Welkom op Nakdimons Page
Als
er ��n hoofdstuk in de gehele Bijbel gekwalificeerd kan worden als de meest
controversi�le hoofdstuk dan is het wel het hoofdstuk dat nu behandeld zal
worden: Jesaja 53. Dit moet wel de meest besproken hoofdstuk zijn in de
geschiedenis van het Boek. Ik voel me helaas geroepen om het wiel nogmaals uit
te vinden. Velen met mij zijn van mening dat het hoofdstuk over niemand anders
kan gaan dan Yeshua haMashiach. Wij kunnen dan ook niet begrijpen dat iemand dit
hoofdstuk onbevooroordeeld kan lezen en dan niet tot de conclusie kan komen dat
het over niemand anders kan gaan dan Yeshua alleen of niet de duidelijke
overeenkomsten met Zijn leven ziet. Weer ben ik echter genoodzaakt een
vergelijking te maken met de traditionele joodse positie en de Messiasbelijdende
positie, omdat o.a. Eliyahu zich weer aan boude uitspraken schuldig maakt. Ik
zal me in deze reactie met hem en met Rashi bezig houden aangezien zijn
zienswijze aanzienlijk verschilt met dat van Rashi en dit eigenlijk als reactie
op Eliyahu bedoeld is en Rashi degene is die de Isra�l-interpretatie wortel
heeft doen schieten binnen het traditionele jodendom. Het moet gezegd worden dat
deze interpretatie v��r Rashi ver te zoeken was. Voor ondersteuning voor hun positie moet men zich
binnen het traditionele jodendom voor pr�-Rashi bronnen beroepen
tot Origenes, een "christelijke" bron nota bene. Daarin schrijft hij dat hij
eens met enige joodse leiders een discussie had over Jesaja 53 en die pasten het
toe op Isra�l. Wellicht merkt Origenes dit op vanwege de uitzonderlijkheid van
deze toepassing, want het is van dan toe tot aan Rashi 9 eeuwen lang stil wat de
ondersteuning van deze positie betreft. Dat zegt toch iets! Hoe anders is het
met de Messiaanse lezing! Deze komen we door de eeuwen heen steeds tegen in
traditionele joodse bronnen. Ook dit zegt iets! Vaak wordt er gezegd van deze
traditionele joodse bronnen, dat het geen p'shat (direkte-letterlijke) lezingen
zijn, maar dat het "slechts" midrash (exgese), als zou het allegorisch zijn en dus
theologisch geen enkele gewicht in de weegschaal leggen. Ik durf dat echter te
betwijfelen. Dit blijkt uit het feit dat midrash niet alleen geldt als geldige
exegese methode, maar wordt er ook wel midrash (althans wat nu als midrash
lezing wordt genoemd) gebruikt om p'shat lezingen te bestrijden. Een voorbeeld
hiervan is de commentaar van Nachmanides (Rabbi Moshe ben Nachman, 13de
eeuw) die zegt:
"The
right view respecting this Parasha is to suppose
that by the phrase "my servant" the whole of Israel is meant... As a
different opinion, however, is adopted by the Midrash
which refers to the Messiah, it is necessary for us to explain it in
conformity with the view there maintained. The prophet says, The Messiah, the
son of David of whom the text speaks, will never be conquered or perish by the
hands of his enemies. And, in fact the text teaches this clearly... And by his
stripes we are healed - because the stripes by which he is vexed and distressed
will heal us; God will pardon us for his
righteousness, and we shall be healed both from our own transgressions and from
the iniquities of our fathers." (S. R. Driver and A. Neubauer, ed., The
Fifty-third Chapter of Isaiah According to the Jewish Interpreters [2 volumes,
NY; Klav, 1969], p. 78 f.)
Het
is natuurlijk wel zo dat de commentaar op de verzen wellicht niet serieus hoeven
te worden genomen, maar de toepassing toch zeker wel. (Het is natuurlijk wel merkwaardig dat er telkens een beeld over de Messias wordt geschetst door deze midrashim [meervoud van midrash] dat overeenkomt met het beeld dat wij van de Messias hebben, terwijl er toch steeds wordt beweerd dat de Messias waar de orthodoxie op wacht in de verste verte niet lijkt op de Messias die wij belijden. Alsof men geen andere keuze heeft en niet om de teksten heen k�n) Alleen moeten we ons wel
afvragen in hoeverre de toepassing van de verzen corresponderen met waar de
profeet naartoe wil met zijn boodschap. Maar wat is dan die boodschap van dit
hoofdstuk?
De
boodschap is dat "hij" (de knecht) lijdt voor de zonden van "ons" (de
sprekers) en dat zijn lijden "hen" (de sprekers) ten goede zal komen. Dat
hij weet (v. 11) dat hij dit moet ondergaan en dit ook vrijwillig doet. Hij zal
duidelijk worden verstoten en lijden, sterven en volgelingen/nakomelingen zien
en dat kan alleen door opstaan uit de doden. Dat is de boodschap in een notendop
dan dit hoofdstuk. Laten we naar het hoofdstuk kijken en dan zullen we de
mogelijkheden bekijken over de toepassing er van. We bekijken de sectie (�parasha�
in het Hebreeuws) Jesaja 52:13-53:12, omdat dit traditioneel de offici�le
indeling is van de Eved Adonai (Knecht des HEREN). De hoofdstuk indeling is
later gedaan.
13 Zie,
mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven
zijn. 14 Zoals
velen zich over u ontzet hebben � zozeer misvormd, niet meer menselijk was
zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte � 15 z�
zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat
hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij.
1 Wie
gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN geopenbaard? 2 Want
als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre
aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch
gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij
was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte,
ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben
hem niet geacht.
5 Maar
om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld;
de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons
genezing geworden. 6 Wij
allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE
heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij
werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als
een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn
scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.
8 Hij is
uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht,
dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om
de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. 9 En men
stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was
hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in
zijn mond is geweest. 10 Maar
het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer
hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een
lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand
voortgang hebben. 11 Om
zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal
mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden
zal hij dragen. 12 Daarom
zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen,
omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd
geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden
heeft.
Dus
we zien dat de �eved� (knecht) zeer hoog in aanzien zal zijn. Maar eerst moet hij een
lijdensweg doorstaan. Hij zal eerst moeten lijden tot hij bijna niet menselijk
eruit ziet en dan zal hij worden verhoogd en zullen koningen en volken hem
dienen. Wie past hier beter in het plaatje: Isra�l of Yeshua? Wat ik niet ga
doen is hier een vers voor vers analyse erop loslaten, maar ik wil wel alle
bezwaren, die mij tot nu toe ter ore zijn gekomen, tegen de Messiaanse lezing
bespreekbaar maken. Laten we kijken naar de mogelijke argumenten tegen de
Messiaanse lezing.
Zera:
Gezegd wordt dat vers 10 Yeshua automatisch diskwalificeert, omdat er wordt
gezegd dat de knecht nakomelingen (zera) zal hebben en Yeshua stierf kinderloos.
Zera wordt daarnaast altijd gebruikt met betrekking tot fysieke nakomelingen en
nooit metaforisch, althans dat wordt beweerd door de anti-missionaries. Dit is
echter niet waar! Zera wordt in de Tenach zowel metaforisch als met betrekking
tot generaties (geen fysieke nakomelingenschap) gebruikt. Zo spreekt Jesaja 57:4
van �zera shaqer� (lett. zaad van de leugen). Tenzij we gaan beweren dat
�de leugen� echt fysieke kinderen heeft gekregen dan mogen we toch wel
concluderen dat zera hier niet letterlijk genomen moet worden genomen. In Psalm
22:31 spreekt de psalmist over �zera ya�avdenu� (zaad zal Hem dienen).
Natuurlijk kunnen we hier stellen dat dit om generaties gaat (zo wordt dit
althans door joodse vertalingen vertaald) en niet om fysieke nakomelingen van de
Eeuwige. We kunnen dus vaststellen dat �zera� ook als metafoor wordt
gebruikt in de Tenach en op nakomelingen van een ander kan worden toegepast.
Zeker als we nagaan dat Jesaja 53:10 niet gaat over �zijn zaad� (yir�e
zero) zal zien, maar dat de knecht gewoon zaad (yir�e zera) zal zien.
Nega
lamo: Volgens de tegenstanders van Yeshua en voorstanders van de Isra�l
lezing kan dit niet over Yeshua gaan, omdat er meervoudsvormen worden gebruikt
aangaande deze knecht. In vers 8 worden de woorden �nega lamo� gebruikt dat
eigenlijk zou moeten worden vertaald als �een plaag voor hen�, in plaats van
een �plaag op hem�, waardoor het duidelijk is dat er met de knecht hier meerdere
personen wordt bedoeld die als ��n worden beschreven. Als we deze positie aanvaarden,
moeten we uitgaan van een feilloze punctuatie van de tekst in het algemeen en van het woordje �nega� in het bijzonder, en
daar gaan we dus niet vanuit. Zonder de punctuatie (zoals de oorspronkelijke
tekst geschreven is) kan de tekst echter anders worden gelezen. �Nega� kan
namelijk ook als werkwoord worden gelezen, waar eigenlijk meer voor te zeggen
is. Hiermee komen verschillende werkwoordsvormen (binjaniem) voor in aanmerking.
In het Hebreeuws bestaan de volgende �binjaniem�: qal/pa�al, nif�al, pi�el,
pu�al, hif�il, hof�al, hitpa�el.
De
qal is de gewone vorm en de nif�al is de passieve vorm ervan. Zo wordt
bijvoorbeeld �naga� (slaan) in de qal, �niega� (geslagen worden) in de
nif�al. In de pi�el krijgt het een diepere betekenis dan in de nif�al en
wordt het �niegga� (kwellen, teisteren, bedroeven) en is de passieve vorm
van de pi�el, de pu�al en krijgen we �nugga� (gekweld worden, geteisterd
worden, bedroefd worden). Dus als we dit toepassen krijgen we of �niega lamo�
(hij werd voor hen geslagen) of krijgen we de pu�al �nugga lamo� (hij werd
gekweld voor hen). Er is dus helemaal geen enkele probleem in de tekst. Buiten
dit alles moeten we ook constateren dat �lamo� in Jesaja 44:15 ook wordt
gebruikt als enkelvoud: �asahu pesel wajjisgar lamo� (hij maakt er een beeld
van en buigt ervoor neer). Waarom wordt er dan zo�n probleem gemaakt over
�lamo� in Jesaja 53?
Bemotaaw:
Hier geldt eigenlijk hetzelfde tegenargument als bij �lamo�. Bemotaaw is
een meervoudsvorm en natuurlijk past Yeshua niet, want hij is slechts ��n
persoon, aldus de tegenstanders van de Messiaanse lezing. Maar ook hiervan komen
we soortgelijke toepassingen tegen in de Tenach, waar het betrekking heeft op
��n persoon. In Ezechi�l 28:8 zien we �wamata memotei chalal
belev jajim� (en gij zult de bittere dood sterven der gesneuvelden, midden
in de zee) Zie ook Ezechi�l 28:10 �motei arelim tamut� (de
dood der onbesnedenen zult gij sterven). Dus beiden in meervoud en beiden
betrekking hebbende op het sterven van ��n persoon. Nogmaals: waarom is dit
dan een probleem in Jesaja 53?
Dood
en opstanding: In vers 10 wordt onomstotelijk gesproken over de knecht
die zijn leven als een schuldoffer zal afleggen en dus zal sterven en dat hij
darna nakomelingen/volgelingen zal zien. Dit kan alleen gebeuren door een
opstanding na zijn dood. Vaak wordt gezegd dat vers 10 voorwaardelijk is vanwege
het woordje �im�. Uit vers 12 blijkt dat hiervan geen sprake is. Vers 12 is
afhankelijk van vers 10 en zonder vers 10 kan er geen vers 12 plaatsvinden.
Aangezien dit een profetie is, zal het zeker gebeuren. Uit niets blijkt dat dit
een voorwaardelijke vers is. Er wordt trouwens in allerlei bewoordingen
duidelijk gemaakt dat de knecht in kwestie zal sterven: zijn buitensporig lijden, afgesneden
van het land der levenden, als een lam ter slachting, bij de rijken in zijn
graf, zijn ziel als schuldoffer, zijn leven uitgegoten in de dood. En toch zal
hij daarna volgelingen zien en worden zijn dagen verlengd. Het woordje �im�
kan bovendien ook als �wanneer� worden verstaan en dus als zodanig worden
vertaald. We zien hiervan voorbeelden in onder andere Jesaja 4:4 en 24:13. In
die verzen is het geen dingen die zouden kunnen gebeuren, maar
dingen die zullen gebeuren.
God
de buit toebedelen aan God?: Bij dit concept
verwijs ik iedereen graag naar mijn eerdere essay over de goddelijkheid
van Yeshua. Wat ik me afvraag is waarom het in de Tenach geen afgoderij wordt
genoemd wanneer Mal�ach ADONAI (de Engel des HEREN) wordt ge�dentificeerd
als God, maar mensen als Eliyahu hoog van de toren blazen dat wij ons schuldig
maken aan afgoderij wanneer wij Yeshua identificeren als God.
Knecht:
Er wordt vaak geroepen dat de knecht hier Isra�l is, omdat Isra�l vaak
Gods knecht wordt genoemd. Dat is hetzelfde als zeggen: �Een uil heeft 2
vleugels, een scherpe snavel en scherpe klauwen, en dus is alles dat aan deze
omschrijving voldoet, is een uil.� Het is nu eenmaal een feit dat Isra�l niet
de enige is die door Jesaja en de andere profeten �knecht� wordt genoemd. Maar indien de Messias van God
uitgaat, hoe kan hij dan niet Gods knecht zijn? De Messias wordt zoveel namen
toebedeeld: Shilo, Pele Yo�ets, El-Gibbor, Avi ad, Sar Shalom, Immanuel,
Tsemach, YHWH-Tsidukeinu, David, Yinnon, Isra�l (Jesaia 49:3; deze knecht moet
Isra�l doen terugkeren tot God. Dit gaat duidelijk niet Isra�l zelf doen, maar
dat is iets dat de Messias zal doen. Hij is het die Gods heil tot �het einde
der aarde� zal doen gaan). In Zacharia 3 wordt de Messias ook �Mijn knecht,
Tsemach� genoemd. Dus wanneer er wordt gesproken over een "knecht" dan wil het niet pers� zeggen dat het om Isra�l gaat.
De
spreker: Het traditionele standpunt is dat er hier in het hoofdstuk door
Jesaja wordt gesproken voor de heidense koningen. Met andere woorden; degenen
die in dit hoofdstuk worden geciteerd zijn de koningen van de nati�n. Dit is
een uiterst merkwaardige lezing van dit hoofdstuk. Dus volgens traditioneel
jodendom zijn van Jesaja 53:1-10 de koningen de sprekers en in Jesaja 52:13-15
en 53:11+12 spreekt God. Waar blijkt dit uit? Waar blijkt het uit dat in 53:1-10
de heidense koningen de sprekers zijn? Dat blijkt nergens uit. Er is een trent
in de Bijbel dat als de profeten de heidenen citeren, dan geven ze dat duidelijk
aan! Voorbeelden te over: Jesaja 2:3; 20:6; Jeremia 16:19; 22:8+9. Hier is dat
echter ver te zoeken. Feit is natuurlijk dat wanneer Jesaja het heeft over
�mijn volk�, hij ook daadwerkelijk zijn volk bedoeld, namelijk Isra�l. Het
concept dat de heidense koningen hier spreken lijkt sterk op niets minder dan
wishful thinking.
Volgens
Eliyahu is hier Isra�l zelf de spreker en lijdt Isra�l hier voor haar eigen
zonden, wat dus inhoudt dat Isra�l onrechtvaardig is. Volgens Eliyahu is Isra�l
zowel �hij� als �ons� alsook �wij� alsook �hem� alsook
�zijn�. Hoe geforceerd wil je het hebben? Ik raad iedereen aan om de tekst
nog eens te lezen en bij iedere verwijzing naar de knecht �n de sprekers
�Isra�l� te lezen en zie wat voor een absurde tekst je krijgt. De Isra�l-visie
gaat helemaal scheef, want als Isra�l wordt gestraft voor zijn eigen zonden,
dan wordt Isra�l niet rechtvaardig of genezen. Het krijgt de straf en mag het
daarna gewoon weer opnieuw proberen. Is het werkelijk zo dat Isra�l, door te
worden geslagen voor haar eigen zonden, genezing ontvangt, vrede ontvangt, niet
protesteert wanneer ze gebukt gaat onder vervolging, bidt voor vergeving voor degenen die haar vervolgen, etc.?
Ik
heb vele discussies gevoerd met anti-missionaries op engelstalige sites, die
volhouden dat het hoofdstuk niet spreekt over plaatsvervangend, verzoenend
lijden. Het hoofdstuk zou gaan om de knecht (dus Isra�l), die dus onder de ongerechtigheden
van de volken (lees: verdrukking van de volken) gebukt gaat en ondanks deze verdrukking, door gebed de volken
rechtvaardigt. Dit is echter een latere interpretatie. De oorspronkelijke Isra�l
lezing van Rashi geeft aan dat het niet de gebeden zijn, maar het lijden van de
knecht de doorslag geeft voor de genezing en welzijn van de spreker. Dit is ook
precies de boodschap die we ook terugvinden in dat hoofdstuk. Iemand lijdt dat
heeft als uitwerking dat �wij� genezing ontvangen, dat �wij� vrede
ontvangen, dat �wij� gerechtvaardigd worden. Dit is een visie dat heden
echter door anti-missionaries wordt ontkend. Zij zeggen dat er niets bestaat als
�plaatsvervangend lijden�, dat dit een "christelijk verzinsel" is dat niets met het traditionele jodendom te maken heeft (terwijl we bulken van de rabbijnse literatuur waar dit gedachtegoed juist wordt gepromoot, maar goed...). Maar dat is toch precies wat Jesaja hier probeert
duidelijk te maken. Niet hij alleen zegt dit, maar ook niemand minder dan Rashi
spreekt hen tegen. Rashi zegt dat het lijden van de knecht genezing brengt voor
de naties. Als dit zo is dan kunnen we stellen dat dit voor Isra�l een
theologisch onmogelijke taak is.
De
Tora leert namelijk dat, wanneer Isra�l rechtvaardig zou zijn en naar God zou
luisteren, Isra�l de hoogste van alle volken zou zijn, het voorspoedig
zou zijn, het nooit zou worden overwonnen door haar vijanden. Maar als het dat niet
zou doen, dan zou het allerlei tegenspoed te wachten staan. Dus daarom kan het
niet zo zijn dat Isra�l hier lijdt. Dat zou tegen het verbond zijn dat God met
ons gesloten heeft. Als wij rechtvaardig zouden zijn, zoals de knecht hier dus
is, zou de knecht niet kunnen lijden, maar zou hij alleen maar voorspoed
moeten kennen, anders is er van de beloften in de Tora niets waar.
Bovendien
werkt deze lezing jodenvervolging in de hand. Hoe kan men volhouden dat het
lijden van Isra�l, genezing zal brengen voor de naties? Dat is eigenlijk zeggen
dat elke keer, dat er een bus in Isra�l wordt opgeblazen, de Palestijnen dus
genezing ontvangen? Dat de Holocaust een massale genezings ceremonie is geweest,
dat de kruistochten en pogroms eigenlijk rechtvaardiging hebben gebracht aan de
beesten die eraan meededen? Hoe absurd en onhoudbaar is deze lezing! Hoe zit het
met de lezing dat het hier gaat om het �rechtvaardig overblijfsel� van Isra�l?
Dan zoeken ze toch gewoon telkens religieuze joden uit om te pijnigen?
En
hoe zit het met de positie van de anti-missionaries, dat de knecht door zijn
gebeden de goyim (heidenen) rechtvaardigt (naar vers 12). Ten eerste is het vaak
zo dat, wanneer een jood een orthodoxe levensstijl erop nahoudt, hoe meer hij
een teruggetrokken leven op nahoudt ten opzichte van de niet-jood. Men krijgt over het algemeen juist de indruk dat de goy juist slechts gemaakt is om de dingen te doen die wij niet mogen doen op de Shabbat. Je komt ook weinig orthodoxe joden tegen die zich echt bekommeren om het lot van de goy, hoe godvrezend de orthodoxe jood ook is. Je krijgt er een sterk "eigen-volk-eerst-gevoel" erbij. Goyim worden eerder vermeden dan wat anders. Ten tweede
ben ik ook niet op de hoogte van gebeden van joden voor de landen waarin zij
vervolging ondergaan. Gebeden voor vergeving van hun vervolgers. Daar gaat het
hier om en niet om gebeden voor het welzijn en voorspoed (materieel) van de landen waar ze in
leven. Bovendien hebben we een getuigenis uit de Tenach dat juist met de
verdrukkers van Isra�l zal worden afgerekend door God. In Zefanja 3 lezen we
het volgende met betrekking tot het rechtvaardig overblijfsel:
19 Zie,
Ik zal te dien tijde afrekenen met al uw verdrukkers,
maar Ik zal het hinkende verlossen en het verstrooide zal Ik verzamelen; Ik zal
tot een lof en tot een naam stellen hen, wier schande was over de gehele aarde.
Dus
in plaats van genezing, vrede, rechtvaardiging en verzoening krijgen de
verdrukkers van het rechtvaardig overblijfsel er gewoon van langs.
Buiten dat wil ik toch vooral de aandacht vestigen op de volgende zienswijze van de anti-missionaries: Zij gebruiken Jesaja 53 als zou het spreken over de verdrukking die Isra�l heeft ondergaan door de tijden heen, zoals de inquisitie en de holocaust, etc. Hun zienswijze is dat de volken inzien dat Isra�l al die tijd heeft geleden door hun eigen slechtheid in tegenstelling tot wat zij al die tijd dachten, namelijk, dat het God was die hun dit alles deed overkomen. Zij zijn van mening dat dit hoofdstuk omschrijft hoe de volken er eindelijk achter komen dat het niet God was, maar de volken zelf en dat God boos is op hen en de volken hiervoor zal straffen. Maar kijk naar wat vers 6 en 10 zeggen:
6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen
weg, maar de HERE
heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen.
10 Maar het behaagde de HERE hem te
verbrijzelen. Hij maakte hem ziek.
We zien hier een paar dingen:
1
God heeft weldegelijk dit alles op de knecht doen komen.
2
Het heeft God weldegelijk behaagd om de knecht dit alles te laten doorstaan.
Dit alles dus in tegenstelling van wat de anti-missionaries willen doen geloven. Had God een behagen in de Holocaust en de inquisitie? Onmogelijk! Dus het is niet de slechtheid van de volken waarover Jesaja het hier heeft, maar over de wil van de Eeuwige en hoe Hij die door Zijn knecht tot uiting brengt. Wat is dan Zijn wil? Het duidelijk plaatsvervangend lijden en sterven van Zijn knecht dat anderen ten goede komt. D�t is de boodschap van Jesaja 53!
Context van de
Knecht des HEREN:
Zoals iedereen weet is �Jesaja 53� de vierde van de profetie�n over de Knecht des HEREN. De andere drie profetie�n zijn 42:1-7, 49:1-7 en 50:4-11. Wat opmerkelijk is, is dat, wanneer je de vier profetie�n over de Knecht achter elkaar zet, je ��n geheel krijgt. ��n geheel over die Knecht en wat hij zal doen. Wat ook opvallend is, is dat ze totaal niet in hun context passen! De context gaat onomstotelijk over Isra�l. Lees de profetie�n in hun context met de hoofdstukken er omheen en je krijgt het idee dat de profeet van de hak op de tak springt. Maar sla je de profetie�n over dan krijg je weer ��n geheel. De profetie�n gaan over iemand heel anders! Ik heb de profetie�n hieronder geplaatst. De blauwe tekst zijn de woorden van de Eeuwige, de blauw schijngedrukte tekst zijn de woorden van de knecht en de rest van de tekst zijn de woorden van Jesaja zelf.
Eved
Adonai
1 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. 2 Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. 3 Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. 4 Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten. 5 Zo zegt God, de HERE, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen: 6 Ik, de HERE, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der nati�n: 7 om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.
1 Hoort naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij nati�n in de verte. De HERE heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld. 2 En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw zijner hand verborg Hij mij. Hij maakte mij tot een puntige pijl, in zijn pijlkoker stak Hij mij. 3 En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, Isra�l, in wie Ik Mij zal verheerlijken. 4 Doch ik zeide: Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt. Evenwel, mijn recht is bij de HERE en mijn vergelding is bij mijn God. 5 Maar nu zegt de HERE, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht, om Jakob tot Hem terug te brengen en om Isra�l tot Hem vergaderd te doen worden � en ik werd ge�erd in de ogen des HEREN en mijn God was mijn sterkte � 6 Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Isra�l terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde. 7 Zo zegt de HERE, Isra�ls Verlosser, zijn Heilige, tot de diep verachte, de bij het volk verafschuwde, de knecht van heersers: Koningen zullen dit zien en opstaan; vorsten, en zich nederbuigen, ter wille van de HERE, die getrouw is, de Heilige Isra�ls, die u verkoren heeft.
4 De Here YaHWeH heeft mij als een leerling leren spreken om met
het woord de moede te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij
het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. 5 De Here YaHWeH heeft mij het oor geopend en ik ben niet
weerspannig geweest, ik ben niet teruggedeinsd. 6 Mijn
rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard
uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel. 7 Maar
de Here YaHWeH helpt mij, daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn
gelaat als een keisteen, want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden. 8 Hij
is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren?
Laten wij samen naar voren treden. Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn?
Hij nadere tot mij. 9 Zie, de Here YaHWeH helpt mij, wie zal mij dan schuldig
verklaren? Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren. 10 Wie onder u vreest de HERE,
wie hoort naar de stem van zijn knecht? Wanneer hij in diepe duisternis wandelt,
van licht beroofd, vertrouwe hij op de naam des HEREN en steune op zijn God. 11 Zie,
gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust, gaat in de vlam van uw
eigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt. Van mijn hand
overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggen.
13 Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten
hoogste verheven zijn. 14 Zoals
velen zich over u ontzet hebben � zozeer misvormd, niet meer menselijk was
zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte � 15 z�
zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat
hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij. 1 Wie
gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN
geopenbaard? 2 Want
als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre
aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch
gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd
met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en
wij hebben hem niet geacht. 4 Nochtans,
onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter
hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. 5 Maar
om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld;
de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons
genezing geworden. 6 Wij
allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller
ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij
werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als
een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn
scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 8 Hij
is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht,
dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk
is de plaag op hem geweest. 9 En
men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat
hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. 10 Maar
het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten
schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven
hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand
voortgang hebben. 11 Om
zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal
mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden
zal hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen
zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en
onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor
de overtreders gebeden heeft.
Jesaja zonder Eved Adonai
25 Ik heb uit het
noorden iemand doen opstaan, en hij is gekomen; vanwaar de zon opgaat, die mijn
naam aanroept; hij vertreedt stadhouders als leem, zoals een pottenbakker de
klei. 26 Wie heeft het van de aanvang af
bekendgemaakt, zodat wij het weten? En tevoren, zodat wij moeten zeggen: Hij
heeft gelijk? Neen, niemand heeft het bekendgemaakt, niemand heeft het doen
horen, niemand heeft u daarover horen spreken. 27 Als
eerste (verkondig Ik) aan Sion: Zie, daar zijn zij � en aan Jeruzalem geef Ik
een vreugdebode. 28 Zie Ik rond, dan is er niemand;
en zie Ik naar hen, dan is er geen raadsman, dat Ik hun zou kunnen vragen en zij
Mij antwoord zouden kunnen geven. 29 Zie, zij allen
zijn nietigheid; niets zijn hun werken, wind en ijdelheid hun gegoten beelden�
8 Ik
ben de HERE, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn
lof aan de gesneden beelden. 9 Het
vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij
uitspruiten, doe Ik ze u horen. 10 Zingt
de HERE een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart
en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners. 11 Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar
woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen. 12 Laten
zij de HERE eer geven en zijn lof in de kustlanden vermelden.
------------------------------------
20 Trekt uit Babel,
ontvlucht de Chaldee�n. Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen,
verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De HERE heeft zijn knecht Jakob
verlost. 21 Zij
leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde; Hij deed voor hen
water uit de rots stromen; Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide. 22 De
goddelozen, zegt de HERE, hebben geen vrede...
8 Zo
zegt de HERE: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten dage des heils
heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk
om het land weder te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel
te maken, 9 om
tot de gevangenen te zeggen: Gaat uit! tot hen die in de duisternis zijn: Komt
te voorschijn! Aan de wegen zullen zij weiden, op alle kale heuvels zal hun
weide zijn; 10 zij
zullen hongeren noch dorsten, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen,
want hun Ontfermer zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen. 11 En
Ik zal al mijn bergen tot een weg maken en mijn heerbanen zullen opgehoogd
worden. 12 Zie,
dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit
het land Sinim. 13 Jubelt,
gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de
HERE heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd. 14 Maar
Sion zegt: De HERE heeft mij verlaten en de HERE heeft mij vergeten. 15 Kan
ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het
kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet. 16 Zie,
Ik heb u in mijn handpalmen gegrift, uw muren zijn bestendig v��r Mij. 17 Uw
zonen snellen toe, uw vernielers en uw verwoesters trekken van u weg.
------------------------------------
1 Zo zegt de HERE:
Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? Of wie
van mijn schuldeisers is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw
ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder
verstoten. 2 Waarom
was er niemand, toen Ik kwam, en antwoordde niemand, toen Ik riep? Is mijn hand
dan werkelijk te kort om te verlossen, of is er in Mij geen kracht om te redden?
Zie, door mijn dreigen leg Ik de zee droog en maak Ik rivieren tot een woestijn;
hun vis wordt stinkend, omdat er geen water is, en sterft van dorst. 3 Ik
kleed de hemelen in het zwart en geef hun een rouwgewaad tot bedekking...
1 Hoort
naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de HERE zoekt. Aanschouwt de
rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt;
2 aanschouwt
Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde; want Ik riep hem als eenling en Ik
zegende hem en vermenigvuldigde hem. 3 Want
de HERE troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als
Eden en haar wildernis als de hof des HEREN; blijdschap en vreugde zullen er
gevonden worden, loflied en geklank van gezang. 4 Luistert
naar Mij, mijn volk, en mijn natie, neig uw oor tot Mij. Want een wet zal van
Mij uitgaan en mijn recht zal Ik stellen tot een licht der volken. 5 Mijn
zege is nabij, mijn heil treedt te voorschijn, en mijn armen zullen de volken
richten; op Mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen. 6 Heft
uw ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel verdwijnt
als rook, de aarde vergaat als een kleed en haar bewoners sterven als muggen,
maar mijn heil duurt eeuwig en mijn gerechtigheid wordt niet verbroken.
------------------------------------
7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de
vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil
verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. 8 Hoor,
uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien
zij, hoe de HERE naar Sion wederkeert. 9 Breekt
uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de HERE heeft
zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. 10 De
HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden
der aarde zullen zien het heil van onze God. 11 Vertrekt,
vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar
midden, reinigt u, gij die de vaten des HEREN draagt. 12 Want
niet overhaast zult gij uittrekken en niet in vlucht heengaan: de HERE immers
gaat voor u heen en uw achterhoede is de God van Isra�l�
1 Jubel,
gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die
geen wee�n gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de
kinderen der gehuwde, zegt de HERE. 2 Maak
de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er
niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. 3 Want
naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit
nemen en de verwoeste steden bevolken. 4 Vrees
niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult
niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de
smaad van uw weduwschap niet meer denken.
Hier vinden jullie een boel rabbijnse bronnen die aangeven dat de Messiaanse lezing gebruikelijk is geweest binnen hun kringen en dat het verschil tussen midrash lezingen nagenoeg even gezaghebbend werd beschouwd als de p�shat lezingen, terwijl dit nu juist zoveel mogelijk gebagatelliseerd wordt. Jullie vinden deze informatie in de Eved ADONAI sectie. De bronnen zijn dan wel allemaal van mening dat het niets met Yeshua te maken heeft, maar ze passen het wel toe op de Messias. Ik plaats ook de Targum Y�honatan zodat iedereen kan zien dat het daar niet m.b.t. Israel wordt ge�nterpreteerd, wat anti-missionaries toch echt beweren. Ik sluit graag af met een opmerkelijke citaat uit de Zohar, het belangrijkste boek uit de Joodse mystiek, en laat jullie zelf beslissen of het concept "plaatsvervangend/verzoenend lijden" een "christelijke uitvinding" is of gewoon een leer is die centraal staat in de Bijbel en in traditioneel joodse leer:
The children of the world are members
of one another. When the Holy One desires to give healing to the world
,he
smites one just man among them, and for his sake heals all the rest. From were
do we learn this? From the saying, "He was wounded for our transgressions,
bruised for our iniquities"[Jesaja
53:5!], i. e. , by the letting of his blood--as when a
man bleeds his arm--there was healing for us--for all the members of the body.
In general a just person is only smitten in order to procure healing and
atonement for a whole generation.
Nakdimon