Dit is een uitgave van de Hermitatische Synodale Kerk voor vrije verspreiding.

 

 

 

Het Eeuwig Evangelie

 

De Steen der Karsuiken

 

 

  1. Joringel
  2. De Nieuwe Handelingen Deel I-II
  3.  

Joringel

1.

1. Nu is het Woord uitgekomen, de dood heeft het verstaan, veertien zwarte rozen, gaven mij vrij baan. Tot het water is het nu gekomen, de zwaan staat hier, het waait hier. Nu is alles dan uitgekomen, de heg over, tot de vrije wereld, geen hindernissen vandaag. Om morgen eeuwig te leven, hebben zij mij uitgekozen, de dood is hier gekomen. De zware stem, de heg over, tot een vrije wereld, geen hindernissen vandaag. Het moment van eeuwig leven, zij kozen mij, en maakten van mij een slaaf.

2. Steeds denk ik terug aan al die witte rozen die ik heb verkozen, mij leidende naar de witte dood. Alles is nu zwart, daar over de heg, want veertien zwarte rozen, hebben mij toen uitgekozen. Slaaf was ik, een slaaf ben ik nu nog steeds. Drijf de zinnen door, nachtelijks kom ik tot het grauwe koor, geen kracht om op te geven, geen kracht om door te gaan. Alles is in mij aan 't beven, alles is in mij vergaan. Chaos is hier binnengedreven, ik weet niet waar ik heen moet gaan. Drijf de zinnen door, verwacht van mij niets. 3. Al die zwarte rozen, tot het witte gekomen, om al mijn dagen grijs te maken, het koninklijke in mij ontwaken. Zeven vogelspinnen, zij zullen van mij winnen, want dit is hun terrein, ik ken hen niet, en ik ken hun verdriet niet. Altijd gedacht dat ik het meeste leed, maar zij zijn daarin koning over mij geworden, totdat het koninklijke in mij ontwaakt, om tot het volk te spreken. Mijn stem zullen zij verstaan. Als de lelie steekt, zijn wij er geweest, als de lelie steekt, zijn wij verloren gegaan, in een diepere dood, zijn wij tot een diepere Christus gegaan. 4. Hij leed ver in de verte, hij leed daar achter horizon, en onbereikte bergen, van geslacht tot geslacht zijn stemmen uitgedoofd, verscholen in een diepere dood, tot een dieper kruis gekomen, zij hebben hem geslagen met de staf van de vierde dood. Zijn tong dan uitgetrokken, zijn baard is dan vergaan, als van een jonge jongen, niemand kan hem verstaan.

2.

1. In het wespenvuur is goud veel te duur, en ogenzalf is daar een kroning, maar zij is voor wie lompen dragen, hun klederen veelvuldig gescheurd, en opnieuw genaaid door vogelspinnen, opnieuw gezaaid in rozenvelden, de betovering duurt voort, wat heb je nog te melden. 2. In het wespenvuur is alles zo duur, en ogenzalf is daar een kroning, koningen maken in lompen woning, zoekende de huizen van armoe, wat de hemel hen gaf, zij kwamen tot het arme graf, waar schoonste rozen bloeiden, hun herinneringen meenemende tot onder het zachte, tot rozenzeeen in het vuur. Vader, vader, wat zijn je rozen duur. Is er dan geen vlucht uit dit uur. Geen geld om te bewegen, de ochtend zal het geven. In 't wespenuur, is 't goud door 't haar gestreken, en alles is zo duur, wij komen tot de lompen die praten, over een rozenvuur, is er geen genade tot hen die onder 't zachte zijn gedaald, alles is hier zo duur, wij nemen alleen wat de hemel ons geeft, in 't rozenvuur, zoekende naar wat genade, de pijn heeft ons in 't graf gebracht, het voerde ons naar wespenkleed'ren zo oud en versleten. 3. In lompen gaan wij, tot de wespen van ons hart, alles word steeds duurder, wij nemen wat de hemel ons schenkt, de rijkdommen der grootste armoe, leidende ons tot het oer, waar wespen ons hart bewaren, in 't rozenvuur, in 't rozenvuur. Nu zal dan alles stil zijn, nu zal dan alles vertragen, nu zal dan alles stil zijn, nu zal dan alles stil zijn. In een rozenvuur klom zij, in een teder spel verloor zij dan haar angel, maar deze rijkdom werd steeds duurder, zij schreeuwde om armoe, maar kon haar niet verstaan. Zij vloog dan weg van haar.

4. Nu ben ik dan alleen, in dit rozenuur, diep in het rozenvuur, door wespen zelfs verlaten, door kou en armoe gehaat, zij willen niet met me praten, en tot de stilte zonk ik, was dit mijn enige vriend. Van oer tot oer klom ik, van stilte tot stilte, ik werd van alles verlaten om in leegheid weg te zinken. Niemand houd mij vast, niemand om mee te praten.

3.

1. Te vaak in mijn wonden gestoken, nu ben ik tot onder het zachte gedaald, tot diep onder het roze, in de dieptes van een arm bestaan, geen kracht om op te komen, geen wil om op te komen, ik ben al bijna onder het hete gedaald, tot een wespenkoning, hij maakte in mij woning, een kroon van armoe gaf hij mij, om rijken te beschamen. Kijk nu naar mij, en durf niet meer, ik ging door de grote scheur. Geen kracht meer om te ontwaken, geen wil meer om te ontwaken, tot diep onder het bruine gedaald, de hete spiegel had geen naald, maar pijn is daar in tederheid, waar Brannan heil schenkt aan de armen, tot het oer geleid, oh, ga nu niet afhaken, want dan zullen zij hun werk staken. Een wespenvest is wat ik kreeg, met wapens van het oer. Onder het koude ben ik gegaan, een wespenkoning raakte mij aan, je kunt me niet beschuldigen, je kunt me niet eens verstaan. De zachte hand, een grote pijn, als bliksem tot je komende.

2. Er groeien veren binnenin waar ik te vaak ben gestoken, veren binnenin waar ik de moed opgaf. Van binnenuit hebben ze me opgegeten, ben ik nu dan net als hen ? Ben ik één van hen, sinds zij dan in mij woning maakten, veren groeien tot elkaar, diep binnenin, terwijl zij ernaar staren. De naald is veer geworden. Telkens als zij steekt wordt zij dan zachter. Grote veer, toe maak dan in mij woning, een zachte hand, een grote pijn, als bliksem tot je komende, als de melk van 't reine. In een doodstrijd, tot onder het zachte gedaald, een nieuwe pijn bevrijdde mij, in zacht vuur te ontwaken, tussen rozenschuim en lelieschuim, waar een donk're nacht het op heeft gegeven, tot onder het donk're gezakt, waar donk're lichten grommen, hier hebben zij zo lang op gewacht, waar schilderijen branden, tot onder het hete gezakt, hervond ik mijn macht, om door mijn spiegel weg te dalen, een wespenkoning nam mij mee. Is dit het boek, waar ik in kan wonen ? Veilig na al die jaren, het kostte me alles, van veer tot veer ga ik.

3. Toen de neus nog een tepel was, een blauwe tepel, een blauwe mast, in de monden van engelen en arxelen, van geesten van vervlogen tijden. Boven de mond, boven de poort, een blauwe tepel, de Ravalon Madok, belangrijk in de spraak, om door wijsheid te spreken, door armoe gevonden. Het is de tepel van de Maser, naakt en arm als het vuur. Een kroon van Armoe heerst over Narzia, als de Ravalon Madok, de blauwe tepel. Tot zeven vuren kwamen wij, om ons tot het oer te leiden. Van wildheid tot wildheid gingen wij, om de armoe te zoeken, de schatten van het verlee. Tot Narzia kwamen wij. Op de Ravalon Madok, vonden wij bevrijding, tot het binnenste gegaan, tot dat wat diep was opgeborgen, als een boodschap van verlee, het geheugen als onze klok. Kent gij dan de armoe niet meer ? Ziet dan, gij hebt geen geheugen. Ziet dan, gij hebt geen fundament, en als de stormen komen, dan vliegt gij ver weg. Bouwt dan uw huis in Maser, de Rots, en drinkt van de geheimenissen der blauwe tepel. Waar zuivere lucht heerst kunt gij leven. De blauwe mast brengt u van geschiedenis tot geschiedenis, om oude boeken te openen, en van de geheimenissen ten eeuwig leven te drinken. Trots als de karsuiken zult gij zijn, en gij zult de trots der armoe kennen.

4. En als de tepel van Metensia, de roze, dan zal opstijgen tot in de Ravalon Madok, dan zal het zijn als de blauwroze weg der wildernis, als de zuiverende armoe. Ja, want de Heere heeft zijn gezandten de armoe rijkelijk geschonken als een staf van zuivering. De dood is als de explosie, als de Matadok de radio, een dove plaats waar alles tot onder het zachte daalt, de pijn der tederheid raakt. Van wildernis tot wildernis, totdat de overvloed explodeert, gebiedende, niet luisterende, sterft zij voor 't gemak. Als de late dood je raakt, dan hoort iedereen je stem ineens. Toen het oor eens een radio was, als de Matadok, een tepel des doods, jij was de gebieder, waar stemmen je hadden uitgedoofd. Tot de dood zijn wij gegaan, achter glas stroomt nu, het eeuwige kruid. Zij is de tepel van de Herman, onder de buik leeft zij, als een deur tot de eeuwigheid, waar de radio steeds spreekt, waar de radio steeds breekt. Het Woord des Heeren, eeuwig kruid, doven kunnen het lezen. Van stilte tot stilte zullen wij alles vertragen, totdat alles is omgekeerd, een platform voor onze Heer. En zo is dan het heilige dove oor tot een tepel des Heeren, tot de Matadok, onder de buik, vanwaar de slangen des hemels komen. Ja, als een deur der eeuwigheid is zij, zij hoort alleen haar eigen stem, zij is dan dubbel gestorven, als een glazen kist is zij gebieder, om wilde deuren te openen, deuren naar de eeuwigheid. Drinkt dan van haar adem, en leeft in eeuwigheid. Zij hebben steeds het kleinste opgezocht, hebben steeds het donkerste opgezocht. Laten we nu van voren af beginnen.

5. Toen het stuitje nog een tepel was, was zij een televisie, in het hart van hen die de Heere beminden. Ziet, zij waren allen blind, Izu, niemand gaf jou wat je verdiende. Izu, niemand gaf jou wat je nodig had, Izu, je was het zaad van een ander geslacht, van lang vervlogen tijden, wie zou er nog om je schreien. Door Dezer gevonden, werden jouw wonden verbonden, tot diep in 't oer reikten zij. Door 't oude versletene konden wij weer zien. Door het verkleurde en verscheurde, konden wij de afstand weer voelen, konden wij voelen, weer voelen. En wat moeten wij met Matas en Marion ? Zij sluiten deze rij, tot een toverbrug, terug naar de feeenwereld.

4.

Speer van Zwijmelingen

1. Door de hoge bomen van het woud des Geestes, draagt de herder een gouden speer, om harten in zwijm te doen raken, om god'lijkheden te beminnen. Hij draagt de speer van zoete slaap, om elke pijn te doven. Besprenkelt harten tot Zijn eer, Zijn Liefde vervult de monden. 2. In dauw en teed're ontmoetingen, dwaalt de Geest van Liefde, als door het woud van de nacht, zoekt hij naar Zijn geliefden. Als een hert springt hij door 't hoge gras, tot het maanlicht de herfst alleen laat varen, tot de diepste kamers van de aard, en de brandende winter haar vruchten neemt. 3. Speer van God, van zwijmelingen, schietend uit de harp van 't lot, zoekend naar de vruchten van het spel van vogels, om te doorboren de harten die het goud laten stromen. Speer van God van liefdeswijn, maakt de harten dronken voor 't uur der tederheid, in 't zachte mos te slapen, voor de poorten van Marion's huis. 4. Marion zendt Emily, zendt broden met getuigen, hen die getuigen van een liefde zo diep en waar. Marion zendt Emily, tot de Liefde der huizen, tot duistere grotten waar zij die slapen, nog steeds wakker zijn in hun wonden, en leidt hen met gouden Koorden, tot de eeuwigheden van Metensia. 5. En ik slaap, ik vaar tot de tepel van Metensia, waar de melk der liefde overstroomt, en dauw brengt tot de appelgaarden. En ik slaap, voerende naar de tepel van Emily, waar de bomen zacht waat'ren in een tranendal van liefde. 6. En ik slaap, ik vaar tot de tepel van Metensia, waar de melk van appelstromen, het licht van de morgen doet gloren, in morgenrood gezonken, zwem ik weer terug tot de nacht, die eeuwig duurt in het hart van Metensia, om daar haar vlam te doen branden in gloeiend rood, tot de harten die verwelken. 7. En ik slaap, tot de tepel van Metensia, tot de tepel der liefde glijd ik met mijn schip, 'k bouw de aarde, in zeeen van het hemelgewelf. 8. Voer de maan, allen die slapen, met de melkselen van Metensia, voer de aarde en zijn vleug'len, laat haar tepel opstijgen, tot de uiteinden der liefde. Laat de mare haar vruchten dragen tot de boom des geestes. 9. Voer het pad, voer de banen, haar liefde zal niet verloren gaan, de aderen des geestes zijn met velen, als schapen in de wei, voeren zij hen die hongeren naar de paden der slaap en de melk van verloren wouden.

5.

Koelte der Slaap

1. En het raakt mijn ziele aan, het zoete aan het uiteinde van de pijn, de lichten in de nacht, ik ben alleen. En het leidt mij tot eenzame waat'ren, 'k voel mij koud, waar de koele slaap mij omhult. Maar kleine liefde komt in 't uur der zwijm. 2. De wijn sprak tot mijn hart, laten we samen het veld ingaan, maar ik verkoos de eenzaamheid, mijn hart zocht rust. 3. De wijn sprak tot mijn hart, ik kan je niks beloven, maar 'k had zekerheid nodig, een vast pad nam mijn hart. 4. Echter droefenis was stil op weg, de rover kwam dichtbij, maar God gaf mij de twijfel van Zijn Geest. 5. Zou Hij mij binnennemen, met het zoet van het onzeek're. Zou Hij bij mij binnengaan. 6. Laat de macht van de nacht mij dit niet ontnemen, het geluk van de onwetendheid. 7. In boten zonder zorgen, laat de nacht voor wat het is, stijgen wij tot de koele waat'ren van het grote gemis. 8. Diepe glazen ogen van 't hert van het omslaan, drijven mij weg tot een zorgeloos bestaan. 9. Wij kunnen niks beginnen, met het omslaan der liederen, de winden wijzen de weg, naar de koele grotten der slaap. 10. 'T gaat niet weg, de herinnering, het watert alleen in het gouden begin van een teer groen sprietenbos. 11. In 't hooi van oude velden, waar de vogels hun nesten bouwen, laat mijn ogen 't niet aanschouwen, de meren van de oude aard. 12. Verzoen mijn hoofd op 't najaarspad met het brood van verleden tijden. 13. Laat de oude hel niet spraakzaam zijn, maar leid onze bellen tot het waterige tij, waar de golven niet verjaren, niet wegglijden tot de omwentelingen der aarde. 'T is voorbij.

6.

Slaaplied over de Geest van Santra

1. Geest van Santra, morgenkoningin, laat uw liefde als de webben stijgen, om koningen te vangen, hun woorden behoren tot uw Geest. 2. Geest van Santra, grote liefde, rood uw naam in vuur en stilte. Geest van Santra, stille liefde, door de bomen zoekt u zilver in de harten van de koningen in uw webben. 3. Moederspin van God, u weefde al wat wij weven door uw Geest. Moederspin van God, door de bomen zoeken wij uw Geest. Grote Liefde, tweede liefde, grote naam, 't is heilig geweest, en nu 't allerheiligste. 4. Geest van Santra, morgenkoningin, u weefde al wat liefde is, tweede Santra, tweede naam boven alle naam. 'K heb liefde in uw haar geweven, u kwam tot mij, door de doornen reikte u tot de roos in mij. 5. Spinnenwebben van uw Geest hebben koningen gevangen, hun woorden behoren toe aan uw meesteressen. 'K zag een huis vandaag, achter bomen staan, en de roos bracht teed're steken, vol vuur en diepe stilte, gehuld in morgengloed, grote liefde hebt u mij erdoor gegeven. 6. Tweede Santra, grote liefde, uw haren vol van ijs en morgendauw, tweede Santra, u schiep het hertenkind, door uw liefde gedreven. 'K ben op zoek naar uw bron, diep dalende, de kou vangt mij en brengt mij in uw diepe sneeuw, tot webben van uw Geest, door de kracht van uw adem rijs ik weer op tot de ramen van het oude huis, vervuld met het tweede kruis. 7. Dit huis is vol van uw Geest, oh Geest van Santra, koningin van de morgen en de dauw. Dit huis is vol van uw Geest, oh Geest van Santra, neem mij in uw Wijsheid op. Druppels van uw Wezen hebben mij vervuld, de weg gewezen, de voetstappen van een nieuwe dag. Komt tot allen die u zoeken, ik blijf boven, ik blijf onder uw mantel.

7.

Tweede Slaaplied over de Geest van Santra

1. Tweede Santra, tweede liefde, heb genade in dit uur. Boten zijn gezonken, de zeeen duister en van zilver, golven als witte haren. 2. Tweede Santra, tweede liefde, heb genade in dit uur. Zoveel boten gezonken, u ving hen in uw web, heb genade, zoveel zielen zijn verdwenen. 3. Ik weet niet waar zij zijn. In uw hand heb ik gezocht, naar uw grote geheimenissen, blijf stil, Ik zoek u, met grote kracht hebt gij ons uiteen gedreven. U moest mij hebben voor uzelf, 'k heb alles aan u gegeven. 4. U moest mij hebben voor uzelf, door dit pad van duisternis. Nu is het tweede huis zo vol van uw tweede kruis, waar de dauw tegen de daken klimt, oh uw morgen die mij bemint. Tweede Santra, genaad' en liefde, door uw haren vinden wij de wilde bossen. 5. Steeds uw huis, de woorden staan geschreven op het kruis, met een vlam bracht u licht in duist're harten, door een vlam voerde u ons door diepe waat'ren van genaa, steeds weer bracht u ons tot de wijzen van de nacht. 6.En vluchten is niet mogelijk, uw Geest is altijd daar, uw hand als dikke wanden, de muren van het witte huis, in zilvergrijze nachten, de daken die op ons wachten, waar muren tot leven komen, spinnen die ons doen dromen. 7. Oh Spin van God, heb genade in dit duistere lot. Steeds dacht ik God heeft mij verlaten, geen adem en geen lust tot leven, altijd moe en zwak, maar sterkte als een zilverkruis, als dunne draden in mijn ziel. 8. Geen reus kon mij pakken, 'k blijf steeds hopen op u. Steeds dacht ik God heeft mij verlaten, de morgen maakte mij zo depressief, met trage passen kwam de duist're hand en brak mij. 9. Dunne draden in mijn ziel, zilv'ren wachters in de verte staan, dunne draden, geen kracht om te vechten, duist're liederen voeren hier de boventoon, op het schip van spinnenwebben, door 't woud van diepe rivieren. Tweede Santra, steeds weer denk ik God heeft mij achtergelaten. 10. Ben ik overgeleverd aan uw grote wraak, oh moederspin. Spinnen des hemels eten mij, dag aan dag, zilv'ren bomen buigen diep in stille rouw. Heer, u bent de stilte, u maakt mij zo onzeker, laat toch uw liefde weer volop stromen. 11. U neemt mij mee, tot duist're waat'ren, steeds weer gelden andere wetten. Is dit dan wat ik verdien, al die duisternis, het klagen maakt mijn oog zo moe. Ik heb geen kracht, ik ken alleen uw kruis, alleen uw wonden. 12. Heer, geef mij niet over. Wees dichtbij me. Wees mijn kracht en mijn schild, mijn pantser. Spinnenwebben hebben mij omgeven. Heer, kom thuis in dit tweede huis. Laat mij slapen, sluit mijn ogen voor eeuwig, ik kan het niet meer geloven, ik kan het niet meer dragen, sluit mijn ziel. Uw maaksel is in diepe paniek, waar handen haar breken, ze kan het niet meer, ze glijdt weg, de nacht is haar tot omhulsel. 13. Laat uw kind niet verloren gaan. Geef haar nu nieuwe dromen, en maak haar tot een hertenkind door de morgen bemint. In zilvergrijze nachten, ze zwemt door duist're grachten, ontdaan van haar krachten, zinkt zij naar ongekende dieptes. 14. Vissen des hemels nemen haar mee, tot het droge achter een grote zee. Aanschouw uw redder, vergeet het niet, in 't spinnenweb vond zij een weg in haar verdriet. Spin des levens, de dood achtergelaten, rozen van genade na een bitt're nacht.

8.

De Slaap des Heeren

1. Daar gaat mijn ziel, ze is een mooie vogel. 2. Daar gaat mijn ziel ze fladdert en kijkt steeds om. 3.Bubbels komen uit haar mond, ze verspreidt zoveel bloemen. En bloesem groeit op haar rug. 4.Ze is op weg, maar 'k weet niet waar naartoe. Ze draait steeds om, en 'k weet niet waar ze naar kijkt. 5. Het gaat te snel. Haar lippen bewegen zo snel, ik weet niet wat ze zegt. Daar gaat mijn ziel, waar komt ze toch vandaan. 6. Onder wiens betovering is ze, en waarom draait ze zo snel. Haar lichaam danst op snelle muziek, maar ik hoor niks. 7. Alleen enige waterbubbels, en op de achtergrond een zacht woud. Wat zal ze zeggen als ze mij hier ziet. 8. Zou ze mij meenemen naar haar paradijs. Mijn ziel is als een vogel des Heeren, en mijn geest achtervolgt haar. Zal ze ooit rust vinden. 9. Ze zegt heilig, heilig is de Heere, en ik omhels haar in strakke omhelzing. Ze is des Heeren. 10. En rivieren stromen van haar ogen, en wijn komt uit haar mond. Ze straalt. Ik heb haar alweer verloren, daar rent ze in de verte, daar waar de zon het woud raakt. En kleine vogels vliegen om haar heen. 11. En aldus is de Slaap des Heeren, en zij grijpt naar dromen. Ze roept wat maar ik kan haar niet verstaan. 12. Ze is als een veer die mijn geest bewaakt. In mijn verstand kan ik haar niet vatten. Ik heb slaap nodig, maar hoe kom ik daar. 13. Ik ben te fit om nu te liggen. Of zou ze me neerslaan ? 14.En alzo is de Slaap des Heeren. Ze groeit als een boom, ik kan haar niet begrijpen. En vluchten kan ik voor haar niet. Ik zie haar steeds weer rennen. 15. En zij brengt mij steeds weer teneer. Hoe kan ik hieraan wennen, het is de Slaap van de Heer. 16. Groter wordt ze in Zijn Geest. Ik kan haar nauwelijks meer aanschouwen, maar ze daalt steeds in liefde op mij neer, als de duif van de Heer. Wees niet bang voor de beslissing van de Heer, waar Hij ingrijpt in ons hart en in onze ziel, waar hij onze geest besnijdt. Wees niet bang voor Zijn rake klappen, wij allen lijden onder de druk van Zijn Geest. De Heere heeft weer ingegrepen. Nauwelijks kunnen wij staan op onze benen. Nauwelijks komen wij vooruit, en onze vijanden zijn met velen. Ja, zij zijn vijanden van onze zielen, maar de erfenissen staan ons bij. En als zijn ijsleeuwen hun bekken openen, stroomt het ijs over onze armen en benen, om te openen en te sluiten, om nieuwe getijen aan te kondigen.

9.

Slaaplied van de Twijfel

1. Ik kan niet meer. Ik kan uw wolken niet meer zien. Ik voel me teer, 'k voel me onbehouden, lomp en zonder liefde, zonder een vonkje genaa. 2. Heeft de Heer mij echt verlaten, zal ik dan zijn liefde zien, nu ik me zo dom heb gedragen. Waar moet ik heen, zal Hij mij ontzien. 3. Ik heb gehoord Hij moet mij niet meer. Maar wie sprak deze woorden tot mij. Het was een mens, en wat is hij te achten. 4. Toch ben ik bang, ik durf niet meer tot Hem te naad'ren. Zijn tempel is heilig, klaarstaande om de onheiligen te verteren. 5. Ik voel me dood en onrein, alsof ik de spot met Hem heb gedreven. Heb ik Hem verloochend, ik weet niet wie ik ben. 6. Is dit mijn lot, ik heb zo'n pijn, en ik verlang zo naar Zijn stem. Zo zoet was het in 't verlee, ik weet niet meer waar ik ben. 7. Heb ik Hem afgezworen, mijn hart kon 't niet meer aan. Ik zou Hem nooit pijn willen doen, 't zoete behoort Hem toe. 8. Heb ik hem dan afgezworen, ik twijfel en heb zoveel verdriet. Mensen kunnen mij bespotten, ach ze is niet meer z'n vriend. 9. Wat is dat voor een God, wat hebben die twee nog met elkaar op. 10. Wat is een mens te achten. Ik wil hun woorden niet geloven, maar geef acht op mijn geliefde, Hij redt mij steeds weer. 11. Ook nu in al mijn twijfels, ik zie de hemel niet meer. Zijn ogen die mij zoeken. Oh wat doet mijn leven zeer. 12. Ik bemin je, mijn vriend, toe zeg me waar je bent. 13. Ik durf niet meer te komen, en 'k weet toch niet waar ik heen moet gaan. 14. Mijn vriend, Mijn God, ik ben zo bang, wat heb ik u toch aangedaan. Ik voel mijn wonden, zijn het mijn zonden, of is het een traan van uw aangezicht. 15. Ik durf niet op u te hopen, bang bedrogen uit te komen. Ik laat mijn hoofd weer hangen, ik glijd weer naar benee. Mijn goede vriend waar ben je. 16. Niks durf ik hem meer te vragen. Ik ga nu in het zwart, mijn haren blauw geschilderd, we lopen nu apart. Het zoete van je kussen, het is niet meer voor mij. Je zal nu wel een ander hebben. Ach, zo was het altijd al. Geest van God, zo zal het zijn. 17. 't Leven zo, ik moet me maar berusten. Maak nu maar anderen blij, ik zet u nu weer vrij. Geest van God, mijn goede vriend, 'k heb u alle dagen bemint. 18. Misschien dat er nog tranen stromen, van mij naar u, als mooie dromen, ik voel u soms, dat kan niet meer stuk, de jaren zitten veel te diep. 19. Geest van God, ik ga in stilte, 'k durf niet meer tot u te spreken. Langzaam drijf ik dan mijn woorden, richting and're dingen, maar 'k hoop stil dat u mij toch nog kan horen. 20. Ik voel me zo moe, mijn gedachten dwalen af, tot een nieuwe morgen. Waar moet ik toch naartoe zonder u. 21. Mijn leven is nu zo leeg, en slaap vervult mij. 22. Kunnen mijn trage, angstige woorden u nog wel bereiken. Ik weet het niet. Het maakt mij onzeker, zo verdrietig en zo hopeloos. 't Is voorbij.

10.

Blauwstaartje

1. Blauwstaartje was een visje in een hele diepe oceaan. De visjes noemden hem blauwstaartje omdat hij bijna geheel wit was, alleen met een blauw staartje. Op de vissenschool kregen ze les van een oude grote blauwe vis. Als die vis boos werd dan kon je je maar beter verbergen, want dan blies hij met al zijn kracht het water naar je toe, en begon hij vreselijk met zijn vin en staart te klapperen. Blauwstaartje was altijd een beetje bang voor die grote blauwe vis, maar de andere visjes vonden hem maar een bangerd.

2. Ook kregen ze les van een zeeslang met blauwe en witte strepen, en als laatste van de blauwe zeester. Blauwstaartje vond geen van zijn onderwijzers aardig. Ze waren alledrie erg streng. Maar de visjes uit zijn klas vonden dat hij zich niet moest aanstellen.

3. Op een dag was het feest op school, en maakten ze met z’n allen een schoolreisje naar de oppervlakte van de oceaan. Hier was Blauwstaartje nog nooit geweest, en hij keek zijn ogen uit. In de verte zagen ze een schip met mensen erop. Blauwstaartje zou wel een mens willen zijn, want zij hadden benen. Blauwstaartje zou heel graag op het land willen wonen, maar de meester had altijd gezegd dat ze op het vaste land oorlog maakten. Op een dag vertelde de oude blauwe zeester een verhaal over een meisje van het vaste land die een vis wilde worden. Blauwstaartje vond het een droevig verhaal. Het meisje ging vaak naar de zee, omdat ze niet tegen het geruzie van mensen kon. Op een dag was ze het zo beu dat ze de zee inging, maar door een grote golf werd ze meegesleurd en verdronk.

4. Blauwstaartje moest altijd erg huilen als hij het verhaal hoorde. Blauwstaartje zou heel graag een mens met benen willen zijn. Dan zou hij misschien wat aan al dat geruzie kunnen doen, en dan hoefde er ook niemand meer weg te lopen om te verdrinken. Op een dag vertelde Blauwstaartje na de les aan de zeeslang met blauwe en witte strepen dat hij graag een mens zou willen worden. Hij vroeg de zeeslang om raad, want hij wist niet hoe hij dat kon worden.

5. ‘Jongen, doe maar niet zo dom, want mensen maken altijd ruzie,’ zei de zeeslang. ‘En bovendien zou ik niet weten hoe je mens zou moeten worden. Volgens mij is dat onmogelijk. Je moet gewoon je best blijven doen hier op school, om een keurig nette vis te worden. Haal al die verhaaltjes van je maar uit je hoofd. Dat is veel beter.’

6. Maar toen ging Blauwstaartje naar de blauwe zeester, en vertelde hem hetzelfde, dat hij graag een mens wilde worden. De blauwe zeester begon een beetje te brommen, en zei dat hij eigenlijk geen tijd had voor zulke onzin. ‘Je bent niet voor niets een vis,’ zei de zeester. ‘Wat je bent moet je blijven, en trouwens zou ik niet weten hoe je een mens zou kunnen worden. Ik vind het maar een domme wens. Mensen zijn slecht en zijn geboren om oorlog te maken. Zet het maar zo snel mogelijk uit je hoofd, want van jouw plannen komt toch niets terecht.’

7. Teleurgesteld ging Blauwstaartje als laatste naar de grote blauwe vis, maar die werd direkt zo boos dat Blauwstaartje maar gauw weer vertrok. De volgende dag vertelde de blauwe vis in de les wat er was gebeurd, en begon Blauwstaartje nog eens extra uit te lachen. Ook de visjes van de klas begonnen Blauwstaartje uit te lachen. Na de les ging Blauwstaartje extra snel naar huis, omdat hij verder niet gepest wilde worden, maar de visjes van zijn klas volgden hem snel, en begonnen om zijn huisje heen te zwemmen. ‘Ha, ha ha,’ lachten ze, ‘wat een dommerik. Hij wil mens worden !’ Maar na een tijdje vertrokken de visjes weer.

8. Ook Blauwstaartje’s moeder, een grote roze vis, kwam het te horen, en wilde eens diepgaand met haar zoontje praten. ‘Zeg ik heb gehoord wat je wens is,’ zei de moeder, ‘en ik vind het heel dom van je. Je weet toch dat mensen niets anders doen dan oorlog maken ?’

9. Ja maar moeder, sprak Blauwstaartje, ik zou daar zo graag een eind aan willen maken, en ik zou graag eens op benen willen staan.

10. Ja jongen, zei de grote roze vis, mensen hebben prachtige benen, maar wij hebben nu eenmaal gewoon een staart en daar moeten we het mee doen. Toen vader thuis kwam en het verhaal hoorde kreeg hij het met Blauwstaartje te doen. ‘Jongen, ik had vroeger dezelfde wens, alleen daar is helaas nooit iets van terecht gekomen,’ zei vader.

11. ‘Maar hoe kan ik mens worden,’ zei het visje.

12. Vader keek moeder aan, en moeder keek vader aan. ‘Vertel het hem maar,’ zei moeder. Toen sprak de vader : ‘Jongen, dan moet je op zoek gaan naar het blauwe gesteente van de rog.’

13. Toen zei moeder : ‘Vader heeft gelijk, maar daar kom je niet zo makkelijk. Niemand heeft het ooit gevonden.’

14. ‘Maar waar kan ik het vinden ?’ vroeg Blauwstaartje.

15. Maar dat konden zijn vader en moeder niet vertellen. Diep in de nacht ging Blauwstaartje het huisje uit, en ging op zoek. Na heel lang zwemmen kwam hij uiteindelijk een rog tegen en vroeg naar het blauwe gesteente. ‘Oh verderop,’ zei de rog. Na een tijdje kwam Blauwstaartje nog een rog tegen en vroeg hetzelfde, en kreeg weer hetzelfde antwoord. Maar na dagen zwemmen had Blauwstaartje nog niets gevonden. Ten einde raad besloot Blauwstaartje weer naar de oppervlakte van de oceaan te gaan, om de mensen met hun schepen weer te bekijken. Misschien zou hij daar wel op een idee komen.

16. Toen hij bovenkwam was het erg druk op zee. Overal zag Blauwstaartje bootjes. Niemand had Blauwstaartje ooit over vissers verteld, en daarom kende hij het gevaar van de netten niet. Maar op één van de schepen zag Blauwstaartje iets fonkelen. Het leek wel op het blauwe gesteente waar zijn vader en moeder over hadden gesproken. Plotseling werd hij door een net meegetrokken. Blauwstaartje schrok verschrikkelijk, en al snel werd hij in een bak geworpen. Al snel kreeg Blauwstaartje het erg benauwd. In de verte op het dek zag hij het blauwe gesteente flonkeren en glinsteren. Het was prachtig, maar Blauwstaartje kon er niet bij. Hij had immers geen benen, en zwemmen kon hij hier niet. Hopeloos begon Blauwstaartje naar adem te happen. Twee mannen kwamen bij de bak en zagen Blauwstaartje liggen. ‘Kijk nou eens, wat een prachtige vis, bijna geheel wit met alleen een blauw staartje,’ zei één van de mannen en greep Blauwstaartje uit de bak.

17. ‘Ja,’ zei de andere man, ‘hij is bijna net zo prachtig als het blauwe gesteente daar, en wees naar de fonkelende, bijna gloeiende stenen.’

18. ‘Nou, ik vind de vis veel mooier dan jouw zeestenen,’ zei de man die Blauwstaartje had vastgegrepen. ‘Houd jij je edelstenen maar, ik heb de vis. Ik zag hem het eerst.’

19. Maar toen liep de andere man naar het blauwe edelgesteente toe, en bracht het naar de man met de vis toe. ‘Nou, we zullen ze eens naast elkaar houden en zien wie de prachtigste is.’

20. Toen hield de man de vis tegen het zeegesteente aan, en plotseling stond er een klein jongetje met een prachtig blauw pakje tussen hen in. Maar waar was de vis nu gebleven ? Ook de edelstenen waren verdwenen.

21. ‘Zeg jongetje,’ zei één van de mannen verbaasd. ‘Heb jij soms de blauwstaart met de stenen weggepakt ?’

22. Maar het jongetje kon niet praten. De mannen stonden voor een raadsel. ‘Zeg, hoe komt dat joch hier eigenlijk ? Misschien is het een verstekeling,’ zei de andere man. ‘Laten we hem naar de kapitein brengen.’

23. En zo brachten de twee vissers de jongen naar de kapitein. De kapitein was heel aardig, en nam de jongen direkt onder zijn hoede. Niemand sprak verder nog over de blauwstaart en het blauwe gesteente. De kapitein leerde de jongen praten, en hoe je een schip moest besturen. Maar dat ging niet al te gemakkelijk. Het jongetje kon de klanken niet uitspreken.

24. Toen het schip aan wal kwam nam de kapitein de jongen mee naar huis, en zijn vrouw was direkt erg liefdevol naar de jongen. De vrouw had altijd al graag kinderen willen krijgen, maar die wens werd nooit vervuld. Maar op school werd de jongen geplaagd, omdat hij een spraakgebrek had. Steeds meer begon de jongen terug te verlangen naar de zee, en op een dag nam de kapitein hem mee. Ze zouden een hele grote reis gaan maken met het schip. Maar op een dag had de jongen een heel sterk verlangen om over de reling te springen, en toen hij het water raakte veranderde hij direkt weer in een vis. Het visje was heel opgewonden over wat hij allemaal had meegemaakt, en zwom zo snel hij kon naar het huisje van zijn ouders. Maar vader en moeder waren helemaal niet blij toen het visje het verhaal vertelde. Zijn vader en moeder hadden destijds het verhaal over het blauwe gesteente van de rog verzonnen om hem niet teleur te stellen. Nu ze hoorden dat het visje echt mens was geworden door de blauwe zeestenen wisten ze zich geen raad.

25. Maar op de vissenschool geloofden ze hem niet, en lachten ze hem uit. De grote blauwe vis die hen onderwees werd zelfs heel erg boos op het visje, en sloot hem voor straf op in de kelder van de school. In de kelder was ook een ander visje opgesloten, een visje uit een andere klas.

26. Hoe ben jij hier terecht gekomen ? vroeg Blauwstaartje. Maar het andere visje zei niets, en was heel stil. ‘Nou, als je niet wil praten is ook goed hoor,’ zei Blauwstaartje. Toen vertelde Blauwstaartje wat hij allemaal had meegemaakt. Het andere visje begon na een tijdje een beetje te lachen, al was het in Blauwstaartje’s ogen maar een glimlach.

27. Na een tijdje kwam de oude blauwe zeester om de kelderdeur open te maken. ‘Jullie straf zit erop,’ zei hij. Het andere visje vloog weg zo hard als ze kon, en Blauwstaartje bleef een beetje teleurgesteld achter. Hij had gehoopt dat ze vriendjes zouden worden. Langzaam zwom hij over de trap naar boven, en ging weer naar de les. Blauwstaartje besloot verder maar zijn mond te houden. Nu hadden ze les van de zeeslang. Maar de zeeslang zei dat hij het hele verhaal gehoord had, en vertelde het nog eens, tot grote afschuw van Blauwstaartje, want weer begonnen de visjes van zijn klas hem uit te lachen. Na de les kwam hij op de schoolgang het visje van de andere klas tegen waarmee hij samen in de kelder zat. Ze glimlachte even, maar zei verder niets.

28. Gek genoeg begon Blauwstaartje weer naar het vaste land te verlangen. Zou hij nu weer eerst blauw zeegesteente van de rog moeten vinden, of zou hij direkt een jongen worden als hij uit het water zou komen ? Opgewonden en nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren zwom Blauwstaartje zo snel als hij kon richting de oppervlakte van de oceaan. Maar hier werd hij door een grote vis gegrepen, en flink verwond. Al bloedend zwom Blauwstaartje naar de kant, en kwam op het strand terecht, waar hij direkt veranderde in een jongen met een blauw pakje. Maar nog steeds bloedde hij hevig. De jongen stond op, en rende naar het huis van de kapitein. De kapitein was er niet, maar de vrouw van de kapitein verzorgde de wond liefdevol. Toen de kapitein thuiskwam was deze blij de jongen te zien. ‘We dachten dat je verdronken was,’ zei de kapitein. ‘Wat is er gebeurd ?’

29. En toen vertelde de jongen het hele verhaal, maar de kapitein begon er hartelijk om te lachen, en kon het niet geloven. De vrouw zei niets.

30. Even later nam de kapitein de jongen mee naar het water om te kijken of het echt waar was. Maar toen de jongen in het water sprong gebeurde er niets. De jongen bleef gewoon een jongen. Blauwstaartje besefte toen dat hij nooit meer terugkon naar de dieptes van de oceaan. ‘Zie jongen, je hebt het gewoon maar gedroomd,’ sprak de kapitein, en legde toen zijn arm om de jongen heen, en samen liepen ze naar huis. Wel hebben ze de jongen altijd Blauwstaart genoemd.

11.

De Paddenkoningin

1. Eens woonde er een meisje bij een arm gezin. Ze vonden het meisje eens in het bos, en namen het onder hun hoede, maar ze waren erg arm. Ze noemden het meisje Grunpuhlster, omdat ze ogen had als groene poelen. Op een dag hadden ze zoveel honger dat ze het meisje verkochten aan een jager op doorreis. Hij nam het meisje mee naar zijn boshuis waar ze in het huishouden moest werken. Ze kon alles zo goed schoonmaken, dat alles een groen glimmend laagje kreeg, en daarom noemde ook de jager haar Grunpuhlster, en natuurlijk omdat ze zulke mooie ogen had als groene poelen.

2. Op een dag moest de jager weer weg op reis voor een lange tijd. Niet lang daarna kwam er een bedelaar die bij Grunpuhlster aanklopte. Grunpuhlster deed open, en nam de man zorgzaam naar binnen. Ze gaf hem goed te eten en een slaapplaats.

3. Toen de volgende ochtend de man naar beneden kwam keek hij Grunpuhlster erg dankbaar aan. ‘Omdat je zo zorgzaam en liefdevol naar mij bent geweest,’ sprak de man, ‘zal er bij alles wat je spreekt een groene edelsteen uit je mond vallen.’ Het meisje schrok, want zo’n geschenk had ze niet verwacht. Ze durfde haar mond niet open te doen, maar knikte dankbaar en liefdevol naar de man, die ineens in het niets verdween.

4. Toen de jager thuiskwam durfde ze niet te spreken, maar toen de jager dat in de gaten kreeg, en veel vragen begon te stellen, deed ze uiteindelijk haar mond open, en er vielen groene edelstenen op de grond. De jager was erg verrukt. Het meisje vertelde hem alles. De jager was erg trots op haar, en sindsdien hoefde ze niet meer in het huishouden te werken.

5. Op een dag nam de jager haar mee naar de koning van het land. De koning was zo onder de indruk dat hij haar liet trouwen met zijn zoon, maar ze was niet gelukkig. Ze dacht nog steeds aan het arme gezin waar ze vandaan kwam. Na enige jaren ging ze samen met haar prins naar het arme gezin toe, en ze sprak zoveel, en er rolden zoveel groene edelstenen uit haar mond, dat ze nooit meer arm hoefden te zijn.

6. Maar op een dag verdwaalde het meisje weer in het bos. Na een lange tijd wandelen kwam ze bij een huisje aan waar een kabouter voor stond. ‘Heus, je hoeft hier niet te werken, maar kom een nachtje logeren, want stormen zal het huizenhoog, hoei.’ Het meisje luisterde maar naar het vreemde mannetje, want ze wilde niet door de storm meegenomen worden. Toen ze de volgende ochtend wakker werd was het mannetje in geen velden of wegen te bekennen. Ze kon het niet laten om het huisje wat schoon te maken, want het was er zo stoffig. En alles wat ze schoonmaakte kreeg een groen glimmend laagje. Toen het mannetje die avond thuiskwam was hij erg onder de indruk. ‘Blijf nog maar een nachtje slapen,’ zei het mannetje, ‘want vannacht gaat het weer stormen.’

8. De volgende dag kwam er een bedelaar aan de deur. Het meisje deed direkt open, en gaf de arme man wat te eten. Ook gaf zij hem een bed. Na een tijdje kwam de man naar beneden, en het meisje sprak veel met hem, terwijl er groene edelstenen uit haar mond vielen. De man vulde zijn zakken ermee, en zei : ‘Pikkel, taddel, tad, elke keer dat je zult spreken komt er uit je mond een pad.’ Het meisje schrok, en de man vertrok snel met zijn zakken vol groene edelstenen.

9. Toen de kabouter die avond terugkwam en het meisje tot hem sprak rolden er allemaal padden uit haar mond. Het mannetje schrok heel erg en riep : ‘Heb je hier soms tovenaars binnengelaten ? Het woud zit vol met boze tovenaars. Voor straf moet je vannacht buitenslapen.’

10. Het meisje begon erg hard te huilen, maar het mannetje was niet over te halen, hoe het meisje ook smeekte. Die nacht zwierf ze door de bossen en kwam er een grote storm die haar opnam. Na een lange tijd werd ze wakker in een grote poel. Ze zat helemaal onder de modder, en die ochtend maakte ze een lange wandeling door het bos in de hoop weer de weg terug te vinden. Na een lange tijd vond ze de weg terug. Toen ze bij het kasteel van de prins kwam wilde niemand haar binnen laten, omdat ze onder de modder zat, en telkens wanneer ze sprak kwamen er padden uit haar mond.

11. En zo sliep ze die nacht weer buiten, en een grote storm nam haar mee, verder weg dan ooit. Ze werd tot helemaal achter de poel geslingerd. Achter de poel stond een heel oud en arm huisje, en een oude vrouw hing daar de was op die prachtig wit was. De was glinsterde in het maanlicht. ‘Kom binnen, arm kind,’ zei de vrouw, ‘want als de storm je pakt, dan neemt hij je mee. Het kan hier nogal waaien.’ Het meisje durfde haar mond niet open te doen, en ging met de vrouw naar binnen. Binnen was het erg stoffig, en toen de vrouw weer naar buiten ging, besloot het meisje wat schoon te maken, en alles werd glimmend groen. Toen de vrouw weer binnen kwam en het glimmende groen zag begon ze te lachen en zei : ‘Pikkel, taddel, tuid, alles wat je aanraakt zal veranderen in paddenhuid.’ Het meisje rende huilend naar buiten, en werd door de storm gegrepen.

12. De storm bracht haar naar het land van de reuzenpadden. De reuzenpadden pakten haar en brachten haar tot hun koning. De paddenkoning vertelde haar dat spoedig alles overstroomd zou worden door de poel. Het meisje wilde naar huis, maar de paddenkoning liet haar niet gaan. Ze moest in het paleis werken, en alles wat ze aanraakte veranderde in paddenhuid. Ook kwamen bij alles wat ze sprak padden uit haar mond. Het meisje was ten einde raad. Op een dag vroeg de paddenkoning of zij zijn koningin wilde worden, maar het meisje vertelde dat zij al prinses was in een ander koninkrijk, en daar koningin zou worden. De paddenkoning werd erg kwaad, en wilde dat koninkrijk wel bezoeken. Het meisje vertelde hem dat het het land achter de storm was.

13. En zo gingen op een dag de paddenkoning en zijn soldaten naar het land waar het meisje vandaan kwam, maar zij keerden niet meer terug. De achtergebleven reuzenpadden kroonden toen het meisje als hun koningin. Maar op een dag begonnen alle poelen los te komen, en begonnen alles weg te spoelen. De koningin rende naar haar hoogste toren, en zag hoe de poel de reuzenpadden meesleurde naar het land waar zij vandaan kwam. De poel begon steeds hoger te steigen en vanuit het hoogste torenraampje klom de koningin op het dak van de toren, tot aan de punt. Help, help, riep de koningin. In de verte zag zij een bootje aankomen met daarin de kabouter die haar weggezonden had. De kabouter zag haar ook, maar wilde haar niet meenemen. Even later zag ze een bootje aankomen met de oude vrouw die haar had uitgelachen en had betoverd. Ook de oude vrouw ging haar voorbij. Het puntje van de toren was nu ook in paddenhuid verandert. En ten einde raad begon de koningin te praten en te praten, en zoveel padden kwamen er uit haar mond dat ze een boot begonnen te vormen waar het meisje in kon stappen. Het meisje bleef praten en praten zoals ze nog nooit gepraat had, en even later was ze in een flinke boot op de woeste hoge golven. Nog nooit had ze zo’n woeste zee gezien.

14. Na een tijdje kwam er een reusachtige hand tevoorschijn vanuit de donkere lucht die haar als een bliksemschicht oppakte. In een hoge toren in de wolken, geheel gemaakt van paddenhuid kwam ze terecht, en kwam ze oog in oog te staan met de bedelaar die haar eens de gave had gegeven dat alles wat ze sprak in edelstenen veranderde. De bedelaar keek haar vriendelijk aan. ‘Zo zie je maar weer hoe een gave je in de problemen kan helpen,’ sprak de bedelaar. ‘Maar nu, omdat je zo getrouw bent gebleven : wees mijn koningin.’ En de bedelaar bracht haar tot een rijk geheel gebouwd van groene edelstenen, en deze edelstenen waren de prachtigste die ze ooit had gezien. En ze leefden nog lang en gelukkig.     

12.

Het Rozenweefstertje

1. Eens leefde er een rozenweefster in het bos met haar drie zonen. Ze had een toverspinnenwiel waarmee ze rozen kon weven. Deze rozen waren heel bijzonder, en de allerrijksten van het land kwamen vaak bij haar om de rozen te kopen. Maar toch was het gezin arm, omdat zij de goudstukken en zilverstukken die ze ervoor kreeg altijd wegwierp in de bosrivier achter haar huisje. In deze rivier leefden kikkerachtige beesten die een oude poort achter de rivier bewaakten. Niemand kon ooit over die rivier komen, want een ieder die een poging waagde werd door de kikkerachtige beesten opgeslokt. De kikkerachtige beesten hadden het rozenweefstertje laten weten dat zij al haar geld aan hen moest schenken, anders zouden ze haar en haar zonen komen verscheuren. Zij vraten het geld.

2. De oude poort die ze bewaakten zou naar een geheimzinnig land leiden dat niemand kende. Eens in de zoveel jaren zou er een wachter komen, een veerman, die over de rivier zou komen met een boot, om te kijken of hij iemand zou kunnen meenemen tot achter de poort. Toen het bijna zover was vertelde het rozenweefstertje dit aan haar zonen. Ze sprak dat de wachter bij maanlicht zou komen. Ze wees één van haar zonen aan, en sprak dat als hij in de nacht geluid zou horen als een ruisende storm, dan zou hij naar buiten moeten gaan met het toverspinnenwiel, en bedekt met enige van de rozen, om dan tot de veerman te zeggen : ‘Neem mij mee, ik ben een man van stand,’ en hem dan als geschenk het toverspinnenwiel te geven.

3. Toen het zover was ging de eerste zoon naar buiten, nadat hij zich met enige rozen had bedekt, en het toverspinnenwiel had gepakt. De veerman keek hem aan, en zei : ‘Stap in. Inderdaad ben jij een man van stand. Ik zal je naar het geheimzinnig land achter de oude poort brengen.’

4. De volgende ochtend vroeg het rozenweefstertje aan haar drie zonen wat er was gebeurd. De eerste zoon sprak : ‘Ik heb inderdaad het toverspinnenwiel aan de wachter gegeven, zoals u vroeg. Toen ik in het geheimzinnig land kwam was daar een veld met toverbloemen. Maar ver kwam ik niet. Ik viel in slaap, en toen ik wakker werd was ik weer terug in mijn eigen bed.’ Het rozenweefstertje was erg teleurgesteld, en weer gingen er enkele jaren voorbij. Het toverspinnenwiel had zij niet meer. Toen de komst van de veerman weer naderbij kwam wees ze nu haar tweede zoon aan, en sprak dat als de veerman zou komen hij met hem mee moest gaan. De tweede zoon deed wat hem gevraagd werd, en in de nacht bij het maanlicht, toen er geruis was als een storm stond de jongen op en ging naar buiten. Maar de veerman sprak : ‘Maar een man van stand ben je niet. Waar zijn de rozen waarmee je je moest bedekken, en waar is mijn geschenk ? Ga dan eerst naar de kastelen der koningen om daar wat bijzondere rozen te nemen, en steel bovendien hun grootste schat. Dan zal ik de volgende nacht weer komen.’

5. De volgende dag deed de jongen wat hem gevraagd was, maar in het kasteel van de koning werd hij betrapt, en werd in een kerker gegooid. Vanaf nu moest hij onder de grond werken, zoals elke dief die gepakt werd. Elke dag werd hij uit zijn kerker gehaald, om lange reizen onder de grond te maken. De dieven moesten op zoek gaan naar bijzondere stenen.

6. Het rozenweefstertje was erg teleurgesteld dat haar zoon niet meer terugkwam, en zei toen tot haar derde zoon : ‘Wacht jij nu tot de veerman terugkomt om je broer te halen, en zorg ervoor dat je wat van mijn klederen draagt, en schenk hem onze gouden klok.’ De derde zoon deed wat hem gevraagd werd.

7. De volgende dag vroeg het rozenweefstertje aan haar derde zoon wat er was gebeurt. De jongen sprak dat de veerman hem meenam tot het geheimzinnig land. Hij ging door een veld van toverbloemen, maar werd onwel en viel in slaap. Even later werd hij weer wakker, en ging verder in het veld van toverbloemen, en kwam toen bij een rivier van spinnendraad. De jongen zag hier geen veerman, maar er zwom wel een grote vis, en die sprak : ‘Breng me eerst wat parelmoer, van je rijke broer, die voor de koning werkt, dan kan ik je naar de overkant van de rivier brengen.’ Toen werd de jongen gestoken door een spin, en viel in een diepe slaap. De volgende ochtend was hij weer terug in zijn eigen bed.

8. ‘Nu,’ zei het rozenweefstertje, ‘je weet wat je te doen staat. Ga naar het kasteel van de koning, en vraag daar om je broer voor wat parelmoer.’ De jongen deed wat hem gezegd werd, en vertrok naar het kasteel. Toen hij bij de kerker van zijn broer aankwam zag hij daar de wonderlijkste stenen, en wat parelmoer. Zijn broer was er niet, want die moest werken onder de grond. De jongen nam één steen mee, voor de veerman, en wat parelmoer voor de vis, en vertrok weer naar huis. Maar de veerman kwam niet meer. Ze moesten wachten totdat hij naar enige jaren weer terug zou komen. Het rozenweefstertje was diep teleurgesteld, en ook de jongen. Maar er zat niets anders op dan te wachten.

9. Maar op een nacht werd de jongen wakker van wat spartelend geluid. De jongen stond op en ging naar buiten. Daar bij de rivier zag hij de vis van de rivier van spinnendraad. ‘Heb je het parelmoer gevonden ?’ vroeg de vis. De jongen knikte blij, en rende naar binnen om het parelmoer te halen. De vis bracht hem helemaal over de rivier tot aan de oude poort. Nu moest de jongen de vis dragen tot aan de rivier van spinnendraad. Gelukkig viel de jongen niet in slaap. Daarna bracht de vis de jongen over de rivier van spinnendraad.

10. De volgende dag wilde het rozenweefstertje haar zonen wekken, maar ze had nog maar één zoon over. Het parelmoer was verdwenen, en zo ging ook de laatst overgebleven zoon wat parelmoer halen in de kerker van zijn broer. Zo gingen er weer enige jaren voorbij, totdat de veerman terugkwam. De jongen droeg wat klederen van zijn moeder en schonk de veerman een steen van de kerker van zijn broer. Toen hij aankwam bij de rivier van spinnendraad en de vis zag gaf hij wat parelmoer aan de vis, en de vis bracht hem naar de overkant. Bij een boom vond hij het gouden toverspinnenwiel van zijn moeder terug, en het toverspinnenwiel sprak : ‘Ik ben eindelijk terug in het land waar ik vandaan kom, maar nog steeds betoverd ben ik. Vlug, neem mij op, en draag mij verder in dit land. De jongen raapte het toverspinnenwiel van zijn moeder op, en vroeg waar zijn broer was. ‘Daar, achter een rivier dieper in het land,’ sprak het toverspinnenwiel. Na een tijdje lopen kwamen ze aan bij een volgende rivier. Deze rivier was geheel van rozendraad. ‘Hoe kom ik over deze rivier ?’ vroeg de jongen.

11. ‘Werp mij erin,’ zei het toverspinnenwiel van zijn moeder. De jongen deed wat hem gezegd werd, en er ontstond een gouden brug over de rivier, als een regenboog. Zo kwam de jongen over de rivier. Toen de jongen aan de overkant was gekomen verdween de brug, en een lichtende roze gestalte kwam uit de rivier omhoog. Maar de gestalte was als een standbeeld, en kon zich niet goed bewegen. ‘Vlug,’ sprak de gestalte, ‘de betovering is nog niet verbroken. Zoek nu je broer.’ En toen zakte de gestalte weer terug in de rivier.

12. Omdat geen van haar zonen terugkeerde besloot het rozenweefstertje zelf de eerstvolgende keer met de veerman mee te gaan. Ze kreeg wat parelmoer en een steen mee vanuit de kerker van haar zoon, maar ook na vele jaren kwam de veerman niet opdagen, en het rozenweefstertje was ten einde raad. Ze mocht haar zoon in de kerker niet spreken, maar toen ze de koning vertelde dat ze vroeger rozen voor hem weefde mocht ze haar zoon even zien. De zoon was erg blij haar te zien, en vertelde haar dat hij ergens diep onder de grond een brug had gevonden naar een toverwereld. Hij vertelde haar dat hij nooit ver kon komen, want in een veld van toverbloemen viel hij telkens in slaap. Maar eens kwam hij daar een lichtende roze gestalte tegen die tot hem sprak dat als hij zijn moeder zou meenemen, dan zou de gestalte hem wel door het veld heen kunnen brengen. En zo gebeurde het. Het rozenweefsterje ging met haar zoon mee, en bij het veld van toverbloemen aangekomen bracht de gestalte hen erdoorheen. ‘Vlug,’ zei de gestalte, ‘spring in de rivier van spinnendraad.’ Het rozenweefstertje en haar zoon deden wat hen gezegd werd.

13. In de dieptes van de rivier ging alles over in rozendraad, en plotseling zwom er ook een andere vrouw naast hen. ‘Kom,’ zei de vrouw, ‘in de dieptes is een plaats waar al jullie geldstukken terecht zijn gekomen die jullie vroeger in de rivier moesten werpen.’ En ze kwamen tot een kelder diep in de rivier, waar alles vollag met schatten. Hier vond het rozenweefstertje ook haar andere zonen terug, en ze leefden in rijkdom voor de rest van hun leven.

 

De Nieuwe Handelingen

1.

De Profetische Zalving

1. En ik zal u het vuur van het tweede vertrouwen geven, opdat uw hart zich aan de Heere hecht. 2. Want er is geen geloof zonder vertrouwen. Maar zalig zijn zij die twijfelen, want zij zullen de Heere zien. En de Heere moest het volk leren dat zijn kinderen door veel twijfel heen zouden moeten gaan om hun zielen te vormen. 3. De Heere weet wat Hij doet. Al wat Hij doet is verricht door engelen. Zijn hand is op u.

4. En ik zag een deur in de hemel opengaan, en het tweede vertrouwen maakte het juk zacht en zoet. En hen die het vertrouwen ontvingen werden diep genezen in hun ziel.

5. En de Heere gaf een tweede hoop, omdat de eerste hoop hongerig maakte. En de heere sprak : Zalig hen die het tweede hebben bereikt. 6. En de tweede hoop maakte de muren van de tweede geest dik. En de Heere gaf de profeten voor zijn aangezicht dubbel gehoor, en hun oren begonnen te suizen, en zij hoorden de wateren van de tweede hemel en de hemelen. 7. En hun tweede geest brak open en werd ruim, en de stem des Heeren vulde de tempel. En zij kregen een nieuwe wapenrusting en hun wandel werd trager en stijver. En zij richtten hun ogen omhoog. 8. En zij konden geesten en krachten breken door hun dubbel gehoor, en zij spraken met de engelen van het tweede. 9. En een zware profetische zalving begon door hun lijven te stromen, en zij voelden zich alsof zij hun evenwicht verloren. En zij begonnen een nieuw evenwicht in de Heere te vinden, en waren enige tijd ziek.

10. En zij die het dubbele gehoor ontvangen zullen enige tijd gekweld worden door angsten, maar zij zullen een vaste en eeuwige rots vinden onder hun voeten. 11. En alleen zij zullen de gave van het tweede oordeel kunnen dragen, en de Heere zal hun tweede geest splijten. 12. Ja, want alleen hen die gebroken zijn van tweede geest zullen de wateren des hemels zien stromen, en zij zullen voortkomen vanuit het tweede Getsemaneh. 13. Zij dragen het lijden van hun Heer diep in hun zielen, en zij kennen de honing en de dauw van Zijn baard.

14. En in de laatste dagen zal de Heere de cobra bezweren, en Hij zal hun een nieuw lichaam geven. En de Heer gooide de tweede geest als een kruik op de grond, en deze spatte kapot, terwijl de cobra's des hemels voortkwamen. 15. En zij droegen de zegels om de oude tijden te verzegelen. Zoek dan ernstig naar het dubbel gehoor, want het zal uw ziel behouden. 16. Zalig hen wiens geesten gebonden zijn in Hem. En zij zijn gebonden in dubbele koorden, opdat zij stand zullen houden op de heilige bergen, en niet uit Zijn tempelen worden verdreven. 17. Want de Heere toornt in Zijn vurige wagens, en Zijn toorn ontbrandt snel. Kus dan de cobra, opdat Hij u niet verdelgd in Zijn Toorn. Gij zijt genaderd tot het blauwe vuur van een haai. 18. En de tweede Eminius zal zijn zonder medelijden, daar zijn kracht en de wet de zonde genadeloos dient te straffen. 

2.

Het Tweede Geweten

1. En de Heere gaf dubbel gevoel aan de allerheiligsten, en zij hadden een zuivere onderscheiding. Ja, het Woord had hun verbroken als een roofdier tot hen uitgezonden, en zij dronken van de zoete wijn des Heeren, de tweede wijn. 2. En de Heere maakte hen groot op de aarde, want zij hadden macht over de roofdieren der mensen. 3. En zij namen de plaatsen der koningen in, want zij hadden de adem van de cobra. 4. En zij konden uit hun lichaam treden om grote werken te verrichten, en zij konden de hemelen scheuren. 5. En zij werden niet meer aangeklaagd door het eerste geweten, want deze was vergaan. Zij hadden nu een tweede geweten, en zij werden behoedt door de Geesten Gods en de tweede engelen. 6. En de cobra ging voor hen uit, en zij droegen schalen tot het allerheiligste. 7. Ja, zij hadden tot taak het allerheiligste te reinigen, en zij hadden zware spiersamentrekkingen, daar zij de dubbele geest diep in hun binnenste droegen. 8. En zij waren apart gezet om allerheiligste verrichtingen te doen, en om het dubbele altaar te heiligen. En zij werden genezen door heftige spiersamentrekkingen, want zij hadden voor lange tijd grote verdrukkingen geleden. En zij waren als de roofdieren des hemels.

3.

kaprunnen

1. Gij dan hebt het lijden tot u getrokken, voor het aangezicht des Heeren. Gij draagt niet boven vermogen. De Heere heeft ook zoetheid bij het lijden gegeven. 2. Komt dan tot de holen van het kruis, waar de kikker van het kruis speelt. 3. Komt dan tot de vogelen der doornenkroon en tot het konijnenhol, waar konijnen koning zijn. Zij zijn dan koningen van het kruis, kaarten van een nieuwe regen. Zij zijn tot onder het roze gedaald. 4. De bakkerij van het kruis, waar ratten het koren malen tot meel, waar muizen spelen. Het zijn bakkermans gezichten tussen jou en mij, verleden tijden komen dan weer boven. 5. Zo kunnen wij dromen, over de dieren van het kruis. 6. Alleen zij door scherpe doornen doorstoken, worden door het zachte genomen, dalende tot onder het roze. 7. En zij van de zesde dermensie, zij weten allen, wanneer de blaad'ren vallen. Zij kennen de tijden van het lijden, van het klapperen en slaan der deuren. 8. Zij zijn de koningen van de herfst, diep in zoete dromen, waar de hartstochten uit voortkomen. 9. Zij droegen haar tot de put en wierpen haar erin. En zij kwam tot de zesde dermensie. Waar de ovens staan en de zoete bakkers. 10. Het zijn bakkermans gezichten tussen jou en mij, tussen de poorten van het verleden. Kent dan de ovens en putten van het kruis, en weest zalig, al die de mystiek des Heeren kennen. 11. Kent dan alle holen en nesten. Gij dan hebt de doorn van ijs gevoeld. 12. Gij hebt dan gehoord van de slagerijen van het kruis, u leidende tot de zesde dermensie. 13. De voorwerpen des kruises zijn dan, de kaprunnen. Zo zijn er dan karbulijnen en kaprunnen, in de tijden des Heeren gezien. En ziet dan, de koning der kaprunnen is een muis. Zo zijn er zeven muizen van het kruis die over de tanden waken. 14. Ja, want zonder tanden zou het kruis niet bestaan. Gij dan moest de tand zien, anders zoudt gij Christus nooit leren kennen. 15. Komt dan tot de tanden van het kruis, zonder welken ze er niet zou zijn. 16. Ziet, het geheimenis der kaprunnen is dan in hun tanden.

4.

Het konijnenhuis

1. De geuren van het kruis, wanneer de spin het hart heeft bereikt, om daar te steken, en daar te breken, om het te maken tot een konijnenhuis. 2. Daar waar konijnen wonen, met de parfums van het kruis, vol met zoete dromen. Liefste, ik ben weer thuis. 3. Ze hebben me stijf gespoten, maar ik draag nu de bloemen van het kruis. Als een boom des velds ben ik nu, waar konijnen in wonen, waar raven op landen. 4. Ze hebben me stijf gestoken met angels, lief, maar 'k draag nu de honing van het kruis, naar jou toe stromende. 5. Laten we samen weer gaan spelen, de oorlog is voorbij. Je hebt kaprunnen in je haren, karbulijnen om je vingers, als de sieraden des hemels. 6. Op het reukofferaltaar, zoveel offers voor een reuk. 7. Ze hebben me gestoken, die bijen des hemels, en nu ben ik dan honing van het kruis, driemaal verbroken, driemaal op dezelfde plaats gestoken. 8. Ze schiepen daar een wond in een wond, als een waterig trauma, geen kracht meer om op te komen. 9. En de derde steek was dan om te doden, om mijn ogen te openen. Ze stak mij diep, de zoete spin, en nu stroomt geurige wijn. 10. Het gebak der eeuwen is niet meer te vertrouwen. Steek mij nu, voordat het te laat is. 11. Ziet het bloed is vlees geworden, waar winden tezamen komen, waar harten elkaar verstaan, zo diep gestoken. 12. Vlieg nu met mij mee, naar konijnen in reukwateren, waar vissen zich verblijden, voor elk kruis is er een bloem. 13. Wacht dan wat het kruis zal worden, het is maar zaad van een boer op zijn akker. 14. Voor elk kruis is er een spin, wij hebben zoveel armen. 15. Ziet, de naald is dan een angel geworden, driemaal gestoken, driemaal verbroken, 't zijn insecten van het kruis. Zij kennen allen het konijnenhuis.16.Zij stak het brood in mij, nu heb ik dan beleg, met radijs en karmozijnen, en het topaas is nu mijn heg. Zij mengde wijn door het meel, vreemde wijn, van een konijnenkasteel. 17. De koning zal het nu wel weten. Maar ik ben alles weer vergeten. Ik leef weer als de oude dag. Klagen over 't lijden, ik kan haar vlag niet zien. Ik ben de canons gevangene, een kruiscanon dat is wat ik kreeg. 18. Ga dan maar door met mij te bespotten, het maakt me allemaal niets meer uit. 19. De konijnenkoning is naar mij op zoek, en als hij mij vindt is je spel uit. Dan is je spel uit. 20. Loop nu maar rond, zeg maar dat ik gek ben geworden. Ik ben liever gek dan jouw slaaf. Ik heb teveel in jouw canon moeten werken, zonder loon zonder een baas. 21. Je liet me sterven in de kou, je maakte van mij een stuk papier, om te dienen in jouw vreemde boeken, en jij was vol van leedplezier. Van leedplezier.22. Je dierencanon heeft het konijn afgeschoten, ik vond het daar diep in koude sloten. Je hebt me alles nu ontnomen. Zeg, wat wil je nu nog meer ? 

5. 

1. Kom nu maar bij me, mijn liefste, ik heb het allemaal gezien. Ze hebben je dan opgesloten in een canon. 2. Kom maar hier, mijn liefste. Kom maar bij me, gauw. Ze hebben je opgesloten in een canon, maar ik hield zoveel van jou. 3. Zeg, geloof me, liefste, je bent mijn adem. Je bent mijn heerlijkheid, waar de dag zoveel schreit, ik geef je alles, kom dan liefste. 4. Ik heb alles dan gezegd, je bent weer bij me. Ik breng je zachtjes naar je bed. Ga maar lekker slapen, en vergeet hen die ongeinteresseerd gapen. Geloof me, liefste, ze krijgen over alles spijt. Ze hebben het konijn afgeschoten, aten zijn vrienden, en gingen elkaar te lijf. 5. Kom maar, lieve schat, ik breng je zachtjes naar je bad. Alles is nu goed, je bent niet meer verloren. Die hel die duurde niet altijd, 't was een leugen van een valse canon. 6. Nu is alles wat we moeten doen, een open canon op te stellen. Onze canon wel te verstaan, waar alle dieren in vrede leven. De konijnenkoning heeft het gedaan. 7. De konijnenkoning heeft het gezien. We hebben nu allen één taal.8. Ze stak me diep in 't brood, ze vrat me kaal, maar ze gaf me één taal. Ze stak mijn vuurnood, ze ga mij alles, maar nu is ze dood. 9. Moeder, als ik u nog terug kon halen. Ik begrijp nu wat u deed. Ik heb uw liefde nu in alle dingen om mij heen gezien. Maar nu is het te laat. 10. 't Graf blijft dicht, u bent er niet meer. Ik regen al mijn tranen op u neer. Ik schrei nog steeds naar al die jaren. Ik miste u pas toen u weg was gegaan. 11. Waren dan mijn ogen gesloten, had ik dan geen liefde voor het kruis. U bent toch altijd goed voor me geweest.

6.

1. Lieve schat, ja jij hoort er ook bij. Je dacht dat ik je was vergeten. je bent nu vrij, de canon is doorstoken, maar kom niet te dichtbij. 2. De beesten brullen, de konijnenkoning is boos. We moeten voorzichtig zijn, 't is beter te vluchten naar het bos. 3. Dat wat zij zien, dat hoeft er niet te zijn. Zij haten het konijn. 4. De beesten brullen, het konijn is boos. Zolang opgesloten in zo'n kleine doos. Nu, na al die jaren komt hij eruit, toe ren voor je leven, zolang het nog kan. 5. Hij zal op zoek gaan naar hen die hem verwondden, hij zal ze eten zoals zij hem eens vonden. Ze zijn geen goede ouders geweest, zij voerden hem aan het beest. 6. Dat wat je dier was had je kind moeten wezen. Maar ik praat slechts tegen een boom. Toe, vlucht, joh, het konijn is nu aan 't dromen, en als hij opstaat is alles te laat. 7. De beesten brullen, het konijn is boos, bozer dan de nacht, zo lang opgesloten in jouw handen. Toe vlucht, anders zullen zij gaan branden. Hij wil al die jaren terug, zal zijn kooi bouwen, en vullen met hen die hem haten. Toe ren, ik kan het niet anders zeggen, anders ben je er geweest. 8. Maar voor allen die het konijn zo lief hebben, hij zal je bereiden zoete rust, het vlees laten eten van al die hem haten, nee, sparen zal hij ze niet. 9. Nu dan, alle wolven des hemels, het konijn heeft voor u een maaltijd bereid, met wijn en zoete zorgen, zacht verdriet na al die jaren van diepe pijn. 10. Uw wonden zullen zachter worden, uw klederen zullen gescheurd zijn, en dan zal hij ze opnieuw naaien, in een nieuwe stijl. 11. Weet dan schat, dit is de laatste keer, dat ik tot je spreek, ze zullen me nu vermoorden. Toe bezoek mijn graf, daar waar de rozen bloeien. Een dag zien we elkaar weer. 12. Treur niet, treur liever om hen. Ween om hen die lachen. Ik ben weer veilig in de dood, hier kwam ik vandaan en ga ik weer naar toe, daar waar het brood belegd is. 13. Waar de raven neerstrijken. Waar de konijnenkoning zijn toevlucht heeft. 

7.

1. Kom niet te dichtbij. Ze hebben hem afgevoerd, een konijn achter glas. 2. De jaren zijn verstreken, ik denk nog vaak aan het verleden. We moeten al die graven volgen, al die putten door de geschiedenis heen, waar al onze vrienden zijn gestorven. 3. Toe, je moet er doorheen. Anders zul je eens de dood roepen, maar zij zullen zich van je afkeren. 4. De canon van het leven, heeft de dood afgezworen. Achter spinnenwebben kwamen zij, die ons eens beminden. 5. Spreekt tot de dood, niet in het vlees, maar door de geest. Spreekt tot hen die stierven, zij zijn er nog steeds. Maar spreekt niet tot hen in de tweede dood. 6. Spreekt tot uw geliefden, laat de morgenstond hen raken. Zij zijn er nog steeds, zij waken, maar sommigen slapen. 7. Doet uw levenscanons weg, uit de ogen van God, en laat al die het weten, zich opmaken om de berg des doods te bestijgen, 't is alleen een doorgang tot een and're dermensie. 8. Roept de doden dan niet in uw vlees, maar komt tot hen in de geest, zoals de Christus eens deed. 9. Legt dan al uw christuscanons en diercanons af, want zij zijn een gruwel in Gods ogen. Toe, luistert naar zijn stem. Het hek is nu open, toe, opent de kooi, en laat de vogel weer vliegen. Eet geen vlees, opdat zij uw vlees en ziel niet zullen eten. 10. Weest heilig, wanneer gij komt tot de doden, en spreekt dan niet tot hen van de derde dood. 11. Weest heilig, wanneer gij voor zijn aangezicht verschijnt, op de emelis shatau, beleef het mee met hem, en komt tot de matadok, waar de raven neerstrijken. 12. Spreekt niet tot hen in de vierde dood, ziet, zij rusten. 13. Laat de doden dan slapen, en geeft hen rust, maar spreek met hen die met u willen praten. 14. Zij zijn er voor u, en u bent er voor hen. Komt tot hen in de kooien, en veracht hen niet, opdat zij ook tot uw kooi komen. 15. De konijnenkoning is daar geweest, stak het brood drie malen, nu stroomt er driemaal honing van het kruis. 16. Volg hem, veracht het verhaal niet meer, zodat u niet meer in uw canon verblijve. 17. Want alle canon leidt tot de dood, maar zalig zij hen die een open canon hebben, en dubbel zalig hen die hun canon in de Heere hebben.

8.

De muizenkoning

1. Gij eet dan honing van de dood, nadat gij driemaal bent gestoken. Neem hen mee tot de velden, en maak hen wijs. Schiet de konijnen niet meer af, en haalt hen uit hun kooien. Geef hen goede beschutting, want zij zijn des Heeren. 2. Oh, als ik je nog terug zou kunnen halen. Je bent er niet meer, in de dood vindt ik je veer. Liefste van mij, je bent niet verloren. Misschien ben ik het wel, wie zit er in een kooi. 3. Is de dood een kooi of juist het leven. De dood is maar een brug, een open deur. 4. Of gaan wij van kooi tot kooi, en wie draagt dan de sleutel ? 5. De konijnenkoning kwam hier. Hij was hier. Hij heeft wat dingen gedaan, en is nu gestorven. Ze hebben hem afgeschoten. Nu is er een nieuwe koning daar. 6. Zij die de muis volgen, weten dat hij daar zit. Maar er zijn ook muizen des hemels, en zij houden van de konijnenkoning. Zij bezoeken hem driemaal in de dood, en dan is het einde gekomen. 7. Driemaal steken zij, in de aarde, en dan zijn alle kooien open, nieuwe kooien, nieuwe sleutels, nieuwe dromen, nieuwe vrijheid, nieuwe angst, en een nieuwe konijnenkoning, met een muizenverstand. 8. Hij heeft een muizenkroon, die andere knelde, die andere maakte hem vroom. Tijd voor een nieuwe religie, de banden der tradities knelden, opgesteld door zotten, met hun harems zopen zij in hun grotten. 9. 't Is nu mooi geweest, 't is nu allemaal afgelopen. De muizenkoning is hier geweest, om de nieuwe kroon te leggen, op het hoofd van hem die droeg, de doornenkroon. 10. Ja, Christus heeft het wel geweten, al die mooie muziek, zakkende in de zeep, tot hij het onder het roze herschiep. Zij zou nog wel graag met hem willen wandelen, om al die mooie stranden te zien. 11. De biggen zijn daar bloot en vuurrood, ze hebben de harem van Christus gezien. 12. Al die vrouwen die hem volgden, en Hij geeft vrouwen aan hen die Hem volgen. 13. Maar oh, verdraait deze woorden niet, in uw onreine breinen, want deze vrouwen zijn kaprunnen, de Geesten Gods die hij in de flessen schiep. 14. Christus komt, in 't blote van een nieuwe bedekking, haren in de zon, Hij draait alles om. 15. De kandelaren der lichaamscanons en liefdescanons zijn nu uitgeblazen. De muizenkoning was hier. Morgenvroeg zal hij sterven. Zij zullen hem niet aanvaarden. 16. Maar zij die hem zullen volgen, wacht veel geluk en vertier. Hoort dan, al gij dwazen, en verdraait de woorden Gods tot uw eigen verderf. 17. God sprak in dwaasheid tot de wijzen, maar gij hebt het niet verstaan. 

9.

1. Gij muizenkoning, waar bent gij dan gebleven ? 'K had nog zoveel tot u te zeggen, nog zoveel te bespreken. 2. Oh muizenkoning, laat mij niet alleen, tussen hen die de Heere haten, tot Hem komen om Hem te verlaten. 3. Gij muizenkoning de lucht is zwart, de parels zijn gemolken. U komt tot allen in grote smart, viermaal gestoken. 4. Ik ben nu van steen, ik ben nu oud en wijs. Ik ben nu van steen, geklommen tot de oude paden. In putten viel ik, in vuren brandde ik, doormidden gesneden, gegeten door hen die tegen mij streden. 5. Viermaal stak u mij, maar nu bent u dood. 6. Ik wacht nu op het avondrood, om u op te wekken, u was mijn laatste hoop. 7. Hebben wij macht over de dood, als wij viermaal zijn gestoken, als bloed tot wijn wordt. Het bloed is vleesgeworden, het heeft onder ons gewoond, maar wij hebben het niet geweten, wij hadden alles vergeten, in de vierde dood. 8. Ik kom tot het morgenrood, om alles terug te draaien, maar ik kan de tijd niet draaien. 9. Ik wacht om een vijfde keer te worden gestoken. In al die ellende keer ik mij, we ontmoeten elkaar zij aan zij. 10. De konijnenkoning maakt weer woning. Na de muis komt hij weer aan het kruis. Dat heb je met twee holen, die met elkaar vechten om de doornenkroon. 11. Dat heb je met zoveel vogels, die van strijdtonelen houden. 12. Zij spinnen daar en borduren daar, de nieuwe klederen van de konijnenkoning, eerst scheuren zij, dan naaien zij, en maken zij in hem woning. En zingen zij, al zijn woorden tot een kroning, maar de stilte is het meest zoete in zijn woning. 13. Heb je daar wel eens over nagedacht, ze wisselen elkaar af, de muis en de konijnenkoning. 14. Ze helpen elkaar, ook duwen zij elkaar, tot de laatste snik, hebben ze van elkaar vernomen.

10.

1. Zij heeft mij vijf keer gestoken, zij heeft mij vijf keer gebroken. 2. Alles deed pijn, maar van het kruis zingt zij, als van zoete dromen. 3. Wij weten niet welke dieren wij raken, wij weten niet welke snaren wij raken, hen die geslagen zijn door het kruis. 4. Wij weten niet welke reukflessen wij openen, na vijfmaal gestoken te zijn. Na de vijfde maal, alles is voorbij. 5. Na de vijfde maal, alles weer één taal, na de vijfde seconde, alles weer verbonden. Het leek wel duizend jaar, maar het was maar een seconde. 6. Als je zo diep gestoken bent, dan beleef je alles anders. 7. Ik ben Golgotha, ik ben Golgotha, ik ben Golgotha, ik ben Golgo - Golgo-tha, oh Heer, ik ben Golgo - Golgo-tha. 8. Ik ben Golgotha, ik ben Golgotha, ik ben Golgo - Golgotha, ik ben Golgotha, ik ben Golgotha, ik ben Golgotha, oh Heer, oh Heer, ik ben Golgo - Golgo-tha. 9. Dwars door de liefde, stroomde het Ware Woord, scheidende de bergen en de dalen, en de stilte was zoeter dan het woord.  10. Dwars door de liefde, liep het rode koord. Alleen Rachab zou behouden worden, door de stilte zoeter dan het woord. 11. Op Golgotha verbleef zij, haar vrienden stonden in de rij, om afgeschoten te worden, maar zij, zij alleen, werd behouden. 12. Zij zijn dan de karmozijnen. Zij die de soep op dienen, deze bakkermans gezichten herken ik uit duizenden. 13. Als Pontius Pilatus nog zou leven, zou hij erbij komen staan om te kijken. 14. Brengt mij dan de vijfde Pilatus, voor een karmozijn hielden zij hem. 15. Ik weet niet wat hij met mij heeft gedaan. Verscheurd op Golgotha, tezamen met mijn vrienden, waar alleen Rachab werd behouden. 16. Ik ben niet verliefd, het zijn alleen wat gezichten waar we doorheen moeten. 17. Ik ben niet verliefd, vergeet het niet. Zij zijn van de vierde dood. 18. Ik verbrak het kruis daar op de heuvel, nee, ik was niet verliefd. 19. Ik bracht het tot de karmozijn, zij die van Golgotha zijn. Zij staan er omheen en kijken maar, kijken maar. 20. De deur is kilometers ver, gebracht tot de karmozijnen, hen die van verre staan. 21. Zij dragen hoeden met punten, ik ben tot Golgotha gegaan. 21. Ik ben Golgotha, kraait de haan, maar ik slaap rustig verder. 22. Dit zijn bakkerman's gezichten. Komt dan allen tot mij, Golgotha, en wordt vrij. 23. Is dit maar een droom, of is het iemands zonde ? De vijfde Pilatus brachten zij tot mij 24. De morgen zal ik niet meer beleven, ik zal sterven in deze nacht. Wacht niet op mij, want ik zal niet wederkeren. Dit is de laatste keer dat ik tot je spreek. Met deze woorden moet je het doen, want daarna zullen ze het canoniseren. 25. Ik ben maar een konijn achter glas. Je kunt hier niet komen, het is mijn doodskist. 26. Dit wat ik hier heb gedaan, dat zullen ze canoniseren, en ze zullen mijn woorden stapsgewijs verdraaien, door hun boeken en hun predikingen. 27. Maar volg mij tot in de dood, en sterf met mij, dan zul je wat beleven. 28. Ook jou en je woorden zullen ze canoniseren. Waar kies je voor ? Je kunt ze niet koeioneren. 29. Sterf met mij, en daal af in deze put, dan zullen wij voor eeuwig met elkaar samen zijn. 30. Zij hebben ons voor altijd verdoemd, alleen een roos gaven zij. 31. Nu staan wij dan stijf en opgezet in het glas, in hun canon. Hun spreekbuizen zijn wij. 32. Oh, zij die alles verdraaien, gij zult zelf verdraaid worden, en niemand zal met u rekenen, hen die op weg zijn naar de vierde dood. 33. Zij zijn daar alles vergeten, en uw naam die kennen ze niet. 

11.

1.Hoeveel Golgotha's hebben wij dan nodig - hoeveel karmozijnen - om tot het huis des heeren te gaan ? Zou Hij dan voor hen strijden, die alles opzij hebben gedaan ? 2. Waar het konijn dan met de muis strijdt, ziet, zij zijn slechts karmozijnen. Alles vergetende, de vierde dood betreden. 3. De bakkermans gezichten, vreemde vlinders zijn zij.4. Ziet hoe ik hier ren met pijnen onder mijn armen, zij willen er brood van bakken, die karmozijnen. Met hun brokaten staan zij daar. 5. En Spricht heeft daar het hoogste woord, met putten onder zijn klauwen. 6. Hoeveel karmozijnen draag jij op je rug ? En jij ? 7. Hoeveel konijnenholen op Golgotha, en hoeveel holen van slangen ? En waar leiden zij naartoe ? 8. Zij branden bakkers daar als kaarsen, hen met de meeste karmozijnen. 9. De bakker heeft het hoogste woord, de pausen staan daaronder. Zij hebben puntige hoeden. 10. Zelfs de vossen hebben holen op Golgotha. Ik ben er niet geweest. Zij dobbelden om zijn klederen. 11. Die dobbelsteen, dat is een ellendig ding geweest, een deur tot de karmozijnen. 12. Wie kan die deur dan breken ? Roodkap of het paradijs ? Ik zag hen daar wenen, want niemand kon het breken. Voor een lange tijd, stonden zij daar. 13. Achter die deur, daar woont een bakker, met zijn karmozijnen bakt hij brood. 14. Hij is de grote karmozijn, de bakker van Golgotha. Spricht met het hoogste woord, de bakker spreekt zijn zegen. 15. In een konijnenhol werd hij groot, hij is daar altijd gebleven. 16. Nooit heeft iemand hem de weg gewezen. Nooit heeft iemand hem verstaan. 17. De bakker van Golgotha, wonende achter hoge deuren. Nooit heeft iemand hem begrepen. 18. Mijn tijd is op, ik moet gaan. Ik heb geen zin in discussies, geen zin om te blijven kijken, als de grote jongens gaan slaan. 19. Als je mij kennen wil, volg mij, ik heb de deur van de dobbelsteen opengebroken. Ik heb de bakker geschapen, ik ben de kleermaker, de grote brokaat. Ik ben de kruistocht, de weg tot Golgotha. 20. Ik heb mijn karmozijnen tot sieraad geregen. Ik ben de lijdensweg, met de sleutelen tot het bestaan. 

12.

Onuitgenodigd

1. Ze staan ver weg, zij aan zij, vier op een plein. Vier flessen met nauwe halzen. Ik ben daar en ik ben hier. Ik mis een stukje van mezelf. 2. Ze staan ver weg, vier op een plein, puntmutsen als vier feeen, met bruisende wijn. Ik ken ze niet, ik heb ze nooit eerder gezien, maar die feeen kennen mijn hart, en zij zijn boos. 3. Ik heb hen nooit uitgenodigd voor mijn feesten, maar hoe kon ik ? Ik kende ze niet.

Onbereikbaar

4. Bereiken kan ik ze niet, boos zijn ze, en voelen zich verworpen. Als konijnen achter glas zijn zij, als de kikkerkoning. 5. In een rode streep kwamen zij, en in een rode streep zijn zij weer vertrokken. Zij staan daar op het hoge plein, om de weg tot de kathedraal te verblokken. 6. In een rode streep kwamen zij, deze konijnenkoningen. Een varkenskoning bracht ons honger, een koeienkoning verbood onze naam, in deze vreemde totempaal. 7. Zoveel dieren gestapeld op elkaar. Zij hebben van honing niet gesproken. Hun woorden jagen ons achterna.

Achter glas

8.Het is een vreemde slagerij, de hokken opgestapeld. Toe, bevrijdt me uit de slavernij. Wij wilden een koning, en het heeft geleid tot deze kroning. Het maakte in ons woning. Achter glas zijn zij, een glazen huis. 9.Ik ben hier en ik ben daar. Ik mis mezelf, kan het niet geloven, de konijnenkoning sprak mijn naam. De hysterie is zoet. Ik heb het mezelf aangedaan. Toon dan het kruis, die vreemde totempaal. Nooit hebben wij hen uitgenodigd. 10.Zij moesten blijven in hun koningswoningen, en onze hysterien waren als kastelen, als sirenes, verbiedende hun namen uit te spreken. kruisigt hem, die koning, dan kan hij koning zijn, vanuit de hemelen, achter glas. 11.Dan is hij ons niet tot last, en dan kunnen wij slapen. Slapen achter glas, als het sneeuwwit verlaten van haar dromen.

Dierengezichten

12. Het is een vreemde slagerij, de hokken opgestapeld. Een vreemde totempaal brachten zij mij, van anderen ver weg, van anderen verlaten. 13. Kom maar hier, zei ik, je mag mijn konijnenkoning wel zijn, als ik ook koning mag zijn. Ik werd een prins, en zag hun bruisende wijnen, als zacht licht verschijnen. 14. Niemand heeft me ooit verstaan, niemand heeft me ooit begrepen. Ziet, wij hebben dan niet jullie taal, wij praten in fragmenten. 15. Toe, puzzel maar, toe pieker maar, het is okay. Wij worden nooit geloofd, alles wat wij zeggen wordt omgedraaid. 16. Een kikkerkoning maakte in ons woning, alle konijnen achter glas, hij heeft hen reeds bezocht. 17. Zij konden hem niet verdragen, hij sprak een andere taal, als een vreemde totempaal. 18. Ik ben een vreemde totempaal, een vreemde lont, het hete van Spricht, een rode streep dat is mijn naam, een slang die de darmen verbindt aan de schoot, en de schoot aan de aars. 19. Ik ben een vreemde totempaal, zoveel dierengezichten achter een raam.

Onder een Roze Verbond

20. Ze staan ver weg, vier op een plein, vier flessen bruisende van wijn, van konijnenwijn, een kikkerkoning had ervoor gezongen, zijn tong reikt tot de morgen, brekende de kruik, brekende de zorgen, de schaamtes omhullende, van hen die de rode streep gedragen hebben. Zij worden niet geboren, zij leefden daar allang, als achter glas. 21. Ik ben een vreemde totempaal, toe bevrijdt mij uit de slavernij. Zij wilden een koning, het leidde hen tot deze kroning, zoveel jaren achter glas. Als het rode van Spricht, je hoeft je niet voor je tong te schamen. 22. Een koning was hij, als een rode lap was hij, deze rode streep. Onder de roze verbinding werd hij groot, als het hete van Spricht, het lont. Als zwavelstokjes zijn onze pijnen, strijkende worden wij verbrand. Onze haren branden alle kleuren, zevenvoudig gezuiverd zijn zij. 23. Ik ben een vreemde totempaal, een vreemde zwavelstok. Mijn kop staat in brand, een vreemd dier, met zoveel dierengezichten, achter glas. En de rook, uit vreemde konijnenpoten. Ik ben het meisje met de zwavelstokjes. Visioenen geven zij mij, ik ben de rode streep, onder een zacht roze verbinding, een zacht roze verbond, brand ik, als de lont. 24. Rapunzel is mijn naam. Toe, trek je omhoog aan mijn haar. Je zult mijn kop zien branden, en dan zal de toren en het glas in explosie gaan. Onder de Roze Verbinding drijft mijn Naam.

Strijk ons niet

26. Een kikkerkoning op een plein, een maan en een zon als koning, zij zoeken naar hen op de hoge woning. Kinderen hebben hen vaak gemeden, het zachte heeft hen niet gestreeld, te bang om de lont te zien aangaan, de lucifer gestreken. Strijk mij dan niet, onder de zacht brandende vruchten ben ik gegaan. Daar waar het koud is, en alles ver weg. Alles mocht eens ontploffen. 27. Strijk mij dan niet, op oorlog zit ik niet te wachten. Maar luister op een afstand. Mijn woorden kunnen je wel bereiken. Raak mij niet aan, want ik heb pijn. Een vreemde totempaal ben ik, met vreemde lonten, hoofd van een leger van zwavelstokken. Strijk ons niet, toe, doe ons dat niet aan. Wij marcheren in de kou, bang voor het vuur dat ons zal verwoesten. Toe, raak ons niet aan, vreemde totempalen zijn wij. 28. Sterven zullen wij niet, maar wij zullen branden op die dag, waarop de flessen zich zullen openen. Toe, raak ons niet aan. Toe, strijk ons niet, want wij zullen worden gestreken, door iemand die zal weten hoe hij het moet doen. 29. Iemand die geleerd heeft hoe aan te raken, iemand die geleerd heeft het in liefde te doen. Dan zullen onze haren branden van zachte liefde, in alle kleuren, zevenmaal gezuiverd, met al die bleke lichten in de wind.

De Redding

30. Een koningszoon, een hartendief, één die onze taal kan spreken. Een rode tong, een mysterieus verhaal, wachtende om openbaar te worden. Uit een fles zal hij komen, tot een fles zal hij gaan, en de bruisende wijn zal stromen. Het brandt onder het groene, duizendmaal gezuiverd, Rapunzel is mijn naam. 31. Toe, raak mij niet aan. Ik ben bang, ik ben een rode streep. De lap zal de schaamte bedekken, de rode lap, terwijl hen onder de rode kap hebben gezongen, terwijl hen van de groene kap het hebben verstaan. Zij spreken onze taal, en laten de vruchten zacht branden. 

13.

1. Feeen, engelen van God, in oude tijden, kunnen jullie mij vertellen, waar ik heen moet gaan met al die tranen. Alles is in vuur en vlam, alles is in vuur en vlam, fabels kunnen praten, dieren kunnen praten. Je hebt de duik gemaakt, vaarwel. Dieren kunnen haten, tijd om uit te praten. Totale macht in brand, waar de feeen zijn belandt, waar de feeen zijn belandt. Diepere ogenzalf, altijd gedragen, in vele lagen wild verstand. Feeen, engelen van God, verscheurde tranen hebben mij verlaten, om achterstallige schuld te verdraaien. Zij zijn gekleed in kant. Verscheur die feeen, verlaat hen niet, alles is verdriet, alles is verdriet. Worstel met hen, opdat hun woede je niet verbrande. Zolang opgesloten waren zij, in flessen des onheils. Toe, zeg je gebeden nu. Ik heb zelf met hen geworsteld, tot aan de dood toe.

2. Feeen, engelen van God, gevaartes in de onderlagen, uit op wraak, een schone wraak, liederen aaneengeregen. Feeen, maar laat je niet verblinden, zij zijn in alle staten, zij zijn engelen uit vervlogen jaren, te vaak uitgedoofd, bedroefd, en uit de boeken verbannen. Draag je gescheurde kleding nu, anders zullen zij komen om al die dromen van deze tijd te verbannen. Engelen des doods en armoe, toe bedroef de feeen niet, gij hebt een arme juist bespot, en een zieke uitgelachen. Als een zonde des doods is het. Feeen, de armoe van God, tot het oer gekomen, uit vreemde flessen gedronken. Feeen, de tranen van God, als zoet water uit de wonden, stromen zij. Feeen, het oude van God, maar zo jong dat niemand hen kan verstaan, steeds huilen zij.

3. In tijd zullen zij dan alles overnemen, al tijden hebben zij daarvoor gestreden. Wacht dan op hun apocalypse, een nieuwe openbaring, zo oud, een nieuw visioen, zo oud. Wacht dan op hun profetie, en hun wonderen en hun tekenen waarvan je nooit iets wilde weten. Ik heb alles gezien.

14.

De Driesprong

1. In het bos woonde eens een man en een vrouw die een dochtertje hadden. De man en de vrouw maakten vaak ruzie en vaak kon het meisje er niet van slapen. Op een nacht vluchtte ze weg, omdat het lawaai haar erg bang maakte. Lang zwierf ze door het bos, totdat ze uiteindelijk was verdwaald en niet meer wist waar ze was. Uitgeput leunde ze tegen een boom aan, maar viel toen in een gat. Ze viel erg diep, en raakte door de val bewusteloos.

2. Toen ze weer wakker werd zag ze allemaal konijntjes om haar heen, maar toen ze zich bewoog vluchtten alle konijntjes van haar weg. Langzaam stond het meisje op, en vroeg zich af waar ze terecht was gekomen. Ze zag hier allemaal kleine huisjes met lichtjes en hele hoge bomen. Zo hoog had ze de bomen nog nooit gezien. Toen ze in de lucht keek zag ze alleen duisternis, en enkele stralende sterretjes. Plotseling zag ze één van die sterretjes vallen, en wat verderop tussen de bomen was even later een stralend licht. Voorzichtig liep het meisje op het licht af.

3. Maar naarmate ze dichterbij kwam werd alles weer donker. Hier waren geen kleine huisjes met lichtjes, en al gauw durfde ze niet verder. Ze wilde zich omdraaien, maar ook achter haar was het ineens heel donker.

3. ‘Hallo !’ riep het meisje. ‘Is daar iemand ?’

4. Maar niets en niemand antwoordde. Het meisje was erg moe, en even later viel ze op de grond en kwam in een diepe slaap. Zo moe was ze nog nooit geweest. Even later kreeg ze dromerig om haar heen. Ze zag wat lichtjes om haar heen, met hele kleine spulletjes. Kleine stoeltjes, kleine stofzuigertjes, kleine laarsjes, en nog wat andere spulletjes. Ook zag ze hele kleine piepkleine kaarsjes. ‘Waar ben ik ?’ vroeg ze. Langzaam stond het meisje op, en keek omhoog waar alles donker was. Wel zag ze in het donker wat wijde schilderijen hangen. Snel kwam ze erachter dat ze in een soort zaal was. Op een hoge troon in het duister zat een konijn. Het konijn zei niks, en het meisje stapte dichterbij, en toen was alles weer weg, en alles was weer pikkedonker.

5. ‘Ik weet dat jullie er zijn !’ riep het meisje. Maar niets en niemand antwoordde. ‘Ik wil niet moeilijk doen,’ zei het meisje, ‘maar zo ontvang je geen gasten.’

6. ‘Gasten, gasten ?’ zei een stem. ‘Je komt hier zomaar ongevraagd binnenvallen, en je noemt jezelf gast. Ik noem je een indringer.’

7. Het meisje keek naar beneden en zag een konijntje bij haar voet. Het konijntje schopte tegen haar been aan.

8. ‘Zeg, laat dat,’ zei het meisje, ‘zo gedraag je je niet naar een dame.’

9. ‘Nou, ik noem jou geen dame,’ zei het konijntje, ‘je hebt geen manieren. Je komt hier zomaar ongevraagd binnenvallen, en denkt dat je de koningin bent. Maar goed, ik zal je wel binnenlaten, en dan zul je eens een echte koningin meemaken.’

10. Het konijntje trok aan het jurkje van het meisje, en leidde het meisje naar een klein kamertje waar een konijntje op een troon zat.

11. ‘We hebben indringers, koningin,’ zei het konijntje.

12. ‘Ik weet het, Arend,’ zei de konijnenkoningin, ‘laat haar hier maar blijven.’ Toen vertrok het konijntje.

13. De konijnenkoningin keek het meisje diep aan. ‘Dus ... jij komt van de grote mensenwereld,’ zei de koningin.

14. ‘Eh, ja, majesteit,’ zei het meisje, ‘maar ik ben zelf nog klein.’

15. ‘Oh, maar jij wordt vast ook zo groot,’ zei de koningin. ‘Maar voor het zover is mag je hier wel blijven. Hier achter mij is een deur, en als je daar doorheen gaat, dan .... Nu ja, dat zul je zelf wel zien. Je moet gewoon het pad volgen.’

16. Het meisje bedankte de koningin, en ging door de deur, en kwam op een pad terecht. Hele kleine vogeltjes zaten in de struikjes aan de zijkanten van het pad. Het pad straalde en glom door een geheimzinnig licht. Het meisje begon haar reis. Na een tijdje kwam ze op een open plek waar konijntjes wat spelletjes aan het doen waren. Een paar konijntjes waren aan het hinkelen. Achter de konijntjes waren drie paden.

17. ‘Waar moet ik nu naartoe ?’ vroeg het meisje.

18. ‘Waar kom je dan vandaan ?’ vroegen de konijntjes.

19. Van de koningin, zei het meisje.

20. ‘Van de koningin ?’ vroegen de konijntjes, ‘heeft ze dan zelf niet gezegd waar je naartoe moest gaan.’

21. Het meisje schudde haar hoofd. ‘Ze zei alleen maar dat ik het pad moest volgen.’

22. ‘Ik zou het eerste pad maar niet kiezen,’ zei een konijntje, ‘want dan kom je bij een heks terecht. Het tweede pad leidt tot het witte kasteel, en het derde pad dat weet niemand. Iedereen valt daar in slaap.’

23. ‘Nou,’ zei het meisje, ‘ik heb lang genoeg geslapen. Ik kies voor het tweede pad.’ En zo ging het meisje op weg naar het witte kasteel.

24. Het witte kasteel stond vol met levende pionnen. ‘Ik heb jou hier nog nooit gezien,’ zei een zwarte pion. ‘Ik jou ook niet,’ zei het meisje.

25. ‘Waar kom je vandaan ?’ vroeg een rode pion.

26. ‘De koningin heeft me gestuurd,’ zei het meisje.

27. ‘De koningin ?’ vroegen alle pionnen verwonderd.

28. ‘Spring maar op m’n rug,’ zei een groene pion. Toen het meisje op de groene pion klom begon de pion te steigeren, en rende toen een trap op van het kasteel, en kwam op een balkon terecht, en rende toen door naar een volgende trap. De groene pion bracht het meisje helemaal tot aan een toren. ‘Kijk eens naar buiten,’ riep de pion, ‘zo kun je het hele land zien.’

29. ‘Welk land ?’ vroeg het meisje. Door het raam zag ze allemaal grasvelden die er als speelborden uitzagen. Het waren wonderlijke tuinen. ‘Zo je ziet het, hè,’ zei de pion. ‘We hebben nog veel te doen.’

30. ‘Ja, maar de koningin vertelde me dat ik het pad moest volgen,’ zei het meisje.

31. ‘Het pad ?’ vroeg de groene pion. ‘Oh, wat stom van me, ik had het kunnen weten.’

32. Toen huppelde de groene pion met het meisje op zijn rug weer helemaal naar beneden, en ging toen via de keuken de achtertuin in. ‘Zie je, daar in de verte,’ zei de groene pion terwijl hij op wat struikjes achter een groot grasveld wees, ‘daar gaat het pad verder. Een goede reis.’

33. En toen zette het meisje haar reis voort, nadat ze van de pion afscheid had genomen. Tussen de struikjes achter het grasveld ging het pad verder. Het pad straalde en glom weer als door een geheimzinnig licht. Maar na een tijdje wandelen kwam het meisje weer bij de konijntjes die spelletjes aan het spelen waren. ‘Hier ben ik al geweest,’ zei het meisje.

34. ‘Dan moet je gewoon een ander pad nemen,’ zei één van de konijntjes.

35. ‘Maar welk pad ?’ vroeg het meisje.

36. ‘Nou, het eerste of het derde pad,’ zei het konijntje.

37. ‘Ja maar dan kom ik bij de heks, of val ik in slaap,’ zei het meisje.

38. ‘Ik kan het ook niet helpen, kies maar,’ zei het konijntje.

39. ‘Nou, dan kies ik voor het derde pad, want ik begin toch al een beetje moe te worden,’ zei het meisje.

40. Langs het derde pad stonden allemaal toverbloemen, en al snel begon het meisje zo moe te worden dat ze niet meer kon blijven staan, en al gauw viel ze in een diepe slaap.

41. ‘Ehm, mijn naam is de spin,’ zei een dromerige, geheimzinnige stem, ‘weet je dat ik altijd win ?’

42. ‘Nee, dat weet ik niet,’ zei het meisje dromerig.

43. ‘Nou, dan weet je het nu,’ zei de stem weer.

44. Waar ben ik ? vroeg het meisje.

45. Toen ze haar ogen opende zag ze bloemen, zoveel bloemen. Overal waren bloemen, en zoveel wonderbaarlijke geuren, zo betoverend.

46. ‘Ik zei toch dat ik altijd win,’ zei de stem slaperig, ‘ik heb je betoverd.’

47. ‘Ja maar daar heb ik eigenlijk geen tijd voor,’ zei het meisje, ‘de koningin heeft me gezegd dat ik het pad moet volgen.’

48. ‘De koningin ?’ zei de stem. ‘Dat verandert de zaak, kom maar mee.’ En ineens stond het meisje klaarwakker tussen de bloemen. In de verte zag ze een rivier, terwijl beneden bij haar voet een klein spinnetje stond. ‘Als de koningin je gestuurd heeft, dan is het in orde,’ zei het spinnetje, ‘dan hoeven we geen spelletjes te doen.’ Toen liep het spinnetje voor haar uit naar de rivier. Over de rivier was een brug waaronder allerlei bootjes met lampjes doorgingen. Het waren kleine bootjes.

49. ‘Daar in de verte woont een heks,’ zei het spinnetje.

50. ‘Oh maar ik dacht dat de heks op het eerste pad woonde,’ zei het meisje. Na een tijdje komen ze in de keuken van een groot kasteel aan. Een dienstknecht loopt op het meisje af. ‘Hallo, ik ben Andrew,’ zegt de bediende. ‘Ik verwachtte je al. Laat me je het kasteel rondleiden.’

51. ‘Hoe weet u dat ik zou komen,’ vroeg het meisje, en het meisje vroeg zich ook af waar het spinnetje ineens was gebleven. ‘Het spinnetje zei dat hier een heks woonde,’ zei het meisje.

52. ‘Ah, je moet niet alles en iedereen geloven,’ zei Andrew. ‘Hier woont de konijnenkoningin.’

53. ‘Maar daar kom ik net vandaan,’ zei het meisje, ‘en ze heeft me gezegd het pad te volgen.’

54. ‘Oh kom dan maar mee,’ zei Andrew, en leidde haar naar de achterkant van het kasteel. Hier ging het pad verder. Weer zag het meisje het spinnetje hier, maar het spinnetje was heel ver weg. ‘Spinnetje ?’ riep het meisje. Maar het spinnetje hoorde haar niet. En het pad ging een andere richting op. Het meisje besloot om maar gewoon het pad te volgen.

55.  Na een tijdje zag ze wat ijzeren bekertjes op de grond staan, en toen ze dichterbij kwam sprong er een konijntje tevoorschijn. ‘Raad eens wat er in deze bekertjes zit ?’ vroeg het konijn. ‘In eentje zit de zee, in de andere zit het bos, en als je van de derde drinkt, dan ben je de klos.’

56. Ja, maar ik wil daar helemaal niet van drinken,’ zei het meisje. ‘Laat me er langs.’

57. Kies er eentje uit, kies er eentje uit, en waar je dan ook terecht komt, je komt er altijd weer uit, zong het konijntje een paar keer. En word je dan de klos, dan kom je altijd wel weer los, en kom je tot de zee dan is het altijd okay.

58. Maar het meisje wilde er niets van horen, en stampte op de grond. ‘Nu is het afgelopen met die gekheid. Ik moet er nu door, want de koningin ....’ maar verder kon ze niet komen.

59. ‘De koningin ? De koningin ?’ zei het konijntje. En snel was het konijntje met zijn bekertjes verdwenen, en kon het meisje verder gaan. Na een tijdje kwam het meisje in de duinen, en niet lang daarna zag ze de prachtige oceaan waarin een diepe, felle zon scheen. Het meisje zag het pad helemaal doorlopen tot in de zee. ‘Maar dat kan toch helemaal niet,’ zei het meisje.

60. ‘Jawel hoor,’ zei een stem. Een donkere gestalte stond ineens naast het meisje. Het leek wel een beetje op een zwarte pion op een paard. ‘Ik breng je er wel doorheen,’ zei de pion.

61. ‘Ja, maar hoe dan ?’ vroeg het meisje. Ineens haalde de gestalte een dobbelsteen onder het zadel vandaan. De gestalte gooide de dobbelsteen van de duin op het strand. Op het bovenvlak van de dobbelsteen stond een gestalte als een rode pion. De gestalte was gevleugeld, en stond al snel naast het meisje. ‘Spring maar op mijn rug,’ zei de rode gestalte. En toen het meisje op zijn rug zat steeg de gestalte op. De zwarte gestalte was weer verdwenen. De rode gestalte had een geweer met kogels als dobbelstenen, en als ze door vervelende vogels werden lastiggevallen schoot hij ze met het geweer neer. Na een tijdje kwamen ze op een heuvel aan waar het pad weer verder ging. De rode pion wees in de verte : ‘Zie, daar, waar het glinstert, daar moet je zijn, daar woont de konijnenkoningin.’

62. ‘Maar daar kom ik net vandaan,’ zei het meisje. ‘De koningin zei dat ik het pad moest volgen.’

63. ‘Dat moet een vergissing zijn geweest,’ zei de rode pion, en vertrok.

64. ‘Wacht eens even,’ riep het meisje. ‘Je moet het me uitleggen. Ik begrijp het niet meer.’ Maar de rode pion was al weg. Toen besloot ze het pad maar te volgen tot de glinsteringen in de verte, maar al snel begon het erg donker te worden en koud. ‘Ik moet hier ergens iets vinden om te kunnen schuilen,’ zei het meisje. Het begon ook steeds harder en harder te waaien.

65. ‘Kom hier !’ riep een stem, ‘kom hier,’ bijna gillend. De stem leek op het geluid wanneer haar ouders ruzie maakten. Een konijn op een woonboot riep naar een ander konijn. Het was een woonboot gewoon op de grond. Er was nergens water te bekennen, alleen wat druppels van een beginnende regen. ‘Kom nu binnen !’ riep de stem weer, ‘wil je soms verdrinken ?’ Het meisje zag een wat jonger konijntje stampvoetend naar binnen lopen, in de woonboot. Het andere konijn gaf hem een om z’n oren. Toen ging de deur dicht. Snel begon het natter te worden onder de voeten van het meisje, en werd ze door de wind bijna weggeblazen. Toen ze in de verte keek, kreeg ze de schrik van haar leven. Bulderend hoge golven kwamen op haar af, alsof de oceaan het land wilde opslokken. Zo snel als ze kon rende ze naar de woonboot, maar hoe hard ze ook op het deurtje bonsde, niemand deed open.

66. Help me, help me dan toch ! riep het meisje. Het water was al tot haar knieen gekomen, en de razende golven kwamen steeds dichterbij, en groeiden steeds hoger. Al snel was het water tot haar heupen gekomen, en keek ze recht in een kilometers hoge golf die haar elk moment zou kunnen opslokken. Het meisje slaakte een gil. Een raampje naast het deurtje ging open, en een hand greep het meisje vliegensvlug naar binnen.

67. ‘Dat was op het nippertje,’ zei een konijntje. Het meisje zuchtte diep.

68. ‘Dat gebeurt altijd als de koningin kwaad word,’ zei het konijntje.

69. ‘Waarom wordt ze dan kwaad,’ vroeg het meisje.

70. ‘Ze kan niet tegen haar verlies met spelletjes,’ zei het konijntje.

71. ‘Met wie doet ze dan spelletjes ?’ vroeg het meisje.

72. ‘Met een spin,’ zei het konijntje.

73. ‘Oh maar ik ken dat spinnetje,’ zei het meisje. ‘Ik ben dat spinnetje ook tegengekomen, en hij sprak dat hij altijd wint.’

74. ‘Hoe weet je dat ?’ vroeg het konijn ineens. ‘Niemand weet dat, dus waarom zou jij dat weten ?’

75. ‘Nou,’ legde het meisje uit, ‘er waren drie paden. Eerst kwam ik op het tweede pad waar het witte kasteel was, en daarna kwam ik op het derde pad waar iedereen in slaap viel. Hier ben ik hem tegengekomen.’

76. ‘Maar dat kan niet,’ zei het konijn, ‘dat is absoluut onmogelijk. Niemand die op het derde pad komt ontwaakt weer. Zij die daar komen zullen voor eeuwig en altijd slapen.’

77. ‘Oh maar ik zei tegen het spinnetje dat ik van de koningin had gehoord dat ik het pad moest volgen,’ zei het meisje, ‘en toen liet hij me erdoor.’

78. ‘De koningin ?’ vroeg het konijntje terwijl zijn gezicht groen en geel tegelijk werd. ‘Mens allemachtig, heeft de koningin dat tegen jou gezegd ?’

79. Het meisje knikte. ‘Oh maar dan zijn wij in heel groot gevaar,’ zei het konijntje. ‘Als de koningin dat gezegd heeft, dan is ze ergens op uit. Dan daagt ze je uit voor een duel.’

80. ‘Een duel ?’ vroeg het meisje.

81. ‘Ja een duel, een gevecht,’ zei het konijn, ‘en dan moeten we snel zijn. We moeten direkt naar het kasteel, want daar zit ze op je te wachten voor het spel.’

82. Direct rende het konijn een andere kamer in, en startte de motor. Met volle kracht ging de boot richting het glinsterende kasteel in de verte. Na een tijdje voer het bootje naar binnen. Bij een grote paal diep in het kasteel was een kade waar ze konden uitstappen. Het konijn greep de hand van het meisje en rende samen met haar een grote stenen trap naast een muur op. ‘Majesteit, majesteit,’ riep het konijn, en toen hij de koningin op de trap tegenkwam, zei hij het wat rustiger : ‘Majesteit, ik weet dat we wat laat zijn.’

83. ‘Wat, laat ?’ zei de koningin, ‘helemaal niet laat. Veel te vroeg. Jullie zijn veel te vroeg hier.’

84. ‘Maar waarom werd u dan zo boos ?’ vroeg het konijn.

85. ‘Ach, niks bijzonders,’ zei de koningin, ‘gewoon een ongelukje.’

86. ‘Een ongelukje ?’ vroeg het konijn.

87. Ja, zei de koningin, ik liet een pion vallen, en die vloog weg.

88. ‘Misschien een rode pion ?’ vroeg het konijn.

89. Ja, hoe weet jij dat nu weer, vroeg de koningin een beetje kattig.

90. Nou, ik zag een rode ster naar beneden vallen, maar later dacht ik : het zal wel weer een pion van de koningin zijn, zei het konijn.

91. Ja, lachte de koningin, jaha, dat heb je goed gezien, jongen, en nu vlug wegwezen, want het is nog lang geen tijd.

92. Toen rende het konijn weg. Nu stond het meisje oog in oog met de koningin.

93. En wie ben jij ? vroeg de koningin.

94. ‘Eh, ik ben het meisje wat van u gewoon het pad moest volgen,’ zei het meisje.

95. Oh ja ? kraste de koningin, nou heus, ik ken je niet.

96. Kijk dan eens beter. Kent u mij echt niet ? vroeg het meisje.

97. Toen deed de koningin een brilletje op, en kwam dichterbij. Eens even kijken, zei de koningin. Er zijn zoveel meisjes die .... het pad volgen, zei je ?

98. Het meisje knikte.

99. Wacht eens even, zei de koningin. Ben jij langs de drie paden gegaan ?

100. Alleen de tweede en de derde. Ik ben nog niet bij de heks op het eerste pad geweest, zei het meisje.

101. Wat sta je hier dan te staan ? bulderde de koningin. Terug jij !

102. En toen zette het meisje het op een rennen, want de koningin begon verschrikkelijk te bulderen. Het leek alsof haar ouders weer ruzie maakten, erger dan ooit tevoren, en het meisje begon heel hard te huilen.

103. Rennen ! brulde de koningin, ren voor je leven, want ik ontplof, en dan zul je de dobbelstenen zien rollen.

104. Het meisje was al snel omsingeld door een heel leger met dobbelstenen. Er kwam vuur uit hun monden, en de roden waren het ergste. Nog harder begon het meisje te huilen. Toe dan, konijn, help me dan ! riep het meisje hard. Maar het konijn was nergens te bekennen. In de verte zag ze de woonboot, maar die dreef telkens verderweg. Oh, was ik nu maar naar het eerste pad gegaan, zei het meisje. De dobbelstenen zagen er zo dreigend uit.

105. Wat zei je, krijste de koningin, nee, dat kan niet, zei je dat je het derde pad op ben gegaan ?

106. Ja, majesteit, zei het meisje.

107. Iedereen slaapt daar, en niemand staat ooit weer op, zei de koningin.

108. Ja, maar het spinnetje ... zei het meisje

109. Het spinnetje ? krijste de koningin .... Heeft het spinnetje je erdoor gelaten ? En toen werd de koningin nog kwaaier.

110. Maar toen ik hem vertelde wat u gezegd had dat ik het pad moest volgen, toen liet hij me erdoor, zei het meisje.

111. Oh, zuchtte de koningin woest, ik kan dat spinnetje niet uitstaan ... Wat heeft hij nog meer gezegd ?

112. ‘Dat hij altijd wint,’ zei het meisje.

113. En toen werd de koningin wel zo razend dat ze niets meer met de dobbelstenen te maken wilde hebben. ‘Uit mijn ogen !’ krijste ze tegen de dobbelstenen. ‘Niets wil ik nog met spelletjes te maken hebben.’ Toen liep ze boos weg, het meisje alleen achterlatend.

114. Even later kwam ze weer terug. ‘Zeg, waar kom je eigenlijk vandaan ?’ vroeg ze aan het meisje. ‘Toch niet uit de grote mensenwereld, hè ?’

115. Ja, zei het meisje, daar kom ik vandaan. Mijn vader en moeder maakten altijd ruzie, en ....

116. Je hoeft me niets meer te vertellen, zei de koningin, ik begrijp het al. Dan kom je dus van het eerste pad vandaan.

117. Nee, daar ben ik nog niet geweest, daar bij die heks, zei het meisje.

118. Kom maar mee, zei de koningin, dan laat ik het je zien.

119. In een hoge torenkamer aangekomen schonk de koningin thee voor het meisje in, en vroeg het meisje of ze het fijn vond in de grote mensenwereld.

120. Nee, zei het meisje, want niemand begrijpt me, en ze maken altijd ruzie.

121. ‘En wat heb je eraan gedaan ?’ vroeg de koningin.

122. Ik ben weggelopen, zei het meisje.

123. Dat is het beste wat je kon doen, zei de koningin, zo kon je de heks verslaan.

124. Ja maar ik ben nog helemaal geen heks tegengekomen, zei het meisje.

125. Als dat zo is, zei de koningin, dan zul je terugmoeten naar het eerste pad, en dan zul je het pad gewoon moeten volgen totdat je haar tegen bent gekomen. Of zullen we gewoon een spelletje doen ?

126. De paden heb ik gevolgd, zei het meisje. Laten we nu dan maar een spelletje doen.

127. En zo gebeurde het. Tot diep in de avond deed het meisje spelletjes met de koningin, en ze konden het zo goed met elkaar vinden dat de koningin niet meer boos werd als ze een spelletje verloor. Het meisje beleefde nog vele avonturen met de koningin, maar dat hoor je wel in een ander verhaal.

15.

De Slapende Prinses

1. Er was eens een indiaanse prinses die altijd sliep. In de nacht werd ze altijd heel even wakker om iets te drinken en te eten. Vaak was dat wat thee met vruchten, en daarna sliep ze weer. Soms slaapwandelde ze door de gangen van het kasteel waar ze woonde. Haar vader en moeder waren erg bedroefd, maar zo was de prinses altijd al geweest. Ze zouden wel eens met hun dochter willen spreken, al was het maar voor heel even.

2. Op een nacht was de prinses weer aan het slaapwandelen, en ze wandelde heel diep het bos in. Ze liep altijd op blote voeten met een nachtjapon of pyama. Plotseling stapte ze op een toverring, en werd direkt wakker. Ze was erg verbaasd en deed de ring om haar vinger. Heel lang keek ze ernaar, en ze bleef gewoon wakker. De prinses was erg blij, en rende terug naar het kasteel. Maar toen het ochtend werd en ze anderen tegenkwam vielen die direkt in slaap. De prinses dacht dat dat door de toverring kwam die ze droeg. En zo was de prinses erg eenzaam, en omdat ze niet nog meer van hen in slaap wilde zien tollen, vertrok ze weer naar het bos. Na een tijdje lopen kwam ze aan bij een klein huisje waar kabouters leefden. Blij stapten de kabouters naar buiten, alsof ze haar al kenden. ‘We dachten dat je nooit zou komen,’ zei één van de kabouters. ‘Ja,’ zei een andere kabouter, ‘en, zeg, wij hebben die toverring voor jouw gemaakt, van de zeldzaamste stenen. De stenen die jij op je ring draagt zijn de enigen van hun soort, dus wees er maar erg zuinig op, meisje. Je wil toch niet nog een keer zolang slapen ?’ De prinses werd erg verlegen. Ze was blij dat de kabouters niet in slaap vielen.

3. En zo mocht de prinses bij de kabouters wonen, en zorgde goed voor hun huisje als de kabouters weg waren om in de mijnen te werken. Maar op een dag kwam er een man met maar één oog bij het huisje. Hij klopte op de deur, en de prinses deed een raampje open.

4. ‘Zeg, meisje,’ zei de man met maar één oog, ‘wat heb jij een prachtige ring. Als je die aan mij geeft, dan geef ik je mijn paard daarvoor in ruil.’

5. ‘Maar dan val ik weer in slaap,’ zei de prinses.

6. Toen haalde de man ook een ring tevoorschijn. ‘Als je deze draagt, dan blijf je niet alleen wakker, maar dan kun je ook vliegen en toveren.’ Nu, dat leek de prinses wel wat, want dan zou ze ook wat aan de slapenden van haar land kunnen doen. De ruil was snel gedaan, maar ineens begon de man te lachen, rende weg, en de prinses viel als dood op de grond. Toen de kabouters terugkwamen waren ze erg verdrietig. En ze konden geen andere ring maken met dezelfde krachten, want zulke stenen konden ze nooit meer vinden. Maar ze hadden nog wel een toverfluit waarmee ze de prinses bij volle maan tot leven konden wekken om te dansen. Dan was het weer even feest, maar van hele korte duur. Op een dag toen ze thuiskwamen was ook de toverfluit gestolen. Toen besloten ze de prinses in een kist naar de mijnen te dragen tussen de edelstenen, zodat ze haar altijd bij zich hadden als ze aan het werk waren. En ze vonden dat de prinses hier veilig was. Als ze haar in het huisje zouden laten dan zouden ze veel te bang zijn dat de prinses ook op een dag gestolen zou zijn. Nee, dat zouden hun kabouterharten niet aankunnen. Het was een prachtig gezicht om de prinses zo te zien tussen de edelstenen. De dieren hier zouden wel de wacht over haar houden. Midden in de nacht toen de kabouters weer naar huis waren begonnen ineens enkele edelstenen te fonkelen, zo te fonkelen dat de prinses haar ogen opendeed. Ook haar ogen begonnen te fonkelen. Ze stond op en ging terug naar het kabouterhuisje. De kabouters waren erg verbaasd en blij. Snel gingen ze terug naar de mijnen om de fonkelende edelstenen op te halen.

7. Met de edelstenen versierden ze hun huisje, en voortaan viel een ieder die hen of de prinses kwaad wilden doen in slaap. En de kabouters zongen allemaal : ‘Dus kom maar niet te dichtbij als je hier iets wil stelen, kom maar niet dichtbij als je kwaad wil doen, want sluiten zullen je ogen, en niemand zal ooit het licht nog aandoen.’

16.

De Negende Wens 

1. Eens leefde er een hebzuchtige prins in een arm land. De prins was zo hebzuchtig dat hij een ander niets gunde, en alles voor zichzelf nam. Toen op een dag een meisje uit zijn rijk spoorloos verdwenen was ging hij alleen op zoektocht omdat haar ouders erg rijk waren en een hoge beloning zouden schenken aan degene die hun dochter zou terugvinden.

2. Op zijn reis door het woud kwam hij ’s avonds laat bij een huisje aan. Toen hij op de deur klopte hoorde hij een krassende stem : ‘Ik ben Spindraad. Wie is daar nog zo laat ?’

3. ‘Ach, moedertje,’ zei de prins. ‘Ik zou zo graag even bij u willen kijken of daar ook een meisje van ons rijk is. Zij is spoorloos verdwenen.’

4. ‘Ik heb zeven dochters,’ zei de oude vrouw. ‘Als u even wil kijken. Kom dan maar verder.’ De prins stapte naar binnen, en kreeg wat te eten. Ook mocht hij van elke dochter een wens doen. Bij de eerste dochter zei hij : ‘Ik zou graag willen dat het koninkrijk omgeven is door een haag met rode bloedbessen, giftig als de zon, om ervoor te zorgen dat niemand zomaar spoorloos kan verdwijnen.’ Als tweede wens, bij de tweede dochter, wenste hij dat zijn koninkrijk vol zou zijn met goud, maar alle andere wensen waren hebberig, en hij vergat het spoorloos verdwenen meisje helemaal.

5. ‘Omdat je in bijna al je wensen zo hebberig bent geweest,’ zei de oude vrouw, ‘zul je veranderen in een pad.’ En direkt was de prins geen prins meer, maar een pad. In schaamte vertrok de pad. Al gauw kwam hij erachter dat hij ook niet terug kon naar zijn koninkrijk vanwege de dichte haag met giftige rode bloedbessen. Maar eens in een nacht zag hij een meisje baden in een bosmeertje. Hij zwom direkt naar haar toe, en vertelde haar wat er was gebeurd. Het bleek het spoorloos verdwenen meisje te zijn. Maar ze leek sprekend op één van de dochters van de oude vrouw.

6. ‘Ik ben gevlucht,’ zei het meisje, ‘vanwege het harde werk dat ik in uw koninkrijk moest verrichten. Ik kwam bij de oude vrouw en werd als één van haar dochters. Zij liet mij zacht werk verrichten, en ik mocht wensen laten uitkomen.’

7. ‘Maar waarom ben je daar dan niet gebleven ?’ vroeg de pad.

8. ‘Omdat de oude vrouw aan het einde van de wensen altijd haar eigen wens uitspreekt,’ sprak het meisje. ‘Sinds ik gevlucht ben, ben ik de enige die haar boze wensen ongedaan kan maken. Ik was altijd de achtste wens, en zij altijd de laatste, de negende.’

9. En zo deed de pad zijn wens bij het meisje om weer een prins te worden.

 

De Nieuwe Handelingen II

1.

De aanstelling van de tweede Mozes

1. En de Heer zat in de hemel met zijn pythons en de slangen des hemels. En de Heere sprak tot de tweede staf van Mozes, en sprak recht. En de Heere opende met deze staf de dodenrijken van de eerste drie utmiren, de tijden des heeren, en er was een grote oogst. 2. En de Heere bracht het tweede kruis tot de tweede ark. En de Heere wilde dat zo de tweede geest van de mens zou zijn. En er kwam kracht vanuit het tweede kruis, en de Heere stelde zijn economie op. Gij die van de honger hebt gegeten, tezamen met de Heer, zal handel kunnen doen in de hemelen. En het tweede bloed des Heeren kwam vrij om in ruime aderen te stromen, en de pythons dienden Hem. 3. En de Heere zag dat het goed was, de hof die hij aan de mens had gegeven. En de Heere sprak aldus deze woorden : Laten tweede engelen en de cherubs van het tweede de hof bewaken en besproeien. En zij droegen een hemels zwaard van het tweede, een mystiek zwaard vol van geheimenissen. 4. En niemand kon de hof binnenkomen dan hen die de Heere had aangesteld. 5. En zij waren in het blauw terwijl heilige winden waaiden. 6. En warmte kwam over de hof en de Heere zegende die. 7. En de tweede Mozes kwam om zich voor te stellen bij de Heere. En toen hij voor het aangezicht des Heeren stond brulde de Heere als een leeuw. En de zalving viel op de tweede Mozes, een zalving groter dan het oude verbond. En de Heere stelde de tweede Mozes aan om te regeren over de gewesten van de tweede hel. En deze hel was zo verschrikkelijk dat engelen beefden en verschrikt raakten.

De roeping van de tweede Simson

8. En de Heere riep de tweede Simson tot Zich en gaf hem een purperen gewaad. Ook gaf de Heere hem een beker die vol was van de tweede toorn. En de Heere zond de tweede Simson als een arend tot de aarde om haar te oordelen. 9. En zijn engelen waren velen, en de slachtingen die ze op de aarde verrichten waren groot. 10. En de engelen weenden om de krachten die loskwamen. 11. En toen sprak de Heere tot de tweede Simson : 'Ik geef u de macht over het tweede dodenrijk, en de machten der hel kunnen haar poorten niet verbreken.' En de macht van het tweede dodenrijk was groot, en in haar bevonden zich de tweede sjeool en de tweede hades, en gebeden konden haar werkingen niet verhinderen. 12. En de Heere sprak met luide stem : En dit verbond met de dood is groot als de dood van de tweede Christus. 13. En een tweede graf kwam opzetten als het geluid van bijenstormen zoemend tot de hemel en de duisternissen, en dit graf was groter dan de eerste. 14. En de Heere sprak : Ziet dan de vloek van honger, waar honing binnenin groeit bewaakt door de bijen des hemels. 15. En het was de Heere die de tweede Christus zond tot het kruis van honger, en na enkele dagen was er grote zaligheid. 16. En de Heere bracht de honing in een kruik tot de tweede ark en sprak : Zo wil ik dat de tweede geest zal zijn. 17. En de Heere brak het brood om het over de hoeken der aarde te verdelen, maar een engel des tweede satans stond ineens voor Hem. En de Heere sprak : Lang zijn de werkingen des geestes tegengehouden.

Het oordeel over de dansers

18. En de Heere sprak tot zijn engelen : Brengt nu de tweede David voor Mijn Aangezicht. En toen sprak de Heere : Zijn Lichaam zal mijn tempel wezen. 19. En hij zond de tweede David naar de aarde om zijn tempel te bouwen. En de Heere stelde hem aan om de heiligen te hoeden. 20. En zij werden genoemd de tweede christenen. En hij zong psalmen tot de hemel, met het tweede woord in zijn hand. 21. En de dansers van het eerste verbond werden voor de Heere gehaald, en kregen een vervloeking op hun hoofd, omdat zij de cobra des Heeren tegengehouden hadden. En zij hadden vele boze geesten. 22. Zij hadden als heer over hen de tweede slang. En zij hadden vele heiligen tot onreinheden en gruwelijkheden geleid. 23. En de Heere sloeg hen, zeggende dat ze geen deel zouden hebben aan de tweede Christus, want hun zonden hadden zich opgehoopt tot de hemelen, en ze hadden vele kindekens geblokkeerd om in te gaan. 24. En er kwam vuur uit de mond en het aangezicht van de tweede David om hen te verteren, en hun volgelingen hielden zich schuil in het tweede sodom en het tweede babylon.

De Strijd om het lichaam van de Tweede Christus 

25. En de engel Sarsia de tweede raakte in gevecht over het lichaam van de tweede Christus dat door de dansers en hun volgelingen was verkracht. En zij had tegenover zich staan de tweede satan, de tweede slang en hun zonen. En de tweede Metensia kwam haar ten hulp, en met de slangen des hemels brachten zij het lichaam tot het tweede graf. 26. En zijn discipelen weenden voor veertig dagen en nachten bij zijn graf, en hun tranen werden hem tot sieraden. En na deze veertig dagen stond hij op en weende. 27. En heilige vrouwen der aarde volgden hem, terwijl hij het tweede evangelie begon te verkondigen. 28. Ken dan de krachten van het tweede graf, en hebt dan deel aan zijn lichaam. 29. En het tweede avondmaal werd ingesteld tot zaliging van hen die weenden. 30. En de tweede Salomo verscheen aan Hem om hem schatten te brengen. En de Heere zag dat het goed was en gaf Zijn Zegen. 31. Laat dan de tweede farao uw lichamen niet tegenhouden in de ketel des Heeren, en doe dan een beroep op de heilige plagen om geheel vrij te komen van het zwaard der onderdrukking. 32. Laat dan uw lichamen u niet leiden tot onreinheden, maar vlucht tot de tweede geest waaruit een nieuw rein lichaam zal voortkomen, gemaakt om in de tempel te dienen van het tweede woord. 33. En de Heere bracht gezag tot de apostelen van de tweede gemeente, en het tweede woord begon te zingen in hun hoofden. 

2.

Oude religies en het Grote Spanje

1. Gij dan zijt geen koopwaar, daar de Heer u heeft bevrijd uit de slavernij. Het hart der zonde klopt in het kopen en verkopen. Gij nu hebt heilige voorschriften ontvangen over de economie des Heeren

2. Gij weet ook dat de walvissen des hemels zullen komen om het grote spanje te veroordelen. Laat dit troost geven aan uw ziel, hen die in de verdrukking werken. De Heere heeft uw tranen gezien.

3. De Heere hecht Zich met Zijn Geest aan uw verstand om het te behoeden. De Heere wil graag dat gij de geheimenissen kent. De Heere schiep de dieren en het geboomte om de verschillende delen van het lichaam aan te tonen. Gij die dan één dezer schepselen lastig valt, ziet toe dat uw lichaam uiteen valt.

4. De Heere laat niet met Zich spotten. Dit zijn de laatsten der dagen. Geeft daarom nauwgezet acht aan zijn woorden, opdat zij u niet verslinden.

5. Welaan gij spotters, en gij die aan uw ouders ongehoorzaam zijt, de Heere zal u drijven tot het Grote Spanje, tot de verzamelplaats der geesten, en daar zal de Heere u slaan.

6. Dit zijn de woorden van de tweede Luther, tot een tweede reformatie. Die reformatie zal zijn : het afbreken van de geestesmarkt, het onder het oordeel brengen van hen die vlees eten, en het brengen van het tweede Woord tot een Eeuwig Evangelie, zoals de profeet Johannes dit op Patmos zag.

7. Deze dagen zijn nu gekomen. Zij die niet wenen om de zonden zullen geen deel hebben aan het teken Gods dat de harten in de verdrukking zal behoeden. Zij die het teken der beesten dragen zijn reeds overgeleverd aan de wildernis der tijden.

8. Wij zullen de tempelen van Metensia openen, en die van de andere Geesten Gods en de tweede Geesten Gods. Gij dan zult de Heere kennen. Het tweede altaar zal hersteld worden, en er zullen geen onschuldigen geofferd mogen worden. De Heere zal een vloek leggen op de woorden van hen die dieren en mensenkinderen hebben geofferd.

9. Deze religies kwamen voort uit een duister tijdperk waar de tijden jong en verward waren, waar wildernissen kwamen tot de tempelen Gods, en waar bergen huisden.

3.

Geen aards altaar

1. De Heere heeft u tot hiertoe gebracht, en zal Zijn tempelen openen, zodat de winden van het tweede Woord over de aardbodem zullen waaien.

2. Gij dan die aan ketenen ligt, gij zijt vrij in uw binnenste. Gij dan die geen binnenste hebt, hoe te betreuren zijt gij.

3. Gij dan die de altaren van ijs bereikt hebben, offert uw aanverwanten en relaties, opdat gij in kunt gaan door de poorten van Zetdonia.

4. Laat er dan onderscheid wezen tussen de altaren des hemels, en laat het altaar zijn tot zuivering en overdracht.

5. De Heere dan zal zeven allerheiligste tijdperken inzetten om het altaar te herstellen, en de Heere zal uitroeien de altaren van de aarde.

6. De Christus moest sterven aan het hout, maar vervloekt is degene door wie het geschiedde. Zo heeft dan het aardse altaar priesters verbonden tot zonde tegen Christus, en daarom is dat verbond niet verre van de verwijdering.

7. Hecht u dan niet aan duistere schaduwen van een tempel die komen gaat. Zij bestonden om voorbij te gaan, en om hoofden omhoog te richten.

8. Rekent dan af met uw duister verleden en een duister voorgeslacht.

4.

Aanvaarding van het IJs

1. Gij hebt dan gehoord van verbrande heksen en martelaren om hun geloof of liefde voor de natuur. Weet dan dat ik hun littekenen in mijn lichaam en ziel draag. 2. Meent gij dan uw broeder te verketteren zonder de hand aan uzelf te slaan ? Vervloekt zijt gij, oh verachtelijk mens. 3. Denkt dan niet dat God u niet zal aanklagen. 4. Degene dan die liefde heeft voor de natuur, heeft liefde voor God en heeft de ganse wet vervuld. 5. Noemt gij dan een heks een ieder die de natuur liefheeft ? Zeer te bespotten zijt gij. 6. Het Woord Gods zal komen als ijs, om hun graven te openen. 7. Aanvaardt dan het ijs in uw leven.

5.

Over kinderlijkheid

1. De Tweede Paulus aan hen die in Spricht zijn en het tweede Spricht. Zalig zijt gij en gezegend in de Heere, broeders en zusters, gij die de dieren des hemels aanhangt. Gij hebt reeds hun merktekenen op uw ruggen. Ja, de Heere geeft hen u in uw slaap. Zalig hen met grote verzamelingen, zij die als een ark vol zijn van de dieren en beesten des hemels. 2. Raak het zalige aan, ja, het is voor u, allen die de Heere zoeken. 3. U hebt dan groot geluk opgeraapt, en de golven van Kabbernal zijn over u. Gij waart in de gouden bossen des Heeren en gij zag Zijn distels daar in het bittere land. Nu zijt gij dan vol van Glorie. 4. Gij allen weet dat spreken als zwemmen is in de bosrivieren des Heeren. 5. Gij zijt aangekomen in een vruchtbaar land. De heere is verrukt over uwen zachtmoedigheid, en gij hebt zeer zeker zijn hart vertroost en versterkt. 6. Ja, gij hebt Hem aangemoedigd als een ridder, gij die de rozenkoeken des Heeren eet en uitdeelt. 7. Grote sterkte zal tot u komen in de burcht van Kabbernal. En gij zult uzelven voelen als iemand die oude vrienden weervindt. 8. Komt dan tot de grotten des heeren en luistert naar zijn stem, Hij die Zijn engel Torio heeft gezonden. 9. En Hij zal nieuwe woorden bevestigen aan uw hart, en zij zullen zijn als tekenen en verademingen op de weg die gij begaat. 10. Zalig hen die genaderd zijn tot Spricht en staan in de tempelpoorten des Heeren. 11. De heere heeft u tranen van genezing gebracht, ja, gij hebt benen van licht om elkaar te genezen. En deze lichten zijn zacht en waterig. 12. Zalig hen die tot de geheimenissen van Spricht zijn ingegaan. 13. De Heere toont hier zijn luister, de Heere toont hier zijn macht, geworteld in zijn gronden en gewrocht in zijn hemelen. 14. Zijn aangezicht geweven door zachte lijnen, komende van de weerspiegelingen van het tweede kruis, waarin gij allen zo diep met elkaar verbonden zijn tot tranens toe. 15. Mengt dan elkanders tranen en gij zult de tranen des Heeren zien, de zalige baden van genezing, waartoe zijn engel Torio telkens nederdaalt. 16. En gij drinkt van de traan, en gij kunt ademen. De Heere heeft u leven gegeven, om zachte dieren te bemerken. 17. Ja Hij mengde het licht met duisternis, en nu is het zacht voor uw ogen. 18. Het Woord des Heeren is sterk. 19. Welzalig hen die genaderd zijn tot Gods velden door Spricht, die Zijn troon daar hebben zien staan, de kroon van het Tweede Heil. 20. Streeft dan naar het Tweede Spricht, en houdt hen vast, allen die daar wonen. Gemeente Gods, zo diep levende in de wildernis, bij de adem Gods. 21. Tot hen die in de poorten staan : Nu vangen dan nieuwe dagen aan, zoveel wijn in tranen, Gods glimlach is zoet en recht. 22. Tot de kindekens zou Hij komen, hen die de kaarsjes hebben bewaard tot in de nachten. 23. Zij hebben een maagdelijk verstand, en hun gevoel is rein. Zij hebben ijs geschept uit de waterbronnen des Heeren. 24. De Heere doe Zijn Aangezicht over u lichten. Vrede en Genade zij u. Rust fijn.

6.

De wortelen des geestes

1. Gegroet hen in het tweede Korinthe. Wanneer dan het eerste Korinthe de verwijdering nadert, dan zal de Heere alleen Rachab redden. 2. Groet hen die in de verdrukking zijn. De Tweede Paulus en de tweede Sostenes, beiden apostelen en anfitaten van de tweede Christus om uw zielen te zaligen, aan allen die in het tweede Korinthe zijn. 3. Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Tweede Christus door Hem voor deze tijden gezonden. Laat u dan zaligen in Hem. 4. Zalig zij die gekomen zijn tot het tweede, groet dan ook uw broeders en zusters in het tweede, welke de Heere in Zijn Wijsheid door de Tweede Geest verbonden heeft. 5. Ziet dan toe dat gij het Tweede niet veracht, en bidt dan ook voor alle gemeentes in het tweede, want de eersten zijn niet verre van de verwijdering. 6. Zijn wij dan als honden die weer naar hun braaksel terugkeren ? Zeker niet. Gij zijt volwassen geworden in de Heere, en zo zijn dan de overleggingen van het eerste voorbijgegaan. 7. Weet dan dat de wildernissen des Heeren ordelijker zijn dan de orde der wereld. 8. Gij hebt dan gehoord van de tweede gaven en vruchten des Geestes. Gij hebt dan ook Eminius leren liefhebben, de Naam des Geestes. 9. Leert dan alle namen kennen. 10. Ook hebt gij gehoord van de wortelen des Geestes en de schillen. Laat dan een ieder blijven in zijn eigen schil, door de Heere aangemeten en gewogen. 11. Ik dank God te allen tijde over u, daar gij de wortel van ijs hebt laten groeien, want zo zijt gij in elk opzicht rijk geworden in Hem. 12. Ook hebt gij uw wortel van stilte laten zuiveren, waarover ik had gesproken toen ik bij u was dat hen die dat niet zouden doen onder het oordeel zouden komen. 13. Ook hebt gij geluisterd door de wortel van het lijden te heiligen.

Vertroosting en Dankzegging

14. Gij hebt de schillen der bedieningen rijkelijk over de gemeente gelegd, en daardoor zijt ge zalig. Ja, gij hebt waarlijk de zonen Gods van gereedschap voorzien, en uw huizen goed ingericht. 15. Daarom hoeve ook niemand onder u enig gebrek te lijden. En al zij daar gebreken, dan zullen wij dat door de Geest Gods aanvullen. 16. Gij hebt ons dan ontvangen als ware apostelen, nadat gij ons zevenvoudig getoetst hebt. Hierdoor rust de zegen Gods op u. 17. Gij hebt dan waarlijk de tempel Gods en het altaar van gerei voorzien, en de heiligen goed toegerust. Ook hierin dank ik de Heere om u. 18. De Heere zal uw gaven van vuur en ijs aansterken, daar u zijn wortelen draagt, en de schillen niet veracht hebt. 19. Ja, gij hebt uw zonen gebracht tot Spricht, en zij zijn waarlijk zonen des Heeren geworden. 20. Gij hebt uw dochters gebracht tot Zetdonia, en hen de klederen van het heil gegeven. 21. Gij zijt rein geweest op heilige bergen, en niet de Heere tot een vloek geworden. Gij hebt waarlijk troost gebracht aan het hart des heeren, door tienvoudig te wandelen en te handelen in Zijn Wet. 22. Ja, gij hebt de wetten van het Tweede om uw polsen gebonden, en gij hebt uw kinderen er zwaar mee getuchtigd. Zo hebt gij uw zielen behouden in de Toorn des Heeren. 23. Laat dan niemand u oordelen, want gij hebt in liefde gehandeld, oh vervolgde gemeente Gods. 24. De Heere heeft Zijn hand op u gelegd. Zalig zij hen die u zaligen, en vervloekt zij hen die u vervloeken. Ja, zij zullen aan het tienvoudige zwaard ten onder gaan, hen die u haten. 25. Want zij haten u omdat gij de geboden des Heeren bewaart in vrezen en beven. 26. Zij zullen in Spricht ten onder gaan, zij die om u gelachen hebben. Maar zalig zijn zij die met u geweend hebben. En zij zullen door Spricht tot behoudenis gerekend worden. En zij allen zijn onder de hoede van Zijn engel Torio.

7.

Het tweede ijs

1. Ja, de Heere zal u gaven schenken in de nacht, gij die zijn wortelen bemint. Gij dan kent de lusten des Heeren, en zijt daarmede begiftigd in uw binnenste. 2. Gij die dan de poorten van de tweede geest bent daargegaan : Gij hebt een eeuwig evangelie aanschouwd en gij zijt heilig. Uw beenderen zullen niet door de leeuwen verbroken worden. 3. Komt dan tot de kast des Heeren, en de Heere zal u nieuw gerei schenken om Zijn heiligen mee toe te rusten. 4. Ja, als de smid des Heeren heeft Hij u opgesteld, hen die zijn hart beminnen. 5. De Heere heeft u laten leven in tweede vreze, en ziet, gij zijt zalig geworden, dragende de lusten des Heeren. 6. Gij droeg dan voor lang het tweede geweten, en de Heere heeft het gezegend. 7. Nu dan, gij zijt rein, en gij behoort tot de heerlijkheden Gods. Behoort dan tot de jaguars des hemels. 8. Gij bent dan meester geweest zonder pijlpunten, en gij hebt u afgezonderd gehouden. Ja, u bent geheiligd. Ja, u bent anders. Gij zijt vreemdelingen in de wereld geweest, maar gekend bij God. 9. Zoekt daarom troost bij elkaar en leert elkander over het ijs des Heeren en het tweede ijs. 10. Zo zult gij de wet vervullen. 11. Laat dan niemand u gering achten om uw onderlinge samenkomst, want de Heere is geduldig. 12. Wanneer gij dan samenkomt in ijs : Ziet dan, gij zijt dienaren van het Tweede. 13. Predikt dan het evangelie van het Tweede aan de ganse schepping, opdat gij ijs zult scheppen van de hemelen. Zo zult gij de grote verdrukkingen breken. 14. Driemaal zal de Heere u dan breken, en zalig hen die de verbrekingen als zaligheid achten. Gij bent dan niet ver van de Tweede Lusten des Heeren. 15. Gij dan hebt van Zijn doornenkroon een koningskroon gevlochten. Gij hebt dan van zijn spotkleed een koningskleed gemaakt. Ja, zalig hen die scheuren, want zij zullen scheppers en schenkers van wijn genoemd worden. 16. Gij dan drinkt de wijn des Heeren.

8.

De mystiek des Heeren

1. Gij dan die in het tweede Rome zijt, en de gemeente Gods aanhangt : De Heere leidde u tot de Emelis Shatau. Genade zij met u. 2. Ziet dan toe dat gij niet valle, gij die meent te staan, want de leeuwen Gods zijn velen, uitgezonden om de heiligen te testen. 3. Want velen zullen struikelen, opdat onder hen zuivering worde aangebracht. En dit is een groot geheimenis des Heeren. 4. Weest dan waarlijk als tweede Romeinen, want God roept u. 5. Hij heeft u de kanalen van Zijn Geest laten zien. 6. Laat uw hart dan niet teveel gericht zijn op dogmatiek en een wirwar van wijze woorden, maar richt uzelven op de mystiek des Heeren, en laat uw hart in het verborgene zijn. Dan zult gij uzelven rein houden in de Dag des oordeels. 7. Maar velen onder u zijn opgeblazenen, en ik vrees dat ik me voor enkelen onder hen tevergeefs heb ingespannen. 8. Laat dan niemand onder u dwalen. Er is geen einde aan de Wijsheid des Heeren, maar Zijn Dwaze is veel sterker. 9. Oh, onverstandigen, wie heeft u toch zo betoverd dat gij meent zalig te worden door strakke registers en oeverloos onderwijs ? Gij dan hebt de Slaap des Heeren veracht, en hebt molenstenen op uw kinderen gelegd. 10. Maar toch zullen zij onder het juk zalig worden, daar zij het juk des heeren dragen. 11. Ziet dan toe, dat de Heere u niet verbrijzele tezamen met het juk. 12. Maakt dan uw zonen tot profeten des Heeren, en laat hen slapen. 13. Tuchtigt hen echter in de Heere, want de Heere haat een tuchteloos hart. 14. En wie dan meent goed onderwijs te hebben, laat u door de Heere onderwijzen. 15. Legt dan uw zware klederen af, en kom in naaktheid tot het verborgene des heeren, waar gij zuiver bedekt zult worden door Zijn wateren. 16. Zij die Zich niet verlustigen in het verborgene en de geheimenissen Gods zullen door het komende vuur ten onder gaan. Zij hadden geen ijs in hun lantaarns. 17. Onderhoudt dan uw ijs, opdat de Heere niet tot u kome met de ban. 18. Want snel ontbrandt zijn toorn tot hen die zich niet met het ijs inlaten. Het ijs is dan het jaloerse van God. 19. En wie dan meent waarlijk voedsel gegeten te hebben. Laat hem komen tot het altaar en het voedsel des Heeren eten. 20. Richt uw hutten dan in met de vreze des Heeren.

9.

Over Naaktheid en bedekking

1. Alles komt op zijn tijd. De Heere is goed. Laat uw wijsheid dan niet uw hart verbrijzelen, maar geeft acht op de tijden des Heeren. Leert zijn seizoenen kennen en veracht de balanzen niet. 2. Anders zal de Heere tot u komen en zeggen dat gij Zijn Geest hebt gegeten. 3. Meet dan met goede maat, en weeg met zuivere gewichten, anders zal de Heere het gerei terughalen, en gij zult zijn als een naakte in volle stad. 4. Zalig hen die naakt in het verborgene zijn, want zij hebben de Geest des Heeren tot hun bedekking. 5. Gij hebt dan ook enkelen onder u die zeggen Jood te zijn, maar het niet zijn. Bekeert u dan van uw werken, en hangt de Heere aan. 6. Bromt en mokt dan niet tegen elkaar, over welke het oordeel des Heeren valt. Wie toornt, toorne in de Heere. 7. Veroordeelt elkander dan niet, maar verdraag elkanders zwakheden. Laat dan uw sterkte geen zwakheid zijn, maar hangt de Heere aan, die bepaalt wat zwakheid en sterkte is. 8. Want het zwakke des Heeren is sterkte. 9. Hebt dan een zuiver oog, anders zal de Heere het wegnemen. 10. Hen die hun oog zuiver hebben gehouden : De Heere zal u nog een oog schenken, en het planten als een parel des Heeren op uw voorhoofd. 11. Zalig hen dan die vol ogen zijn, want zij waken over uw ziel. 12. Aan allen die zich in het tweede Rome bevinden : Voedert de vogelen des hemels, want zij hebben u voedsel gebracht. 13. Geeft hen te eten die hongeren, want zij mochten eens hongeren om u. Door zo te doen zult gij uw zielen behouden. 14. De Heere haat hen die voor zichzelf eten. Heeft de Heere u geen voedsel gebracht om u tot de ander te zenden ? Verspilt uw voedsel dan niet aan de wereld, want dan zal de Heere u zeker met de ban slaan. 15. Ziet dan, de Rechter des hemels staat aan de deur en klopt.

10.

De engel Troy

1. Heilig, heilig is de Heere die de heiligen draagt, tot aan de zeeen van Metensia. Hij geeft haar het hare. Hij die troont op cherubsen van het tweede, waar seraphs tot Zijn ark zijn gegaan. 2. En geen tronen, geen machten, geen stemmen en geen liederen kunnen u scheiden van de Heere die Eeuwig is. 3. Hij troont op de Emelis Shatau, de tepel van genade, tot allen die Hem genade gaven. 4. Wie Zijn Geest heeft gedoofd mag niet komen tot Zijn troon. Blijft dan op de Emelis Shatau. 5. Sta vast in Zijn werk, bouw Zijn tempel op het heil. Zijn grote genade is bij hen die genade gaven. 6. Maar hen die genade verspilden, mogen niet komen tot Zijn Heil'ge berg, voor de zonde is dan geen genade. Zuiv're genaa is gebouwd op Zijn werk. 7. Genaa is slechts bevestiging, als zegels van de Emelis Shatau. Hen die niet werken hebben geen deel aan de genade. Zij kennen het niet. 8. Zij die genade verdraaien, storten af van de bergen, van de Emelis Shatau. 9. Kent dan Zijn engel Troy, met zoveel liederen, op de Emelis Shatau. 10. De stemmen van leeuwen, van koningen en arenden komen uit haar mond, want God heeft Zijn viool en fluit in haar gebouwd. 11. Zij die de wereld schiep door Zijn Geest, vanaf de Emelis Shatau, als een vangnet voor de vissen die in duisternis leefden, sleepte zij hen tot de hemel, op de Emelis Shatau. 12. Zij die de aardbodem schiep, het aardrijk met al hun koningen. Hun tijden werden vastgelegd in boeken, van de Emelis Shatau.

11.

Het wijze in de oudheid

1. Oh Emelis Shatau, maakt de zondaren stil. U toont Liefde aan hen die vrezen. 2. Plaatsen bewegen onder Uw Hand. Vissen brengen het aardrijk tot verstand. 3. De dwaasheid Gods is mystiek, als zegelen op Zijn wijsheid en wildernis. 4. Oh Emelis Shatau, waardoor zondaren in paniek raken. Haar woorden trillen in de mond van dichters. Niemand houdt haar vast zonder te beven, pas na tijden worden zij stil, wanneer gebeden de dieptes des Heeren hebben bereikt. 5. Het verstand is dan in oude boeken. Glorie is nog steeds in oude potten. Genade in de ketels van verleden tijden. 6. Ken uw weg, op de Emelis Shatau, alleen hen die heilig zijn als pelgrim bereiken haar wolken en haar wazen. 7. De mist spreekt in de donder, vissen vallen op 't verstand, om hun wegen door te branden. De Heere vangt hen in fuiken van Zijn land. 8. Waar de aarde onder modder is, op de Emelis Shatau. 9. Violen des hemels weven de stemmen, op de Emelis Shatau. 10. Toon genade aan uw zonen. Teder trillen hun stemmen na, licht ontbrandt hun toorn, op de Emelis Shatau. 11. Liefde gaat op vleugelen, het Tweede Rome achterlatend, met Griekenland onder Zijn voeten, op de Emelis Shatau. 12. De maan als een haren zak, de zon zwart en onder koper, waar gouden kettingen hen kopen, die staan op de slee van smaragd. De koopkracht is des Heeren. Handelt dan met Hem. Koopt ogenzalf van zuiv're sterren, op 't altaar van uw levenslied. 13. Hij breekt de zon en de maan, en geeft Zijn profeten dubbel zicht. Laat dan uw genade verdubbelen. Zij die werken zullen ook oogsten. 14. Ja, God zal de luien werpen in de buitenste duisternissen, maar vervloekt zij hen die de vermoeiden belasten. 15. Bent gij moe, weest dan moe in de Heere.

12.

Over het klagen

1. Zij die de thee van Marion drinken, en het beenmerg des Heeren kennen. Zij maakten zijn botten stijf, op de Emelis Shatau. 2. Gaat dan in tot Zijn Genade en Liefde, al gij werkers van de Heer. Ja, ook gij die in uw slaap hebt gewerkt. De Heere bemint Zijn slaapwerkers. 3. Laat niemand hen dan gering achten die dromen, want zij zullen bouwers der hemelen en eeuwigheden genoemd worden. 4. Ja, de Heere zal slaan al hen die de slaapwerkers verachtten, en zal hen niet onschuldig houden voor zijn tempelen. 5. Maar zalig hen die een schuilplaats boden aan hen die droomden, want zij zullen genoemd worden wevers des Heeren. 6. Gij die droomt zijt dan een kind van Metensia. Maar als gij droomt, droomt dan in de Heere. 7. Hem die alle harten behoedt, late u welvaren. 8. Zij die de thee van Marion drinken, zij gaan van kracht tot kracht. De moeheid is hen als een vriend, zij maakten de botten des Heeren stijf. 9. Welzalig hen die niet bewegen, want zij zijn bouwers des Heeren. 10. Laat niemand deze kindekens gering achten en hen tegenhouden tot de Heere te komen, want voor hen is het paradijs des Heeren. 11. Rust dan van al uw boeken, en richt uw oog op de Heere, en Hij zal u de vleugelen van het paradijs geven. 12. Zijn arenden zullen u onderwijzen in uw slaap, acht daarom de moeheid niet gering, want zij is een wachter des Heeren, gezet aan de poorten van uw ziel. 13. Zij is dan de slaap des Heeren, de tweede ziel. Zij die niet slapen ziet toe dat gij haar niet verliest. 14. Bespot dan hen die slapen niet, en besteel hen ook niet, want dan zal de Heere uw ziel wegnemen en aan de wolven geven. 15. Zij die dan niet kunnen slapen : Gij zijt zalig indien gij waakt in de Heere. Gij zijt dan als vlammen die het graf des heeren bewaken. 16. De Heere zal u de ogen van arenden geven, en gij hebt niets te vrezen. 17. Houdt dan moed, zij die niet kunnen slapen, want gij zijt de kandelaren van de tweede gemeente. 18. En gij zult genoemd worden wakers des Heeren, hoeders van het paradijs. 19. Gij zult gaan van rust tot rust, en de Heere zal u hoge woorden in de nacht openbaren. 20. Ja, de vogelen des hemels zullen tot u komen om u te onderwijzen, en zij zullen uw ziel verzadigen en tot rust brengen. 21. Veracht de visioenen des Heeren dan niet, en legt u toe op Zijn dronkenschap. 22. Want de Geest des heeren is dronkenschap. En gij zult dronkenschap vinden in oude boeken, en niet in sterke drank. 23. Gij die ziek zijt : Drinkt dan van de thee van Marion. Want de Heere heeft u speciale genade verleend. 24. En indien gij ziek zijt : Weest ziek in de Heere, opdat gij niet tot de zieken der wereld wordt gerekend. 25. Draagt uw kruis als een Heilig kunstwerk des Heeren, en laat het niet van u afnemen voor Zijn tijd. Gij zult dan gaan van kruis tot kruis, en van heerlijkheid tot heerlijkheid. 26. Draagt dan ook het kruis van anderen, opdat gij uw kunstwerken vormt en hen deel laat hebben aan de Roze Verbinding. 27. Dit dan is het geheimenis van Metensia en Haar Tweede Woord. 28. Laat niemand dan de Roze Verbinding verachten, opdat hun deel niet weggenomen worde. Want er is geen andere vertering dan de Roze Verbinding, en hierin liggen de tijden des heeren weggelegd, als schatten van het vuur. 29. En gij draagt reeds haar golven als de lijm des Heeren in de dieptes en verborgenheden van uw lichamen. 30. Laten zij dan die ziek zijn in de Heere en de thee van Marion drinken zich verheugen, want zij zijn het vuur des Heeren, verbindende de harten van het Koninkrijk. 31. Ja, zij zijn de koorden van het paradijs en haar voorhoven, om kindekens hand in hand binnen te laten gaan. 32. Ja, zij zijn de vleugelen des Heeren, en de bron van al Zijn geheimenissen. 33. Treurt en klaagt dan niet teveel over uw ziekte, want zij brengen u tot een verborgenheid des Heeren. En gij zult des Heeren zijn. 34. En tot hen die klagen : Als gij klaagt, klaagt dan in de Heere, en gij zult de verzoeters der kindekens zijn.

13.

Gods nabijheid bij hen die ziek zijn

1. Denkt dan niet dat de Heere u verworpen heeft in uw ziekte. De Heere heeft u immers Zijn Woord gezonden. En ziet, het Woord des Heeren is vlees geworden onder u. 2. Zij dan die op de Heere Heere vertrouwen zullen dan niet beschaamd worden. 3. Stel uw vertrouwen dan op Hem, want Hij is Zachtmoedig van Geest. 4. Vindt dan troost in oude boeken, en laat u niet beangstigen. Zij die angstig zijn, zijn des Heeren. 5. De Heere Heere zal u opwekken ten jongste dagen, en gij zult kinderen van God genoemd worden. 6. De Heere is genadig en zachtmoedig tot hen die ziek zijn. 7. Gij draagt dan een juk des Heeren, en gij hebt niemand te vrezen. 8. Houdt dan goede moed, want gij zult profeten des heeren genoemd worden. De Heere is bij de moedelozen van hart. 9. Want ook de Heere kent hen allen, daar Hij de man van smarten en ziekten was. 10. Gij volgt dan Jezus de Gekruisigde, die alle ziekten kent. 11. Laten hen die gezond zijn zich dan afvragen of zij het kruis des heeren dragen. Want de Heere bepaalt wat ziekte en gezondheid is. 12. De gezondheid der wereld is dan zieker dan het zieke van God. 13. Zij dan die het kruis dragen, hebben een dokter in huis. 14. Welzalig hen die ziek zijn in de Heere, want zij zullen het Woud des Heeren zien, en de zwanen des hemels. 15. Welzalig hen die hun stervensweg gaan in de Heere, want zij zullen de kunstwerken des hemels zien. 16. Dubbel zalig zijt gij die genaderd zijt tot de verre voorhoven van de Emelis Shatau. Maar indien gij nadert, nadert in de Heere, opdat gij niet door een vuur verslonden worde. 17. Dubbel zalig zijt gij die de rijkdommen van Marions huis kent. Weet dan dat geen enkele spotter deze dingen zal beerven. Zij zullen het loon en oordeel der farizeeers ontvangen. 18. Indien gij dan een farizeeer of een spotter wil zijn, weest deze dingen in de Heere. 19. Indien gij dan een leugenaar of tovenaar wilt wezen, een luie of een geldgierige, weest deze dingen dan in de Heere, opdat Hij u kleine genade geeft op de Dag des Oordeels. Maar ziet toe dat gij niet valle in het lot der huichelaars, want het was beter voor hen indien zij niet geboren waren. 20. Maar ook zij, en gij allen, zijt gereedschap des Heeren.

Niks buiten het kruis

21. Laten uw woorden dan veelal mystiek zijn, als wanneer gij spreekt tegen geliefden tussen duizenden distels. Omdat velen onder u dit vergeten zijn heeft hun geloof schipbreuk geleden. 22. Hangt dan het ijs en de stilte aan. En verdedigt u niet, geliefden, want de Heere uw God is uw verdediging. 23. Want alle haat en minachting, alle valse nederigheid komt voort uit verdediging. En de verdediging haat het ijs en de stilte. Ja, zulke dingen hebben dan niets op met het kruis van Christus en het Tweede. 24. Leert dan het ijs zonder de verdediging aan te hangen, en laat de verdediging over aan de Heere. De Heere zal u arendsogen geven om de heidenen te verbrijzelen zonder vuur. 25. Laat dan niemand uwer denken dat er enige verbrijzeling is buiten het kruis om. 26. Legt dan uw gedachten stil in God.

14.

Niet verschrikt zijn

1. Gij dan die door mensen en farizeeers verschrikt zijt, en door hen die het woord predikten : Laat u niet wederom verschrikken, want de Heere zal u Zijn Vreze geven, en dit zal genezing voor uw gebeente zijn, daar dit het loof en kruid des hemels is. 2. Vreest daarom niet voor mensen en hun woorden, en vreest hen niet die door het vlees profeteren, want de Heere Heere heeft hun voorhoofden gebonden. 3. Laten zij die vrezen in de Heere vrezen. 4. Kunt gij dan van vlees Godsspraak verwachten ? Vreest hen dan niet die des vlezes zijn, want gij weet waar zij naartoe gaan. 5. En laten zij die werk verrichten geen dank en eer van mensen verwachten, want zij werken onder een boos geslacht. Uw loon is des heeren. Doet dan werk als voor de Heere, en gij zult uw zielen behouden en zaligen. 6. Hoopt dan niet op mensen, want dit is verdorring voor uw gebeente. Hoopt op God, want Hij zal zich laten kennen. Gij weet dan dat de Heere Heere Zich laat kennen in ijs. Zalig hen die het ijs en de stilte liefhebben. 7. Nadert dan tot de Ravalon Madok, waar het huis des Heeren staat. En in Zijn huis zijn vele woningen, daar de Vader het bereid heeft. 8. Zalig zij die de ontstekingen des Heeren dragen. Zij zijn als de vulkanen des hemels en hebben vele zielen verborgen. 9. Gij weet dan dat Zijn tepelen zijn voortgekomen uit zijn ontstekingen, als gevoelige plaatsen des Heeren. Zeer licht ontbrandt Zijn toorn, en dit heeft de Tweede Karazuur voortgebracht. 10. Ziet dan, in het laatste der dagen zal de witte panter zich vermengen met de witte tijger. En hij zal legeroverste der karazuren zijn.  

15.

Over recht en onrecht

1. Roept dan, zij die op heilige bergen staan. Roept en blaast de bazuinen. Want de Heere Heere is tot u nedergedaald, Hij en Zijn tienduizenden. 2. En Hij zal u leiden tot een plaats genaamd het tweede Harmageddon, waar de Heere en de Zijnen strijd voeren op de Ravalon Madok. 3. Ja, daar is oorlogszaad in koperen helmen, en de Heere beweegt Zich als een strijdwagen. 4. Hij zal koningen binden, en vlammen doen ontsteken in hen die de witte klederen dragen. 5. Aldus zal Hij u leiden tot het tweede Pniel en gij zult met de Heere strijden. Ziet dan, de Heere Heere is één. 6. Ken Hem in al uw wegen, en worstelt met Hem in gebed, opdat gij één zijt met de Heere. Alleen hen die Zijn juk dragen en door Hem zijn geslagen zijn des Heeren. 7. Gij dan zult de echtbreuk haten, daar de Heere het haat. Laat dan uw banden slijten voor het aangezicht des Heeren, want de Heere is het die de gelederen scheidt. 8. Hebt gij u dan in het echt verbonden voor de staat : Geeft de staat wat van de staat is, en laat u niet wederom door de staat lossnijden. Waarom zoudt gij de vloek verdubbelen ? 9. De Heere draagt het Zwaard, en gij siddert voor het aangezicht van Eminius. 10. Gij dan die recht zoekt bij de rechters der wereld : Vervloekt zijt gij, want gij hebt de harten uwer kinderen verbitterd. De Heere is Degene die het recht draagt. 11. Zij dan die recht zoeken bij de rechters der wereld en zij die de echtbreuk aanhangen mogen niet in de gemeente des Heeren komen. 12. Hen wacht een vuur brandende in de tweede hel, die nog verschrikkelijker zal wezen dan het eerste. 13. Waarschuwt dan uw kinderen en tuchtigt hen reeds vroeg, en weet wel dat dit een gebod des Heeren is. 14. Zij dan die lijden onder het recht der wereld : Het onrecht des Heeren is rechtvaardiger dan de rechters der wereld. 15. En gij zult op deze woorden acht geven als op een lamp brandende in de duisternis, opdat uw zielen welvaren. 16. De Heere Heere spot met de armelijke wereldgeesten, en doet hen vergaan als bloemen in brandende storm. 17. Is het dan niet de Heere die koninkrijken doet opkomen en weer laat vergaan ? Vreest Hem dan die het recht draagt de aarde en de hemelen en al wat daarin is om te buigen. 18. Kent gij dan het verschil niet tussen recht en onrecht ? Laat dan af van hen die nog niet eens het verschil tussen hun linker en rechterhand kennen. 19. Zij die recht zoeken, zoeke recht in de Heere. Maar laat u liever slaan, daar de tuchtigingen des Heeren tot zaligheid leiden. 20. Zijt gij dan al zonder zonden dat gij niet meer geslagen dient te worden ? Laat dan af van het zelfmedelijden en de valse bezorgdheid die uw zielen verderven en u op de stoel van Eli laten zitten. 21. Zoekt dan een goede rechter die uw vlees niet spaart, opdat gij bevrijdt moge worden van uzelven. 22. Wordt dan een tweede mens, en laat uw verstand verlichten. 23. Groeit dan op voor de Heere, om de overleggingen van het jonge te ontgroeien. Legt uw gedachten stil in God. 24. Gij zult lachen om de vele wildernissen der jeugd, want zij zijn als de winden der eis. 25. En gij kent deze eis als het kind des Heeren, openende haar mond tot het spelen van het spel. 26. Vele winden kunt gij niet ontwijken, maar de Heere zal u de gaten van Zijn Woud laten zien, waardoor gij kunt ontsnappen.

16.

Het lijden van het jonge

1. Door vele tranen ziet gij de flessen des Heeren, en zij die deze flessen dragen zijn ouder. 2. Gij die jong zijt zal veel moeten lijden, maar ziet toe dat gij het lijden niet veracht, opdat het niet van u wegvluchtte en gij zult verhongeren. 3. Ja, want in het laatste der dagen zullen velen de dood zoeken hetwelke zij zo bespot en veracht hebben, en zij zullen haar niet vinden. 4. En dan zullen zij de duisternis zoeken, maar het zal van hen wegvlieden in angst. 5. Ja, dan zult gij die gezond waart smeken tot het Kruis van Christus de Wilde, maar zij zal zich niet laten kennen. 6. In die dagen zullen de hemelen gesloten blijven, en er zal een tijd van honger zijn. 7. En zij zullen elkaar eten en vervolgen, zij die niet van het kruis hebben gegeten. 8. Weest dan als een discipel van de Tweede Christus, opdat gij u rein houde van deze dingen. 9. De Heere zal de Karazuur van het Tweede tot u zenden om uw poorten te bewaken, en er zal licht zijn bij uw ingang en uitgang. 10. Hen dan die discipelen zijn van het Tweede hebben de macht ontvangen om kinderen Gods te worden. 11. Laat u dan niet meer verslinden door de wildernissen van het eerste. Gij bent immers opgegroeid. 12. Laat u dan ook niet meer leiden tot overleggingen en strijd over de dopen, want het Tweede kent geen andere doop dan de doop des Geestes. 13. Indien iemand zijn kind wil dopen om zijn geweten, doe het als in de Heere. Indien iemand zijn kind niet wil laten dopen, laat het, als in de Heere. 14. Laat dan niemand u hierom oordelen. Maar zij die volwassen geworden zijn houden zich niet meer bezig met waterdopen. 15. Weet dan dat u niet tot volgroeiing kunt komen, indien gij nog vasthoudt aan de waterdopen. Doopt uzelven dan elke dag in de Geest. 16. Want deze dingen zijn slechts schaduwen van de dingen die komen gaan. Komt dan tot de wateren des hemels, en doopt uzelven daar aanhoudend, opdat gij daarin eeuwig leve en macht ontvange om toegang te vinden tot het Woud des Hemels. 17. Gij dan die als kind besprengd zijt, laat uzelve bevrijden. Gij dan die als volwassene gedoopt zijt, dit was slechts de angst en eis der tijden. Gij hebt geen mens van node om u te laten dopen, daar de Heere doopt in Geest, ijs en vuur. 18. Gij weet dan dat in vroegere tijden men hun kinderen en dieren liet dopen in het vuur der aarde, en later in het water der aarde. Gij dan zult dopen in het ijs des geestes. 19. Laten hen die elkaar nog onderdrukken met de dopen des vlezes weten dat over zulke dingen de toorn des heeren komt. 20. Gij die jong zijt : Eert hen die ouder zijn en gebruik het altaar in vrezen en beven.

17.

Voorschriften en levenswijzen

1. De Heere heeft de zachtmoedigen lief. Weest dan langzaam tot oordelen, opdat de Heere uw ziel niet vertere. 2. De Heere haat de kringen der spotters. Zij zullen zelf bespot worden, en de honden zullen hun vlees eten. 3. Want gij moet goed weten dat geen enkele spotter of echtbreker het Koninkrijk des Hemelen zal beerven. Scheidt u dan af van hen die spotten, opdat gij niet in hun oordeel valle. 4. Vervloekt gij die een schuilplaats heeft voor een echtbreker, want zij zullen verteerd worden met de echtbreker. 5. De Heere zal niet onschuldig houden hem die een echtbreker in huis haalt. 6. De Heere zal hem tot een spot in open stad maken, en hem ontbloten onder de wolven. En zijn vlees zal drievoudig gegeten worden. 7. Zalig hen wiens ogen in de Heere zijn, want zij zullen sluiten als eb en vloed. 8. Zalig hen die de profeten Gods een beker koud water gegeven hebben, en dubbel zalig zijn hen die de profeten Gods wijn geschonken hebben. 8. Want zij zullen het loon van een profeet ontvangen. Vervloekt zij hen die niet met de profeten Gods rekenen. 9. Zij zullen het loon van de tweede Izebel en Jom ontvangen. 10. En zij die klagen : klaagt in de Heere. En sommigen onder u zijn hierin als de engelen geweest. 11. Zalig hen die voorlezen uit de geschriften des Heeren. Doet dan het Woord des Heeren, opdat Hij het niet wegneme en Hij u overlevere aan de misleiding. 12. Zalig hen die hongeren naar gerechtigheid. Zij zullen geen schade lijden van de vierde dood. 13. Zalig hen die peinzen, want zij zullen voor vele zonden bewaard blijven. 14. Ja, zij zullen naderen tot de voorhoven van het paradijs, en het huis van Marion. 15. Vervloekt zij hen die de profeten Gods onderdrukken, want zij zullen het juk van de profeet dragen. 16. De zachtmoedigen dan zullen de aarde beerven en haar vruchten bewaken. 17. Zij zullen de jongeren tot inzicht leiden, en zij zullen niet sterven tot in lengte van dagen. 18. Ja, voor hen is het vrederijk des Heeren. Zij zullen zangers der slaapliederen genoemd worden. 19. Vervloekt zijn dan die vrouwen die hun mannen het inzicht ontnemen, want hun vruchten zullen door de honden gegeten worden. 20. En ziet, zij zijn dan als de bomen des satans, zulke vrouwen, en niet verre van de ontworteling. 21. Laat uw levens dan zijn als het Woord des Heeren en het Tweede. 22. Vervloekt zij hen die hun baard oeverloos afsnijden. Want dit staat bij de Heere bekend als het slachten van een dier. 23. Ja, onheilige priesters zijn zulken, en de Heere zal niet met hen rekenen. 24. De baard nu is het sieraad van de man, vol van de koorden van de dieren des hemels. Vervloekt is dan een profeet zonder baard, tenzij de Heere hem in een tijd van reiniging onderhoudt. 25. Mannen, scheert uw borsthaar niet, tenzij de Heere u dat bevolen heeft. 26. Wie haar laat groeien en wie scheere, doe het in de Heere. Wie dan een man veracht om zijn haar of kaalheid, de Heere straffe u. Gij staat gelijk aan één die vlees eet. 27. Wie dan een vrouw veracht om haar kaalheid, het is beter dat een molensteen om de nek van zo'n spotter wordt gebonden. 28. Wie zijt gij dat gij een ander oordeelt om zijn haargroei of kaalheid ? Is dit niet aan de Heere ? De Heere nu ziet het hart aan. 29. Een kind dan die een oudere man bespot zult gij zwaar tuchtigen, daar deze wond tot zijn ziel reikt. 30. Gij zult dit kind voor enige tijd afzonderen en de toegang ontzeggen tot de kringen van zijn leeftijd. 31. Ja, gij zult dit kind bespotten met de dubbele maat, opdat hij het spotten aflere. 32. Ouders die hun spottende kinderen niet tuchtigen zullen in een streng oordeel des Heeren komen. 33. Hen die tuchtigende ouders veroordelen, hen wacht het vuur van de tweede hel. 34. Ongenadig zal het oordeel zijn over zulken. 35. Bespot dan niet hen die dik of dun zijn, lang of kort, want zulke spotters zullen niet in de gemeente des Heeren mogen komen. 36. Houdt elkander dan niet tegen de poorten des geestes binnen te treden. 37. Gij hebt dan geen idee wat dik of dun is, daar uw ogen verblind zijn. Zoekt dan het oog des Heeren. 38. Want het dikke Gods is dikker dan hetgeen in de wereld is, en het dunne Gods is dunner dan het riet der rivieren. 39. Hij die dan niet met deze dingen rekent, met hem worde niet gerekend. 40. Gij dan die in de Heere zijt bent genaderd tot het dikke Gods door Spricht. 41. Zij dan die hun ogen gebruiken om anderen te misbruiken, de Heere zal uw ogen uitrukken.

18.

Weest dan als de dieren

1. Kleedt u dan eenvoudig voor het aangezicht des Heeren, de natuur gelijk, met oog op de armen. Tenzij u daarover andere voorschriften des Heeren hebt ontvangen. 2. De Heere heeft zijn profeten geesten der vrijheid gegeven. Laat u dan niet binden. 3. Hoe u uzelf dan ook kleedt : Doet het in de Heere. 4. De Heere heeft de kleding der vreemden lief, daar zij de weg des heeren bereiden. 5. De Heere geeft niet om kleding, daar zij de zinnen afleiden van de Tweede Christus. 6. Aanschouwt dan de naaktheid der natuur en zijn bedekkingen, en zondert uzelven af. 7. Pronkt dan niet met uw lichamen, daar zij lichamen des doods zijn onder het oude en eerste verbond. Doet dan het tweede aan, en de Heere zal uw vlees veranderen. Wanneer gij roemt, roeme in de Heere. 8. Heeft de natuur u dan niet genoeg lusten gegeven ? Weest dan dierlijk en houdt uzelven rein. 9. Leert de dieren Gods kennen, opdat gij de wet zult vervullen. 10. Wanneer gij dan naakt bent of gekleed, doet het in de Heere. De Heere Heere is een verterend vuur. 11. Zoekt uw bedekkingen in de Heere, en weest niet onrein. Leest in oude boeken, om de verborgenheden des Heeren te kennen. 12. De Heere heeft veel verborgen in oude schatten. Verspilt uw tijd niet aan onzuiverheid. 13. Laten uw wonden u dan verzadigen, opdat gij de tere vleugelen des Heeren zult ontvangen. 14. Gij dan die de Heere kent, gij zult enige tijd ontbloot zijn, maar deze dagen zijn als de bedekkingen des heeren. 15. Leert dan zijn geheimenissen kennen. Wat naaktheid en bedekking is bepaalt de Heere. 16. Het naakte Gods is dan uw bedekking. De veren des Heeren dan zijn naaktheid. Zalig hen die dezen dragen.

19.

De engel Rumah

1. Gij hebt dan nog niet afgelegd de zonde die u zo licht in de weg staat. 2. En deze zonden zijn als zonen van een oude tijd. Doet dan de Geest des Heeren aan en hangt de geesten gods aan, opdat gij de zonen van vreugd en heiligheid ontvangt. 3. Er zijn dan geen vruchten zonder de naaktheid des heeren. 4. En gij dient daarnaar te streven als naar in licht gereinigd goud. 5. Het onreine des Heeren is dan reiner dan de mensen. Maar de Heere uwer zielen heeft u niet bestemd tot onreinheid, maar tot zuivere reinheid. 6. En gij dient daarop acht te geven als op de sneeuw des heeren, die sommigen van hen die in de duisternis waren witter heeft gemaakt dan het witte van de zon. 7. Gij dan die het ijs des Heeren niet kent, hoe kunt gij de sneeuw kennen ? 8. Laten zij dan die zich sieren, zich sieren in de Heere. 9. En alleen zij die profeten Gods zijn mogen zich sieren. Hetzij om te vernietigen, hetzij om op te bouwen. 10. Laat uw sieraad dan van binnen zijn. De stilte van een vrouw is dan haar sieraad, en zij die tranen hebben en daarbij de tranen der profeten dragen, hebben de sneeuw Gods als sieraad. 11. Ja, zij zijn als de tweede Pazzia voor de Heere, als de heilige Magdalene. 12. Ja, over hen waakt de engel Sarsia met haar tienduizenden. 13. Zij zijn onderwezen door de engel Rumah, die de vreze der profeten draagt. 14. Heilige vrouwen zijn zij, en de schepping des heeren wacht in grote barensnood en reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de dochters Gods. 15. Maar zij die het ijs des Heeren niet kennen hebben part noch deel aan deze zaak en haar geslachten. 16. Kent dan de boom Gods brandende in de hemelen, want haar vruchten vallen op de aarde om de afvalligen te verzengen. 17. En hun as zal tot olie en schuim zijn in de sieraden der profeten. Dit spreekt hij die het gezicht heeft als een vuurvlam. 

20.

Het Wilde Gods en de Vrijheid

1. Weet dan dat aan het einde der tijden spotters zullen komen, om het heilige te bespotten. En zij van de inquisitie zullen in het laatste der dagen opstaan, en zij zullen vele martelaren hebben. 2. Let dan goed op want zij dragen het tweede teken van het beest. 3. Maar de Heere zal uw hoofden beschermen, gij die genaderd zijn tot Hem. 4. Vecht dan niet al te zeer tegen de stenen des Heeren, maar gij doet dit om uw jongheid. 5. Wanneer gij ouder wordt zult gij u in deze dingen berusten. 6. Weet dan dat de engel Rumah de kindekens leidt en hoedt en zij houdt de tijden des Heeren in haar hand. Ja, zij is een engel des Heeren. 7. Zij is het die de planeten in hun banen leidt, en zij laat u gaan van jaar tot jaar. 8. Ja, zij is de bewaakster van de seizoenen des Heeren, en zij zegent en brengt tot rust hen die ouder zijn. 9. Ja, ook gij bent op weg naar de schuilplaatsen van rust, want de jeugd is hard en wild. 10. Maar ook gij weet dat het wilde Gods wilder is dan de wereld, en het harde Gods is harder. 11. Zo is Hij dan de steen der zaligheid, en heeft Hij zijn bok van zaligheid gezonden. 12. En Hij heeft uit die rots melk geslagen, ten overvloeiens toe. 13. De Heere Heere heeft u daarin niet als wezen achtergelaten, maar Hij leidde u van melk tot melk. 14. Nu, met de jaren, bent u gekomen tot de Matadok, waarin hij rust heeft bereid. 15. Strijdt dan om in te gaan, maar werkt dan niet met de ellebogen, en veracht het nestelen niet. 16. Weest dan als de vogelen des hemels, achtgevende op de seizoenen des Heeren. Leert elkander daarin en laat elkander vrij. Dit is dan ook verbonden aan het ijs des Heeren en Zijn gebod. 17. Laat dan de kettingen vieren, opdat gij niet onder druk komt te staan. 18. De Heere heeft u de macht gegeven te vergeten en dingen te herzien. Zo zijn er dan vele talen des Heeren. 19. Gij doet er dan goed aan de talen der mensen en de talen der engelen te leren. 20. Hecht u dan niet te erg aan één ding, tenzij de Heere u daarin voor een tijd rust laat vinden. 21. Hecht elkaar ook niet teveel vast aan woorden en talen, maar leert de harten te verstaan. De Heere heeft vele koorden. 22. Dient dan de Heere in de Geest van Vrijheid, en dient elkaar daarin. 23. Het Woord kent dan vele streken. 

21.

Over jonge en oude profeten

1. Hecht dan vele tijd aan het vertalen, zo zult gij het gebod der apostelen vervullen en de strijd uitdoven. 2. Gij dan hebt een vlam des heeren voor zijn aangezicht ontvangen, om Hem te verstaan. 3. Veracht dan het wilde en de dwaasheid der jonge profeten niet, maar brengt hen rust opdat zij u zullen sparen. 4. Onthoudt hen het inzicht niet, en vertaalt hun woorden als Woorden des Heeren. 5. Bevrijdt hen van hun ketenen, maar leert hen ook van het juk. Zij dan dragen het juk der profeten en dieren. 6. Geeft hen ijs met vuur, maar laat het vuur niet weg, opdat zij niet verbitterd raken naar u. 7. Vernedert hen niet en doet hen niet beschaamd staan, opdat zij geen irritaties naar u koesteren en u in uw oude dagen in de steek laten. 8. De Heere Heere is een verterend vuur. Ook is de Heere wraakzuchtig tot hen die zijn profeten in hun jonge jaren gekwetst hebben. 9. Laten dan oude profeten vertrouwd met wonden en voorzichtigheid, en hen die de dingen des geestes zoeken, de jonge profeten hoeden. 10. Laat u dan wel weten dat dit een gebod des Heeren is. 11. Zalig dan de oudere profeten die wild en dwaas zijn, want zij zullen dienstknechten des Heeren genoemd worden, en Zijn vederen dragen. 12. Ja, want de wildheid en dwaasheid der profeten zijn hun sieraden, indien zij vanuit het verborgene voortkomen en terugkeren. Zij dan zullen zijn als eb en vloed des Heeren. 13. En met deze sieraden hebben zij grote macht over de demonen van het tweede, en de macht om de Heere te kennen in alle dingen. 14. Ja, en de karazuren zullen tot dezen brullen en hen dienen. Laat dan het ijs en de stilte u tot sieraad zijn, opdat de schillen des geestes kunnen komen en gij niet aangevreten wordt, want de Heere Heere is als een roofdier. 15. Gij dan allen die in reinheid leeft hebbe het Tweede Bloed tot uw bedekking, opdat de Heere tegen u niet toorne. 16. Herzie dan uw oude gedachten, en laat hen dan volwassen worden, opdat de Heere niet kome om het Tweede van u weg te nemen. 17. Klaagt dan niet over hen in ijs. Of zij in vuur of in ijs zijn, dat gaat de Heere aan. 18. Zijn kou nu is heter dan het vuur der mensen, en Zijn hitte is kouder dan de ijspegelen der aarde. 19. Er is geen einde aan de veelvuldigheid van wetten, maar een geestelijk strijder met list reikt tot aan de Karazuur. 20. Gij kent misschien het spreekwoord : Rozen gezwart tot de Aakse zijn onvernietigbaar. Maar niet alle rozen zijn gezwart tot de Aakse, en zij zijn reeds verloren.

 

Terug naar Part II van het Eeuwig Evangelie.

 

Verder naar Part IV van het Eeuwig Evangelie.

 

Terug naar het begin-overzicht van de Hermitatische Synodale Kerk.

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1