Rotorua (Nieuw-Zeeland), 17 april 2002

Er was eens een reisgezelschap dat op een dag in de lente besloot de versterkte stad te verlaten en de wijde wereld in te trekken, op zoek naar ongekende en fabelachtige oorden. Freule Annahonde met haar bijna 24 lentes vormde de vrouwelijke helft van het reisduo terwijl we voor de manspersoon, ridder Koenraad, daar 4 levensjaren mogen bijtellen.

Ze vertrokken al voor het kraaien van de hanen met hun knapzak op een stok gebonden. De eerste dag van hun queeste liepen ze ettelijke landmijlen. Hun voetmars bracht hen 's avonds bij een geschikte herberg. De waard leidde de weg naar hun bedstede en schonk alvast een kruik van zijn beste gerstenat in voor onze vermoeide reizigers. Het nachtelijk uur maakte het landschap onherkenbaar. Zo kwam het dat onze helden slechts bij het ochtendgloren ontdekten dat ze al aanbeland waren in de vulkanische streken van Aotearoa. Terwijl ze hun ogen van de slapers ontdeden, ontdekten ze aan de horizon drie reusachtige vuurspuwende bergen. Spoorslags trokken ze hun dikke mantels aan en gingen het avontuur tegemoet. Weldra liepen ze tussen twee vulkanen door en kwamen tot hun verbazing tot vlakbij een krachtige waterval. Even later was de grond onder hun laarzen hard, ruw en zwart geworden. Zo vroeg op hun ontdekkingstocht hadden ze niet zo'n vreemde plek verwacht.

Verder en verder verwijderden ze zich van de stad die ze 'thuis' noemden. Het geborgen gevoel thuis te zijn, vervaagde allengs meer en meer. Hoe verder ze gingen hoe magischer het landschap bovendien werd. Ze zagen eerst een dampend kraterlandschap en de zwavelgeur deed hen denken aan de verhalen over de hel en de duivel die ze zo vaak hadden horen vertellen. Ze zeiden het niet luidop maar ze hoopten beiden dat ze niet aan de hellepoort waren. Met bang hart vervolgden ze hun pad en bereikten zo mogelijk nog mysterieuzere oorden. Dampend water kwam er metershoog uit de grond gespoten, de aarde zelf openbaarde zich in alle kleuren van de regenboog en ook de talrijke poelen vertoonden ongekende tinten. Soms kolkte de modder als een ketel dikke soep en sommige eenzame plekjes waren zo griezelig, met hun slierten rook vlak boven het wateroppervlak, dat Annahonde en Koenraad er zo vlug mogelijk vandaan wilden. In de grond zaten ook vele gaten en spleten waaruit stinkende dampen zich naar buiten persten. "Zelfs voor de grootste alchemist zou dit zijn kennis te boven gaan, zo hoorden we onze vrienden tegen elkaar zeggen.

In dit oord des duivels van zwavelgeuren en kolkend water verlaten we nu Annahonde en Koenraad. Hun zin voor het ongekende en fabuleuze brengt hen ongetwijfeld nog naar andere spannende windstreken maar dat is dan weer voor een andere vertelling...

<<<  |  overzicht  |  >>>

Hosted by www.Geocities.ws

1