Evolutie
en devolutie
Niet de evolutie,
maar verandering is de basis van het bestaan.
Veel biologen gebruiken de term evolutie in de betekenis van verandering.
Religieuze en maatschappelijke overwegingen hebben een totaal andere betekenis
aan dit woord gegeven: de betekenis van een verandering in opgaande lijn,
een steeds mooier en perfecter worden van de schepping, met de mens als
bekroning. Deze mens, zegt men, zet deze vooruitgang verder voort in zijn
eigen individuele en maatschappelijke evolutie. Maar is dat wel zo? Is
alle verandering totnogtoe ook verbetering?
Verandering in het mensdom is eerder het samenspel van evolutie en devolutie,
die steeds beiden naast elkaar bestaan. Ontwikkeling en aftakeling volgen
elkaar op in een wilde dans, of tonen zich zelfs tezelfdertijd aanwezig.
Ook een mensenleven
is een golf van nooit ophoudende verandering. Dat wij zo naar permanentie
streven verandert daar weinig aan. Bekijken we even het verloop van een
beginnend mensenleven.
Mensontwikkeling.
In principe
komt elke mens op de wereld, met alles wat hij nodig heeft. Er zijn uiteraard
afwijkingen mogelijk, maar het gewone streven van de natuur is dat elke
mens of zoogdier op het moment dat hij geboren wordt, alles heeft wat
bij hem hoort, op de juiste plaats. Tijdens ons leven kunnen we enkel
verliezen, er komt niets nieuws meer bij; ook de gehandicapte zal zijn
toestand niet kunnen verbeteren.
De pasgeboren mens is een perfecte genieter, en huilt en schreeuwt als
het hem (haar) niet zint. Hij (zij) kijkt vol verwondering de wereld in
en neemt gretig de dingen op met alle zintuigen. Onze capaciteit om te
leren is in de eerste drie jaar van ons leven op zijn hoogtepunt. Als
iemand in die tijd bijvoorbeeld niet leert praten, lukt het later helemaal
niet meer. Wat een zuigeling allemaal bijleert is enorm, bij het ouder
worden neemt de capaciteit om te leren af.
Onbeschaamd komt de baby op voor zijn noden, zonder remmingen, frustraties,
of blokkades. Maar stilletjes aan komen die verstoorders toch op. De eerste
frustraties beginnen eigenlijk reeds in de baarmoeder. Bij de ene mens
komen ze sneller dan bij de andere, al naar gelang de gunstige of ongunstige
omstandigheden. Ook de eigen capaciteiten spelen uiteraard ook een rol.
Niemand ontkomt er aan: de frustraties blijven zich in het verdere leven
stuk voor stuk opslaan, en veroorzaken aftakeling. Als de druk van deze
barrières te hoog wordt, leren we hoe eraan te werken: ons hele
leven spannen we ons dan in om blokkades kwijt te geraken, of toch te
verminderen.
Hier toont zich het belang van de expressie. De creativiteit laat ons
toe frustraties te sublimeren. Toch kunnen we vaak niet verhinderen dat
dergelijke psychische kankers of kankertjes, zich nestelen in die ongebreidelde,
onverzadigbare explorerende geest. Ze vormen een soort contra-evolutie,
een devolutie, haaks op onze groei en toenemende capaciteiten anderzijds.
Ook fysisch is er een vorm van aftakeling die zich inzet bij het verouderen.
Een zwakte kan overwonnen worden, een ziekte bestreden. Toch, eens voorbij
de twintig begint reeds een bergaf, groeiend in een eenparig versnelde
beweging, onstuitbaar en onomkeerbaar.
Het fysieke aspect is niet te scheiden van het psychische, want onze psyche
wordt mede bepaald door onze hersenen, dat ook een fysiek orgaan is. De
pienterheid, de intelligentie, de alertheid, het waarnemingsvermogen,
de leergierigheid, de scherpte, de energie van een kind, overstijgt die
van de latere puber. De puber dient zich immers in te zetten om steeds
meer functioneel te worden. Ook de seksuele groei plaatst een rem op andere
capaciteiten. We schaden ook onszelf: reeds in de eerste levensjaren leren
we ons te verbergen of te onderdrukken, en werken op die manier reeds
mee aan onze aftakeling. De zuigeling en de peuter zijn zwak en dienen
nu eenmaal te verdringen om te overleven in de samenleving waarin ze terecht
gekomen zijn.
Deze aftakeling gebeurt gelijktijdig met de zich nog steeds verder zettende
ontwikkeling. Uit de sportwereld weten we dat de fysieke prestaties beginnen
af te nemen in het begin van onze twintiger jaren.
Evolutie.
Terwijl er
dus reeds vroeg een vorm van aftakeling begint, heeft er gelijktijdig
toch nog verdere vooruitgang plaats. Onze capaciteit om in onze samenleving
te handelen blijft zich verder ontwikkelen.
Ook bijvoorbeeld ons scheppingsvermogen. Of het vermogen om te relativeren.
Relativeren doet aanvaarden, maar we mogen de dingen ook niet wég
relativeren. We leren tegelijk beter op te komen voor onszelf, voor onze
waarden of inzichten. We leren water bij de wijn te doen, doch ook wijn
bij het water. We kunnen steeds intenser genieten, verfijnen onze motoriek.
We weten steeds beter wat we willen, leven voor wat we belangrijk vinden.
Er is een vorm van evolutie in de mens die zich verder kan blijven ontwikkelen
tot vaak heel hoge leeftijd.
Maatschappelijk.
Dergelijk samengaan van ontwikkeling en aftakeling merken we ook op wereldvlak.
Heel snel werd onze aandacht gevestigd op het primitieve van de eerste
levensvormen. Zelfs de reeds ver ontwikkelde reuzenhagedissen hebben niet
de ontwikkeling van onze huidige zoogdieren en vogels, de schoonheid,
de efficiëntie, het aanpassingsvermogen, de beweeglijkheid, het ingenieuze.
Toch dienen wij ook hier te relativeren. Ten eerste bestaan er nu nog
van die eerste levensvormen: duizendpoten, hagedissen, krokodillen
Ze functioneren prima. Het zijn de wisselende omstandigheden die ervoor
zorgen dat vele soorten verdwijnen, en nieuwe soorten hun intrede doen.
Waar men vroeger de mond vol had over evolutie, blijkt nu dat de schepping
op aarde al lang over haar hoogtepunt heen is: in het mioceen bestonden
er bijvoorbeeld veel meer vogelsoorten dan heden; ongeveer vanaf halverwege
het plioceen begon een onafgebroken daling. Reeds vóór de
komst van de mens takelde het aantal levensvormen snel af, de mens versnelt
enkel die aftakeling. Het ligt dus helemaal niet in de lijn van de evolutie-devolutie
van onze biosfeer om de mens te zien als een bekroning in de evolutie.
Het ware realistischer de mens te zien als een afbraakduivel, die er gekomen
is om het opruimwerk te voltooien dat al begonnen was! Ofwel is de mens
een zoveelste genetische afwijking die ons als diersoort overigens een
enorm succes bezorgde, gezien ons grote aantal. Door een hersenafwijking
kregen wij de mogelijkheid aan cultuur te doen: namelijk om dingen bij
te houden, door te geven en zo door de geschiedenis heen verder te ontwikkelen.
Door het toeval is er toch een vorm van evolutie mogelijk geworden: in
honderdduizenden jaren is onze cultuur zo uitgegroeid tot de technologische
samenleving die wij nu kennen.
Deze vorm van technische evolutie betekent echter geen evolutie op alle
vlakken: we zijn nog steeds tot dezelfde wreedheden in staat, begaan steeds
dezelfde blunders, en blijven vaak even kortzichtig; Toch brengt de technologie
ook ontwikkelingen op andere gebieden, bijvoorbeeld in de communicatie,
door de transportmiddelen en de media. Hun effect op onze door elkaar
groeiende culturen, is even groot als destijds de reuzenmeteoor bij de
prehistorische dieren. Een andere evolutie is bijvoorbeeld het ontstaan
en de groei van psychologie, psychopathologie, filosofie..
Religie.
De visie
van de mens op de schepping is niet los te zien van het religieuze. Ooit
werd de schepping aanzien als de uitvoering van een goddelijk plan. Ook
toen het ontstaan en de groei van zowel het heelal als het leven op aarde
duidelijker werd, probeerde men toch die visie van een Plan te behouden.
Zelfs al is alles zo gegroeid, het was op voorhand door God gepland dat
het op die manier moest groeien! Gezien de evolutie van het leven een
puur samenspel is van toeval (mutaties) en natuurlijke selectie houdt
ook deze visie geen steek. God werd na deze constatatie nog maar eens
aangepast: Hij is nu de creator van een potentieel, dat verder ontwikkelt
door toeval en onze "vrije keuze". Onze huidige situatie is
als een stadium in een Plan, die echter nog ruimte laat voor de manier
of de snelheid waarin het evolueert.
De belofte van een hemel na de dood werd naar de toekomst geprojecteerd:
het einde van de evolutie van de evolutie zou een door de mens opgebouwde
hemel zijn, waarin alle wezens het "volmaakte geluk" zouden
vinden. Haaks daar tegenover staat het geloof van de "decadence"
der doemdenkers: dat je aan heel wat dingen kan zien dat onze samenleving
aftakelt, en het onvermijdelijke roemloze einde in zicht komt. Nietschze
opperde droogweg dat het geluk nooit volmaakt kàn zijn, want het
onvolmaakte is inherent aan het geluk: lust en onlust kunnen zonder elkaar
gewoon niet bestaan. Daarmee is de mogelijkheid van een toekomstig menselijk
paradijs uitgesloten.
Het is voor de mens blijkbaar heel moeilijk om aan te nemen dat er ook
in de schepping en in de samenleving zowel evolutie als devolutie gelijktijdig
aanwezig is, kortom de schepping én de mens veranderen. Dit brengt
wel een grote onzekerheid: ook het idee van de ondergang van het mensdom
gaf uiteindelijk nog een zekerheid! Met de visie van de verandering kan
het nog alle kanten uit: het kan nog zéér lang op en af
gaan, het kan echter ook geleidelijk naar een gelukkiger samenleving leiden,
of de mens kan aan zijn eigen geknoei of aan een kosmische ramp ten onder
gaan. Een terugkeer naar een primitieve staat, of zelfs uitsterven. In
tegenstelling tot een hemelse toekomst wijst deze visie ons op onze eigen
verantwoorde-lijkheid.
Noodzaak
van aftakeling
De vooruitgang
van onze weten-schappelijke kennis blijkt een pletwals te zijn die steeds
meer heilige huisjes verbrijzelt. Ze duwt onze neus in realiteit die we
liever niet onder ogen zien. Ze vernietigt de gelukzalig-heid van onze
"wishfull thinking", onze dagdromerijen, het "idee"
dat Plato zo ophemelde als ons hoogste goed. De bron van het leven is
niet het resultaat van een superintelligentie. De bron van alle creativiteit
in onze schepping, en dus eigenlijk de bron van het leven, is de ziekte,
de afwijking, het ongeluk, de imperfectie, de mislukking. Iedere cel wil
zichzelf telkens perfect kopiëren. Dit lukt echter niet: na een aantal
reproducties beginnen de reproducties te ontaarden en afwijkingen te vertonen
van diverse aard. Dit werkt als een soort "random"knop van de
natuur. Wat voor de cellen geldt, geldt evenzo voor onze DNA. Uiteindelijk
blijven van alle afwijkingen alleen diegene in leven die toevallig, juist
door hun afwijking, een nieuwe bestaansmarkt hebben ingenomen: een nieuwe
manier van voedsel vinden of toedienen, van aanvallen of verdedigen, van
voortplanten, die de "nieuwe" levensvorm succes bezorgt
Er is dus geen kosmische Intelligentie die een nieuwe soort creëert,
en ook geen die ons naar een bepaalde evolutie leidt.
De ontaarding van het leven zorgt ervoor dat het leven zich telkens vernieuwt.
Als de schepping het resultaat ware van een plan, dan was zij reeds lang
geleden aan zichzelf gestorven. De verschillende wezens zouden perfect
in elkaar passen, doch bij de eerste radicale verandering van omstandigheden:
een ijstijd, een grote komeet die neerstort, de verschuiving der continenten,..
zouden velen ten onder gaan. Het toeval bepaalt dan welke wezens zich
kunnen aanpassen, of welke afwijkingen goed blijken te functioneren in
de nieuwe omstandigheden. Zonder de mogelijkheid tot afwijkingen zou het
bestand der soorten telkens inkrimpen bij iedere ingrijpende verandering
van omstandigheden, tot alles verdwenen is. De aftakeling in het-zichzelf-kopiëren
is de garantie tot het voortbestaan van het leven.
Toch bestaat er een kans dat er een ramp gebeurt, met een zo grote omvang,
dat alle leven op aarde stopt. Tezelfdertijd zal er op diverse plaatsen
van ons onmetelijk heelal wel ergens nieuw leven ontstaan! De mens als
diersoort, met zijn cultuur-opbouwend-intellect, is geen bekroning van
een evolutie, maar een hersenafwijking, die onze soort haar plaats heeft
bezorgd in de "strijd" om het bestaan. De mens is ook geen vergissing
van de natuur, toch niet méér dan een andere diersoort ook
ooit een vergissing was. Het is volgens de "wetten" van het
toeval heel normaal, dat er vroeg of laat een diersoort komt die de andere
zo overheerst, zoals wij de andere dieren overheersen. Misschien zal deze
dominante soort door zichzelf sneuvelen, misschien ook niet. Een nieuwe
afwijkende soort kan in de verre toekomst ook ons gaan domineren.
De schepping is niet perfect. De imperfectie is de motor en de creativiteit
van het heelal. Is ook onze creativiteit niet ons eigen zoeken naar afwijkingen
van het gewone of het gangbare? Is dat niet wat wij originaliteit noemen?
Het experimenteren?
Waarom een
evolutietheorie?
De evolutietheorie
is niet voor niets uitgevonden; zij had haar doel. We dienden te geloven
dat we samen op weg zijn naar een heerlijke eindbestemming. Daarvoor dienden
wij ons in te zetten en het werk te verrichten dat men van ons verwachtte.
Samen bouwden we aan een ideale maatschappij. Alsof het niemand ging om
winstbejag, prestige of ander persoonlijk voordeel! Zij die uit de boot
vielen, zij die er niet in slaagden om mee te draaien in het door machtshebbers
bedachte Plan, waren de mislukten, de afwijkende of marginale mensen.
Nu blijkt juist in deze afwijkende personen de toekomst te liggen van
de mensheid: het afwijkend gedrag verrijkt de cultuur, zoals eenvormigheid
geleidelijk doet afsterven. Hier loopt de maatschappelijke ontwikkeling
geheel parallel met de ontwikkelingen in de natuur!
Afwijking van het gewone, van het verwachte, brengt leven, en niet de
perfectie van het bedachte, het planmatige, het geordende. Natuurlijk
dient er in een samenleving, en in je eigen leven heel wat gepland en
geordend te worden. Maar als alles in onze plannen bevat zou zijn, zou
het onze ondergang worden. Het geplande heeft ook het onverwachte nodig,
de onzekerheid van het resultaat of van het verloop der dingen, is een
noodzaak voor het bestaan.
JohanFramhout
|