| Home | ||||||||||||||||||
| Info | ||||||||||||||||||
| Hoe zitten onze spieren in mekaar? | ||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||
| De spier | ||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||
| De samenstelling van de spier. Als we de spier verder ontleden, dan stellen we vast dat de spier uit vele spiervezels bestaan. Deze spiervezels bestaan verder uit myofibrillen die op hun beurt een aanschakeling zijn van sarcomeren. Dit sarcomeer is opgebouwd uit de verschillende filamenten, F-actinefilamenten en myosinefilamenten. |
||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||
| De beide filamenten | ||||||||||||||||||
| 3.1c Werking in de spier | ||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||
| Na de zenuwprikkel komen ionen vrij. De myosine-kopjes die uit de myosinefilamenten steken, hechten zich aan de F-actine-filamenten (schets a). In de kopjes zit ADP+P dat gevormd is door de splitsing van ATP (schets b). Als het ADP+P de kopjes verlaat, buigen deze kopjes naar een hoek van 60� en trakken zo het F-actine-filament een stukje verder (schets c). Als de kopjes een ATP-molekuul binden, laten ze weer los (schets d en e). Na de splitsing in ADP+P buigen ze terug in de oude stand (schets f). De cyclus kan opnieuw beginnen. |
||||||||||||||||||
| 3.2 Hypertrofie Hypertrofie wordt veroorzaakt door een toename van het aantal spiervezels en/of een toename van de dwarse doorsnede van de individuele spiervezels. We onderscheiden dus 2 types van hypertrofie. a) Hypertrofie van het sarcoplasma* is de toename van de dwarse doorsnede van de spier, zonder krachtwinst tot gevolg. b) Myofibrillaire hypertrofie bestaat uit een toename van de myosinefilamenten, wat leidt tot een hogere densiteit aan filamenten binnen de spiervezels met een verhoogde krachtproductie tot gevolg. Krachttraining leidt normaliter tot een gecombineerd effect van beide types hypertrofie. * sarcoplasma is een vloeibare substantie in de spiervezel. |
||||||||||||||||||
| volgende pagina | ||||||||||||||||||
| vorige pagina | ||||||||||||||||||