| II Iznir, koning Van de grijze dwergen, was echt onzichtbaar zoals hij daar tegen de al even grauwe bergwand stond. Roerloos wachtend, als een klein beeld, uit dezelfde rots gehakt. Hij ging geheel op in zijn omgeving en dat was meer dan een beeld kon zijn, want niemand kende het gebergte beter dan hij, niemand wist zoveel over stenen, kloven, scheuren, spleten en barsten. Hij las elke rots als een open boek, kende diens ontstaan, diens verleden en de gigantische krachten die het gevormd hadden. Die het nog immer vormden, herschiepen en die nog lang niet uitgewerkt waren. De bergen van koning Iznir leefden onmerkbaar hun eigen bestaan, maar zij leefden en de dwerg ervoer dat, voelde dat weerbarstige leven tot in de toppen van zijn rimpelige vingers. Zozeer was zijn hele wezen doortrokken van steen, van wat bergen eigenlijk zijn, wat zij betekenen en uitdrukken in de schepping van de aarde, dat Iznir er mee omging als waren het zijn eigen ledematen. En sinds hij ooit gehoord en gezien had hoe door het geluid van zware onweders hele rotsblokken van hun plaats raakten, gebruikte hij zijn stemgeluid om de bergen te bevelen. Al naar hem uitkwam liet hij ze bewegen en meestal instorten. In feite nam hij daarbij deel aan een proces dat zich toch al afspeelde, het onafwendbare afbrokkelen van alle bergen. Hij deed niets tegenstrijdigs, hoogstens verhaastte hij de uiteindelijke gang van zaken, een kleine gebieder die het oppervlak van een planeet effende, een dwerg die onweders nabootste met zijn stem. En toen de koets over de hoge bergpas kwam aanrijden, bewoog koning Iznir zich nog steeds niet. Want hij hoefde slechts ��n uitgedachte toverkreet te slaken om een lawine van stenen naar omlaag te doen komen, om de koets de verpletteren of minstens de pas af te snijden. Het was niet de eerste keer dat zo'n ding uit de mensenwereld hier verscheen en het beviel hem niets, paarden maakten hem trouwens zenuwachtig, die hoorden ook niet thuis in de bergen en Iznir had zo zijn eigen gedachten over wat er zich in die koets zou bevinden. Maar hij wilde het ditmaal zeker weten, en misschien wilde hij het ook wel hebben. Met zulke geheimzinnige bezoeken aan Alpharat moest het nu maar eens afgelopen zijn, de schurk handelde vast in gestolen goederen, juwelen, goud en andere kunstschatten, diens grotten en spelonken in het hooggebergte zaten beslist stampvol, toch niet te geloven dat er zelfs koetsen heenreden! Weliswaar met zeer grote tussenpozen, doch niettemin ongevraagd zomaar door zijn gebied, het rijk Van Iznir. Hij zou die Alpharat eens goed de les lezen, die pronkerige karos kwam er niet meer door en, als de pas eenmaal dicht was, nooit meer. De dwergenkoning liet zijn gedachten tot rust komen en haalde de diep adem. Dan gaf hij een lange en sterk vibrerende schreeuw ten beste, een schril en onmenselijk geluid dat, door echo's versterkt, heen en weer kaatste tegen de rotsen, resoneerde in spleten en kloven. Er gebeurde niets... De dwerg was hier zo verbijsterd door dat hij nauwelijks nog naar de koets keek die ongehinderd doorreed, met grijze ogen vol ongeloof en woede staarde hij naar de berg. Hier en daar zag hij wat stof wegwaaien, een enkel klein stukje gruis omlaag komen. Het zag er raar uit dat de berg echt wel geprobeerd had om te gehoorzamen maar niet durfde. Dat was Iznir nog nooit overkomen. Hoezo proberen, dacht hij, waarom niet durfde? Wat was hier aan de hand, wat kon er zo belangrijk zijn aan die koets dat de berg weigerde in te storten. Was het de berg, of was het Alpharat, of zat die koets soms vol heksen? Iznir stampvoette van kwaadheid, hij zag nu de koets uit het zicht verdwijnen. Nieuwsgierigheid maakte al gauw dat hij zich weer beheerste, wat zou er toch inzitten? Hebzucht maakte hem vindingrijk, het spel was nog niet verloren. Vast en zeker kwam de koets weer terugrijden, door dezelfde pas, dat moest wel. Boordevol schatten van Alpharat. Maar natuurlijk, de heengaande wagen was leeg, hij moest de terugkomende koets tegenhouden. De berg was slimmer dan hij. Maar het was zijn berg. De dwerg bleef staan waar hij stond en wachtte, grijs en geduldig, onverzettelijk als het standbeeld van een koning. |