| �Als je dan zo dapper bent, jonge man, help mij dan eerst eens!� vroeg de schildpad. �Mijn linkeroog doet me pijn, daar heb ik al zolang last van. Ik zou graag een nieuw oog ervoor in de plaats hebben. Dat kan echter pas, als iemand mijn oude oog uitrukt. Kom gauw en help daarmee!� Goenan ging naar de oever toe en rukte de schildpad met zijn vingers de oogappel uit. Toen roerde zich het water en de schildpad veranderde in een draak. Met zijn vleugels slaande verhief hij zich in de lucht en riep Goenan toe: �Je hebt een goed hart! Neem als dank de oogappel mee op je reis, hij zal je goede diensten bewijzen!� Na deze woorden zweefde de draak weg en was al gauw niet meer te zien. Goenan bekeek nu de oogappel in zijn hand wat beter. Hij geloofde zijn ogen niet: het oog was inmiddels in een fel schitterende parel van onschatbare waarde veranderd. Goenan merkte dat er ook met zijn eigen ogen iets gebeurd was, toen hij lange tijd naar de parel gekeken had. Plotseling kon hij alles helder en duidelijk zien; hij kon zelfs de paar tenthutten aan de horizon in de verte onderscheiden. Vol vertrouwen besteeg Goenan weer zijn paard. De pony scheen te begrijpen wat zijn heer van hem wilde en zijn gedachten te kunnen lezen: met een aanloopje sprong hij hinnikend in de rivier. Goenan keek erbaasd naar beide zijden. Nauwelijks had het water de kostbare parel bevochtigd of het week naar beide zijden uiteen. De geweldige watermassa�s stapelden zich tot twee doorzichtige muren op, waar tussendoor een droog pad liep. Zonder moeite bereikte Goenan met zijn pony de andere oever. Achter de hoeven van het paard vloeide het water direct weer samen alsof het nooit anders geweest was. Na een korte galop bereikte Goenan de hut die hij reeds vanaf de zuidelijke oever gezien had. Voor de hut zat een bejaarde herder en weende hartverscheurend. Goenan sprong van het paard en vroeg: �Grootvader, waarom huilt u zo droevig? Misschien kan ik u helpen. Zeg mij waarom u zo�n verdriet hebt?� De oude herder wreef zich de tranen van het gezicht en vertelde zuchtend: �Mijn dochter, mijn enige dochter is gisteren door de koningstijger geroofd. Ik weet niet of ze nog leeft of al dood is. Ik heb alleen maar deze dochter! Maar u zult me niet kunnen helpen. Wee mij!�En weer begon de oude te wenen. �Wees maar niet zo verdrietig, vadertje!� zei Goenan en troostte hem met de woorden: �Uw dochter zal weer bij u terugkeren. Ik ben juist op weg om deze tijger op te sporen. Vind ik hem, dan red ik uw dochter, zo waar als ik hier sta!� De oude herder zag hem met betraande ogen aan en nodigde hem in zijn hut. Een beetje opgelucht zette hij hem een schaal thee met melk voor. Goenan bleef een poosje bij de oude, dronk de thee op, bedankte en reed toen weer door. Voor de duisternis inviel bereikte hij het gebied van de koningstijger. Het berghol, waarin het verschrikkelijke dier zich bevond, was reeds duidelijk uit de verte te zien. Een dozijn tijgers hield voor de ingang de wacht. Voorzichtig sloop Goenan naar het hol toe. De meute tijgers had hem echter al opgemerkt en stortte zich op hem. Goenan wierp het ezelsbot tussen de meute, waar de beesten direct om begonnen te vechten in een poging het elkaar afhandig te maken. Ongemerkt drong hij toen het hol binnen. Na enige tijd zoeken vond hij daar het geroofde meisje. De herdersdochter vertelde hem, dat de koningstijger deze morgen vroeg was weggegaan en waarschijnlijk niet lang meer op zich zou laten wachten. Het meisje wilde Goenan ergens verstoppen, maar die wilde er niets van horen. �Eerst breng ik jou in veiligheid en breng je naar je vader terug!� zei de dappere jongeling. Goenan tilde het meisje voor het hol op de bontgevlekte pony en liet de zweep knallen. Als de stormwind galoppeerde de pony de berghelling af. Toen zij de vlakte bereikt hadden zagen ze hoe door hun galop het gele zand als in een wervelwind omhoog gedwarreld was. Plotseling zagen zij met schrik dat in de grauwe zandstorm een monster achter hen aan zat. De kop was die van een tijger, de romp leek echter op die van een mens en was van onder tot boven met gouden haren begroeid. Goenan wendde zich met zijn gehele bovenlichaam op het paard om en schoot een pijl af, die de koningstijger het linkeroog kostte. Het ondier brulde van woede en pijn. Hij spreidde zijn moordenaarsklauwen uit en wierp zich met ��n enkele sprong op Goenan, sleurde hem van zijn paard en sloeg hem met zijn machtige klauwen tot over de heupen in de aarde. Hier was geen overleg mogelijk. in enkele seconden tijds had Goenan zich er weer uitgewerkt en gaf zijnertijds het monster zulk een houw dat dit tot de nek in de bodem verdween en alleen nog zijn kop er bovenuit stak. Ogenblikkelijk trok Goenan zijn korte zwaard en stootte dit het beest in de schedel. Daarmee was het lot van de koningstijger bezegeld. Goenan trok het dode lichaam uit de grond, pakte het bij de achterpoten en spong op de pony. De vreugde van de oude man was onbeschrijfelijk, toen Goenan met het meisje ongedeerd bij de hut aankwam. De oude herder weende nu weer, ditmaal echter van vreugde. Goenan was van het meisje gaan houden en de oude herder gaf de dappere jongeling zijn dochter gaarne tot vrouw. De volgende nacht bracht Goenan na vele verhalen door onder het dak van zijn schoonvader. Bij zonsopgang besteeg hij met zijn vrouw de pony. juist zouden zij wegrijden toen zij een geraas en een geloei in het noorden hoorden, dat als een orkaan klonk. Al gauw werd het hen duidelijk: de tijgermeute, die gisteren om het ezelsbot gevochten had, zat achter hen aan. Vlug bracht hij zijn vrouw in de tent in veiligheid. Toen spande hij zijn boog en liet een pijl van de pees wegschieten. De tijger aan de spits van de roedel, stortte dodelijk getroffen neer. Nu trok Goenan zijn korte zwaard en ging met grote stappen de meute tegemoet. Een woest gevecht ontstond. Dapper en verbeten vechtend versloeg Goenan al dadelijk acht dieren. De overgebleven drie tijgers scheen de lucht van het hete bloed nog wilder te maken; zij vielen Goenan daarom met des te meer woede aan. Goenan merkte echter dat zijn krachten hem begonnen te begeven. Lang, zo moest hij toegeven, zou hij het niet meer kunnen volhouden. De oude herder, die in vele dingen zeer ervaren was, bracht nu de redding. In allerijl had hij een dozijn jonge mannen bijeengeroepen, van wie hij de leiding had. Met stangenlasso�s, die zij meestal gebruikten voor het vangen van paarden, vingen zij de drie roofdieren en maakten ze onschadelijk. Goenan dankte de mannen hartelijk voor hun hulp en liet hen alle tijgers als buit houden, die hij zojuist met eigen hand gedood had. De zegenwensen van alle herders begeleidden hem, toen hij deze morgen voor de tweede maal het paard betsteeg. Ongehinderd bereikte hij nu met zijn vrouw de hut van zijn ouders. |