De engel Alpharat
Een fantasie van Branko

Juni 1987
I

Toen het gerucht ging dat de magische koets weer in aantocht was, hadden ze haar weldra gevonden. Een nieuwe bruid voor de koning, een meisje voor de zwarte koets. Ze was niet alleen jong en aantrekkelijk, maar wat het belangrijkste was, nog maagd. Dat hadden oude en lelijke vrouwen triomfantelijk vastgesteld. Ze werd meegenomen, opgesloten in het huis van een veraf wonende vrouw, in afzondering gehouden, goed bewaakt en niemand zou haar meer terugzien. Want een uitverkiezing was het en ongerept zou zij blijven.

Veel jonge meisjes uit die streek waren bang geweest ook spoorloos te verdwijnen, zij hadden er wel voor gezorgd geen maagd meer te zijn, min of meer daartoe aangezet door hun ouders die af en toe een oogje dichtdeden. En het was maar al te waar, van de uitgehuwelijkte maagden werd nooit meer iets vernomen.. Niemand ook kende de koning of had deze ooit gezien en ofschoon de geheimzinnige oude vrouwen gehoorzaamd werden, wist men eigenlijk niet in wiens naam zij handelden. Men fluisterde ook wel eens dat het allemaal verzinsels waren, over dat huwelijk, dat er misschien helemaal geen koning bestond, dat de oude vrouwen wel beter wisten en iets verborgen hielden, iets waar men niet naar durfde vragen.

Het waren zwijgzame, onheilspellende verschijningen die het doorgaans zo rustige berggebied in rep en roer brachten.. Van sommigen wist men dat het heksen waren, anderen werden herkend van vroegere bezoeken, en overal doken ze op, gingen ongevraagd de huizen in en uit en niemand verzette zich.
Anders kon het wel eens gebeuren dat het vee betoverd werd, de gewassen wegkwijnden of kinderen ziek werden, en dat was nog het minste. Het verleden had hen gedwee gemaakt, het was immers altijd al zo geweest, de bruiden voor de koning kwamen uit deze verafgelegen streek, waar de mensen vruchtbaar waren en de kinderen op de vingers van beide handen konden tellen. Toch schiep het steeds weer verwarring. Mannen verzuimden hun werk, liepen doelloos heen en weer, hulpeloos ook, het was wel zeker dat zij onder een betovering verkeerden. De vrouwen zochten elkaar op, stonden fluisterend bijeen, opgewonden, onzeker en samenhorig. Moeders riepen voortdurend hun kinderen alsof de herhaling van hun namen enige steun kon geven. En waar de heksen rondzwierven raakte zelfs de natuur van streek.. Honden sloegen aan of kropen jankend weg, kippen stoven vreesachtig naar alle kanten en de schapen op de berghellingen wilden niet meer grazen, die kropen blatend dicht op elkaar en zelfs de trotse pauwen lieten hun tooi zakken. Zo hier en daar lag een roerloze kat alles aan te zien, als een kleine sfinx met onbevreesde ogen.

Doch hoe onrustbarend alles op de aarde zich ook gedroeg, des te veelbelovender was alles daar omheen. Altijd brak de zon door en ging de wind liggen, het werd bladstil. De ganse hemel sierde zich op met hemelsblauwe en zachtroze tinten, de dag leek opnieuw te beginnen, vogels buitelden jubelend door het zwerk, streken neer op de toppen van de bomen, of zetten zich neer op de daken en floten als in de dageraad. Tot ieders verbazing leek de ruimte zich uit te breiden, het zicht werd z� scherp dat men in de verte de omtrekken kon zien van onbekende bergtoppen, de horizon week naar alle kanten. En als ook de kleine kerkklokken in het dal plotseling uit zichzelf met een onwaarschijnlijk helder geklingel begonnen te luiden, dan wist men dat de bruid gevonden was.

De zinsbegoochelingen bleven tot de magische koets het meisje kwam halen. Dat gebeurde in een nacht, z� diep en klaar dat de sterren de aarde leken aan te raken en de maan als een stralende bloem boven de bergen hing, een nacht z� stil ook dat men de ratelende koets al van verre hoorde. Het eerst nog zachte geroffel van paardenhoeven zwol aan als een niet te stoppen, applaus van ijzer op steen, triomfantelijk en bezwerend. Al wie nog sliep moest wel ontwaken door dat voorbijstormende lawaai, door die felle hoefslagen, door het knarsen en knerpen van wielen over de harde bergweg, horend hoe de vervormende echo's tussen de rotswanden heen en weer kaatsten. Menigeen vroeg zich dan af of ook ditmaal de ouders van de bruid naar de afgelegen hoeve waren geslopen om nog een glimp op te vangen Van hun dochter. Zij zagen voor zich hoe de hoge, zwartgelakte koets daar aankwam. Twee span vurige paarden zouden vonken uit de weg slaan, zich schrapzettend zonder enig bevel, want er zou geen koetsier op de bok zitten. En als de karos dan stilstond was er geen mens te zien. De kleine raampjes waren gesloten met fluwelen gordijnen, het maanlicht spiegelde zich in het glas en sloeg glinsteringen uit de donkere, gladde panelen. Niemand stapte uit, niets bewoog zich en duizenden sterren bogen zich hooghartig over de wereld. Een enkel hoefgeschraap, ongeduldig en aanmatigend, verstoorde af en toe de stilte.

Dan week de verveloze deur van de hoeve en de heksen kwamen naar buiten, weeklagend en handenwringend, als in een vertoon van afscheid en smartelijk verdriet, temidden Van hen schreed de ongerepte bruid, in witte thule gekleed, kaarsrecht en heel langzaam naar de koets. In trance of in extase door wie weet wat voor liefdesdranken. Vanzelf ging de deur open en nauwelijks was zij ingestapt of de koets vertrok. Niemand had ooit een menselijk wezen in die wagen zien zitten wachten, de koning stuurde zijn koets en de paarden vonden de weg.
Verder
Terug
1   2   3   4
Hosted by www.Geocities.ws

1