Het ontstaan van Antwerpen dateert uit
een ver verleden.
Een 15de eeuwse sage vertelt dat in het
land van de Schelde omstreeks het begin van onze tijdrekening een reus, Druoon
Antigoon, heerste, die van elke schipper een zware tol eiste. Wanneer deze
weigerde te betalen, werd hem de hand afgehakt. Een
Romeinse krijger, Silvius Brabo, bevocht, overwon en doodde de reus, hakte zijn
hand af en wierp hem in de Schelde. Het bevrijde volk noemde de stad Antwerpen
(van handwerpen). Het toponiem van Antwerpen is
etymologisch en archeologisch te verklaren uit de naam die gegeven werd aan de
plaats van de eerste nederzetting bij de ‘aenwerpen’, wat eigenlijk wil
zeggen ‘tegenover de aangeworpen gronden in een bocht van de rivier’.
Wanneer Antwerpen ontstaan
is, is niet
precies bekend. Vermoedelijk was dit in de tweede of derde eeuw;
dankzij recente opgravingen weet men dat er toen ter hoogte van het Steen
een Galloromeinse nederzetting stond. Maar
zo’n 500 meter meer naar het noorden op de “aanwerp”, een aanslibbing die
een heel eind in de Schelde uitsprong, moet er toen ook al een nederzetting
geweest zijn.
In 836 kwamen de Noormannen de streek
plunderen en verwoesten, maar op de “aanwerp” aan het Steen groeide langzaam
weer een woonkern.
Aan het einde van de tiende eeuw lieten
de Duitse keizers op de plaats van het huidige Steen een houten burcht
optrekken. Antwerpen lag toen op de
grens van het Duitse keizerrijk met het Franse koninkrijk.
In de twaalfde eeuw richtte de heilige
Norbertus in het zuiden de Sint-Michielsabdij op.
Daarna kwamen de geestelijken van deze abdij naar de noordelijke kern en
stichtten er een nieuwe parochie met Onze-Lieve-Vrouwkerk, de voorloper van de
huidige kathedraal. Aan het einde van de twaalfde eeuw kreeg de noordelijke kern
wallen en poorten.
Rond 1200
werd de houten burcht vervangen door het stenen Steen. Antwerpen werd een
grensgraafschap waarbij de grens gevormd werd door de Schelde. Aan de overkant
van de rivier lag het graafschap Vlaanderen.
In de eerste helft van de veertiende
eeuw kende Antwerpen een eerst bloeiperiode dankzij de stapelrechten voor o.a.
vis, zout, aluin en Engelse wol.
Rond 1500 kwamen honderden Portugese
handelaars in de stad hun heil zoeken. Door de Portugese specerijenhandel, het
ingevoerde laken en wol uit Engeland en het Duitse koper en zilver groeide
Antwerpen uit tot een wereldhaven en het belangrijkste financiële centrum van
West-Europa. De zestiende eeuw werd de “Gouden Eeuw” voor de stad. Op
cultureel vlak droegen de schilders Matsijs en Breughel, drukker Plantin, de
wetenschappers en humanisten
Mercator, Dodoens, Lipsius en Ortelius hun steentje bij.
Maar in de tweede helft van deze eeuw
woedde de politiek-godsdienstige strijd tussen het protestantse noorden en het
katholieke Spanje. De Beeldenstorm in 1566 hield de stad in een greep van geweld
en vernieling. De Spaanse furie in 1576 deed er nog een schepje bovenop; de
sluiting van de Schelde in 1585 was de genadeslag. Meer dan de helft van de bevolking vluchtte de stad uit.
Onder het Oostenrijks Bewind (1715-1792)
trachtte Jozef II de Schelde tevergeefs opnieuw vrij te maken; Napoleon lukte
hier wel in in 1795. Daar Frankrijk en Engeland geen beste maatjes waren werd de
handel bijna onmogelijk gemaakt door een blokkade vanwege de Engelse schepen.
Nochtans werd in die periode de aanzet gegeven tot uitbreiding en modernisering;
het cultureel patrimonium viel wel ten prooi aan een onstuitbare kunstroof en
vernieling.
Onder de Noordelijke Nederlanden kon de
haven even op volle toeren draaien, tot 1830 want de Schelde werd afgesloten
door de Belgische Revolutie. Spoorlijnen werden aangelegd naar Brussel en Keulen
maar het duurde tot 1863 voordat er weer doorvaart op de Schelde mogelijk was.
Van toen af ging het Antwerpen voor de wind