| III Alpharat lag om zich heen te kijken, dromerig nog en de werkelijkheid drong zich heel traag aan hem op. Hij sliep altijd lang en diep, soms tientallen jaren achtereen en zijn ontwaken nam de nodige tijd in beslag. Maar diep in de ingewanden van de aarde, onder de bergen, had de tijd geen enkele betekenis. Geen zon of maan kon hem bereiken, sterren of andere verschijnselen waaraan het verstrijken van de tijd merkbaar was ontbraken hem. En het enige licht dat de spelonk verlichten kon, had niets met dag of nacht te maken, dat was zijn eigen licht. Tenslotte was Alpharat een vuurdraak en eenmaal ontwaakt gloeide er een mysterieus schijnsel om hem heen, dat van binnenuit kwam. Zijn goudkleurige drakenogen begonnen al te fonkelen, zijn gladde schubben glansden als lichtgevend paarlemoer, alle kleuren van de regenboog gleden als speelse vlammen over zijn gepantserde lijf. Geen bloed was het dat zijn reusachtige ledematen doorstroomde, maar louter vuur. Evenals een lichtgevende vis in het duister van de diepzee, zo verlichtte Alpharat zelf zijn omgeving en naarmate de schemer van zijn slaap wegtrok, kwam de spelonk tot leven. Het was een gigantische ruimte vol wonderen. Grote kristallen zuilen rezen van de vloer omhoog, in alle spiegelende facetten weerkaatste zich de bizarre pracht en praal van het drakenpaleis. Uit het immens hoge plafond hingen draperie�n van druipstenen omlaag en glinsterden ontelbare stalactieten als gekleurde ijspegels, overal vonkten mineralen in oogverblindende luister. Bij dit alles viel de schoonheid van de geroofde schatten, van het goud en diamant, van juwelen en andere sieraden die achteloos rondslingerden in het niet, dat alles woog niet op tegen de schittering van de spelonk zelf. En temidden van deze uitbundige en grillige decors begon de draak zich log en langzaam te bewegen, knipperde met zijn zware oogleden, rekte zijn getande rug en trok zijn enorme klauwen in en uit. Daarna spande hij zijn vleugelspieren en hoorde het droge, raspende geluid waarmee zijn vlerken openvielen. De gedachten kwamen nog heel traag, onwillig bijna, alsof zijn bewustzijn moeite had de hindernissen van het denken te overwinnen, maar ��n gedachte overheerste de anderen, hij had iets gehoord bij de ingang van de grot, iets of iemand had hem doen ontwaken, vreemde en toch bekende geluiden. Briesende paarden? Zijn herinneringen kwamen terug, mensen, ja natuurlijk, mensen brachten hem soms offers, ook mensenoffers. Per slot van rekening was hij een vuurspuwende draak en zeer gevreesd. Maar niet alleen dat. |