Louis Pasteur (1822-1895)
Louis Pasteur was afkomstig uit een eenvoudig gezin. Zijn wetenschappelijke carrière begint in 1848 met onderzoek aan stereoscopie in wijnsteenzuur kristallen.
In 1854 wordt hij tot hoogleraar in de scheikunde aan de universiteit van Lille benoemd. Totdat hij in 1857 directeur voor natuurwetenschappelijk onderzoek wordt aan de École Normale in Parijs. In Lille wordt hij betrokken bij praktische problemen uit de chemische industrie zoals productiestoornissen in gisting bietsuiker tot alcohol. Pasteur toont dat de gisting behalve alcohol ook melkzuur oplevert. Hij toonde aan dat er soorten organismen suiker omzetten. Pasteur ontwikkelt de techniek van pasteurisatie waardoor besmetting van de alcohol kan worden voorkomen: de oplossing wordt verhit in zuurstofloze omgeving tot 55 oC, waardoor de microben onschadelijk gemaakt worden.
Pasteur raakt verzeilt in het debat over generatio spontane met Felix Pouchet. Pouchet meent te hebben aangetoond dat primitieve levende organismen spontaan ontstaan in niet-levende organische mengsels. Volgens Pasteur kunnen microben niet in gesteriliseerde oplossingen van organische stoffen ontstaan, mits zorgvuldig afgesloten van besmetting met microben van buitenaf. Een openbare demonstratie in 1861 mondt uit in een overwinning Pasteur, wanneer Pouchet zich halverwege terugtrekt. Pasteur liet met behulp van elegante experimenten zien dat voedingsoplossingen bederven doordat deze worden blootgesteld aan microben en dat niet gebeurt door blootstelling aan de lucht. Wanneer een voedingsoplossing gekookt wordt en deze wordt rechtstreeks in contact kan komen met de buitenlucht (links in de figuur), dan bederft de voedingsoplossing, maar wanneer er op de kolf een bochtige hals wordt gezet die van boven open is (rechts in de figuur), dan bederft de oplossing niet ondanks dat de buitenlucht bij de oplossing kan komen. Pasteur toonde aan dat microben de voedingsoplossing niet konden bereiken, maar vast bleven zitten in de bochten van de hals en dat daarom de oplossing niet kon bederven. Deze gebeurtenis wordt vaak gezien als een overwinning moderne laboratoriumtechnieken op de oude, op naïeve observatie gebaseerde, natuurlijke historie.
In dezelfde tijd maakt Pasteur eerste begin van onderzoek naar de rol van microben als ziektekiemen. In 1865 krijgt hij opdracht ziekte van zijderupsen te onderzoeken, vijf jaar later vindt hij twee microben die verantwoordelijk zijn. Rond 1880 ontdekt hij dat kippen die ingespoten werden met oude cultuur van cholerabacillen niet ziek worden, ook niet wanneer ze vervolgens een injectie kregen met een verse cultuur. Volgens Pasteur was de oude cultuur, een tijd aan de lucht blootgesteld, door zuurstof afgezwakt en niet meer virulent genoeg om ziekte te veroorzaken; maar leefde wel in kip waar het voedingsstoffen voor mogelijke virulente bacillen verteerde. Op basis van hetzelfde principe wordt in 1881een vaccin tegen miltvuur ontwikkeld. Het onderzoek van hondsdolheid langs vergelijkbare lijnen blijkt lastig, want de verantwoordelijke microbe blijkt niet te kunnen worden geïsoleerd (we weten nu dat een virus verantwoordelijk is en die waren met de toenmalige microscopen niet waarneembaar). Pasteur zag wel kans hondsdolheid kunstmatig over te brengen door hersenweefsel van overleden honden in te spuiten onder de schedel van een ander dier. Experimenteel onderzoek levert een methode om de cultuur af te zwakken: bij opeenvolgende overbrenging van kleine knaagdieren wordt het preparaat virulenter, bij apen juist zwakker. In 1884 volgt een openbare demonstratie van de werkzaamheid van het vaccin bij honden; in 1885 de redding twee mensen (Joseph Meister en Jean-Baptiste Jupille). Het is een sensatie en Pasteur wordt een held. In 1888 wordt het Institut Pasteur opgericht en hij wordt na zijn dood bijgezet in een indrukwekkende tombe.
Er zit een logische samenhang tussen de verschillende ontdekkingen die hij in de loop van zijn carrière deed. Zijn onderzoek kwam voort uit de overtuiging dat leven fundamenteel asymmetrisch is en er in die zin diepe kloof is tussen organisch en anorganisch. Daarom kunnen er geen organismen spontaan uit (dood) organisch afval ontstaan, daarom is gisting geen chemisch proces maar een gevolg van de stofwisseling van microben, daarom zijn microben de oorzaak en niet het gevolg van ziekte.