|
1. Hoe
ontstaat schuim?
Elk soort bier heeft een eigen schuimkraag. Bij het
inschenken stijgen koolzuurgasbelletjes op die in aanraking komen met
middelgrote eiwitten die een stevig laagje vormen om het belletjes. Bij jong
bier vinden we grover schuim, bij ouder bier is het schuim fijner. De
oppervlaktespanning heeft invloed op de grootte van de belletjes: kleine
oppervlaktespanning geeft kleine belletjes. Schuim accentueert de smaak van
het bier.
Hoe groter de kraag, hoe sterker en duidelijker de smaak.
Over het algemeen gesproken is een kraagdikte van 2. 5 cm de norm voor de
meeste bieren. Ongeacht de dikte na het inschenken zouden sommige kragen
ongeveer 1 minuut rust moeten krijgen voordat het bier gedronken wordt.
Bij het drinken horen er duidelijke sporen van schuim achter
te blijven in het glas; dat staat bekend als ‘Brusselse kant’.
2.Welke
factoren hebben een invloed ?
Goed inschenken is afhankelijk van de biersoort en de
gewenste kraag. Het glas schuin houden en het bier langs de zijkant ervan
schenken verkleint de kraag. Het steil rechtop houden van het glas geeft een
vollere kraag.
De aanwezigheid van een dikke, romige kraag is over het
algemeen het kenmerk van een goed bier.
Een ijle of zelfs geen kraag kan het resultaat zijn van
verschraald bier of een vuil glas. Omdat het schuim de aroma’s naar boven
haalt, die dan weer snel verdwijnen, is het het beste om de aroma’s van het
bier onmiddellijk na het inschenken op te snuiven.
3.
Elk bier een eigen glas
De juiste behandeling en de selectie van het glas beïnvloedt
ook het genot. Natuurlijk moet het glas schoon zijn voordat eruit gedronken
wordt. Bier kan worden aangetast door sporen die zijn achtergebleven in het
glas, zoals vet en zeep. Met de hand
gewassen en aan de lucht gedroogde glazen zijn het best. Een glas omspoelen
met water voordat het bier erin gegoten wordt, kan ertoe bijdragen dat de
kraag mooi en vast wordt |