden hun goden. De samenleving werd meer en meer dualistisch: de
regels werden ingewikkelder en strenger bestrafbaar. Het goede of het
juiste ontstond: wanneer een geheel van regels werd gevolgd. Dus bestond
nu ook de overtreding van die regels: het slechte, het verkeerde. Hiermee
verbonden kwam een splitsing tussen de onderwereld, met zijn demonen,
en de goden in de bovenwereld. De goden stonden nu in een vast verband
met elkaar, en ieder kreeg zijn rol toebedeeld: de mythologie. Vermits
de samenleving een opperste leider had, kwam er ook in het godendom een
oppergod.
Deze samenlevingen waren onderworpen aan onophoudelijke veranderingen.
Zo ook hun goden. In de strijd was hun oppergod altijd oorlogsgod. Verloren
ze de strijd, en hadden ze meer succes met een andere godheid, dan veranderden
de goden van stoel. Werd een volk overwonnen, dan werd de oppergod van
het ingelijfde volk vaak een demon in het pantheon van de overwinnaar.
Veranderingen in de machtsstructuren gingen samen met veranderingen in
het godendom: plaatsveranderingen in de hiërarchie, of transformatie
van goed- naar kwaadaardig. Als overblijfselen daarvan kennen we bijvoorbeeld
onze duivelse "Lucifer", hetgeen oorspronkelijk lichtbrenger
betekende. Of de duivel Loki bij de Germanen, die ooit oppergod is geweest.
Engelen waren oorspronkelijk gevaarlijke demonen. Ze hadden vaak een onberekenbaar
karakter: de ene keer helpen ze de mens, da andere keer voeren ze hem
naar de ondergang. Het uiterlijk van een god van vruchtbaarheid in onze
streken was de bok, in de tijd van de Germanen werd deze figuur nog steeds
aanbeden. Deze bok werd in het christendom het specifieke uiterlijk van
satan. Wat de houding weergeeft van de kerk tegenover het sexuele.
God in mensengedaante.
De verder
ontwikkelde samenleving en techniek, domineerde meer en meer het landschap
op deze planeet. De mens zag zichzelf nu als centraal wezen van de schepping.
Zijn goden kregen dan ook een menselijk uitzicht. Geruime tijd bleef met
deze mensgestaltes nog heel wat van het vroegere dierlijke verbonden.
Zo hadden vele Griekse goden een dierengedaante, waarin zij zich bij wijlen
veranderden. Elders werden de vroegere dieren tot attribuut van de nieuwe
mens-goden. Waar in het hindoeïsme bijvoorbeeld een stier of een
gazelle oorspronkelijk god waren, werden zij nu het embleem of "rijdier"
van Shiva. Overblijfselen daarvan vinden we tot bij onze heiligen, zoals
St.Anthonius met het varken, of het hert als de belichaming van St.Hubert.
Welbekend zijn de Oudegyptische diergoden, of halfmens-, halfdier-combinaties.
Deze "halfmensen" bestonden niet enkel in Egypte, maar zijn
over de hele wereld terug te vinden. De olifantshoofdige mens vindt men
bijvoorbeeld in vele oude culturen terug. Welke sterkere godheid kan men
bedenken dan deze combinatie van mens en dier?
Monotheïsme.
De organisaties
van de menselijke samenleving werden later nog ingewikkelder, uitgebreider,
en strenger hiërarchisch. Zo werd ook de oppergod machtiger, of bleef
er slechts één personage met de titel God, en kregen de
andere personages ondergeschikte titels, zoals engelen, aartsengelen,
profeten, en heiligen in de christelijke kerk.
De farao Echnaton in het oude Egypte was zijn tijd te ver vooruit, als
hij de vele goden afdankte, en één god in de plaats stelde:
deze was "de liefde" en de zon, het licht. Na de dood van deze
farao werden Egnatons lichttempels snel afgebroken en de oude goden in
ere hersteld. Misschien was Echnaton de oorzaak dat de joden hun verschillende
goden (Jahweh, Jehova..) tot één god verenigden.
Toch
zijn de christelijke kerken tot op vandaag in zekere zin meergodendommen
gebleven, met een theologische kunstgreep: de oppergod is tezelfdertijd
een drie-eenheid: Vader, Zoon, Heilige Geest. In het begin van de kerkgeschiedenis
was dit een vier-eenheid. Het vierde personage was Sofia, de wijsheid.
Bij het eerste concilie werd Sofia eruit gegooid. Elk godendom is de weerspiegeling
van de samenleving die hen heeft bedacht, en het afwijzen van vrouwelijke
figuren in de bovenste regionen van het pantheon wijst op de ondergeschikte
rol van de vrouw in die samenleving.
Vermits de kerk er niet in slaagde het vereren van de vruchtbaarheidsgodin
uit te schakelen, werd na lange tijd besloten om ook deze godin in te
lijven in het christelijke pantheon. Met een verhaal van de moeder van
Jezus kreeg Maria een rol die enerzijds toch belangrijk was, en anderzijds
machteloos. (Haar aanzien in de kerk ging in de loop van de geschiedenis
voortdurend op en neer.) De vrouw kreeg hier dus iets meer aan belang,
doch enkel in haar functie als voortbrengster van kinderen. Het erotische
aspect van de vruchtbaarheidsgodin was de kop ingedrukt door Maria maagd
te verklaren. (Hoewel virgin oorspronkelijk de betekenis had van tempelprostituee).
2. Hedendaagse
visie op God(en).
God nu.
Ook nu nog
is ons godendom de afspiegeling van de maatschappij waarin wij leven,
die eerder streng hiërarchisch is en onveranderlijk. In onze samenleving
is het individu heel belangrijk geworden. Ook het godenbeeld verschilt
individueel. Wanneer we de mensen bevragen over hun god, dan blijken de
meeste mensen een heel eigen antwoord te geven. Iedereen baseert zich
op hetzelfde woord met drie letters, "God", maar de visies zijn
zo verschillend dat ieder nu zijn eigen god lijkt te hebben. Toch doen
we nog alsof het zo ongeveer om dezelfde god gaat, en doen we onze ogen
dicht voor de grote verschillen. De ene opvatting over God is vaak tegengesteld
aan de andere, ook tussen mensen die zich beiden gelovigen noemen van
dezelfde religie!
Een ander probleem dat zich stelt is dat de wereld van nu klein geworden
is. Er zijn zoveel godsdiensten op de wereld, en de communicatiemedia,
het reizen, de internationale handel, de emigratie.. brengen ons in nauw
contact met elkaar. Iedere "gelovige" van deze religies beweert
de enige juiste godsdienst te hebben. Wij leren de goden van andere volken
snel kennen, of het geloof van onze nieuwe buur
Dit alleen is al
moeilijk te begrij-pen: hoe zou het kunnen dat één van hen
het juist ziet en de anderen allen verkeerd zijn? Is dat geen aanstellerij.
De Hindoes hebben een oud antwoord op dit probleem: het gaat uiteindelijk
toch om een en dezelfde god, zeggen zij, die diverse gestaltes heeft.
Maar in hun kern komen deze gestaltes op hetzelfde neer: het gaat om diverse
incarnaties ("awa-tar") van dezelfde god, die in diverse verschijningsvormen
op de wereld komt. Dus houden de Hindoes het maar bij hun eigen pantheon!
Bestuderen wij echter de oppergoden van diverse godsdiensten, dan blijken
deze helemaal niet gelijk te zijn: hun karakter is erg verschillend, en
vooral ook hun eisen. Vaak is er zelfs evenmin een gemeenschappelijke
kern te vinden. De verering van diverse "enige ware" goden in
deze wereld, blijft een controverse. Het niet-Tibetaanse boeddhisme is
zelfs een "religie" zonder god.
Rol of eigenschappen
van de hedendaagse God.
Allereerst
is God "Chauvinist": hij is het eigendom van een volk, de enige
ware, de enige juiste, de enige bestaande. In de oorlog dient hij zijn
volk naar de overwinning te leiden. Deze chauvinistische God is oorzaak
van veel onverdraagzaamheid, conflicten of (godsdienst)oorlog. Hij is
de identiteit van een volk of natie, en benadrukt het verschil met andere
volkeren of naties in wetten, waarden, opvattingen.
Daarnaast is zijn belangrijkste rol die van Wetgever en Rechter. Bij de
kleinste groepering ontstaan er regels. Er dient een manier omschreven
te worden om met elkaar om te gaan. Deze regels of wetten groeien, in
een religieuze bodem, verder uit tot een moraal: dat wat God van ons verwacht
wat we doen, of niet doen. "Goedheid" is nu een begrip geworden:
handelen volgens de regels. God gaat na of we ons aan de moraal van de
samenleving houden, of we de regels van de religie volgen. Overkomt ons
een ramp of ongeluk, dan is dat vaak uitgelegd als de straf van God voor
verkeerde handelingen.
De moderne mens heeft dit geloof in goddelijke straf verloren door zijn
wetenschappelijk inzicht. We zien dat God nooit straft, zich met ons leven
niet moeit. Dat het steeds een mens is die straft in Zijn naam. We zien
ook hoe dubieus de regels zijn: als je iemand vermoordt, word je door
God veroordeeld. Is er echter oorlog, dan verwacht God dat je wél
moordt. "God met ons" is dan de regel. Voor wie het bijzonder
duidelijk is, dat God in ons mensenleven niet tussenkomt, kan er enkel
nog beloond of bedreigd worden met loon of straf in een hiernamaals. Dit
is weer een punt waar de hedendaagse christelijke mens niet goed raad
weet: de hel is bij velen afgedankt, de visie op de "hemel"
toont een grote verscheidenheid en onduidelijkheid.
God als Voorzienigheid:
God leidt
ons voortdurend. Ook deze opvatting gaat ons nog moeilijk af: door onze
intelligentie hebben we nu een beter begrip hoe de omstandigheden spelen.
Bovendien strookt de voorzienigheid ook niet met het feit dat we allen
met elkaar samenleven: gelijk welk ongeluk er gebeurt, zal meerdere mensen
raken. Je kan niet één boosdoener treffen, zonder verschillende
anderen te benadelen, die niets te maken hebben met het kwade opzet van
die boosdoener. Hoe kan een ramp bijvoorbeeld dan dienen om te straffen?
Is een ramp dan altijd het gevolg van kwaad? Als een aardbeving duizenden
mensen treft, hebben die mensen dan allemaal op dezelfde manier, of in
dezelfde mate verkeerd gehandeld? Vroeger keek men daar niet zo nauw op:
een hele beschaving kon gerust verdoemd zijn. Schuld kon je zelfs gewoon
erven! Nu vinden we dat fundamenteel onrechtvaardig.
Ook vroeger was die Voorzienigheid een bestreden onderwerp. Reeds in de
oudheid werd veel strijd gestreden tussen diegenen die in de voorzienigheid
geloofden, en anderen die vonden dat God een Schepper was die zich voorts
afzijdig hield van zijn schepping.
God als Schepper. De bewering dat alles wat leeft de creatie zou zijn
van een god, heeft de wetenschap weerlegd: het heelal ontstond uit zichzelf,
evenals het leven. Alles is één groot chemisch proces. Nog
opperen sommigen het idee dat er een schepper moet zijn van materie of
energie, een oud idee dat gegroeid is uit de gedachte dat er ergens een
beginner moet zijn, diegene die ervoor zorgde dat alles kon starten. Waarbij
dan direct de logische vraag ontstaat: wie schiep dan de Schepper? Hoe
je het ook bekijkt, ergens was er een begin dat er uit zichzelf was, iets
dat we niet kunnen begrijpen. Waarom zou dit begin dan een god zijn, en
geen energie of materie?
God als de
Almachtige.
God is de
macht van het volk, de macht van orde, wetten, regels, structuren. Met
de almacht van God drukt men uit dat men macht verlangt over al Zijn gelovigen.
Indien God almachtig is, moet hij ons kunnen besturen, zo komen we weer
terecht bij de Voorzienigheid. Soms wordt de vrije wil van de mens als
excuus voor Gods apathie ingeroepen: de mens moet uit vrije wil voor het
goede kunnen kiezen. Als we zien welke wreedheid er zich op deze wereld
afspeelt, welke onrechtvaardigheid, dan kan God best onze vrije wil afschaffen.
Na zoveel duizenden jaren worden mensen nu veel ingenieuzer gefolterd
als vroeger, dat is geen vooruitgang! Gezien vanuit een dictatoriale godheid
is het totaal onverantwoord dergelijke onbeschrijfelijke wreedheden te
laten gebeuren uit naam van een vrije wil. Overigens is ook onze vrije
wil sterk te relativeren: onze wil is grotendeels collectief bepaald (door
onze cultuur, opvoeding, conditionering
), en bovendien hebben wij
ons te houden aan de regels van de bestaande machtsstructuur waarin we
leven.
Of het idee van God als Leraar: dat we eerst een soort leerschool moeten
doorlopen om ons te ontwikkelen, of om de hemel te bereiken, of een samadhi
of nibbhana! Hier blijft het onverantwoordelijke van de ellende op de
wereld niet mee te verzoenen: als miljoenen mensen van honger sterven,
welke les kunnen zij daarmee leren? Waarom zou God een mens zo creëren
dat hij eerst duizenden jaren school moet lopen, en vreselijk afzien,
voor hij "zijn les heeft geleerd"?
Een God om
mee te praten.
Dit is eigenlijk
het vraagstuk van de persoonlijke of de abstracte God. Velen hebben er
moeite mee dat God ook een soort mens zou zijn, het menswezen is immers
maar één diersoort, en een klein deel van de schepping op
deze ene planeet. Dus is het dwaas om tegen die God te praten alsof het
een mens zou zijn.
Persoonlijk zie ik niet in waarom God niet gepersonifieerd zou mogen worden.
Al van kindsaf praten we tegen onze knuffeldieren, zoals de vroegere mens
tegen zijn goden-beelden. Waarom niet? Omdat we weten dat het niet "echt"
is? In de psychotherapieën gaan we dan wél tegen een kussen
praten, waarom dan niet tegen een knuffeldier, de kanarie, een foto van
een dierbare overledene of tegen God? Hier is god geen absoluut persoon
uiteraard, maar een projectie van iets wat in onszelf leeft. (Maar ik
herhaal het: ik heb er niets op tegen, het lijkt me kerngezond.) God kan
geen mens zijn, anders zou hij even zondig zijn, even onbetrouwbaar als
wij. Ons gesprek met God is dan een dialoog met een onbekend deel van
onszelf. Dat kan van diverse aard zijn: een verdrongen deel, een ontkende
kant van onszelf, of een diepere inhoud van onszelf.
God als het
oneindige goede, schone.
Als God abstract
is, dan is hij een idee, want abstracties zijn ideeën. Dan is God
slechts een idee van de mens. Ook het oneindige is een dergelijk idee.
In de wiskunde leren we dat het oneindige ergens moet bestaan, maar de
hele wiskunde is een idee. In het werkelijke leven is er geen oneindigheid,
alles is beperkt en veranderlijk. Niets is absoluut, alles is relatief,
daarom bestaat "hét goede" eigenlijk niet, of "dé
schoonheid". Toch kunnen we intens genieten van iemand of iets dat
goed is, of iets dat schoon is. Maar met "God is goed" wordt
niet een persoonlijk gevoel van goedheid bedoeld, maar God als de belichaming
van dat wat de samenleving schoon of goed vindt. God vertegenwoordigt
voor veel mensen het ideale zelf: het perfecte, oneindige, goede, schone,
almachtige. Allemaal dingen die niet tot de bestaande wereld behoren,
maar wel tot de wereld van het idee. In werkelijkheid kon er geen schoonheid
bestaan, als er geen lelijkheid was, of geen liefde als er geen haat was
of onverschilligheid.
God als liefde. Of God als de mógelijkheid tot voelen, tot gelukkig
zijn, of het geluk zelf.
Maar wat is voelen, wat is geluk, wat is liefde? Is mijn affectie tot
iemand geen aan-trekkingskracht, zoals er zoveel andere zijn in het heelal?
Zoals materie door materie aan-getrokken wordt?
Ook seks is een dergelijke aantrekkingskracht tussen mensen. Toch gaan
we God niet snel als seks zien, want we weten dat je seks heerlijk kan
beleven, maar dat je er ook mee een hel kan maken. Ook in een gewoon gevoel
van genegenheid kan iemand zwaar gekwetst worden. En waarom zou dan affectie
wél God kunnen zijn en seks niet? Ook de term "universele
liefde" bevredigt niet, het blijft abstract, een idee.
Op zoek naar
een diepere betekenis.
Toch blijven
sommige enkelingen zoeken naar een diepere betekenis van het woord God.
Is God energie, of is God ons bewustzijn, of is hij het binnenste van
een quark?
God staat vaak voor iets absoluut. Er blijkt echter niets absoluut in
deze wereld te bestaan. Absolute dingen zijn altijd het product van ons
denken. Deze God is dan ook een creatie van ons denken. Energie, bewustzijn
en quarks zijn echter wel concrete, bestaande dingen. Maar ze hebben niets
absoluut, en ook niets heilig.
Energie bijvoorbeeld is een belangrijke substantie in het heelal, maar
niet de enige. Het heelal is vol energiebronnen, maar ook vol materie,
en er zijn de energie opslorpende zwarte gaten. En alles tezamen bepaalt
ons heelal. Indien er enkel energie ware, dan bestonden wij niet. En waarom
zou energie belangrijker zijn dan de rest?
Zonder duisternis, ware er geen licht. Als levende wezens verlangen wij
naar licht, want het is voedsel voor ons. Kosmologisch is het duister
echter even belangrijk. Als wij het licht aanbidden, aanbidden we voedsel
als God. Misschien houdt onze poes meer van het duister, dan van het licht.
En wat zou een mol ervan denken?
We kunnen ons monotheïsme niet doortrekken naar de natuurkunde. Er
is niet enkel één fundamenteel iets als basis voor al het
bestaande. Wat bestaat blijkt steeds een spanning te zijn tussen polen.
Het bestaan van een ster bijvoorbeeld is een strijd (of dans) tussen de
tegenovergestelde polen zwaartekracht en energie. Ook het ontstaan van
het heelal uit de oerknal zou een dergelijk proces zijn. In die zin staat
een dualistische godsdienst, met zijn eeuwige strijd tussen goed en kwaad,
als Ahrimon en Ahura Mazda in het oude Perzië, dichter bij de realiteit.
Ook bewustzijn zien als God is dubieus. Bewustzijn is iets heerlijk, het
bepaalt de mate waarin je leeft: hoe groter je bewustzijn, hoe intenser
je leeft. De drang om steeds alert te zijn, om geconcentreerd met dingen
bezig te zijn, of het verhogen van onze gevoeligheid, dienen om steeds
meer van het leven te kunnen drinken. Iemand die ongelukkig is echter,
probeert niet intenser te leven, hij zoekt eerder verdoving, vergetelheid.
Maar ook een mens die de dingen intens wil beleven, moet soms van zijn
bewustzijn kunnen neerdalen, of ervaart de nood om iets niét te
hoeven zien. Of om weg te zakken, bijvoorbeeld in een slaap, in dagdromerij,
of om zich te laten gaan op zijn instinct bijvoorbeeld. De liggen-de begeleide
ontspanning is hierop gebaseerd: laat je wegzakken, weg van je dagdagelijks
bewustzijn, maar houd een minimale aandacht bij je lichaam.
Bewustzijn is ook niet zo eenduidig. Waar we bewust van zijn is gedeeltelijk
collectief bepaald: door onze opvoeding, door waar anderen onze aandacht
naartoe sturen, door de televisie, door zovele oorzaken. Individueel is
echter ons lichaamsbewustzijn. Ons bewustzijn is voor een groot deel een
collectief goed van de samenleving, waar we soms vanaf moeten kunnen stappen
om bij ons lichaamsbewustzijn te komen.
Om ons bewustzijn te verruimen dienen we vaak eerst naar het onbewuste
af te zakken, de zogenaamde afdaling naar de onderwereld in oude mythologieën.
Zo kan een moeilijke crisisperiode juist een bron zijn van een verhoogd
bewustzijn, wanneer we er tenminste in slagen rijker uit de crisis te
geraken. We zijn dan als herboren, een nieuwe mens. Jung heette dit numinositeit.
Zonder bewustzijn is er zelfs geen bestaan. Als je bijvoorbeeld verdoofd
wordt voor een operatie, gaan je ogen dicht. Schijnbaar onmiddellijk gaan
ze terug open: en uren blijken voorbij! Toch moeten we van bewustzijn
geen God maken. Bewustzijn kan iemand tot een hel zijn, en voorts is bewustzijn
niet verbonden met goedheid, schoonheid, of een schepper. Termen als hoger
bewustzijn, of kosmisch bewustzijn zijn dan weer abstracties, ideeën,
bedenksels. Uit niets blijkt dat er soorten bewustzijn bestaan. Wel verschillende
intensiteit van bewustzijn, en verschillen van wat je bewust bent, maar
geen soorten.
Is God de essentie van alle materie? De natuurkunde ontdekt misschien
ooit dat ook de quark nog niet het kleinste deeltje is, of zal een duidelijker
zicht krijgen op het verband tussen energie, materie en elektromagnetische
velden. Als alle materie niet anders is dan een bepaalde golflengte in
het elektromagnetisch veld, maakt dat deze velden tot onze God? Zeker
niet tot een God die met ons begaan is, of die goed is, rechtvaardig,
schoon of almachtig. Het heelal is qua menselijk gevoel een zeer koud
iets.
3.
En verder?
Het opruimen
van illusies en het terugkeren tot de realiteit lijkt misschien een tabula
rasa, in feite is het een opbouwend iets, omdat het ons terug bij de werkelijkheid
brengt. Toch stelt zich ons de vraag: is er dan enkel die hoeveelheid
atomen in het heelal, en ons leven niets dan een strijd om macht?
Hier blijven we op een heel persoonlijk terrein. Een terrein van ervaringen,
en de interpretatie van deze ervaringen. Wij interpreteren elke ervaring.
Zo kunnen we niet beweren, in een dergelijke gesprekstof, dat we ons beperken
tot feiten. Iedereen ziet andere feiten, en interpreteert deze feiten
ook anders. En een bepaalde interpretatie als de waarheid bestempelen
is een nieuwe godsdienst creëren, een nieuwe "enige ware".
Er is niets bovennatuurlijks in dit heelal. Hoe langer we het heelal en
het leven bestuderen, of hoe meer we ervan begrijpen, hoe meer we zien
dat ook het allerwonderlijkste volkomen natuurlijk is. Maar we mogen niet
vergeten dat er nog zeer veel over het leven te ontdekken valt, dat er
nog heel veel mysterie is. De wereld is ongelofelijk rijk, en het rijkste
daarvan is ons eigen innerlijk. En tevens is dit terrein voor de wetenschap
nog het meest onbekende. Onze gevoelswereld, ervaringswereld, bewustzijn,
zijn nog grotendeels raadsels. Binnen in ons hebben we zelfs bronnen en
mogelijkheden, die niet beperkt zijn tot onze eigen persoon.
We kunnen niet alle ervaringen wetenschappelijk uitleggen. Zo voelen velen
een verbondenheid met elkaar, verbondenheid met alles wat leeft, of een
energie die in alles en iedereen aanwezig is. Dat waar je op uitkomt als
je steeds dieper in jezelf afdaalt. Iets dat je niet kan bedenken, dat
voorbij het denken is. We zijn geneigd erover te willen denken, het te
willen bevatten en daarom noemen we het God, of geven we een andere naam.
Zelfs al heeft deze God nog weinig te maken met God uit een godsdienst,
toch is elke naamgeving zinloos, elke naam is een denkbeeld en dus niet
de realiteit. Zo waren er lang geleden al dergelijke speculaties, en bedacht
men andere namen, zoals bijvoorbeeld het "tao", of sommigen
spraken gewoon van "dat", het onnoembare. Weer anderen willen
van die namen af en zeggen: het is niets. Maar als je spreekt van "het
niets", dan heb je weer een naam gegeven en ben je dus weer met een
idee bezig. Waar er "niets" is, is ook "alles", is
dus weer dualiteit.
Wie iets van die verbondenheid met alles wat leeft ervaart, heeft geen
behoefte meer aan opgelegde regels voor goedheid. Je handelt vanuit die
verbondenheid en dat is goed. We hebben geen behoefte aan een godsdienst
die ons een moraal oplegt, maar zoeken naar een eigen moraal, naar de
waarden van het leven. Toch denk ik dat voor de meeste mensen goedheid
tegenwoordig iets pragmatisch is: het leven is aangenamer als iedereen
die regels volgt. Als niemand steelt bijvoorbeeld, hoeven we ook niet
zo wanhopig onze bezittingen te beschermen of te verstoppen. En als die
verbondenheid slechts een idee is, en geen ervaren realiteit, zullen we
voor onszelf ook snel een excuus gevonden hebben voor het benadelen van
een ander, een verrechtvaardiging van onze daden, een sussen van ons geweten.
Dat is niet die moraliteit die opkomt uit een eenheidsgevoel en een meevoelen
met de ander.
Die allesdoordringende band is voelbaar als we echt onszelf zijn. Je kan
het niet oproepen door te gaan zitten en erover te denken, of het ronkende
titels te geven zoals "universeel bewustzijn". Dan is het weer
een idee, een autosuggestie. Het geeft ons een prettig gevoel om ons dergelijke
titels toe te kennen, een gevoel van macht, het maakt onze ego tot iets
groots, iets uitgestrekt. Maar het is een spookbeeld, een illusie, die
ons een al te mooi beeld van onszelf geeft.
Het gevoel van diepe verbondenheid komt uit zichzelf, het laat ons onszelf
zien als een zeer klein (maar daarom niet onbelangrijk) elementje in een
zeer groot geheel. Het laat ons genieten van de enorme verscheidenheid
in het leven of tussen mensen, en van de schoonheid van het veranderlijke.
We komen
nog eens terug op de liefde.
We hoeven in geen God te geloven om van de liefde te genieten. Ook als
we alleen zijn, en in stilte zitten, kunnen wij liefde voelen. Het hoeft
zelfs niet op een persoon gericht te zijn, het is heerlijk om onze capaciteit
om lief te hebben te voelen. In feite projecteren we deze liefde vaak
in een ander, of zelfs in een hond of poes, of in een teddybeer. Of liever
in een abstractie, God, de kosmos, de universele liefde. Maar denken aan
het woord "liefde" brengt nog geen liefde, het kan zelfs oorzaak
zijn dat we een totaal verkeerd beeld van onszelf krijgen, en onszelf
als een heilige zien, terwijl we zuur smaken voor de ander.
We kunnen ervan genieten onze eigen liefde te voelen, zonder onderwerp,
zonder richting. We bedoelen ook niet eigenliefde, al is het ook nodig
jezelf graag te zien. We bedoelen: de liefde zelf ervaren. Liefde is een
gevoel dat je altijd kan koesteren, ook als het niet op iemand gericht
is. Maar een geliefde hebben, is nog steeds de allermooiste bron van liefde.
Het geeft ons veel, maar het eist van ons ook veel. Het is een test om
te zien als we echt tot beminnen in staat zijn. Hier wordt liefhebben
heel reëel, geen wensdroom of eigenwaan. Als we bewust zijn van de
liefde die in ons leeft, kunnen we dan veel beter onze liefde geven, zonder
terug te eisen.
In plaats van voorzienigheid stellen wij zelfvertrouwen. Geen god die
voor ons de zaakjes in ons voordeel regelt, als we maar lang genoeg bidden,
of gelovig genoeg zijn. Wel het vertrouwen dat we in onszelf grote capaciteiten
hebben, mogelijkheden, talenten, die ons door alle moeilijkheden heen
kunnen brengen. Die ervoor zorgen dat we het leven aankunnen en genietbaar
kunnen maken. Dat we een innerlijke gids hebben, die ons helpt onszelf
te blijven, ons te verwerkelijken. Misschien is zelfvertrouwen nog niet
alles, en gaat het ook om een levensvertrouwen, omdat we hier een verbinding
hebben met een bron in onszelf die we niet kunnen omvatten, die niet beperkt
is tot onze persoon.
Zijn we dan niet terug bij een godsbegrip? Een god binnenin ons? Het verschil
ligt misschien in het absolute: we hebben geen volmaaktheid, geen zekerheid.
Telkens dienen we die bron in onszelf aan te boren, terug op te zoeken,
het vertrouwen te herstellen. We proberen, we slagen en we mislukken.
We winnen, en we verliezen. Onze mogelijkheden zijn enorm, maar toch beperkt.
En we zijn niet enkel beperkt door onze omgeving, maar ook door wat we
in aanleg hebben meegekregen. Iedereen is daar verschillend in. Hier is
zeker geen fundamentele rechtvaardigheid: in erfelijkheid zijn we erg
ongelijk toebedeeld, en we moeten het redden met wat we zijn en wat we
kunnen. Toch kunnen we allemaal ons leven verruimen en onze mogelijkheden
vergroten door dit diepe vertrouwen.
Hetzelfde geldt ook voor liefde, schoonheid of bewustzijn. We kunnen er
zo intens van genieten, er zoveel aan hebben, ons leven er rijker mee
maken. Toch is er niets absoluut aan en liefde gaat samen met haat of
onverschilligheid, schoonheid met lelijkheid, bewustzijn met afstomping.
We kiezen er niet altijd voor helder bewust te zijn, het is een op en
neer gaan van helderheid, intens willen beleven, of je laten gaan, simpele
verstrooiing zoeken, je laten afstompen.
Elke (levens)kunstenaar kent de bron in zichzelf van waaruit zijn scheppingen
ontstaan. Het is een bron die het individu overstijgt. Scheppen is meer
een kwestie van niét-doen, ballast van je kunnen afzetten, waardoor
alles vanzelf naar boven komt. Veeleer een kwestie van ontworden, dan
iets bereikt te hebben. Natuurlijk is de persoon ook belangrijk: je moet
aan je uiting vormgeven, en dat is niet zo gemakkelijk. Allen hebben we
die scheppingskracht in onszelf. We hoeven er geen kunstenaar voor te
zijn. Heb je het bijvoorbeeld moeilijk met iemand, en je zoekt naar een
nieuwe benaderingswijze naar die persoon toe, dan creëer je iets
nieuws, dan schep je.
Het leven is niet minder wonderlijk omdat we er nu meer van afweten: wel
integendeel. Hoe meer we weten, hoe meer we zien dat we ook niet weten.
En laat geen God of mens je zeggen: ik weet alles.
Copyright
Johan Framhout |