| IV Alpharat was ��n van de Heren van het Vuur, een engel die uit vrije wil was afgedaald op aarde, die zich had opgesloten in het zware drakenlichaam, maar toch ��n van Hen. Want in het begin der tijden hadden de Heren van het Vuur meegeholpen deze wereld te scheppen, machtige engelen die cre�erden uit pure vreugde, miljoenen jaren lang. Tijd betekende niets. En toen deze machtige geesten zich terugtrokken achter de poorten van de zon, waren enkelen van hen achtergebleven, zij hadden zich uit liefde voor deze schepping opgeofferd, en ook alles wat zij bezaten, hun vrijheid, hun onstoffelijkheid en hun licht. Daalden voor onbepaalde tijd af naar de aarde, onderwierpen zich aan alle natuurwetten en kozen zich een lichaam dat passend was bij de aarde, traag maar bewegelijk, dat vliegen kon in de atmosfeer, gelijk een engel, en dat graven kon in de grond en branden als een gevallen meteoor. Een lichaam dat het vuur van de schepping in zich droeg en verbonden bleef met de wereld die zij liefhadden. Zo leefde ook Alpharat, een engel die zich verborg op aarde, de planeet kreeg een harde korst, had een diepe kern van vuur en sluimerende vulkanen, en zo had Apharat zichzelf gevormd tot een vuurspuwende draak. Vele rassen had hij zien ontstaan en ten onder zien gaan.. Maar geen van al die levende schepselen had zijn verschijning op prijs gesteld. Het mysterie was te groot, te onbegrijpelijk en kwam uit een t� ver verleden. Hij werd altijd gevreesd, soms aanbeden, doch dat gebeurde ook uit angst en onwetendheid. Overal waar hij opdook veroorzaakte hij opschudding en paniek en als daardoor slachtoffers vielen kreeg de draak er de schuld van. Mensen die in ontzetting op de vlucht sloegen en nooit meer gezien werden... de draak had hen zeker verslonden. Steeds erger werd het kwaad dat zij op hem stapelden, hij verdroeg het geduldig en liet zich steeds minder vaak zien. Beschavingen kwamen en gingen, sommigen, vernielden de aarde, plunderden haar bodemschatten en Alpharat probeerde het evenwicht te herstellen, goud, zilver, edelstenen, zoveel hij kon stelen en roven, hij bracht het terug in de schoot van de aarde zodat deze weer op krachten kon komen. Andere gemeenschappen gaven hem deze schatten uit zichzelf, zij leken wijzer, maar toch was het alleen uit angst dat zij hem zoenoffers brachten. En uit angst was het ook dat zij hem soms een mensenoffer schonken, meestal een vrouw, een maagdelijke bruid, soms geboeid, soms verdoofd en als zij nog bij bewustzijn was, viel zij in zwijm bij de allereerste aanblik van de draak. Des te beter ook, want wat hij met haar ging doen, mocht geen sterfelijk wezen aanschouwen. Hij verslond haar niet, integendeel, hij raakte haar geheel niet aan. Haar maagdelijkheid was een voorrecht en een belofte. Voor ��n enkelogenblik trad de engel in zijn ware lichtgedaante naar buiten, kwam uit het drakenlichaam en ging binnen in haar schoot. Voor ��n tijdloos moment schiep zijn pure geest, als voorheen in lang vervlogen dagen. Onberoerd bleef zij liggen, zwanger van een ondeelbare extase. Dan vloog hij met het meisje uit de grot weg. Onder hen was de aarde vervuld van angst, mensen staarden ontsteld omhoog, kreten van verontwaardiging en woede stegen omhoog, verwensingen achtervolgden hem als wraakzuchtige pijlen. Maar groot was de wereld en de draak bracht haar bij een ander volk waar de geboorte geen opzien zou baren, waar niemand haar kende. Want eenmaal moeten de draken deze wereld verlaten, eenmaal moeten de engelen voorgoed afstand doen van hun schepping. Slechts kleine vonkjes van het grote Vuur bleven over. En zo droegen de draken hun taak over op het ras van de mensen. De bergen zwegen erover, de aarde sprak er niet van, maar soms, in de verre fluisteringen van de wind waren verhalen, over een wijze koning, een heilige kluizenaar hier, een verlichte ziener daar, een machtige profeet, lichtende figuren die opdoken in de geschiedenis van de mens. Dan was Alpharat verheugd, ��n van hen kon het wezen. V Toen de engel ditmaal zijn zwangere bruid wilde wegbrengen, voelde hij een trilling door de aarde gaan, de bergen sidderden en later, vanuit de lucht omlaagziende, wist Alpharat dat hij voor heel lang kon slapen. De enige weg tussen de mensen en de draak was bruut verbroken, afgesneden, versperd door een reusachtige lawine van rotsblokken die zich in de bergpas had gestort. De enige toegang tot zijn hooggelegen grot was geheel en al afgesloten. Branko, juni 1987 |