|









| |
Deensbont en recessief bont zijn twee veel gebruikte namen voor dezelfde
kleurslag. De naam Deensbont wijst op het land waar deze mutatie het eerst is
ontstaan. De naam recessief bont geeft in feite de overervingwijze aan. In
kwekerskringen worden beide benamingen veelvuldig gebruikt. Behalve recessief
bonten, bestaan er ook dominant bonten. In vraagprogramma's worden dan ook zowel
recessief bonten als dominant bonten gevraagd. Toch is hiermee niet voldoende
onderscheid gemaakt, want er bestaan namelijk twee soorten dominant bont. Om een
duidelijker onderscheid te maken tussen de verschillende bontvormen, heb ik het
land van oorsprong bij de verervingswijze gevoegd. Dit kan ook voordeel hebben
als er ooit een nieuwe bontmutatie zal ontstaan.
De drie erkende bontvormen zijn dan :
. Recessief Deensbont
. Dominant Australisch bont
. Dominant Hollands bont.
Geschiedenis
In 1932 werd in Denemarken op een vogelshow in Kopenhagen in een gemengde volière
een bonte grasparkiet ontdekt en gekocht door de heren K. Riis-Hansen en A.
Reddersen uit Denemarken, die samen een partnership vormden. Het was een
lichtgroene recessief bonte man, zoals later zou blijken. Op advies van C.af
Eneljelm, curator van de dierentuin van Helsinki (Finland), werd deze vogel
gekoppeld aan een blauw overgoten pop, welke de meest geschikte pop leek voor
een testparing. Alle jongen hieruit waren lichtgroen van uiterlijk en split voor
bont en overgoten. Het volgend seizoen werden een deel van de jongen onderling
gekoppeld en één pop werd terug op de vader gezet. Uit deze paringen
verschenen verscheidene lichtgroene en lichtblauwe bonten en sommige hiervan
waren bleek lichtgroen of lichtblauw van kleur. In die tijd realiseerde men zich
nog niet dat dit overgoten bonten waren. Gedurende de oorlog raakte C.af
Eneljelm het zicht op de bonten kwijt en hun aantal verminderde sterk. De beide
oorspronkelijke kwekers stopten met deze kleur en volgens C.af Eneljelm is het
aan de goed bekende Deense kweker Walter Langberg uit Kopenhagen te danken dat
deze kleurslag werd behouden. In Engeland werden de eerste Deensbonten nog een
tijd lang Finse bonten genoemd omdat zij de eerste Deensbonten in Finland
kochten bij de heer C.af Eneljelm uit Finland.
Standaard
Recessief bont in de kleuren: licht-,donker-, en olijfgroen, grijsgroen,
hemelsblauw, kobalt en mauve, violet en grijs met of zonder geelmasker type 1 of
type 2.
Masker: geel in de groenserie en bij de geelmasker, wit in de blauwserie.
Wangvlekken: violet, zilverachtig wit of bleek violet. Bij recessief bont met de
grijsfactor kunnen de wangvlekken grijs zijn. Ogen: donker of diep pruimrood
zonder witte oogiris. Neusdop: bij de man roze met een blauwe waas, bij de pop
van hoornkleurig tot bruin. Algemene Lichaamskleur : onregelmatige delen geel
(of wit) en groen (of blauw, violet of grijs), waarvan de groene (of andere
kleur) zich bevindt op het onderste deel van de borst, romp en broek. Tekening:
op wangen, achterhoofd, nek en vleugels moet zwarte golftekening op een gele of
witte ondergrond in een verspreid patroon liggen en de tekening moet bij
benadering 10 à 20 procent van de gehele vleugeldek innemen. Grote slagpennen
geel in de groenserie en wit in de blauwserie, tussenliggende donkere pennen
zijn geen fout. Grote staartveren geel, gevarieerd of donker. Poten:
vleeskleurig roze.
Kleurkweek
Kleurkweek? Merkwaardig zult u misschien denken, de grasparkiet is toch een
postuurvogel! Inderdaad, de grasparkiet heeft zich - door toedoen van de mens -
ontwikkeld als een goede postuurvogel. Op wedstrijden is de kwaliteit van het
postuur dan ook doorslaggevend geworden. Daar heb ik absoluut geen moeite mee en
bij het samenstellen van mijn kweekparen wordt dan ook op de eerste plaats op
het postuur gelet.
Maar ... weten wij nog wel hoeveel indruk kleur op ons maakt? Zijn de meeste van
ons, toen we aan grasparkieten begonnen, niet in de eerste plaats op hun
duidelijke en levendige kleuren gevallen en heeft pas later het begrip postuur
in onze belevingswereld zijn intrede gedaan. Enkele jaren geleden ben ik eens op
bezoek bij een kweker in het buitenland geweest. Hij had een grote volière met
daarin allemaal recessief bonten, zo'n 150 stuks in totaal. De postuurkwaliteit
van deze vogels bestond voornamelijk uit matige tot gemiddelde kwaliteit en
slechts enkele goede vogels.
Maar..., wat een indruk maakten zij op mij, wat een kleurenpracht! Zoveel
recessief bonten bij elkaar was werkelijk heel indrukwekkend. Met bewondering
heb ik daar een hele tijd naar staan kijken, zoveel schoonheid als ik daar zag!
Ik geloof echt dat mijn hartslag van verrukking een paar slagen omhoog ging.
Moet ik dan, deze kleurbeleving aan mij voorbij laten gaan? Nee toch zeker?
Daarom kan ik mij dan ook gemakkelijk verplaatsen in hen, die een volière vol
kleurrijke vogels hebben. Waarom zou je, als je toch genoeg ruimte hebt, niet
gewoon naast de postuurkweek een volière hebben waarin allerlei kleuren te
bewonderen zijn? Zeker de recessief bonten zijn hier uitermate geschikt voor. De
recessief Deensbonten vererven, zoals de naam al zegt recessief.
Daarom geef ik hieronder de broeduitkomsten.
. Recessief bont x recessief bont = 100 % recessief bont.
. Normaal x recessief bont = 100 % bont normaal /recessief bont.
. Normaal/recessief bont x recessief bont = 50 % recessief bont, 50 %
normaal/recessief bont.
. Normaal/recessief bont x normaal/recessief bont = 25 % recessief bont, 50 %
normaal/recessief bont en 25 % normaal.
. Normaal/recessief bont x normaal = 50 % normaal/recessief bont, 50 % normaal.
Als u deze paringen eens rustig bekijkt, dan kunt u uit de laatste paring
bijvoorbeeld niet weten welke de normaal split recessief bonten zijn en welke de
zuiver verervende normalen zijn. In alle vogelboekjes wordt deze laatste paring
ontraden, omdat dit alleen met proef paringen - door al deze vogels aan
recessief bonten te koppelen - aangetoond kan worden. Hieraan willen de meeste
kwekers niet meewerken, omdat het hun veel te lang duurt eer zij recessief
Deensbonten te zien krijgen. Toch is dit een grote denkfout. Want als je
bepaalde koppelingen vermijd, omdat je zo zelden recessief bonten te zien krijgt
en het een probleem vindt om uit te zoeken welke vogels split recessief bont
zijn, dan ben je met kleurkweek bezig. Maar ..., voor de postuurkweek - waar wij
ons mee bezig dienen te houden - is dit voorbeeld juist een door mij aanbevolen
paring.
Postuurkweek
Als we de recessief bonten van postuur willen verbeteren, dan zullen we eerst
van recessief bonten de zwakke plekken moeten weten en daarna deze vogels als
het ware volpompen met postuurkwaliteit. Dat volpompen is in feite minimaal
gebruik maken van de recessief bontfactor, zodat de postuurfactoren de overhand
krijgen. Je zal dan niet vaak een recessief bonte kweken maar ...., als je er
dan een gekweekt hebt dan heb je meestal gelijk een recessief bonte van goed
postuur en daar is het toch eigenlijk om begonnen. Zoals ik net zei , je zult
eerst de zwakke onderdelen van je recessief bonten moeten weten om deze vogels
te kunnen verbeteren. Meestal zijn de recessief bonten te smal in de nek, te
smal in de kop en de wangen en vaak hebben zij te weinig achtervulling en te
platte koppen. Ik noem zomaar 5 onderdelen die verbeterd moeten worden en deze
onderdelen sluiten ook nog eens op elkaar aan, ze begrenzen elkaar. Als je
recessief bonten met deze zwakke onderdelen wilt verbeteren, dan zal je ze
moeten paren aan vogels, die juist op deze onderdelen uitblinken. Je zal dan al
snel op je allerbeste postuurvogels van je hok een beroep moeten doen! Alleen
deze allerbeste moet je gebruiken, wil je de recessief bonten kunnen verbeteren.
Denk nu niet: ik vind recessief bont wel een leuk kleurtje dus ik doe het er
maar een beetje bij en waag niet mijn allerbeste postuurvogels hieraan, want in
dit geval zal het je zeker niet lukken om de postuur kwaliteit van de gebruikte
recessief bonten te verbeteren, je zal zelfs nog moeite hebben om de gebruikte
kwaliteit te handhaven, omdat je op deze manier in feite met kleurkweek bezig
bent en niet met postuurkweek waar het in dit hoofdstuk uiteindelijk om is
begonnen. Met al het voorgaande in gedachten, zal ik nu uit proberen te leggen
op welke manier je recessief bonten volpompt met kwaliteits postuurkenmerken.
De eerste paringen moeten bestaan uit:
. Postuurmannen x recessief bonte poppen en
. recessief bonte mannen x postuurpoppen.
Alle jongen hieruit zijn dan normale en/of opaline vogels welke split zijn voor:
goed postuur en recessief bont. Afgekort schrijf ik: normaal/gp en rb.
Al deze vogels koppelt u weer met de beste postuurvogels die u bezit! Van de
jongen die hieruit komen, weet u niet welke vogels split recessief bont zijn en
welke niet. Maar deze vogels zitten wel vol postuurfactoren en degenen die er
het beste uitzien bieden ons waarschijnlijk ook de kans om de best verervende
voor de postuurfactoren te zijn. Daarom raad ik u aan de besten van deze vogels
weer met recessief bonten te koppelen. Dus normaal/gp en rb x recessief bont.
Komen er uit deze paringen recessief bonten, dan weet u dat de normale ouder
tevens split recessief bont is. Bij deze recessief bonten kunnen al behoorlijke
vogels zitten! Maar nog belangrijker is het om deze bewezen split recessief bont
ouders met elkaar te koppelen. Dus normaal/gp en rb x normaal/gp en rb, hieruit
kunt u 25 % recessief bonten verwachten van de hoogst mogelijke kwaliteit! Dus
niet veel maar wel GOED!
Ervaringen
Als we al onze recessief bonten wat betreft kleur en tekening vergelijken met de
standaard, dan zien we dat er veel minder recessief bonten de standaard
benaderen dan bij de normale kleurslagen het geval is. We zien namelijk een
enorme variatiebreedte in het bontpatroon. Bij de recessief bonten wordt bij
benadering 10 % à 20 % vleugeltekening geëist in combinatie met een goede
buikvlek. De praktijk laat zien, dat wanneer we een vogel met een goede buikvlek
gekweekt hebben, deze vogel meestal een veel te groot tekeningspercentage op de
vleugels heeft. Hebben we daarentegen een vogel gekweekt met het juiste
tekeningspercentage op de vleugels, dan is de buikvlek vaak minder vol, ja zelfs
bijna verdwenen. Toch komen er zeker ook recessief bonten voor die wat kleur en
tekening betreft de standaard aardig benaderen en dat is zeker een aantrekkelijk
gezicht maar dit komt toch nog veel te weinig voor. Het kan zeker de moeite van
het overwegen waard zijn om de standaard voor wat betreft de tekening enigszins
te wijzigen en een hoger tekeningspercentage te vragen, zodat het ideaalbeeld
wat meer op de praktijk is afgestemd. De enkele keren dat ik een recessief bonte
kweekte met het juiste tekeningspercentage op de vleugels in combinatie met een
goede buikvlek betrof dit bij mij altijd een fysiek minder goede vogel. Dit kan
natuurlijk puur toeval zijn maar mogelijk is dit toch een teken aan de wand.
Natuurlijk vraag ik mij als kweker af of de kleur en tekening door de juiste
koppeling in gunstige zin te beïnvloeden zijn. Uit twee te zwaar getekende
vogels (of splitvogels die uit te zwaar getekende vogels komen), kun je van
alles verwachten. Je krijgt gewoon weer te zwaar getekende vogels en ook wel
goed getekende vogels en ook vogels met te weinig tekening en zelfs vogels die
bijna geheel geel of wit zijn. Uit te licht getekende vogels kun je ook weer van
alles verwachten, dus te weinig tekening, ook wel de juiste hoeveelheid tekening
en ook weer vogels met teveel vleugeltekening. Uit een te zwaar getekende vogel
gepaard met een vogel met te weinig tekening (of splitvogels uit dergelijke
ouders) is de variatiebreedte net zo groot, alleen levert deze paring naar mijn
mening iets meer kans op een jong die zowel een goede tekening als een goede
buikvlek heeft. Al met al blijkt dus dat je bijna alles kunt krijgen in kleur en
tekening en is het naar mijn mening louter geluk als we een vogel van de juiste
kleur en tekeningcombinatie kweken. Dit is voor mij dan nog een extra reden om
mij ook bij recessief bonten geheel op de postuurkweek te richten.
Andere wetens(w)aardigheden
Bij de normale/recessief bonten treffen we vaak enkele bonte veertjes op het
achterhoofd aan. In kwekerstermen wordt deze bonte vlek vaak 'head spot'
genoemd.
Teveel tekening, te weinig tekening
Poppen hebben meestal teveel vleugeltekening, vaak zijn de vleugels bij hen dan
ook 80 % tot 100 % door deze tekening bedekt. Ook hebben zij vaak donkere slag-
pennen. Bij deze te zwaar getekende poppen kan je echter wel rekenen op een
goede buikvlek (lichaamskleur). Mannen daarentegen hebben vrij vaak te weinig
vleugeltekening in combinatie met een te kleine buikvlek ( te weinig
lichaamskleur ). Toch kan je het teveel hebben aan vleugeltekening geen
poppenkenmerk noemen omdat er ook mannen zijn met teveel vleugeltekening. Maar
bij poppen komt het bezit van teveel vleugeltekening veel vaker voor dan bij
mannen.
Een andere bijzonderheid
De spangle is een mutatie die naar alle waarschijnlijkheid in een gemengde volière
met veel recessief bonten is ontstaan. Hoewel ik zelf nooit spangles gekweekt
heb en mijn recessief bont lijn al bestond voordat de spangle in Europa
ingevoerd was, kweek ik zo af en toe ook recessief bonten die kenmerken vertonen
die we bij de spangle vinden. Ik tref bij hen dan ook keelstippen aan met een
opgebleekte kern en ook vaak is de buitenrand van de slagpennen donker omzoomd.
Het koppelen van mijn grasparkieten geschiedt als de vogels daar aan toe zijn,
dus als zij in broedconditie zijn. Maar dat koppelen gebeurt bij voorkeur niet
in de winter, want daar is ons klimaat niet zo geschikt voor. In de afgelopen
dertig jaar heb ik in alle periodes van het jaar wel eens gekweekt en hierbij
bleek de maand april de beste kweekresultaten op te leveren. Het samenstellen
van mijn koppels doe ik op het uiterlijk en op de afstamming, waarbij de
afstamming doorslaggevend is. Mijn twee beste mannen zet ik voor de kweek
aanvangt met een stuk of vijf poppen een aantal weken in een aparte vlucht. Deze
mannen kunnen dan zelf een pop naar keuze uitzoeken. Als zich zo een paar
gevormd heeft, dan gaat het de broedkooi in. Een man en een pop die elkaar
gekozen hebben, geven betere kweekresultaten wat betreft het aantal jongen dat
zij krijgen. Als de kwaliteit van de jongen dan ook aan de verwachtingen voldoet
dan blijven zij in hun volgende levensjaren een paar. Ongeveer twee maanden voor
de show stel ik mijn showteam samen. Ik kijk dan gelijk of deze vogels een
afgebroken pen hebben. Deze afgebroken pen verwijder ik, behalve bij een erg
lang beverderde vogel. Geknakte pennen worden even boven de stoom van een
fluitketel gehouden waardoor deze in een fractie van een seconde recht trekken.
Twee weken voor de show aanvangt krijgen mijn showvogels iedere dag een
douchebeurt met een plantensproeier. Dan gaan de vogels hun veren ordenen en
komen de vogels ook in een steeds betere showconditie. Een week voor het
inbrengen worden de maskers geconditioneerd en vier dagen voor het inbrengen
worden de voorhoofden gewassen met een sopje van babyshampoo en lauw water,
daarna worden de voorhoofden nagespoeld met zuiver water. Hierna zijn de vogels
gereed voor het inbrengen. Opgelet dient te worden dat de vogels voor het
inbrengen reeds hebben gegeten. Zo voorbereid kan je het optimale resultaat van
je vogels verwachten. Op de tentoonstelling doe ik de laatste jaren met mijn
recessief bonten of recessief Deensbonten - zoals ik ze zelf graag noem - met
meer succes mee, dan met mijn normale vogels. Behalve het plezier dat ik aan
deze kleurslag beleef, krijg ik door het kweken van deze kleurslag ook meer
aandacht van andere kwekers. Wat ik ook als zeer prettig ervaar. Ik zou echter
graag meer concurrentie ontmoeten van kwekers die zich ook met deze kleurslag
bezig durven te houden, dan zal ik de eerste zijn om hen te feliciteren.
Misschien dat u dat bent!
|