![]() |
| Pagina 26 Hij knikt en tegelijkertijd valt er weer wat zweet van zijn glimmende gezicht. Ik gruw bij de gedachte. In de kooi die afgezet is met gaas liggen stapels schedels en beenderen, veilig voor souvenirjagers en desgewenst kun je wat geld doneren om voor het onderhoud van de grot te zorgen. Er is er nog een zegt Thoeun, we lopen de grot uit, weer naar boven, intussen passeren we een andere gids met twee toeristen en dalen af in een grot die wel heel erg groot is. Er ligt een goudkleurig beeld van een Boeddha in ruste, het moment waarop hij de verlichting bereikte. Er branden talloze kaarsen en bossen wierook. Voor het beeld zit een aantal Nederlandse vrouwen, een monnik en een gids. Een van de vrouwen laat de toekomst voorspellen die tegelijkertijd door haar vriendinnen gefotografeerd wordt. In de hoek van de grot staat nog zo'n kooi. Niemand was eigenlijk veilig voor de Rode Khmer vertelde Thoeun, je kon niemand vertrouwen in die tijd. Ik was intussen al aardig ingewijd in die tijd omdat ik When Broken Glass Floats aan het lezen was. Het verhaal van een jong meisje dat opgroeit in de tijd van de Rode Khmer. Chanrithy Him heet ze, zoek maar weer even in Google. �There�s one more� zegt Thoeun niet kapot te krijgen voor $ 4,-. Nee laat maar zeg ik, heb genoeg schedels gezien. We lopen terug naar de voet van de heuvel, Thoeun drinkt zijn fles water leeg en we rijden naar het tweede deel van de trip. Wat Banan. Dat zou een tempel zijn, een soort kleine uitvoering van Angkor Wat. Nou wel een hele kleine uitvoering. Ook hier viel me bij aankomst rust ten deel. Die werd op een gegeven moment ernstig verstoord door een luidspreker die aan de voet van de heuvel lag en waar Cambodjaanse popmuziek uitschalde. Een monnik in oranje gewaad was bezig de trappen die naar de tempel leidden te herstellen, Thoeun nam er het gemak van en liet mij de heuvel met steile trappen alleen beklimmen. Halverwege, ik ben geen 25 meer merk ik, is een afdakje dat schaduw oplevert. Ik zit nog maar net of er komt een jonge Cambodjaan te voorschijn. Hij is soldaat zegt hij en wil me wel de weg wijzen. �The war is toch over� zeg ik vragend? Nee dank je wel hoor, ik kan het alleen wel vinden, mijn gids zit beneden. De ergernis aan de popmuziek wordt groter maar het volume neemt af naarmate ik hoger kom en natter van het zweet word. Eenmaal boven valt m'n oog het eerst op een soortgelijk .50 mitrailleur als in Luang Prabang. Een enorm ijzeren gevaarte met een roterend deel om de vijand te beschieten. De pertinente waanzin van de oorlog wordt me hier pas goed duidelijk. Beneden zie ik niets dan platteland, droog liggende rijstvelden, rustieke dorpjes met bamboehuisje, talloze bamboebomen. Wat moet je hier in vredesnaam raken vraag ik me af. Dezelfde vraag stelde ik Niek toen we op het balkon zaten en naar het melodische geblaf van de honden zaten te luisteren. Vooral Neak Luong bleek veelvuldig door de Amerikanen te zijn gebombardeerd en net had ik op internet gelezen dat ze het nu in Irak nog een keer gaan proberen. Het uitzicht was mooi, maar voor de tempel hoef je niet naar Wat Banan. Gebouwd van vulkanisch gesteente en daarom niet kapot te krijgen, behalve door de Amerikanen natuurlijk. Ik daal de trap weer af en gebaar Thoeun dat ik terug naar Battambong wil. Ik gaf Thoeun $ 6,- i.p.v. $ 4,- en ik heb 'm daarna twee dagen niet meer gezien. In Battambong geniet ik van de koele bries op het dakterras van m'n hotel en houd toeristisch Battambong de komende dagen voor gezien. Ik lees, wandel en lees. Het leven van een toerist in Cambodja is zo slecht nog niet. Toch naderde de dag van vertrek. Bij Mr. Lee, de eigenaar van Hotel Chhaya, had ik een taxi besteld naar de grens met Thailand. Toegegeven het was een beetje een gok. Ik zou om 7:00 uur met de taxi naar de grens met Thailand vertrekken en diezelfde dag zou om 23:00 uur mijn vliegtuig vanuit Bangkok naar Londen vertrekken. Daar had ik dus 16 uur de tijd voor. Ik wilde gaan zoals ik gekomen was. 's Avonds genoot ik nog voor de laatste keer van een fraaie zonsondergang, nuttigde mijn laatste blikje Singha en de volgende dag bleek een prachtige Toyota Camry klaar te staan voor een Fransman van tegen de 60, zijn Thaise vrouw, een Cambodjaan en mij. Het is 130 km naar de grens, een weg die zeer slecht is. Door kuilen en gaten hobbelen we naar het grensstadje Poipet. Het laatste stuk moeten we zelf regelen zo blijkt. Maar dit is een dagelijks ritueel. De taxi zet ons af en de brommers staan al klaar om de laatste twee kilometer naar de daadwerkelijke grenspost af te leggen. Tweeduizend riel zegt een man met een mondkapje voor en een rood-witte doek om zijn hoofd. Daar doen we niet moeilijk over al is het twee keer de prijs. Een jongen waarvan ik alleen de ogen kan zien neemt mijn rugzak tussen zijn benen en ik ga achterop zitten. Ik bevind me in een pandemonium van Cambodjaans verkeer. Overal staan karren, volgeladen vrachtauto's, brommers, auto's etc. Nog steeds geen spoor van verharding dan bonkige stenen te bekennen, zigzaggend, zwalkend en laverend bereiken we de grens. Daar bereikt het pandemonium een hoogtepunt. Midden op de weg staan vrachtwagens die wel vier meter hoog opgeladen zijn met goederen die of naar Thailand moeten of naar Cambodja. Het verkeer op de grens zelf zit daardoor muurvast, aan de kant staan talloze karren te wachten om de lading uit de vrachtwagens over te hevelen en uit te venten op de lokale markt. Ik begeef me in die drukte op weg naar het douanekantoor. Dat is niet meer dan een luikje waar ik mijn paspoort doorsteek en terug krijg met een stempel dat ik op 4 augustus 2002 Cambodja verlaten heb. Ik loop door naar de Thaise kant van de grens. Dat blijkt een bijzondere ervaring te worden. Ik loop over een voetpad dat afgezet is met hekken. Op de grond zitten niet een, geen twee maar tientallen bedelaars waarvan bij de een nog meer ledematen missen dan bij de andere. De concurrentie om aalmoezen is hier moordend. Daar komt bij dat ze op een zeer onstrategische plek zitten. Mensen die een land verlaten dan wel binnenkomen hebben wel iets anders aan hun hoofd dan even 100 riel te trekken voor een gemankeerde bedelaar. Met een stempel in het paspoort loop ik naar de poort. Maar wat blijkt? Het rechtse verkeer in Cambodja is opeens veranderd in het linkse verkeer in Thailand, ik moet rechtsomkeert maken en wederom door de haag van op de grond zittende of liggende bedelaars. Halverwege kan ik over een muurtje springen om daarmee het aantal teleurgestelde bedelaars op zijn minst te halveren. Ik steek de weg over die geblokkeerd wordt door auto's, bromfietsen en karren op weg naar het beloofde land. Ik neem nog een muurtje, let niet op mensen zonder benen, armen of zelfs neus en meld me bij de Thaise douane. Ook daar is het ondanks de immense mensenmassa en vrachtwagens niet meer dan een paspoort door een luikje steken en met een stempel erin door te lopen. Zullen we een tuk tuk delen stelde ik de grijzende, maar niet onsympathiek uitziende Fransman en zijn vrouw voor. Ce�st good, zegt hij met een zwaar Frans accent.... Lees verder op de volgende pagina... Inhoudsopgave |
![]() |