| DE DWERG IZNIR Uit de kronieken van Iznir Een fantasie van Branko, mei 1986 |
| In die dagen, toen de mensen nog niet zichtbaar waren, was de aarde woest, doch verre van ledig. Zij werd bevolkt door schepselen die men zich later slechts in sprookjes herinnerde, zoals elfen, die de komst van de mens voorzagen, draken die het allemaal voor gezien hielden, want zij zouden toch uitsterven, reuzen die het weer tegenspraken, en dwergen die.. Vooral de laatsten waren een uitermate lastig volkje, gezien of ongezien, bevonden zij zich meestal ergens waar ze niets te maken hadden, bewegelijk en bemoeizuchtig, altijd nieuwsgierig, altijd druk bezig met geheimzinnigheden. Hebzuchtig waren zij ook. Hele bergen braken zij af op zoek naar de schatten van moeder aarde. Zij doken overal op en zaten soms lelijk in de weg. Zoals Iznir. Iznir, koning der dwergen, grijs en wijs, oud als het leven, zelf, stond precies voor de opening van een grot. Onder hem gaapte een afgrond van duizenden meters diep, achter hem rees een steile rotswand omhoog. De grot gaf toegang tot donkere spelonken en daarin woonde een draak, een vliegende draak, die in de mening verkeerde dat een woning zo hoog gelegen door niemand te benaderen was. Toch was het Iznir gelukt, gekomen van een andere kant, om zich langs een touw omlaag te laten zakken en daar stond hij, op een smalle richel voor de grot. De draak was niet thuis, maar de dwerg wachtte geduldig tot het reusachtige schepsel huiswaarts kwam. Onbevreesd, ongewapend, maar wel omhangen met amuletten en talismans, zijn kleding was gehavend door vele klimpartijen en erger nog, hij droeg geen kroon. Die was naar beneden gevallen in het diepe ravijn. Als een klein, onooglijk standbeeldje stond Iznir somber voor zich uit te kijken, grauwen onverzettelijk, nauwelijks groter dan een paardebloem, doch heel wat omvangrijker. Een roerloze dwergenkoning, bijna ��n geheel met de loodkleurige rotsen achter hem en eerlijk gezegd, niemand wist zoveel van rotsen af als Iznir de dwerg, hij kende ze van binnen en van buiten. Elke maal als de draak was uitgevlogen, had hij deze plek bezocht, was de rots overgeklommen en had de bergwand boven de grot bekeken, met grote nauwkeurigheid onderzocht. Bungelend aan het touw, heen en weer geslingerd door de wind, doorweekt van de regen, in hitte en kou had hij daar rondgescharreld. Zijn eeuwenoude kennis van bergen en gesteenten gebruikt, tastend met rimpelige vingers over breukvlakken, voelend naar scheurtjes en barsten, zoekend naar losse stukjes steen, mompelend tegen zichzelf en pratend tegen de berg. Vormen, krachten en massa's, alles zag hij, spanningen en structuren, niets ontging hem, alles wist hij, voelde hij, ja hoorde hij als klankpatronen in zijn geest. Hij stemde zich af op het innerlijk van de berg tot hij zeker wist dat zijn plan uitvoerbaar was. Nu wachtte hij, gespannen en onbeweeglijk. En dacht aan zijn volk dat helemaal aan de andere kant van het hooggebergte woonde. En werkte, ertsaders opspoorde en mineralen dolf, goud en zilver bewerkte en edelstenen sleep. Voor de koning echter waren andere taken weggelegd. Want Iznir was een dwerg die over heel bijzondere stembanden beschikte, hij kon een klank of een woord wel op tien verschillende toonhoogten tegelijk uitspreken. Alsof hij een immens groot akkoord aansloeg op een muziekinstrument. Ook kon hij die samenklank moduleren, van harmonisch naar disharmonisch tot afgrijselijk vals. De gevolgen van deze gave waren voor de dingen in zijn omgeving soms catastrofaal, vooral wanneer Iznir de trillingen en de klankwaarde vaststelde en nabootste. Hij kon met zijn stem niet alleen glas laten stukspringen, maar veel en veel meer. Als mijnwerker was hij min of meer een tovenaar. Toen de draak kwam aanvliegen, verroerde Iznir zich niet, hij deed geen pas opzij, knipperde niet met zijn ogen, beet niet op zijn lippen, hij stond waar hij stond, als uit steen gehouwen. Hoopte hij dat de draak zich te pletter zou vliegen om hem te ontwijken? Nee, Iznir wist wel beter, om zijn toverwoord extra kracht te geven moest hij juist v��r de grotopening staan. De diepe spelonken zouden zijn ijle stem duizendvoudig versterken. En dat �ne machtige woord, dat �ne moeizaam gevonden en gecomponeerde akkoord zou hij uitschreeuwen op het allerlaatste moment. Het ogenblik dat de draak hem ondersteboven dreigde te vliegen. Dat moment kwam onvermijdelijk. Luid klapwiekend vloog de draak naar zijn grot. Hij had de dwergenkoning niet gezien, verwachtte in het geheel niet om iemand te zien, daar op die smalle, ontoegankelijke drempel, of hij liet zich gewoon niet door hem van de wijs brengen. De kleine gedaante leek bijna te verstijven van angst toen die machtige gedaante aan kwam scheren, hij moest zich vastklemmen, windvlagen van de uitgestrekte vlerken bliezen hem bijkans van de rots af. Toen schreeuwde hij, sprong opzij en rende langs de stenen richel. In de spelonk weergalmde zijn kreet, het klonk als een omgevallen harp waarvan alle snaren tegelijk stuksprongen. Onmiddellijk gevolgd door een vreselijk lawaai van splijtende stenen. De hele bergwand scheen open te scheuren. Met een oorverdovend geraas stortte een massa rotsblokken omlaag, precies op het plateau waar de draak neerstreek. Deze werd getroffen, raakte versuft, werd bedolven, sloeg met zijn vleugels, zwiepte wild met zijn staart. Stenen vlogen omhoog en vielen weer terug met nog grotere stukken, die hij niet meer van zich af wist te schudden. En zo werd de draak een gevangene op de drempel van zijn eigen huis. |