|
home
links
gevoelige
snaar
een
site met
een overzicht
van diverse
schilderijen,
met een paar
gedichten
en verhalen
van de
ontwerper
van deze site
wie
ben ik?
deze
site
brengt u naar:
wie ban ik?
zoektocht
in jezelf:
de rollen die ik speel
ben ik mijn gevoelens?
hoe zie ik mezelf?
zijn wij echt uniek?
heb ik een eigen visie? |
Dromenboek
Woordverklaring:
heldere
dromen: dromen die je meer bewust ervaart dan andere. In een heldere
droom kan je bijvoorbeeld bewust zijn van het feit dat je droomt.
helderheidsdroom:
een moment in een droom van enkele seconden, waarin het bewustzijn intenser
is dan het dagdagelijkse. Deze term nam ik over van Frederik van Eeden. |
| Droom
van 29 op 30 januari 1982:
Ik maakte
grote tochten. Soms per auto, dan weer per fiets door bossen. Als ik met
de fiets een heel eind door de bossen was gereden, op verschillende plaatsen
telkens weer inuïtief opnieuw de richting bepalend waarin ik verder
wou, kwam ik bij een prachtig dorp, midden in het bos. In het midden stond
een grote, witte toren. Als ik bij die toren stond, merkte ik dat er rondomrond
grote bloembakken stonden, soms meerdere op elkaar. Daaruit groeiden waaierpalmen
die de wand van de witte toren bedekten. Door de palmen kon ik de bovenste
helft van de toren zelfs niet zien. Rond de toren was een ruim plein,
en daar stond een kring van kleine, nieuwe, gezellige huisjes. Ik wenste
vurig dat ik daar kon wonen. |
| Droom
van 31 oktober op 1 november 93 (Luxemburg)
Er was een
interessante bijeenkomst, geörganiseerd door J.C., het ging over
dieren. Omwille van het onderwerp wou ik ernaartoe. Ik had een eigen klapstoeltje
mee, met een tijgerkop, waarvan de bovenkant van de kop aan de bovenkant
van de zitting was, en de onderkaak onderaan. Ik zette me tussen het volk
en gezien er zitproblemen waren, was ik heel tevreden met mijn zitje.
Iedereen zat anders, J. zelf op een doek of deken op de grond.
Een groep mensen waren gekleed als een soort monniken. De meesten hadden
een lange baard. Ze knielden neer bij een oudere man in dezelfde kleren,
die zijn hand op hun hoofd legde, één na één,
ze schoven aan in een rij. Ik voelde me geërgerd om dat "guru-gedoe"
en ik dacht: dat is nu weer typisch bij J. Ik ging weg, en zag een soort
schijf rond me vliegen, slechts zo'n twintig centimeter in diameter. Plots
was ik in een andere wereld.
Het was een felgekleurde wereld, met allerlei constructies in felle kleuren,
veel rood en donkerblauw. Op diverse verhogingen stonden bloemen, op elke
andere plaats een andere soort. Soms ook iets anders dan bloemen.
De bloemen waren levend en bewogen. Zij voerden telkens opnieuw een bepaalde
beweging uit, elke soort anders. Zo herinner ik me duidelijk een groep
orchidee-achtige bloemen in onder andere lila en wit, die een soort golfbeweging
uitvoerden, in dezelfde richting zoals ze gekeerd stonden, naar rechts.
Ik zei tegen anderen: "Wat is dit voor een wereld, waar de bloemen
dansen en fluiten?" De bloemen maakten ook een soort fluitachtige
geluiden, elke soort zijn eigen geluid.
Op een ander verhoog lag een soort schelp, min of meer de vorm van een
"bedplasser", heel mooi, als keramiek. Een vrouw zei: "Waarvandaan
komt toch die eigenaardige geur?" Ik rook het ook, het was aangenaam.
Ze snuffelde aan de schelp en ontdekte dat de geur daaruit kwam. Daarna
stapte ze verder.
Ik boog door mijn knieën om heel voorzichtig in de opening te kijken.
Er lagen schilfertjes in, zoals graanvlokken. Plots spuwde de schelp zachtjes
een wolk schilfertjes over me heen. Het dwarrelde als confetti. Ik kwam
in een extase.
Ik zag mezelf nu vanop afstand zoals de anderen. Ze zeiden tegen elkaar:
"Hij voelt zich nu zeker gelukzalig." Mijn lichaam bleef een
meter boven de grond hangen, horizontaal, als slapend.
Plots was ik terug bij J.'s gezellen. Ze stonden rond me toen ik bijkwam
op de grond. Ze vroegen met grote ogen om me nauwkeurig te vertellen wat
ik meegemaakt had. Ze schenen het heel belangrijk te vinden. |
| Droom
van (?) november 93
Iemand verloor
haar auto. Men zei haar dat ze zich moest troosten met een auto van de
kermis. Er was een race van oldtimer-renwagens.
Plots ging ik de lucht in, ik was bang. Heel snel omhoog, of laag scherend
over het groen. Het ging zo snel dat ik het niet kon bijhouden. Ik dwong
mezelf aan iets anders te denken om deze droom niet te hebben. Dat lukte
me niet en een stem in mezelf zei: je leert hier wel hoe te vliegen! Ik
kon het van me afzetten, ik steeg terug op en ik dacht: misschien zie
ik prachtige landschappen. Ik kwam in een fantastisch berglandschap en
daalde af in een kloof. We scheerden langs een soort canyon in onbegroeide,
ruwe, bruine steen. Ik was versteld hoe helder, hoe reëel alles was.
Jammergenoeg vervaagde het tot het bewustzijnsniveau van een gewone droom.
We kwamen terecht op een plaats in de rotswand. Een kind zei iets tegen
me. Om het kind te tonen dat ik kon vliegen steeg ik de lucht in, scheerde
over de grond, liet me in de diepte storten, een snelle duik. Er waren
afgronden onder me van wel duizend meter. Ik voelde dat ik niet meer de
kracht had terug omhoog te gaan, ik zou te pletter vallen. Dat had geen
belang, het was toch maar een vliegdroom.
Ik was even binnen in een huis. Door vensters zag ik het landschap voorbijzweven
alsof ik nu in een toestel zat dat vloog. Aan de muur hing een beeld,
een middenschijf met rondomrond gebogen schoepen. Het leek een soort vliegding,
het leek ook op een groentenstomer die je in een kookpot legt. |
| Droom
van 21 op 22 juli 1995
Op een cursus
aardrijkskunde toonde de leraar op film hoe een berg, op grote hoogte,
werd ontgonnen. De mensen graafden met handwerktuigen, en droegen in stoet
de afgegraven grond weg in mandjes. In deze stoet stapten ook ezels en
kamelen mee. Het afgegraven zand was donkergeel. De benen van de mensen
en de dierenpoten staken in grote witblinkende blikken vaten, om niet
in de grond te zakken. De leraar of reisgids vroeg ons (ik was in een
groep) als er iets was dat ons bijzonder opviel. Ik wees op de primitieve
werkomstandigheden. Hij bedoelde iets anders, ik dacht, het moet toch
over dat onderwerp gaan. Ik zei: "Je ziet helemaal geen graafmachines
die het zand afgraven." De leraar zei dat ik ter plaatse maar moest
gaan kijken en wees naar de bergen.
De bergen leken vlakbij, maar toen ik naar de plaats trok die de gids
me wees, leken de bergen steeds verder af. Ik voelde me ontroerd door
het idee dat deze mensen nog op die manier wilden werken.
Waar ik nu stond leek het eerder op een strand. Twee derden rond mij was
niets anders dan een zachtblauwe zee onder een blauwe hemel. Zelfs achter
mij waren nog blauwe plassen. Aan weerskanten naast me waren er grote
hagedisachtige dieren aan 't spelen. Zij hadden brede, platte koppen en
deden me aan de oertijd denken. Ik stond er heel dicht bij en vroeg me
af als dat niet gevaarlijk was. Maar de dieren verlangden slechts te stoeien.
Het stukje slib waarop ik stond stak nauwelijks boven het zeewater uit
en was ook lichtblauw. Ik herinnerde me dat er aan zee gevaar is voor
een snel opkomende vloed bij dergelijke uitgestrekte stranden, en ging
snel terug.
Er was een kleine nederzetting en ik ontmoette iemand die een info-centrum
had, een klein huis met boeken en dergelijke. Er zou wel een boek zijn
over de graafwerken. Ik zocht op kaarten naar een bergtop in de omgeving
die hoog genoeg was om de betreffende berg te kunnen zijn. De enig berg
die in aanmerking kwam was nog héél ver daarvandaan. |
| Droom
van 8 op 9 december 1995
(Vandaag
met L. naar de tentoonstelling geweest "De waanzinnige schoonheid,
kunst van psychiatrische patiënten.)
Buiten werd
een film afgespeeld. Tussen het publiek zaat een Tibetaanse lama, die
de film heel boeiend vond. Soms zei hij "sjt", als er teveel
rumoer was, want in de film werd Nederlands gesproken. Iedereen zat op
de grond. Ik wou erbij komen. Het werd ineens een debat tussen de mensen
ondereen. Iemand riep "Johan", en aangezien ik de enige met
die naam was, werd de vraag tot mij gericht. "Wat vindt u van ...",
gevolgd door een soort geestesziekte, een moeilijk woord dat ik niet kende.
Ik antwoordde: "die vloek ken ik niet". Hij vroeg naar een tweede,
even moeilijk. Ik zei: "Ik zei je toch dat je niet zo vloekt in de
aanwezigheid van zoveel mensen." Ik trok weg. Lichtflitsen gingen
door mijn hersenen. Aan de buitendeur lagen fietsen op de grond, die we
moesten wegzetten om te kunnen vertrekken.
We moesten door Assebroek. Ik wou iemand bezoeken en ik kende de naam
van het plein waar hij woonde, toch raakte ik verloren. Ik ging een stripwinkel
binnen om de weg te vragen. De winkelier tekende een wegplan op een blad,
maar buiten gekomen bleek het onherkenbaar.
Ik doolde rond in een eindeloos landschap (in de trant van de omgeving
van Villers-la-Ville). Ik wanhoopte nooit het adres te vinden. Ik ging
steeds sneller, zweefde over het land. Ik steeg de lucht in en zweefde
rond een huis dat ik heel mooi vond. Het bestond uit ronde kamers tegen
elkaar, met lange, smalle venssters van de grond tot bovenaan. Tegen de
wanden tussen de vensters waren lange takken vertikaal gestapeld, alsof
ze de muren moesten ondersteunen. In zo een schattig huis wou ik wel komen
wonen; Ik daalde af naar een binnenplaatsje. Links was er dan toch een
rechthoekige living met glazen wand. Toch stapte ik een ronde kamer binnen.
Er waren drie mensen aanwezig. Twee ervan waren vrouwen, de derde een
soort levende stoel met een gezicht, in een Egyptische stijl met vele
kleurtjes. De zachte zitting had een Mondriaanachtig patroon. Mooi. Het
hele interieur in frisse pasteltinten. De dames waren heel vriendelijk.
Ze slurpten koffie. De dame rechts vroeg me als ik wou aanzitten en koffie
wou. Ik stemde toe. Er was ook een dessert, want het was de verjaardag
van de stoel. Hij was niet goed geluimd en ik vroeg wat er scheelde. Ze
antwoordden: "zo is hij altijd". Er ging een betoverende sfeer
van hen uit en ik kreeg angst toen ik bedacht dat zij met mij konden doen
wat zij wilden. Ze bleven echter heel vriendelijk.
Terwijl ik het dessert at, verdween alles (het lekkere dessert inbegrepen).
Ik bevond me hoog in de lucht, de mensen en het vee onder me waren als
mieren. Ik daalde neer en kwam net terecht naast een treinhalte. Het plein
dat ik zocht was nu niet meer om iemand te bezoeken, maar omdat de trein
daar vertrok. De dames hadden me op de juiste plaats doen terechtkomen.
Ik moest de sporen over, een politie- of soldaatachtige figuur controleerde
de overstekers. Heel plots had ik een gezwel op mijn rechterhand; De contoleur
trok zijn zwarte handschoen uit en trok die over mijn zieke hand. Het
gezwel loste op in de handschoen. De man was ondertussen al terug in de
weer. Ik stak het spoor over en kreeg een felle "heimwee". Ik
huilde hard en riep dat ik niet op de trein was. Ik was bevangen door
een grenzeloos verlangen terug bij de drie te zijn. Zij leken me het enige
echte geluk op de wereld. Ik keerde terug over de sporen. De "agent"
zei dat ik met zijn handschoen even zijn werk moest overnemen, hij moest
even weg. Ik diende wel te wachten tot hij terug was, en de zwarte handschoen
terug te geven. Ik stemde toe, maar deed het niet. Ik trok verder met
zijn handschoen, die nu geen enkel belang meer had.
Ik kon het huis niet terugvinden. Ik probeerde bij hen te komen door in
mezelf te kijken. Ik kwam terecht in een interieur met twee dames, zonder
de levende stoel. Ik was weer welkom en mocht koffie drinken. Toch voelde
ik aan dat het niet dezelfde plaats en dezlfde dames waren. Het interieur
was ook niet zo mooi, eerder klassiek-burgerlijk. Deze twee dames waren
veel ouder, ze waren wel even vriendelijk en deden hun best om op de vorige
dames te gelijken. Alles baadde in een warm rood: het interieur, de kledij
van de dames, zelfs het licht. Toch was ik teleurgesteld. |
| 15
op 16 januari 1996
Er was een
poel in het zand, een ronde plas. Die plas bleek een levend wezen te zijn.
Het voedde zich met ijzer. Iemand gooide er een metalen stuk in, het was
heel snel verteerd. Iemand deed er een auto in, in een paar tellen was
die opgegeten. Ik zei dat het toch jammer was om daar een auto aan op
te offeren. Het wezen bleek een echte slokop te zijn. Het wezen straalde
een geluk uit, dat iedereen doordrong, alhoewel het een gevaarlijk wezen
was. Y. was er zo gelukkig over en stoefte erg met het wezen. Ook ik voelde
het uitstralende geluk, en je kon niet anders dan van het wezen houden.
Twee dunne lange tentakels kwamen als draden uit de plas opstijgen, en
sleurden Y. mee. Y. was daar erg opgetogen over, ze vond het een hele
eer dat het wezen haar wou opnemen. Ze leek helemaal opgelost in de poel,
volledig verdwenen. Na een tijd stapte zij er echter terug uit, heel tevreden
en gelukkig. Terwijl ik haar sprak en vroeg wat ze had ervaren, viel me
op dat zij veranderd was. Y. zag er heel oud uit, minstens eind zeventiger
jaren, haar gezicht was mager, gerimpeld en gegroefd, één
oog was vervangen door een lelijk vals oog, als een blinde vlek, dat ze
half dicht hield. |
| half
maart1996
Ik wandelde
ergens op de buiten. Het landschap was vrij plat. De omgeving veranderde.
Ik wandelde nu evenwijdig met een bergketen aan mijn linkerkant. De spitse
toppen waren grotendeels ondergesneeuwd. Deze zwartwitte gedaantes torenden
uit boven de glooiende valei in bruin en groen. alles was zonovergoten,
ik had er mijn hart verloren. Ik besefte dat dit landschap niet Vlaams
was, ik moest in een andere wereld terechtgekomen zijn.
Ik zwerfde
rond, zag landschappen, mensen, hun kultuurgewoontes. Ik sprak hen over
mijn wereld, zij kenden die niet.
Samen met
anderen bekeek ik de binnenkoer van een villa. Er stonden pilaren, die
er schoon en duur uitzagen. Adolescenten waren aan 't voetballen. Mijn
genoten hielden mij tegen en zziden dat we ze niet mochten benaderen,
want zij waren van adel en wij niet. Moedig stapte ik toch op een jongen
af. Er was iets bijzonders in zijn ogen: het besef van het bestaan van
een andere wereld. Hij zag me komen, verbaasd om mijn durf. Ik viel met
de deur in huis en zei:"jij kent de andere wereld, een xereld, parallel
aan deze, die bestaat. Ik vertelde hem mijn wedervaren en vroeg hem hoe
lang hij in die andere wereld, mijn wereld dus, verbleven was. Met een
melancholie in de ogen antwoordde hij: "twee jaar ben ik daar geweest."
Die lange duur verbaasde me erg. We werden bevriend omdat hij mij geloofde.
Wij hadden een gevoel van herkenning bij elkaar.
Terug in
mijn wereld. Een kracht straalde radiaal vanuit een middelpunt, dat zich
verplaatst door de ruimte, gevolgd door een lange kronkelende staart.
Ik voelde of zag dat dit de wereld was, waar ik was geweest. Deze verplaatste
zich in het heelal en was daardoor voor mij onbereikbaar geworden. De
staart was het geheel van gevoelsleven dat er zich afspeelde: alle lief
en leed, hartstocht en pijn. |
| 20
augustus 1996
Een woest
en desolaat landschap, met enkel een lage begroeiing. Een soort eeuwig
blijvende avondschemering. Ik woonde of schuilde onder een soort rotstafels.
Ik ging kijken naar iets vederop. Rond mijn rots waren paarden, en ik
kwam bij een vijver met andere paarden. Ik vroeg me af hoe de ene groep
de andere op afstand hield. Ik keerde terug en zag dat er hier en daar
op de grond vallen waren gezet, wellicht voor konijnen. ik hoedde mij
ervoor er niet in te trappen.
Van achter mijn rots naderde een groep "beschaafde" mensen.
Zelf was ik een wildeman. Ik gluurde schuuw door horizontale rotsspleten,
en vond me zo veilig.
Onverwachts namen twee mensen me vast onder de oksels en heften me op.
Ik besefte dat dit niet diegenen waren die ik had gezien, maar bijzondere
wezens aan wie ik me moest overgeven. Ik begon achteruit te vliegen, en
vloog zo door vele bizarre werelden. Achteruit vliegen vond ik maar naar,
elk moment vreesde ik ergens tegenaan te botsen of door iets onaangenaams
heen. Toch bleek het telkens verdraaglijk te zijn. Ik probeerde toch me
helemaal te geven en me helmaal te ontspannen. Ik zaag onder andere vanuit
de hoogte een bizar kasteel of klooster, niet gotisch of romaans, maar
gebaseerd op een assymetrische vorm, met telkens ornamenten erin. Ik passeerde
soms ook complexe, mij functioneel onuitlegbare meubels.
We zakten naar beneden en daalde pijlsnel in een reusachtige krater. Ik
verwachtte elk moment in gloeiende lava terecht te komen, en ook dan zou
ik me helemaal overgeven. Ik kwam echter terecht in een welgevoelen. Niemand
hield me nog vast. Ik stond voor iets kleerkastachtigs, met vensters ernaast.
Er stond een mooie vrouw bij, leeftijd vooraan in de dertig, die in het
glas van een venster naar zichzelf keek. Ik maakte een opomerking over
de zinloosheid van het meubel en ze zei: "heb je dan al in de spiegels
naar jezelf gekeken?" Ik merkte, als ik iets meer vanuit de zijkant
keek, de vensters spiegels werden. Het waren spiegels die het diepste
van jezelf lieten zien. Maar de vrouw leidde me af opdat ik niet zou kijken.
Ze vroeg of ze mooi stond met de sluier. Dat sloeg op een klein gaas rond
haar hals en schouders, daarbuiten had zij iets bruins en heel fijns rond
haar romp, de rest was onbedekt. Ik zei dat ik haar heel mooi vond en
ze vroeg me haar wat te helpen met haar kledij. Ze draaide zich om. Het
was een vreemde, verstandige en levenservaren vrouw. We namen elkaar in
dearmen en dansten een "slow". Er stond plots een oude vrouw
bij die argwanend toekeek en sceptische opmerkingen maakte. Ik vroeg haar:
"wat is e nu verkeerd om met je eigen Zelf te dansen?" (Zelf
met een hoofdletter vanwege het ontzag dat ik ervoor voelde). "Het
is toch prachtig?"
Een gekakel van stemmen stoorde ons en verbrak het hele tafereel. Ik zat
nu in een langwerpig lokaal, in twee gedeeld. Het zat vol Grieken die
in vloeiend Grieks hele discussies voerden, met veel gelach, en dit midden
in de nacht. Uiteraard begreep ik er niets van. Rechtover mij zat een
jongeman die er ook niet bijhoorde en er niet van beghreep. Het enerveerde
hem, hij stond op en ging naar de tweede ruimte en vroeg daar of er geen
dia's te zien waren. Zelf enerveerde het me niet, ik vond het zo grappig
dat ik hevig moest meelachen. |
| |
| |
| |