Pagina 1 2 3 4 Hoofdmenu
Wanneer we deze informatie toepassen op de Vercors, blijkt dit beeld voor een deel op te gaan. Enerzijds wordt Orchis spitzelii tot op heden nergens in grasland met Sesleria albicans aangetroffen, maar wel in andere open graslandtypes. Anderzijds komt ze  inderdaad alleen maar voor op voedselarme plaatsen in en langs het bos of op spaarzaam begroeide hellingen. In al deze gevallen is kieming en groei in het voorjaar geen probleem.
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat Orchis spitzelii een milieu nodig heeft waarin door de ��n of andere dynamiek een weinig bedekte bodem in stand blijft. Als je een open bos doorzoekt, waarin de soort voorkomt, verdwijnt deze op slag als de voedselrijkdom iets toeneemt en de vegetatie hoger en dichter wordt. Slechts op de echte voedselarme en open plekken kan de soort goed groeien. Op de rijkste vindplaats in het gebied, nr. 36, is er sprake van een schraal slecht groeiend Pinus sylvestris bos waar geiten doorheen lopen naar hun hoger gelegen graasgebied. Op dit moment is onduidelijk wat de invloed van de geiten op het voorkomen van Orchis spitzelii is. Eten ze de planten op voordat ze in bloei komen? Of ontstaat door het grazen van de geiten een opener en dynamischer milieu, dat juist geschikt is voor deze soort? Nader onderzoek zal hier duidelijkheid moeten verschaffen. Ook natuurlijke factoren kunnen een dynamisch element toevoegen. Zo is duidelijk te zien, dat op veel plaatsen dode takken door de sneeuwvracht in de winter afbreken en op de grond vallen. Hierdoor wordt de bodem minder geschikt voor de meeste plantensoorten, maar Orchis spitzelii komt juist in deze stukken regelmatig voor. Ook Landwehr (1977) benadrukt de aanwezigheid van dynamische factoren in het biotoop. Weliswaar stelt hij dat er sprake is van een zeer stabiel milieu, maar dat neemt niet weg dat juist zo�n dynamisch milieu zeer stabiel kan zijn. De dynamiek is immers steeds hetzelfde en verandert niet of nauwelijks in de loop der jaren.
Op de open hellingen is een sterke dynamiek te onderkennen door het naar beneden rollen van humusdeeltjes, gruis en stenen. Toen we in de nawinter, op deze sneeuwvrije hellingen de beneden in de schaduw liggende nog aanwezig sneeuw inspecteerden, bleek dat er veel materiaal naar beneden was gekomen. Er is een continu �bombardement� van klein materiaal; dat houdt de helling open. Er zijn maar enkele plantensoorten die zich in zo�n dynamisch milieu kunnen handhaven. Maar juist Orchis spitzelii voelt zich op deze hellingen wonderwel thuis. Op enkele plaatsen hebben we het substraat op de steilere hellingen en de steilkantjes nader onderzocht. Orchis spitzelii groeit in een gruis- en steenrijk mengsel van l�ssachtige samenstelling, dat zeer goed water doorlaat. Er is geen sprake van stagnerende waterafvoer, wat mede het gevolg is van de steilte der helling. De bodem is evenwel door de kalkrijke l�ss voldoende watervasthoudend om de plant in de groeiperiode van voldoende vocht te voorzien. De zeer grote hoeveelheid gruis en steenslag in het substraat zorgen voor een goede doorluchting, hetgeen belangrijk is voor het goed functioneren van de schimmelcomponent in het wortelstelsel (zie ook Mrkvicka, 1992).
Mrkvicka (1992) wijst bij deze soort ook op een interessante verschijnsel, namelijk �Standortwechsel durch Biotopwechsel�. Hij bedoelt daarmee dat een soort als Orchis spitzelii zijn optimum bereikt als aan een som van milieufactoren is voldaan. Een daarvan is de invloed van de warmte in het voorjaar. Hij stelt dat de hoge op het zuiden gelegen alpine gras- en puinhellingen zodanig profiteren van de zon, dat ze klimatologisch hetzelfde karakter hebben als de veel lager gelegen vindplaatsen in het bos. Dat betekent dat de planten weliswaar in verschillende plantengezelschappen voorkomen, maar dat milieufactoren op de verschillende groeiplaatsen toch identiek zijn. Inderdaad verklaart dit concept waarom Orchis spitzelii zowel op hoger gelegen steile hellingen voorkomt als lager in of langs het bos.
Resumerend komen we tot de volgende drie typen vindplaatsen:

1. De steile hellingen met weinig begroeiing
Meestal liggen deze hellingen op ongeveer 1700 meter en zijn ze steil (24, 31, 32, en 33). Het bedekkingspercentage van de bodem door de vegetatie is laag. De begroeiing is schaars. Soms zijn er kleine alleenstaande exemplaren van Pinus sylvestris. Ze zijn alle op het volle zuiden gelegen en ontvangen zonder belemmering de zon. Bijna altijd staat Orchis spitzelii in de volle zon. Hoewel ze hoog gelegen zijn, komen hier juist soorten voor die een zuidelijke verspreiding hebben zoals Linum salsoloides en Potentilla rupestris, maar ook vinden we hier Dactylorhiza sambucina, die in de Vercors juist in de hoger gelegen gebieden voorkomt. Arctostaphyllos uva-ursi vinden we onder andere op deze groeiplaatsen, waar ze als een tapijt over de rotsen hangen. Twee kenmerkende soorten voor deze hellingen zijn ook Globularia nudicaullis en Polygala sp. Maar de laatste soort komt in dit gebied op allerlei plaatsen voor en kan niet gezien worden als een specifieke soort van deze vindplaatsen.
Het gaat hier meestal om rijke vindplaatsen met een relatief groot aantal planten. Het lijkt ons toe dat we nog maar enkele van deze groeiplaatsen hebben gevonden. Wanneer we het gebied overzien, zijn er nog vele locaties die ogenschijnlijk aan deze eisen voldoen, maar die we nog niet hebben onderzocht. Deze locaties zijn vaak alleen maar toegankelijk voor geoefende bergwandelaars. De overeenkomst met de groeiplaats in Zwitserland is groot (Hertel, 1988).
Zo�n  vijfhonderd meter lager, liggen groeiplaatsen die veel overeenkomst hebben met dit type groeiplaatsen. Langs wegen en paden treden vaak onderaan hellingen steilrandjes op, waar door de extra steilte als gevolg van de insnijding de humuslaag met vegetatie is weggegleden. Als deze steilrandjes op het zuiden liggen, krijgen ze de volle zon en zijn in de winter binnen enkele dagen sneeuwvrij. Orchis spitzelii vinden we vaak op deze steilrandjes. Ze worden dan nogal eens  vergezeld van Gentiana angustifolia; andere plantensoorten zijn er schaars. De vindplaatsen 3, 8, 11 en 18 zijn typische voorbeelden van dit subtype.

2. Het tweede type vinden we aan de rand van het bos.

Deze bitotoop is vaak te vinden langs de paden en wegen, waar het bos opener wordt. Soms ontstaat de openheid door het kappen van bomen zoals bij 12 en 13. Kappen van bomen gebeurt in dit deel van de Vercors steeds kleinschalig. Er worden op bepaalde plaatsen oude bomen weggehaald, waardoor er nauwelijks sprake is van een grootschalige vernieling van de bodemstructuur. Dit type bosbouw kan niet gezien worden als een bedreiging voor het voorkomen van Orchis spitzelii. Integendeel, het zou wel eens kunnen zijn dat het volledig stoppen van bosbouw tot het verdwijnen leidt van de open randen van het bos, waardoor Orchis spitzelii weinig kansen meer krijgt. Orchis spitzelii wordt begeleid door boomsoorten als Pinus sylvestris, Picea abies en Fagus sylvatica die juist hier in de open stukjes opslaan. Daarnaast vinden we er veel plantensoorten die ook in de bosrand hun optimale verspreiding hebben zoals Carex flacca, Gentiana angustifolia, Polygala spp., Cytissus sessifolius, Globularia nudicaullis en Juniperus communis. De vindplaatsen 9 en 10 en de meeste groeiplaatsen 15 t/m 20 behoren tot dit type.
Pagina 1 2 3 4 Hoofdmenu
Hosted by www.Geocities.ws

1