![]() |
|||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||
| Pagina 14 Luang Prabang, dinsdag 16 juli 2002. Een boottocht op de Mekhong rivier. De gedachten aan mevrouw Song ebden langzaam weg. Ik had beloofd haar de foto's te sturen die ik bij mijn vertrek gemaakt had. Intussen zat ik zwetend in bus naar Luang Prabang en ik was niet de enige. Van de 36 plaatsen die de bus telden waren er vier bezet door Lao zoals de mensen hier genoemd worden en de rest waren toeristen uit alle delen van de wereld inclusief Amsterdam. Onderweg, ik blijf het nog een aantal keren schrijven, heb ik me weer verbaasd over de dichte begroeiing hier. Het werd een tocht van 7 uur en die werd slechts twee keer onderbroken. Een keer voor een plaspauze hetgeen tot komische taferelen leidde en een keer voor de lunch. Ik had een fout gemaakt in de urinale planning. Ik had ontbeten met een fruitsalade dus na een paar uur had ik al enige aandrang. Ik las echter stug door in Mulisch, keek af en toe naar buiten en deed mijn benen over elkaar, alsof dat helpt. Na vier uur onafgebroken rijden moest de chauffeur kennelijk zelf ook. Hij stopte de bus in een bocht met een mooi uitzicht op het dal en iedereen kon even de blaas legen. Dames zochten de bosjes op waarvan ze er hier genoeg hebben en de heren stonden op een lange rij hetgeen een komisch gezicht opleverde. De tweede stop was een eind na de middag in een dorp waar een aantal restaurants zit. Dit is een dagelijks terugkerend tafereel. De mensen daar zorgen voor rijst, aardappelen en groente. De toeristenbus komt binnen en nu maar hopen dat ze voor jouw restaurant kiezen. Vrijwel iedereen koos het restaurant waar de bus voor stopte. Ik liep een stukje door en loop bijna tegen een man aan die zijn onderarmen mist. Hij steekt de stompjes een beetje wanhopig omhoog, er zit nog wat verband omheen maar de vlezige uiteindjes zijn duidelijk zichtbaar. In een moment van zelfbescherming wend ik het gezicht af en neem plaats bij het meest afgelegen restaurant samen, toevallig, met nog een paar Nederlanders. Ik werk een bord rijst, met gekookte aardappelen en groente weg voor een halve euro en loop terug naar de bus. Ik wil niet geduffilld worden. De rest zat nog smakelijk te eten. Ik kom weer langs de man zonder armen tegen en schuif een bankbiljet tussen de stompjes. Hij neemt het met zijn mond aan en laat het behendig in zijn borstzak glijden. Ik word alweer overvallen door intens verdriet toen ik me het leven van deze man voor probeerde te stellen. Hij kan zich niet aankleden of wassen, naar het toilet gaan is een probleem, hij moet waarschijnlijk gevoerd worden en meer van die gedachten gingen in me om. Ik gebaarde hoe het kwam. 'Boem' zei hij hetgeen mij genoeg zei. Waarschijnlijk op een mijn gestuit bij het planten van rijst of wat dan ook. Aan ��n oog leek hij blind en ik kon niet goed inschatten of hij �berhaupt wel kon zien. Met de tranen in mijn ogen neem ik plaats in de bus, terwijl de anderen langs de man heen lopen en doen alsof ze hem niet zien. Hij is nog te bescheiden om echt te bedelen. Maar zijn lichaamstaal is duidelijk. Ik zag mezelf lopen door de rijstvelden van de Filippijnen, schakelend in de woestijn van Australi� rijden en een mooi zonsondergang fotograferen. Dat was voor deze man niet meer weggelegd. Terwijl ik m'n wangen droogveeg rijdt de bus weg, de man zonder onderarmen in het verstilde dorp alleen achterlatend. |
|||||||||||||||
| Onderweg rijden we door een bergachtig, dicht begroeid, gevarieerd groen landschap. Op een van de passen moeten we even wachten. Vrachtwagens en shovels zijn bezig tonnen klei te verplaatsen. Een gedeelte van de weg is bedolven onder de moddervette klei door de aanhoudende regen van de afgelopen dagen en die zijn ze aan het verwijderen. Een busje raakt er te diep in verzeild en keert om. Een bromfietser is dapper en gaat bijna tot aan zijn assen door de roestbruine smurrie. Als dat maar goed gaat? Terwijl we wachten haal ik mijn camera met splinternieuw 28-300 mm teleobjectief tevoorschijn en maak er wat dia's van. De bus zet zich langzaam in beweging en ik heb er een hard hoofd in, vooral als de chauffeur gas gaat geven en de banden daardoor gaan slippen. Onder mijn raampje zie ik de banden de klei wegdrukken en jawel hoor het lukt. Als we er door zijn komen we weer door talloze dorpjes van hout en bamboe. Kinderen van 5 of 6 jaar staan langs de kant van de weg met bamboemanden op hun rug, een draagriem op het voorhoofd en helpen de ouders met het naar huis brengen van de oogst. Een geit staat twee jongen te zogen en de chauffeur moet vaak uitwijken voor bruine, gezond uitziende koeien die midden op de weg liggen of lopen. Een kip laat haar jongen zien hoe je moet scharrelen en een vrouw loopt op blote voeten met een juk op haar schouders naar de markt waar zojuist de laatste mode van de marskramer gearriveerd blijkt. Jong en oud verdringt zich rond de kar met jeans en T-shirts. Een moeder neemt de maat door de band van de broek om de hals van het kind te leggen. Ja die past wel. Een vrouw stopt bij een restaurantje en haalt uit een plastic zakje wat vlees, het is 33 graden buiten. De eigenaar van het restaurant keurt het vlees en legt het achter neer in dezelfde temperatuur. Tegen 4 uur in de middag arriveren we in Luang Prabang. Het stadje is net als Vang Vieng een van de belangrijkere toeristenbestemmingen van Laos. Ik neem een tuk tuk naar een hotel dat Ann uit Baltimore me aangeraden had. Dat blijkt echter vol en ik beland een deur verder. Prima kamer, eigen badkamer met warme douche, 5 euro. Ik blijf er als de vrouw de volgende dag vraagt wat ik doe. Ik ben al vaak genoeg verhuisd in m'n leven. Lees verder op de volgende pagina... |
|||||||||||||||