Negatiesysteem (dubbele ontkenning) Bij een eerste kennismaking met het Afrikaans valt al onmiddelijk het gebruik van aanvullende negaties op. Waar die tweeledige ontkenning vandaan komt, is bij taalkundigen sedert lang een onderwerp van discussie geweest. Zou het Frans zijn, invloed van de Hugenoten? Zeker niet, hoewel die mythenog altijd voortleeft, vooral bij afstammelingen van Hugenoten. Komt het uit Brabantse dialecten? Niet onmogelijk, maar toch niet zo maar voetstoots aan te nemen. Zit er invloed in van Maleis- of Portugeessprekende slaven? Vermoedelijk niet. Zou een Koi (Hottentots) taalsysteem invloed gehad hebben? Deze theorie deed een tijdje opgeld, werd dan verworpen, maar heeft de laatste jaren weer aanhang gekregen.
Hoe het ook zij, de tweeledige negatie is een integraal deel van het Afrikaans taalsysteem. Het komt erop neer dat een negatieve zin met het negatie-element "nie" afgesloten moet worden. Als bij een korte zin zoals "ek kom nie" de negatie al aan het einde staat, is de zaak daarmee opgelost. Maar vanaf het ogenblik dat je een samengestelde tijd gebruikt, verschijnt al het afsluitende nie: "hy het nie gekom nie; hy wil nie kom nie."
Ook bij gebruik van andere negatieve woorden wordt de zin met nie afgesloten: "dit het ek nog nêregens gesien nie; niemand wou dit doen nie; dit sal nooit gebeur nie."Toch is het negatiesysteem lang niet zo eenvoudig als de argeloze buitenstaander wel eens denkt. Ook bij ons worden vaak negaties opgehoopt: "Dat heb ik nog nooit nie(t) gehoord nie(t)", maar in het Afrikaans is een dubbele negatie zoals "nooit nie" of "niemand nie" in het midden van de zin onmogelijk en er is nog een veel groter verschil. In het Afrikaans moet je het afsluitende nie ook gebruiken in samengestelde zinnen waarin een negatieve hoofdzin aan een positieve bijzin voorafgaat: "ek weet nie waar hy is nie". Voor een anderstalige is dat meer dan eens voldoende om de draad kwijt te raken. In het volgende fragment bevatten de tweede en de derde zin een herhalende nie dat afhangt van nie in het begin van de lange, samengestelde zin:
"Handskoene en honde is nogal eenders in dié opsig dat hulle bestaan nie los maak is van die mens nie. (...)
Want vir die hond maak dit nie saak dat die hand wat hom voed aan 'n liggaam behoort wat 'n voet het wat kan skop nie. Niet verniet bestaan daar ontroerende verhale omtrend honde wat hule dood treur op hul meesters se grafte nie."In de bovenstaande zinnen staat het afsluitende nie telkens na de bijzin(nen) en dat is de normale gang van zaken. Maar dat is niet het geval bij enkele voegwoorden zoals (al)hoewel, mits, tensy, omdat:
daar wordt het afsluitende nie voor de bijzin geplaatst:
"hy wil dit nie sêe nie omdat hy bang is; ek by nie by die huis nie hoewel ek baie moeg is".Bij de werkwoorden is er al op gewezen dat een negatieve imperatief, bijvoorbeeld "babbel niet", niet weergegeven kan worden door het werkwoord + nie. Die imperatief wordt altijd omschreven met "moenie", d.w.z. "moet + nie" aan het begin van de zin. De genegeerde werkwoordvormen komen dan in de zin te staan op de plaats waar je in het Nederlands een infinitief verwacht en een tweede, afsluitend nie is dus noodzakelijk: "moenie jou heeldag sit en verveel nie!"