
Evolutie
Evolutie komt van het Latijnse woord evolutio en betekent ‘ontrollen’ of ontwikkelen. In de oudheid werd er op perkament geschreven, dat opgerold bewaard werd. Om het geschrift te lezen moest het document ‘ontrold’ worden. Dat ontrollen werd door Cicero evolutio genoemd. In de 4de eeuw werd evolutio door Sint Augustinus gebruikt voor ‘ontwikkelen’ van leven. Hij dacht dat er in de lucht talloze levenskiemen rondzweefden, welke bij de schepping geschapen waren. Deze levenskiemen waren levende wezens op microformaat die door evolutio tot hun volle omvang uitgroeide.
In de oudheid gingen sommige er van uit dat er in de loop van de tijd levende wezens ontstonden uit sterk verschillende stamouders. Anaximandros meende bijvoorbeeld dat landdieren voortkwamen uit waterdieren en mensen uit haaiachtigen. Empedokles onderscheidde het ontstaan van levens uit ‘gelijken’ en het ontstaan van leven uit ongelijken
Met het ontstaan uit gelijken bedoelde hij de voortplanting bij hogere dierenbij het ontstaan uit ongelijken gaan zonnewarmte, aarde en regenwater samen, waaruit leven ontstaat. Lagere planten ontstaan uit het samengaan van ongelijken, uit de lagere planten ontstaan de hogere planten, waar weer de dieren uit ontstaan. Achteraf kan dit gezien worden als een voorloper van het 19de eeuwse evolutieconcept.
Door een verbeterd inzicht in de samenhang van de fossielen werd er in de 18de eeuw begonnen met het verder uitbouwen van de evolutiegedachten. Een van de schrijvers over de evolutie uit die tijd was Buffon. Hij stelde dat door invloeden van het milieu lichaamseigenschappen zich wijzigen. Nakomelingen van zulk beïnvloede dieren nemen de aangepaste en onaangepaste eigenschappen van de ouders over. Wanneer de milieu-invloeden die hadden geleid tot die aanpassingen lang genoeg aanhouden, dan worden de ouderlijke kenmerken erfelijk. Daarom worden generaties van nakomelingen blijvend anders dan de stamouders. Dit proces werd transformisme genoemd. Volgens Buffon kon worden aangenomen dat alle levende organismen op aarde voort waren gebracht uit een levend wezen.
Maupertuis (1698-1759), een tijdgenoot van Buffon, dacht dat nakomelingen alle ouderlijke eigenschappen erven, omdat met de ouderlijke zaadvloeistoffen uiterst kleine kiempjes worden overgebracht, die deze eigenschappen bevatten. Als er bij het transport van eigenschappen iets hapert, dan zal de nakomeling verschillen van het ouders. Hij stelde in 1751 dat hierdoor uit twee ouderexemplaren een veelvoud van sterk verschillende soorten kan voortkomen. Door herhaaldelijke ‘foutjes’ in de overdracht van de zaadvloeistoffen kan de grote verscheidenheid die we in de dierenwereld zien, verklaard worden.
Erasmus Darwin (1731-1801), de grootvader van Charles Darwin, schreef in zijn boek, Zoonomia 1794, dat de Christelijke berekening van het tijdstip van het begin van de aarde (4004 v. Chr.) fout was. Hij stelde dat de aarde miljoenen eeuwen oud was en dat de evolutie van microscopisch kleine zeediertjes tot mens ongeveer 500 miljoen jaar had gevergd. Zijn boek was een bestseller en werd in drie talen vertaald, maar het boek werd door het Vaticaan echter verboden.
In het begin van de 19de eeuw publiceerde Jean-Baptiste de Lamarck zijn evolutietheorie onder de titel Philosophie Zoologique (1809). Lamarck was van mening dat verschillende typen dieren met hun verschillende mate van complexiteit een opeenvolgende reeks van opeenvolgende evolutionaire veranderingen vertegenwoordigen. Hij meende dat de meest eenvoudige organismen door generatio spontane waren ontstaan uit niet levende dingen. Vervolgens werd het organisatieniveau van organismen steeds ingewikkelder, totdat de veronderstelde perfectie van de mens was ontstaan. Dit lijkt in veel opzichten op de filosofie van Empedokles. Aanvankelijk vond zijn theorie weinig weerklank, mede door het gebrek aan bewijsmateriaal voor de mechanismen die deze veranderingen stuurden. Lamarck suggereerde dat de dieren op een steeds hogere sport van de evolutieladder kwamen te staan, doordat zij steeds beter wilde zijn, de drang tot verbetering was de motor achter de evolutie. Lamarck zag wel dat er geleidelijke veranderingen leidden tot betere aanpassingen aan de omstandigheden, maar hij zag nog niet op welk mechanisme dit berustte.
Het waren Charles Darwin en Alfred Russell Wallace die, onafhankelijk van elkaar in 1858 in een gezamenlijke publicatie, de verklaring gaven voor de drijvende kracht achter de evolutie: natuurlijke selectie.
Natuurlijke selectie werd door Darwin als volgt samengevat:
De organismen die we nu zien, zijn niet zo geschapen zoals we ze nu zien, maar stammen af van soorten die voor hen hebben geleefd.
Er worden meer organismen voortgebracht dan dat er mogelijkerwijs kunnen overleven, de meeste sterven voordat zij geslachtsrijp zijn en vele die overleven slagen er niet in zich voort te planten. Individuen zijn constant in strijd met elkaar en daarbij vaak ook nog tegen ongunstige milieuomstandigheden, om te kunnen overleven. Dit wordt ‘The struggle for life’ genoemd.
De fysieke eigenschappen van de individuen binnen een soort verschillen onderling sterk en veel van deze verschillen zijn erfelijk bepaald.
Sommige eigenschappen zijn meer geschikt voor de heersende milieuomstandigheden en individuen met deze eigenschappen zijn beter aangepast aan de omgeving.
Organismen die beter zijn aangepast hebben meer overlevingskansen en kans om zich voort te planten. Dit staat bekent onder ‘survive of the fittest’.
In de loop van de tijd kan natuurlijke selectie zorgen voor, op de eerste plaats veranderingen in bestaande soorten en op de tweede plaats voor het ontstaan van nieuwe diersoorten uit soorten die ervoor geleefd hebben.
Het jaar na de gezamenlijke publicatie, publiceerde Darwin zijn boek origin of Species by means of Natural Selection, zijn gedetailleerde boekwerk waarin hij bewijsmateriaal aandroeg voor evolutionaire verandering en natuurlijke selectie. De manier waarop het boek werd ontvangen, leidde er toe dat Darwin als geestelijk vader wordt gezien van de evolutietheorie. De werkelijkheid ligt echter anders.
Een paar jaar na de publicatie van het boek van Darwin On the origin of Spesies by means of Natural Selection, werd het algemeen aangenomen dat organismen evolueren, algemeen geaccepteerd, ondanks de aanvallen van de aanhangers van de traditionele gedachten. De acceptatie van het begrip van natuurlijke selectie doormiddel van overerving, volgde pas veel later.
Het mechanisme van natuurlijke selectie door overerving werd pas duidelijk toen men wist dat alle genetische informatie is vastgelegd in het DNA. DNA bestaat uit een grote reeks van aaneengesloten informatie-eenheden, de stikstofbasen. De volgorde van de stikstofbasen bepaald de erfelijke eigenschappen. De volgorde kan door mutaties worden veranderd. Hierdoor verandert de erfelijke informatie en kunnen de nakomelingen veranderde eigenschappen hebben. Wanneer deze veranderde eigenschappen de organismen betere overlevingskansen geven en waardoor ze meer nakomelingen kunnen krijgen, zullen deze eigenschappen zich verspreiden. Uit meerdere van zulke mutaties ontwikkelen zich uiteindelijk nieuwe soorten.