De khan liet hem daarop in zijn tent komen en benoemde hem tot zijn lijfwacht.

Vaak vergezelde Goenan nu de khan bij de jacht. Zij reden dikwijls naar ver afgelegen wouden en kwamen steeds met een rijke buit weer thuis. Op een dag stuitten ze tussen de bergen op een diep ravijn.

Opeens sprong er een tijger op hen af, wiens ogen geniepig en moordlustig fonkelden. Bij het zien hiervan liep de khan het koude angstzweet over de rug. Hij liet de zweep knallen en rende, zonder zich om Goenan te bekommeren, hals over kop de berg af. Ook het hele gevolg ging er zo snel mogelijk vandoor. Alleen Goenan was blijven staan. Koelbloedig ging hij een stapje opzij toen de tijger op hem af sprong, pakte het ondier op hetzelfde moment bij de achterpoten, slingerde hem in �t ronden wierp hem tegen een dikke boom, zodat deze kraakte en de bladeren van de takken dwarrelden. Door deze klap barstte de buik van de tijger open en het dier was dood. Goenan wierp het dode roofdier over zijn schouders en haastte zich met reuzenschreden naar de tent van de khan.

De khan was weliswaar op zijn vlucht ongedeerd gebleven, maar hij beefde over zijn hele lichaam, zo had hij de schrik te pakken gekregen. Zijn gevolg, dat ook spoedig arriveerde, moest de khan zelfs uit het zadel helpen. Nauwelijks voelde de vorst echter vaste grond onder de voeten of hij begon te schreeuwen van ontzetting. Hij zag namelijk Goenan met de tijger op zijn schouders komen aansnellen en dacht dat het roofdier nog leefde. Met ��n sprong was hij in zijn tent en vergrendelde van binnen de deur. de mensen buiten schreeuwde hij toe: �Kom hier en bewaak direct de ingang en laat in �s hemelsnaam dat beest niet bij mij binnen!� Toen hoorde hij dat de tijger dood was. Nu kwam hij naar buiten en deed zichzelf als een moedigman voor en gaf Goenan een uitbrander. Toen de mannen van zijn gevolg de tijger gevild hadden, brachten ze de huid van de tijger naar zijn tent.

De daaropvolgende dagen liet de khan van het tijgervel een kleed voor onder zijn bed maken. Vaak keek hij overdag naar het prachtig getekende vel van het roofdier en daarbij kwam de wens in hem op ook nog eens een gewaad van een koningstijger te bezitten. Hij liet Goenan bij zich komen en beval hem, ten overstaan van het hele gevolg, binnen drie dagen de koningstijger te doden. Zou hij het vel niet binnen deze tijd inleveren, dan stond hem de doodstraf te wachten. �Waar moet ik die koningstijger nu zoeken?� vroeg Goenan zich af en wist zich geen raad. �Men zegt dat hij ergens in een hol in het Noordgebergte moet zitten, ver, ver van hier. In die buurt moet het wemelen van de tijgers. Maar een gewone sterveling kan daar helemaal niet komen!�

Nog diezelfde nacht keerde Goenan bezorgd naar zijn ouders terug en vertelde hun wat de khan hem bevolen had.

De beide goed mensen wisten ook niet wat zij hun zoon moesten aanraden. Het liefst zouden zij hem bij zich gehouden en in hun tent verborgen hebben, maar het gevolg van de khan zou hem daar dadelijk vinden. Wenend zaten de beide oudjes daar. Lieten zij hem gaan, dan was de vraag of hij het waagstuk volbrengen kon; rieden zij hem aan hier te blijven, dan zou de boosaardige khan hun zoon vast en zeker laten doden. ook Goenan zelf zag geen uitweg uit deze netelige, ingewikkelde toestand.

Toen kwam er onverwacht een stokoude ervaren herder de tent binnen. Deze zei tegen Goenan: �Jongen, verlies de moed niet! De koningstijger is voor heel veel dingen bang, maar voor niets zozeer als voor een dapper mens. Je zult alle moeilijkheden kunnen overwinnen, als je van ganser harte aan je geboorteplaats denkt en aan de mensen die je lief en dierbaar zijn. Ga maar direct op weg! Voor de tent staat een bontgevlekte pony, die krijg je van mij! En nu het allerbeste en veel geluk!�

De oude herder kuste Goenan zacht op het voorhoofd en haastte zich de tent uit.

Goenan snelde naar buiten en zag inderdaad een bontgevlekte pony staan! Toen het dier Goenan aankeek, hief het zich op zijn achterpoten en hinnikte. Goenan onderzocht zijn boog en scherpte zijn zwaard. Dij het aanbreken van de dag besteeg hij de pony en nam afscheid van zijn ouders. Zwaarbewapend galoppeerde hij weg. Het paardje draafde eerst als een gewone pony, toen echter schoot het als een pijl uit de boog over de vlakten, zodat Goenan nauwelijks nog de omtrek van de huizen aan beide zijden kon herkennen. plotseling begon de pony langzamer te lopen, alsof er gevaar dreigde. En toen zag Goenan gelijk hoe daar voor hem, vlak bij de hut, een wolf zich op een klein meisje stortte. In een paar seconden had Goenan zijn boog gespannen en geschoten.

Peng! De pijl suisde door de lucht en trof de wolf precies in de kop. Toen Goenan dichterbij kwam, kon hij alleen maar vaststellen dat hij de wolf ter plekke gedood had. Er kwam een oude grootmoeder uit de hut. Ze sloeg de handen boven het hoofd tegen elkaar toen ze zag uit welk gevaar Goenan haar kleinkind gered had.

Dankbaar nodigde ze de trefbare schutter in haar hut en schonk hem een kop thee met melk in.

De oude overhandigde Goenan een ezelsbot als afscheidsgeschenk en zei: �Neem dit bot mee, het zal je goede diensten bewijzen!�

Goenan dankte haar, besteeg zijn paard en reed verder in noordelijke richting.

Na een lange tocht bereikte Goenan een brede rivier, die hem de weg versperde. Goenan dacht erover na hoe hij de andere oever zou kunnen bereiken en bekeek keurend de stroming en het golvenspel. Opeens begon het water van de rivier te kolken en een reuzenschildpad dook uit de diepte op. De schildpad kwam vlak bij de oever en riep naar Goenan: �Jonge vriend, deze rivier kom je niet over, rij maar snel terug naar huis!� �Hoezo, oude vriend?� riep Goenan terug. �Moeilijkheden zijn overal, maar die kan men overwinnen!�
Terug
Verder
1   2   3   4
Hosted by www.Geocities.ws

1