Ontstaan van leven

Een van de theorieën over het ontstaan van leven, is de theorie dat leven kan ontstaan uit levenloze stof: Generatio spontane. De theorie stamt al uit de oudheid. Aristoteles meende dat allerlei dode of levenloze materialen sluimerende levenskrachten bezitten. Als de omstandigheden gunstig zijn, dan ontwaken de levenskrachten. De levenskracht zou in staat zijn om een reeks van gebeurtenissen op gang te brengen die er uiteindelijk toe leiden dat ‘leven’ ontstaat. Aristoteles meende dan ook dat levenskrachten binnen een kippenei de ontwikkeling van ei tot kuiken opgang brengen.

Aanhangers van generatio spontane waren er van overtuigd dat uit een individu van een bepaalde soort levende wezens van een geheel andere soort konden ontstaan. Zo meende Plinius dat eendenmossels aan bomen groeiden. Reizigers die met de Oriënt-express mee waren geweest kwamen met verhalen naar huis over ganzebomen, bomen die volledig ontwikkelde ganzen voortbrachten. Het idee van een ganzeboom heeft tot in de 19de eeuw standgehouden.

Er werden zelfs experimenten uitgevoerd die generatio spontane aantoonde. De zeventiende-eeuwse onderzoeker Van Helmont toonde aan dat uit tarwekorrels muizen voortkwamen . In een experiment had Van Helmont een pot met tarwekorrels gevuld en over de pot een vuil oud hemd gespannen. Toen hij na enige tijd het hemd verwijderde, sprongen hem de muizen tegemoet. Van Helmont geloofde in de levenskracht van het menselijke zweet, die er toe leidde dat uit de tarwekorrels muizen konden ontstaan.

Rond 1650 was Redi de eerste die twijfelde aan de theorie van generatio spontane:

Het is mijn overtuiging dat de aarde, nadat op bevel van de hoogste en almachtige Schepper de eerste planten en dieren geschapen waren, eigenlijk nooit meer welke plant of welk dier dan ook heeft voortgebracht.

Deze onderzoeker uit Florence voerde verschillende proeven uit die betrekking hebben op het ontstaan van maden. Maden die volgens de toen geldende opvatting zo maar ontstonden uit rottend vlees, waren volgens Redi het resultaat van geslachtelijke voortplanting. Volgens hem kon leven dan ook alleen maar uit reeds bestaand leven ontstaan. Dit wordt de theorie van de biogenese genoemd. Redi had vlees in drie potten gelegd, de eerste pot was van boven open, de tweede was afgedekt met papier en de derde met een fijn gaas dat de vliegen weghield van het vlees. Vliegen legde hun eieren op het vlees in de eerste pot, waar vervolgens maden uit te voorschijn kwamen. In de twee ander potten groeiden niet spontaan maden. De vliegen werden echter wel aangetrokken door het vlees in de pot die werd afgedekt door het gaas. Vliegen legde vervolgens hun eieren op het gaas, die tot maden ontwikkelden. De maden in het vlees verschenen dus niet spontaan, maar uit de eieren van de vliegen.

Door de ontdekking van micro-organismen door Van Leeuwenhoek in 1676 deed de discussie opnieuw oplaaien. Er werd aangenomen dat micro-organismen voortkwamen uit generatio spontane, ondanks dit bij grotere organismen niet het geval was. In 1748 publiceerde de Engelse priester John Needham (1713-1781) zijn experimenten die generatio spontane bevestigden. Hij had het vleesnat van schapenvlees gekookt en deze in kolven gestopt die met een stop werden afgesloten. Na verloop van tijd werd de inhoud van veel van de kolven troebel en bevatte micro-organismen. Hij dacht dat het organisch materiaal de levenskracht was die tot ontstaan van de micro-organismen in de levenloze oplossing mogelijk maakte. Enkele jaren later verbeterde de Italiaanse priester Lazzaro Spallanzani (1729-1799) de experimentele proefopstelling van Needham. Hij vulde enkele glazen vaten met een groente aftreksel en sloot deze hermetisch af. Vervolgens liet hij de vaten in de afgesloten vaten voor drie kwartier koken. De vaten werden weggezet, bleven helder en vrij van micro-organismen. Hij stelde dat de lucht de kiemen bevatte die tot het bederf van het groente aftreksel zouden leiden, of dat micro-organismen in het aftreksel buitenlucht nodig hebben om zich te kunnen vermeerderen. De aanhangers van generatio spontane hielden echter vol dat door het verhitten van de lucht in de hermetisch gesloten vaten de levenskrachten in de vaten vernietigd waren.

Pas omstreeks 1860 was het Louis Pasteur een einde maakte aan het idee van generatio spontane. Hij toonde aan dat overal in de lucht, bodem en het water micro-organismen aanwezig zijn.

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1