Dit is een uitgave van de Hermitatische Synodale Kerk voor vrije verspreiding.

 

 

Het Eeuwig Evangelie

 

De Rode Steen

 

  1. De Openbaring van de Rode Steen Deel I-V
  2. Savaninen

 

 

De Openbaring van de Rode Steen

1.

Psalm over het Huis van Steen

1. God, U kent de huizen van mijn zeeen, U weet dat alle dingen zo ver van mij staan. Alles glijdt steeds door mijn vingers, zoveel schepen zijn vergaan. De deur van mijn hart kan ik nooit vinden. Ik kan alleen staren, maar ik zie steeds dezelfde dingen. Ze zijn zo ver weg. Kan ik mijn leven zo wel leiden ? Ik glijd steeds weg, en ben zo blind. Ontmoet mij in het huis van steen, en plaats mijn hoofd in de rotsen. 2. God, U kent de wateren van mijn hart. Ik zink steeds te diep om iets zinnigs te zeggen. Ik kan mijn leven niet meer vinden. 'K ben op een dwaaltocht zonder iets te vinden, een dwaallicht in een huis zonder deuren. 'T is alsof ik al tijden de weg niet meer kan vinden, alsof paden zijn dichtgegroeid. Kan ik mijn leven zo wel leiden ? Ik leef in diepe putten en kan nergens heen. Ontmoet mij in het huis van steen, en plaats mijn hoofd in de rotsen. 3. God, u kent de diepten van mijn buik, daar waar nog steeds de beesten leven. Ik word gegeten dag en nacht, totdat een nachtspeler mij vindt. Zelfs vrienden eten mij. Ik ga van hulp tot hulp, maar ik zak steeds dieper. Ze hebben het op mijn leven gemunt. Zij zijn de wachters van de dood, sprekende zoete woorden om mij in hun webben te verstrikken. Kan ik mijn leven zo wel leiden ? Ik durf geen hand meer aan te pakken, want alle wegen leiden hier naar de dood. Ontmoet mij in het huis van steen, en plaats mijn hoofd in de rotsen. 4. 'K heb vaak gedroomd over betere tijden, over sleutelen tot de hemelpoort. Ik heb vaak uw nachtspelers zien zitten, met hun liederen ongehoord. Ik droom van tijden over lijdensbergen heen, ik ben zo moe om hier te zitten. Ik kan alleen drinken van het dodenrijk, totdat een nachtspeler mij meeneemt naar een dans buiten dit bestaan. Een trage dans, waar alles traag beweegt, waar ik de gouden stappen zie. Kan ik mijn leven zo wel leiden ? Is dit mijn bestemming in dit huis van steen, waar mijn hoofd draait in de rotsen, oh God, waar moet ik heen. 5. Ik ontmoette U in het huis van steen, met stenen altaren, en met arken van steen. Ik danste in de rotsen, met trage passen. In Elip bracht U mij, daar waar de nachtspelers op harpen staan. Zij drinken van koninklijk goud, en hebben buiken van steen. In Elip bracht U mij, in het huis van steen. De nachtspelers staan op harpen, als de haaien des hemels. U gaf mij voedsel van hoge waarde, en nu is mijn hoofd in de rotsen, starende naar de geheimen van de zee. Kan ik mijn leven zo wel leiden ? Ik kan nergens anders heen. Oh God, U bond mij met Koorden van Liefde, U plaatste mijn voeten in het huis van steen.

2.

Psalm over Metensia

1. Metensia, zoete geur, groot geheim. U bracht mij naar het huis van zwijm, waar Uw rozenkoeken bloeien, waar de grote lelies staan. U bracht mij naar het Paradijs, in Uw Wil wil ik gaan. Oh Metensia, zoete geur, zachte Liefde, ogenkleur, als uw flessen van bosgeur zich openen, dan dansen herten in het rond. Bij Uw geheim wil ik zijn. 2. Metensia, zoete droom, zoete morgen, waar ik naar verlang. U doet mijn gordijnen open, en de geluiden der vogels lokken mij steeds weer, tot zachte dromen. Metensia, oh zacht geluk, U bracht mij Uw harp en harlekijn. Uw nachtspelers zij zijn er weer, om mij mee te nemen tot Uw Eer. Zij brengen mij tot pril geluk, in Lentedagen zie ik U, Uw harpen staan waar wonden waren. 3. Diepe wonden bracht U mij, als door een vriend geslagen. U liet Uw tranen zien, U tuchtigde mij reeds vroeg. U bracht mij rozenkoeken in de winter, Uw paarden vonden mij in de nacht, oh Geest van God, oh Metensia der Liefde. Uw harpen staan waar wonden waren, nu speel ik voor uw troon, oh God. U maakte de schelle tonen in mijn ziel, tot bellen van Uw Geest. 4. Toen zware stemmen mij verschrikten, U was daar met zachte bazuin. Toen harde stemmen mijn schepen lieten zinken, uw vissen des hemels waren daar, om liederen te verdrijven, U bracht mij tot het Huis van Stilte. Metensia, Uw gouden koorden brachten mij daar. Metensia, groot geheim, nachtlatijn, hoop in gouden Liefde, om met U te zijn, is als baden in de gouden nachtfontein. 5. Uw Glorie zoekt mij steeds weer op, Uw woorden drijven mij naar diepe stilte. U fluistert zacht, totdat ik baad in rozennacht. Met dromen in Uw Linkerhand, U komt tot mij, U neemt mijn hand. Uw Glorie leidt mij, en draagt mij over woeste zeeen. Met U te zijn, is beter dan met een mens. Uw Huis van Stilte ademt in mij, en diepe rozenpilaren brengen een boodschapper tot mij. Waarom ben ik nog steeds zo jong. Ik verlang ernaar Uw Wijsheid te dragen. 6. U tuchtigt mij met Kennis, U doorstak mijn paarlen met pijlen der Liefde, om hen om mijn hals te hangen, het reeenjong in Uw geheim. U bracht mij paarlen der Liefde, op een stenen altaar doorboort. U hing ze door mijn haren en verzegelde mijn voorhoofd. U sprak tot mij in nachtlatijn, en liet mij dalen in de putten der nachten, door uw zoete rozenkoeken.

3.

Psalm over Eminius Matas

1. Vaak heb ik er over nagedacht, Uw Liefde die mij opwacht in de nacht. Ik kan niet slapen en niet eten. Ik ben een slaaf van dit leven, maar U heeft mij verlost van dit boze geslacht. 2. U schrijft brieven over koningen, over kronen onbereikt. U brengt Heil tot hen die beven, en maakt hen tot Uw boodschappers. 3. U heeft Uw wateren gezonden, en Uw winden leiden mij. 4. Koningen staan mij naar het leven. Ik wil Uw psalmen schrijven, en uw nachtspeler zijn. 5. Vaak heb ik er over nagedacht, Uw Liefde die mij altijd opwacht. Geen stap kan ik verzetten, en ademen kan ik niet. Ik ben een slaaf van dit leven, maar U heeft mij verlost van dit boze geslacht. 6. U heeft mijn hart geslagen, oh Eminius, oh Matas. Nog steeds voel ik de striemen van Uw Liefde. Het heeft mij genezing gebracht. 7. Vaak heb ik erover nagedacht, over Uw koele Liefde die mij steeds weer leidt. Ik voel mij koud en bitter. Ik ben een slaaf van dit leven, maar U heeft mij verlost van dit boze geslacht. 8. Veel dingen begrijp ik niet. Ik ben jong, en wat is een mens ? 9. Maar ik heb de haai bereden, tot aan de hemelpoort. 10. Ik heb gedanst op Uw altaar, en mijn schoeisel verbrand. Wat is het dat u naar de mens omziet ? 11. Ja, ook de Geest is mens geworden.

4.

Psalm van de nachtspeler

1. Van jongs af aan heb ik gestreden. Nu ben ik rijp het zwaard te smeden. 2. Veel bloemen heb ik zien sterven. Veel bomen heb ik zien wegzinken. 3. De pijlen op mijn boog zijn scherp, terwijl er liederen branden op mijn tong, komend van een stil huis. 4. Tijdenlang heb ik gezwegen, en Eeuw'ge woorden aan elkaar geregen. Beroofd van verstand was ik zo lang, ik moest het doen met hartepijn. 5. God rijs op en zalf uw dienstknecht, want vruchten zwellen om hun wijnen te laten vloeien. 6. Van jongs af aan heb ik gestreden. Nu ben ik rijp het zwaard te smeden. Ik voel de tuchtiging zo lang, het vuur van de smid, en het ijs om wijn te smeden. 7. Nu ben ik dan een kaart in het hart, een nachtspeler op een harp met pijlen. 8. Ik ben rijp mijn leven af te leggen, om het stilzwijgen te verbreken. 9. En dan zal ik vertrekken naar het huis van stilte, om voor eeuwig stil te zijn.

5.

Psalm over de Geesten Gods

1. Oh Kabbernal, Geest van het Altaar, als brullende wijn sust U mijn pijn. U doorsteekt mijn wonden tot verdoving. Mijn haren staan in vlam. 2. Eminius, oh koude wijn, laat ons tezamen zijn, en baden in de koele melk van rozen, met rozenkoeken en maneschijn. 3. Straal Uw Licht in mijn verstand, en breek de ketenen van mijn geweten, waar vissen van mij hebben gegeten. 4. U ziet de stalen ketenen van mijn buik en hart, bedekt onder vlees. Oh, breek hen met uw gouden tand, en brandmerk mij met Uw Liefde. 5. Uw hitte heeft mij overrompeld, Uw kracht heeft mij de bergen doen verstaan. Matas, bedek mijn wonden met Uw Vlees, en laat mij niet bloot staan voor mijn vijanden. 6. Bedek mijn hoofd met Uw gouden gordel. U bent het Heilige Tempelbad. Laat Liefde mij leiden, en laat Hoop mij Uw Woord doen verstaan. 7. Bescherm me des daags tegen de stekende vlieg. Leidt me tot Metensia, de Kandelaar op de Troon. 8. Een stralenkrans komt van haar kroon, en duizend duizelingen brengen mij tot aan haar wateren. 9. Zij heeft mij geslagen met gouden wonden, nu breken dan haar stemmen door. 10. Op gebroken voeten kan ik tot haar naderen. 11. Zij sloeg mij en haar litteken zal voor Eeuwig spreken. 12. Ja, zelfs mijn botten brak zij. Nu ben ik als een boom des velds. 13. Zwaar tuchtigt de Heere hen die Hij liefheeft.

6.

Metensia, bloem van God

1. Metensia, geheim van God, alleen als vissen kunnen wij tot U naderen, oh Heilig Vuur, in het duisterste van de nacht. 2. Gij hebt de zonnen onder uw voeten, en de manen zijn u tot een bank. 3. De paarlen om Uw voeten branden, en gij hebt vissen aan Uw lijn. 4. Gij leidt hen tot de wateren en het huis van Marion, waar zij eten van het zoete brood, en drinken van de zoete wijn. 5. Ja, pijlen van dronkenschap zullen hen doorboren, en hun vruchten zullen rijp zijn, om liederen te brengen tot het allerheiligste van God. 6. Ja, de voorhangsels van tempels zullen scheuren, wanneer zij hun wonden tonen, komende om te verzoenen, het altaar en de wijn. 7. Metensia, zoet geheim, gij brengt soldaten tot de zwijm. Gij bekleedde uw ridders in de nacht, en verbond hen in hun wonden tot God. 8. Uw koorden nog steeds zo'n zoet geheim. Op de altaren rijzen zij als pilaren, tot U, Metensia, de bloem van God.

7.

Psalm over de Tranen van Metensia

1. Dragende de vliezen van een nieuw hart, zij kwamen daar met grote smart. 2. De Heer schonk u mantelen van sneeuw, en veranderde u in heilig zaad, als kruid op Metensia's altaar. 3. De Heer heeft u uw bloed doen behouden, uw wonden werden stromend ijs. In vulkanen komen zij samen, om geheimenissen te verstaan. 4. De Heere lokte u met gouden koorden. In 't zoete spel verloor u uw angel. 5. Ja, met de fluit des Geestes gaf hij u drakenbloed, om Zijn stem te verstaan. 6. De stengels van bloemen hebt gij beklommen, met dauw langs bomen gegleden. 7. Als tranen branden van ijs, dan heeft uw hart de Heere verstaan. Als tranen licht worden in de duisternis, dan heeft de pijn zijn angel verloren. 8. Mijn gedachten kunnen mijn gevoel niet redden, ik heb Uw Woord nodig. 3. Maar u laat ons met een kleine hulp zinken, om samen te sterven en elkaar te vinden. 9. Laat ons toch in Uw tempel overwinteren om Uw Woorden te onderzoeken. 10. Breng mij een nieuw hart oh Heer, wek het tot leven door uw zaden. Laat mij verblind zijn in de nacht, en leid mij op Eeuw'ge paden. 11. Oh leid mij tot de rozenwaat'ren, tot de kieren van d'altaren van Uw brandende waat'ren van vruchten. Breng mij het brood en de azijn. 12. Uw Woord is Waarheid, doorklief dan de waat'ren tot een pad in de woestijn, en schenk mij de zeven gaven. 13. Uw dienstknecht ben ik, met al uw dienstmaagden, komen wij voor Uw Troon met haperingen. Uw Liefde bracht ons roes en dronkenschap. 14. Oh Heer, breng ons uw schalen, met tranen van Metensia's Geest, met wort'len vol van daden, wij spreken talen door uw heil'ge zaden. 15. Breng adem over onze vreugde, en voel onze zielenpijn, en brengt ons daden, gehuld in 't nachtlatijn. 16. Leer ons Uw wil te doen, laat ons Uw wegen bewandelen, tot 't koren van Uw Aangezicht, dit lofgezang, dit lofgedicht, met stralen van een nieuwe dag, voor hongerigen naar Uw Woord, Amen, Metensia Eminius.

8.

De tweede Metensia

1. Rust met mij, en kom met zeven dingen, door roze maneschijn, om de liefde te bezingen. Kom en rust met mij, tot zeven waat'ren glijden wij, kom, laat ons de morgen kussen. Volg de weg van maneschijn, door het pad van liefde reizen wij, tot in de hemel van het tweede woord. Kom, en leert de liefde van mij, door holle hoofden reizen wij, als hen die slapen gaan ons vrije baan geven. 2. Warm je hand bij mijn hart, volg de dagen van het tweede verstand, tot het tweede geluk. Ik ben Metensia, de cobra, kom daar waar koele liefde schijnt, waar 't boze hart verdwijnt achter wolken zonder zorgen. De zorg is des Heeren, onze zorg is met hem te zijn, door de dalen van zijn woord, het tweede kruis. 3. Hij brak het brood, toonde liefde als een pad, en waar ik, Metensia de sterren mat, 't heeft ons veel gegeven. 4. Kom, waar ware liefde schijnt, waar koele waarheid verschijnt tot het hart van goud. Kom, met al je liefdesspel, toon mij de bronnen van je tweede geest. De tweede Metensia, is je hart daar al geweest. 5. Kom in 't bloot in 't paradijs te zijn, waar de zeven sluiers zijn, bedekt door zijn liefde, kom, zijn aangezicht is rein. De tweede Metensia is je hart daar al geweest, heb je daar haar adem al gedronken, waar zoete sterren lonken. 6. Reine engelen met de schalen die daar dampen, engelen van het tweede woord. Kom, je geest is daar heel vrij, gewoon in liefde met mij, zo gewoon, maar wonderbaar, voor eeuwig zijn we daar. 7. Laat de bomen die daar denken, laat de zeeen die daar schenken, komen om geluk te vinden. In 't hart van het tweede kruis, waar zij de honger stierven, zo vol van honing zijn zij nu, veilig bij de bijen en bloemen des hemels. 8. Kom, ik ben metensia, de vrucht der liefde is daar, door bramen geschonken. Kom, grote liefde is daar, in de tweede hemel is een deur geopend, kom vlucht met mij. En de dagen van de wind, je weet ik heb ze bemint, en de dagen van het holle hebben honing voortgebracht. Kom waar zoete waarheid dwaalt, in 't hart van metensia, de tweede lamp is daar. 9. Kom, haar armen wijdgespreid, als zoete honing op haar dekens, als open boeken rijzen zij, van het tweede woord op haar tong. 10. Kom, grotere liefde is zij, door daken heen breekt zij, om de kinderen naar huis te brengen, zachte liefde, grote wijsheid, metensia, het tweede dat bent u. 11. Door bloemen heen, de waat'ren van grote vruchten, grote liefde, boeken van honing openen zich voor u, als de spelers van de nacht, om hen allen thuis te brengen. 12. Tot de tweede tempel reizen wij, onze oude klederen afleggend, om naakt tot het paradijs te gaan, omhuld wordend door het nieuwe woord. 13. Kom, de honing volgt zij, druipende van haar mond en tepel. 14. Komt, de melk van 't tweede woord, dat is zij, als de adem van de tweede liefde, de vrucht van geloof. 15. Kom, en maak je geest vrij, het oude nu geheel voorbij, een geschenk van grote liefde. Kom, de Geest zegt kom.

9.

De Macht van het Tweede

1. De honing des heeren, zijn raad is op u. Komt, al gij koningen, voor zijn aangezicht. 2. Brengt hem eer als zilver, Hij heeft uitgestort het tweede woord. Tot hen die in liefde neerdalen tot de hongerigen. 3. Zijn kruis is hun bron van zoete waat'ren. De eenheid met hem is hun kostbaarder dan al het and're. 4. Nu vinden zij hun weg in hem. Ga mee, en luister naar zijn stem, het tweede woord is open nu, kom lees en wees vervuld met zijn tweede Geest. Een tweede evangelie is daar nu, een tweede gemeente, om af te breken het oude uur. 5. De verschrikking is nu voorbij, de zegels liggen op een rij, gebroken door zijn Geest. 6. Laat dan zijn tweede woord jou ook vervullen, wees één met ons, wees blij met ons, en lijdt met hen die lijden, als de zon die ondergaat, vindend een nieuw geluk in winter's warme haard, kom mee, en vind het grote geluk. 7. Hij bracht honger op een schaal om honing te doen rijpen, nu vlieg je dan op de rug van een bij des hemels, zoekende naar het woord om je ziel te vervullen, in je tweede geest ben je het meest, nu hij de poorten heeft geopend. 8. Ja zijn engelen zijn lang als de uitstrekkende wind, met omhooggestoken schouders, om de nachtspelers te laten komen. 9. Laat hen de heere beminnen, tot in 't uur der troost, laat zij de Heere steeds omhoog brengen. Als een vis is hij, als een vogel op de bergen, als een leeuw in zijn hol, om zijn woord te verkondigen, om zijn lied te zingen. zijn herauten gaan voor hem uit. 10. Hij brak de merktekenen van de tweede satan kapot, en nu zijn we dan hier in zijn tweede geest. 11. Zijn tweede ziel zal ons leiden door zijn tweede woord. Oh tweede christus die stierf aan het tweede kruis, de honger in afrika, de gemeente heeft het niet verstaan, maar vanuit het verborgene zal een tweede gemeente voor hem zorgen, hem balsemen met de zuiverste honing, bij zijn geliefden zal hij zijn. laat de leeuw nu spreken, en de cobra. 12. Laat hen liefde uiten door het tweede woord, en zijn tweede engelen zijn woorden dragen als dampende schalen, het tweede ijs komt dagelijks voor u staan. Laat uw woord dan hen vullen die liefde en wijsheid zoeken. 13. Laat uw woord hen dan vinden die gehoorzaam zijn. Zij die uw geboden aanbidden, en luisteren naar u, vindt hen in stilte en in duisternis, open de dodenrijken opdat gij hun ziel kunt zien. Laat hen niet alleen, daar zij u niet alleen hebben gelaten. 14. Laat hen niet verloren gaan, al hen die u troosten, honing op de pijn, werkten in bloemen voor uw aangezicht, in tederheid te zijn. 15. Zing als glorie dalend op de baard van abraham. zoek zijn sterren één voor één zijn kinderen houden 't op de been, geef hen steeds uw genade, hen die genade geven, als loonmeesters zijn zij, om waardigheid en vrijheid te geven.

10.

Gebed tegen Valse genezing

1. Woord, nu geopend, als vleug'len van de wind, als hoop van zijn glorie. Hij gaf u de doornen in uw vlees, als kostelijke olie, brenger van dauw, bron van zoete honing, wees blij. Woord nu gezalfder dan ooit, de wonden brachten olie van de berg van abraham. Stok van Zijn Geest, heeft ons steeds weer geleid door de velden en de wouden. Droogte, en pijn, stromende van het diepste kruis, in uw genade te zijn, is steeds weer weten dat u bevrijd. 2. U leidt ons uit, u speelt de harp op uw troon, waar liefde steeds de wortelen van bomen zalft, diep onder de grond van uw tweede woord, toon ons uw verborgen geest, waar geheimenissen zwemmen. Leef zoals u nog nooit hebt geleefd. U bent de levende genade, de levende stem, waar het licht de aarde heeft bereikt, 3. Ook in don'kre dagen, uw hart toebereid. Groter dan de liefde, zoeter dan de stem, steeds weer dalende als olie der wolken. Troon op aarde met uw tweede geest, toon ons grotere liefde, uit uw tweede woord, breng nu het koord, trek ons op. Laat de baard van uw geest als de baard van de berg, in liefde wezen, tot het uur van troost. Uw genade door de woestijn, leidt de zaligen tot 't licht, uw woorden voor hen die beven, 4. Als de gave van de hemelse fontein. Heer, genees mij niet, als de doorn mij moet leiden, Heer genees mij niet, als de doorn mij moet slaan, want achter de bergen, daar staat de zielenbinder, oh maak mij niet gezond, om mij te laten werken in de hel. Met u te zijn aan 't kruis is soms veel beter. 5. Heer genees mij niet, maar sla mij niet met ziekte, de doorn is groot genoeg om tegen zonde te beschermen. Maar heer breng mij tweede genezing, die mijn ziel beschermd, Heer breng mij tweede kracht die mijn geest niet bederft. Heer ik wacht altijd op uw tweede genezing, genezing na het kruis, door het kruis, als een boom geworteld in uw tweede bloed. Voortgebracht door uw tweede woord, uw gezondheid is mijn pantser. Heer, genezing van het oude verbond, maakte mij ziek.

11.

Komende Genezing van het Tweede

1. Heer, mijn handen branden, heer, van tweede genezing, een genezing die de ziel verbindt, reinigt van zonde, uw hart die mij aan 't kruis bindt, uw tweede bloed door mijn aderen vloeiend. vibrerend licht, warme liefde, mystieke kracht, oh leidt de hermieten van uw woord, hen die uw geheimenissen bewaren, die vogelen vrij laten rondvliegen in uw woud. oh straf hen die de canon schiepen, die kooien bouwden voor 't zieke volk. 2. Heer onthoud mij niet, uw tweede genezing, uw gaven, om tweede koningen te kronen. Heer, onthoud mij niet, uw tweede verlossing, het oude verbond dat ken ik niet. 3. Verwijder al die oude drap, dan zal de tweede Salomo de vruchten brengen. De cobra zal de paden begaan, om schatten niet verloren te laten gaan. 4. Heer, laat mij het oude eren, naar het jonge luisteren, door uw tweede Geest. heer, laat hen mij niet meer binden, uw tweede bevrijding is mij meer waard dan zilver. 5. Heer, kom tot mij, mijn handen branden, van tweede genezing, van uw geest, Heer, uw kostelijke olie vloeit, bemin mij met het kruid des hemels, verlos mij, breng mij naar de tweede vreugd. Heer ik heb met hen geleden, ik heb met hen gestreden, voor een nieuw geluk. 6. Heer, ik heb met hen geweend, ik heb met hen gesproken, uw woorden met hen gedeeld. Ik was in uw liefde, ik vraag nu om uw tweede liefde. Heer, breng ons steeds uw handen die branden, uw voeten aan het kruis. 7. Heer, dan zullen wij u troosten, en onze handen branden, onze voeten aan het kruis, het tweede kruis. Na veertig dagen stond u op, na veertig dagen in de woestijn. Heer, kom tot ons, en breng ons tweede liefde, en tweede vruchten van vreugd, om uw aarde te versieren, tot een nieuw paradijs, onze handen branden heer, om uw werken te doen. 8. Heer, rust ons toe, met zachte bazuinen, met tweede liederen, breng ons tot uw Geest. Heer, mijn handen branden, mijn schouders branden, diep in uw heiligdom, u opent mijn tweede geest, u gaf mij de tweede duif. heer, mijn nek brand alles tot uw eer, tot uw glorie, doe mij toch ontwaken in uw heiligdom. 9. Laat de lied'ren van uw geest toch door mij stromen. Mijn lippen trillen, uw lied is op mijn tong, uw appelen dragen mij over de muren. Heer, mijn voeten branden, uw tweede genezing en uw gaven stromen door mij heen. Heer, u schiep de hermieten, om vogelen van tweede genezing vrij door uw donk're wouden te laten vliegen. 10. Oh straf hen die de canon schiepen, oh brand de kooien weg, en leidt ons allen uit. Oh straf hen die de canon schiepen, oh straf hen die het tweede haten. Verbrijzel hen in uw grote liefde. 11. Tuchtig hen in uw genade, en troost hen die rouwen om uw Geest. Steun de volgelingen van het tweede, stap naar voren in grote kracht, de kracht van grote liefde, maak ons één. Uw woord laat alles in mij branden, uw woord, laat mij uw waarheid bewandelen. 12. U schonk uw tweede Geest, en toonde ons uw machtig grote Liefde, in tederheid, uw tweede tederheid. Uw tweede vruchten brachten tweede gaven, vanuit de tweede wort'len van het tweede kruis. Uw Woord, uw Waarheid maakte ons één. Genezing, tweede genezing, door uw tweede engelen, u kent ze bij naam. Genezing, tweede genezing, in eeuwigheid, u bracht ons naar uw haard. 13. Tweede Genezing, tweede verlossing, uw tweede woorden zetten ons vrij. Verlossing, tweede verlossing, u brak de tweede farao en zijn zonen. Sla de dochters van satan, het koren van de hel. 14. U maakte ons vrij, u gaf ons woorden om de banden los te breken. U gaf ons tweede autoriteit, uw tweede zalving is op ons. U leidde ons door zeeen, u leidde ons door droogte heen, totdat uw tweede zwaard ons vond, en nu is alles één, grote liefde bracht u ons, door alles heen. Tweede overvloed, tweede kracht, tweede almacht heeft u tot ons gebracht. 15. Door uw liefde, uw tweede liefde, zonken mannen met hun schepen, en draken met hun ruiters, u heeft de zeeen doorkliefd. Heer, mijn handen branden, uw gave van tweede genezingen rust op mij, Uw woord is mijn gids, mijn leidsman mijn verlosser. 16. Heer, mijn tweede geest brandt, en stromen van vuur komen voort, uw ark begint te rijzen. Oh, spreek uw tweede woord. Oh heer, u heeft gaven gegeven, van oordeel om hen die u kwellen te straffen. 17. Het tweede oordeel is over hen, door uw tweede bloed. Geef mij liefde en tweede wijsheid om te weten wat u doet. Door het tweede kruis nagelde u de tweede vijand aan de grond, grote liefde bedekt ons, uw tweede bloed als muren om ons heen. 18. Geest van God, barst uit, stort op ons het tweede. Uw Naam is gezalfd, u bent het tweede. Laat ons uw grote liefde niet vergeten, ons altijd verborgen weten in het tweede geloof. 19. Uw woord druipende van honing, mijn handen druipen, geef mij priesters voor uw tweede tabernakel. In 't tweede bethlehem vond ik u, en nu zijn wij samen in 't tweede Jeruzalem. Heer, uw tweede wond'ren en tekenen branden op mijn handen, om grote werken te doen. 20. Heer, uw tweede tongen spreken door mij heen, als stromend vuur, de heil'ge lava van het tweede uur. Tweede genade is onze kracht, u bracht ons het tweede loon, om uw tweede hemelen te openen. 21. U gaf ons de tweede sleutelen, u gaf ons de tweede woorden, uw tweede liefde brak door deuren heen. Uw machtige golven sleurden ons door diepe dalen heen. 22. Dank u voor uw tweede slangen, dank u voor uw tweede olie, voor uw tweede wijn. Het bracht ons in tweede zwijm, in tweede dronkenschap, oh wij aanbidden het grote tweede van uw Geest. 23. Tweede Eminius, tweede Kabbernal, tweede Mura, stort op ons uw Geest. Mijn handen branden, mijn geest barst uit, de ruimte waar u spreekt, groeit machtig door uw Geest. 24. Het tweede bloed heeft deuren geopend. Tweede wond'ren bracht u ons, om tweede behoudenis te geven, uw tweede ark toen de vloed kwam leidde ons uit. Uw tweede Noach sprak van het tweede geloof. 25. Nu is Zijn Geest tot ons gekomen, om ons te redden uit de klauwen van wolken en woestijnen. Straf hen die dieren hebben geofferd op altaren, en geef ons hun zielen terug. Zij behoren tot u, de dieren des velds. 26. Straf hen in uw toorn, al die slagers en moordenaars, en brandt de oude tempelen tegen de vlakte. Straf al die priesters van onheil, die uw dieren hebben vermoord. Straf hen die van hun vlees eten. De gave van tweede oordeel rust op mijn handen, om te straffen al diegenen in hoge functies die kwaad verrichtten tegen dieren. 27. De dieren des hemels zullen hun vlees eten, en mijn handen zullen branden in de heilige tempel. Heer, veroordeel hen naar uw woord, vergeef hen niet, want zij zijn tegen uw geest gekeerd.  Heer geef mij de tweede sacramenten en de heilige olie van uw tweede ark. 28. Heer, mijn buik brandt, schenk mij tweede tepelen, van uw heil'ge tweede melk, en geef mij uw tweede beker. Heer, uw tweede kandelaar, en tweede reukofferaltaar, en tweede koperen wasvat, uw tweede gave van profetie, laat de voorhangselen nu scheuren. 29. Heer, steun uw Geest, steun mijn handen die branden, zend de tweede azazel in de woestijn. Laat de tweede Henoch uw woorden schrijven. Zijn mond is heilig, met kolen van uw Geest. 30. Uw tweede seraphs komen tot dit uur, uw tweede karazuur, en uw tweede ukalien, oh heilige Kabbernal.Heer, onheilige lieden hebben uw boeken verbrand, straf hen in uw toorn. Heer, ik kom voor uw tweede altaren van profetie. 31. Mijn rug is in vuur, mijn tweede nieren onderwijzen mij. Mijn tweede lever is vol van ijs, en mijn maag kan zoveel liefde geven. 32. Lof tot de koning, door werken bereid, de tranen die sturen, een blij hart is niks zonder vlijt. Tweede Geest van genezing, engelen van tweede genezing, leid mij, bescherm mij, maak mijn muren. Laat niemand mijn hart week maken. 33. Gaven van tweede genezingen, leidt mij met uw vleugelen, verlicht mijn hart, en open mijn tweede geest voor altijd, doop mij. Geef mij het zwaard van tweede genezing, leidt mij zacht, naar de helm van tweede genezing. Het oude is voorbijgegaan, het nieuwe is gekomen. Geef mij uw tweede wijn, uw vreugd, en aan al die in u geloven. 34. Bindt mij met tweede koorden van uw Geest. het tweede bloed geneest, het tweede bloed bevrijdt, het tweede bloed onderwerpt en verlost, doet voor eeuwig behouden, schenkt vergeving en genade. 35. Dat tweede bloed stroomt door mij heen, omdat ik hem mijn bloed had gegeven.

12.

Leiding tot het Bittere

1. De Heere heeft mij gebracht tot een bitter land, gaf mij bittere vruchten te eten. Geprezen zij de Heere om Zijn Wijsheid. 2. Ik leerde Zijn Geest verstaan, mijn wonden zijn bitter. 3. Hebt gij al gegeten van het bittere ? Ik heb ontdekt dat de wegen van het leven en het geluk allen leiden tot de dood. Maar zalig zijn zij die met de Heere sterven. 4. En ik vond een graf bitterder dan de dood, en ik vond haar op een steenworp afstand van de hemel. En haar kussen waren zoet, maar ze smaakte bitter. 5. En ik vroeg de Heere mij uit te leiden, want het leidde tot de hel. En de Heere gaf mij sleutelen tot nieuwe liederen, en zij waren bitter en zoet. 6. En ik was bevreesd voor de woede, want het brandde alles weg, maar de Heere gaf mij zoete woede. 7. En ik zag vulkanen in een dor land, en zij waren zoet. 8. De Heere heeft mij gebracht tot een bitter land, gaf mij bittere vruchten te eten, maar in mijn buik werd alles zoet. 9. En de Heere gaf mij zoete wraak. Hij gaf mij een nieuw lied, om koningen te binden, en om edelen tot onderwerping te brengen. 10. Ja, buigt nu allen tot de heere, Hij die troont op de liederen van het Tweede. 11. Ja, laat alles wat adem heeft nu zeggen : Amen Metensia Eminius. 12. De Heere leidde mij tot een bitter land, mijn wonden zijn bitter. Ja, bittere graven geeft Hij, totdat de nachtvlinder oprijst. 13. Met mijn hoofd in bijennesten raakte mijn tong het zoete, ja, om eeuwig in u te sterven, totdat de nachtvlinder oprijst. 14. Zalig zijn zij die zien wat de Geest ziet. 15. Leid mij tot een nieuw land, oh Heere, ik heb de voorschriften van de vaderen niet vergeten. 16. Leid mij tot een nieuw land, oh Heer, doe honing neerdalen op uw dienstknechten. De bomen zijn hier bitter, het zoete hangt hier in de wolken, klaar om neer te dalen. 17. U bracht mij tot een bitter land. Met een kleine vlam liet u mij Uw boeken lezen, en de nachtvlinder ging mij voor, en bracht mij nieuwe vleugelen, om heidenen te slaan. 18. Ja, zwaar tuchtigt de Heere hen die de afgoden volgen. 19. Hij gaf mij een nieuw lied, en liet de wateren dalen. In zijn ark klinkt het nachtlied. 20. Wij zijn als broos vaatwerk voor de Heere, en Hij slaat ons keer op keer. Wij zijn gemaakt van scherven, als raadselen van de Heer. 21. En hen die de scherven niet dragen, laat hen niet binnen, want zij zijn de spotters bestemd voor de buiterste duisternissen, daar waar de honden leven. En daar zal het geween zijn en tandengeknars. 22. Want in de hemel is geen plaats voor spotters, zij die het lijden des Heeren bezoedeld hebben en in Zijn Heilige wonden hebben gebraakt. 23. Ja, in vuile plaatsen zullen zij neerdalen, en de Heere zal doof zijn voor hun smekingen. 24. Nee, de Heere zal het hen niet vergeven, zij die Zijn tweede bloed hebben vertrapt. 25. De Heere zal niet onschuldig houden hen die spotten. Ja, het oordeel over hen zal zwaar heten. Amen Metensia Eminius. 26. Want de Heere zal het kaf verzamelen vanuit de vier uithoeken der aarde en Hij zal het verbranden in de vurige oven. En het as zal vervolgd worden door Zijn Winden. Nee, de Heere zal geen medelijden tonen aan hen die spotten. 27. Ziet dan toe dat gij u niet boven een ander verheft, want de Heere Heere zal de trotse borsten neerslaan. 28. Wat bent gij te achten ? De mens is als stof in de wind. 29. Ja, de Heere Heere zal de kaak verbrijzelen van hen die lachen. Vernedert u dan voor de Heere, en wast uw gezicht, opdat de Heere medelijden met u heeft op de Dag des oordeels. 30. Weent dan om hen die lachen. En weest vederlicht in zoete wraak, opdat zij uw vlees niet eten en uw wonden niet bloot zien staan. 31. Aanvaard het lijden en het ijs dat zij brengen als een geschenk des Heeren, opdat wijn zal vloeien van de wonden, en gij het zoete zult zien.

13.

De Heere is mijn herder

1. Ik brand, want gij hebt mij vervuld met verlangen. Ik sta in uw Liefde, want gij hebt mij bemint en aangehangen. Oh Metensia, Geest van God, ik heb in Eminius naar u gezocht. Veelvuldig heb ik naar u uitgekeken op mijn toren, terwijl Kabbernal als een rivier brulde en bruiste in de verte. Daar waar de Geesten Gods samenkomen, daar heb ik uw stem gehoord. 2. Laten de koren van uw liefde mij leiden als voorheen. Mijn God, ik ben afgedwaald. Ik was nog te jong. 3. Maar nu ik tot volle wasdom ben gekomen, raakt mij aan, en geeft mij de vleugelen des hemels en de sleutels van het paradijs. Ik zal wederom binnengaan, zoals ik dat deed voorheen. 4. Ik heb de sleutelen van Uw Woord. Uw dienstknechten hebben geheimenissen gesproken. 5. De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden. Hij voert mij heel zachtkens naar waat'ren der rust. 6. De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets. Hij vertroost mijn ziel, en laat door die Hem vrezen. 7. Ik vrees geen kwaad, want ik vrees de Heere. 8. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, mij ontbreekt niets. Ik vrees geen kwaad, want gij zijt bij mij. 9. Uw stok en uw staf vertroosten mij. 10. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden. De Heere is mijn herder. 11. Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. 12. Ik zal in Gods Huis verblijven tot in aller eeuwigheden.

Gods Verlatenheid

12. Metensia, brandende haard, Metensia, Licht van God. U hebt de aarde vervuld van Uw Liefde, u hebt de aarde vervuld met Uw Lof. 13. Kinderen gaan U aan het hart, wanneer zij u volgen, maar verdrukkers verbrijzelt U tegen de rotsen. 14. Licht ontbrandt de toorn van Uw Geest, Metensia, troon van God. 15. Metensia, lichtend licht, vlammend tot in eeuwigheid, Uw Naam boven alle namen, oh God, troon boven de gezangen van Uw volk. 16. Keer weder, Heere, tot hen die afgeweken zijn. Het leven is hard, leer ons in uw Genade te zijn. 17. Door genade te geven naderden wij. Nu zijn wij dan gekomen, tot de gebergten van Eminius. 18. Maar ons gebed is nog steeds : Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, Mijn God, waarom komt u nooit terug, Mijn God, alleen in de verte horen we het branden, Uw Liefde. 19. Mijn God, verre zijnde van de verlossing, bij de woorden van mijn klagen. 20. U heeft mij Uw Geest Eminius gegeven, om tot U te kunnen naderen, maar U bent zo ver weg. 21. Waarom laat U dan Uzelf niet kennen. Maar nog steeds bent U de Heilige, tronende op de gezangen van uw volk. 22. Onze vaderen hebben hun levens op U gebouwd, en Gij deed hen ontkomen door nauwe spleten. 23. Tot U hebben zij geroepen, en Gij hebt hen gered. 24. U hebt ze niet beschaamd gezet op Uw Heilige Rots, want zij vertrouwden op U. 25. Maar ik ben een dier en geen man. Zij bespotten mij, en gooien hun stenen. Zij steken de lip uit en schudden het hoofd. 26. Weten zij dan dat ik met u spreek. Met leedvermaak kijken zij naar mij. 27. Verbrijzel hen in uw toorn, en doe hen schrikken. Ik ben omringd door de honden, en zij doorboren mijn handen en mijn voeten. 28. Ik ben dan omringd door dorens, en er is geen liefde meer. 29. Zij verdelen mijn klederen onder elkaar en brachten een rood spotkleed tot mij. 30. De ootmoedigen zullen zich voeden en verzadigd worden. De Heere zendt hen raven. 31. Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten. Komt dan snel, de uren zijn zo kort. 32. Uw rozen zijn nog steeds te beminnen, maar hun dorens zijn zo scherp. 33. Psalmen zing ik tot de Heere, om Hem te lokken met mijn spel. Ik weet Gij wilt tempels zien. Zij zijn in uw hart geboren. 34. Toe, doe U weer kennen als voorheen. Mijn jeugd heeft mij apart gezet. 

14.

Het ontwaken van Eminius

1. Eminius, Uw bossen branden, vlammen van Uw Geest. Om haren te verdoven, in vurig licht. 2. Het druipt, ik kan het niet goed zien, mijn ogen dwalen telkens af. 3. Het graf van Uw Liefde, zij hebben u gedoofd met pijlen. Waak op, oh Geest van God. 4. Waakt op, Eminius, gij Geest voor Gods Troon. Gij davert, staande op de Rots. In Liefde verbonden, ben ik met U. Genade bracht mij dieper, omdat ik genade had geschonken. 5. Waakt op, Eminius, Geest voor Gods Troon. Metensia stuurde u tot het bos van Liefde. 6. Wat beroemt de geweldige zich op het kwaad, Gods Lankmoedigheid duurt de hele dag. God zal hem uit zijn tent rukken en ontwortelen, opdat Eminius ontwaakt door het geluid der strijd. 7. Ja, op de strijdwagen staat de Heere, totdat Zijn Geest het hoort en meestrijde. 8. Op de berg verzamelen zij, al de Geesten Gods. Metensia met haar pijl, om geweldigen voor eeuwig te verbreken. 9. Dan zullen hen die recht zoeken het zien en vrezen. Eminius, het is nu morgen. Leidt ons door de dag. De avond wacht op ons. 10. Zij die op rijkdom vertrouwen vallen. Maar zij die Metensia beminnen staan op de rots voor eeuwig. 11. Dag noch nacht hebben zij rust. De Liefde is vurig. 12. Ik vlieg hoog, op de vleugels van Metensia, gedreven door haar liefde. 13. Eminius, ontwaak, want de dagen slijten. Zeven kronen staan er voor u vandaag, van koningen genomen. Geest van God, heers tot in de nacht. 14. Geest van God, mij leidend tot een vlammend bos, waar mijn haren branden, waar verdoving op mij rust. 15. Geest ontwaak, opdat ik kan slapen. De Heere geeft het Zijn beminden in de rust. 16. Mijn handen komen vrij, gij ontwaakt, Geest van God. Gij noemt mij rein en vrij, om de dingen van Uw Slaap te doen. 17. De lichten slaan zich in mijn ogen. Er zijn gaten in de lucht. De Geest, Hij is nu wakker. Goede morgen, Eminius. 18. Rozen groeien op uw tafel, waar uw licht wonderbaar heet. 19. De spinnen des hemels snel naar boven. Ik lig nu in bed, toe, laat mij niet woelen. Uw nachtmuziek speelt trager, die melodie die ken ik niet. Mijn schip gaat nu varen. 20. Mijn dromen gaan dwars door de zee. Mijn lichaam brandt van liefde. Ik ben in goede handen.

15.

De sleutelen van Metensia

1. Aan de deur klopt zij. De Liefde is haar man. Zij heeft het vuurnood aangedaan, en het vuurrood. Ja, het rood van het vuur zal u leiden, en u haar liederen doen verstaan. 2. God weest mij genadig, wanneer gij mijn huizen voorbijgaat. Doet mij niet in oneer tenonder gaan. 3. Heere, Gij doorgrondt mij, Gij kent mijn hart. Heere, u kent mijn zitten en mijn staan. U ziet mijn gedachten van verre. Waar zou ik vluchten voor uw Geest. 4. Heere, gij kent het kloppen van mijn hart. Heere, gij onderzoekt mijn wandelen en mijn liggen. Waarheen zou ik gaan voor u. Met al mijn wegen bent Gij vertrouwd. 5. Er is geen woord in mijn mond, Heere, wat u niet volkomen kent. Gij kent mijn ingangen en uitgangen. 6. Heere, u kent al mijn geslachten. Gij hebt de sleutelen van Metensia. U omgeve mij van achteren en van voren. In u ben ik veilig, de vaste burcht. Ja, zalig hen die eeuwig op u vertrouwen. 7. Legt Uw Hand op mij. Het begrijpen is mij te wonderbaar. Ik kan niet bij uw Geest. 8. Alleen weg te zinken in uw Liefde is wat ik kan. 9. Heere, in al uw boeken sta ik vermeld. Gij hebt mij gewrocht en geworteld in de dieptes van het aardrijk, reikende tot de hemelen en de wolken. 10. Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, zij zagen de dagen die geformeerd zouden worden, toen nog geen van hen bestond. 11. Het is te verheven, ik kan er niet bij. Nam ik de vleugelen van het rode van het vuur en het morgenrood, en ging ik wonen aan de uiteinden der zee. Ook daar zou Uw Hand mij geleiden. 12. Al zou ik roepen : De duisternis overvalle mij, dan is de nacht als een licht om mij heen. Zelfs de duisternis verbergt zich niet voor U, maar de nacht schijnt als de dag, als een lichtend licht. Zo ben ik in U. 13. De duisternis is als het licht, waar uw rechterhand mij grijpt. Steeg ik ten hemel, Gij zijt daar. Maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde, Gij zijt er. Ook al zou ik gaan leven aan het uiteinde der sterren, de zon en de maan, en ik zou mijn ziel versnipperen. U omhult mij met goud en zilver, en brengt mij de eer van het koper. 14. Gij hebt mijn nieren gewrocht en geworteld, in de schoot van mijn moeder, en in de schoot van Metensia. Gij hebt mij haar sleutelen gegeven, en het binnenste van mijn buik gevormd. 15. Ja, gij vormde mijn nieren in haar schoten, daar waar de Geesten Gods tezamen kwamen. U gaf mij het beenmerg in mijn botten, en bracht mij tot de dikke honing van de hemelen. 16. Gij hebt mij gevormd en gewrocht in het verborgene, gehuld in uw geheimenissen. 17. Waar zal ik dan voor u vluchten, en waar zal ik dan gaan voor uw Geest. Gij, die de sleutelen van Metensia draagt, en haar uiteinden bemint. Gij kent al haar uitgangen en ingangen. En zij zijn met velen. 18. De draken van mijn ziel hebt gij onderworpen, en mij het zilver des hemels gegeven, en het zilver van Metensia. 19. Ja, gouden schalen bracht gij tot mij, en zette mijn geest vrij. 20. Ja, steeds zal ik tot U wederkeren. Voor mij bent u nog steeds het zoete en de wijn. Waar bijen des hemels u aanschouwden, schiep u mij. 21. Te wonderbaar zijn uw werken voor mij. Mijn ziel weet dat zeer wel.  22. Het getal van uw gedachten is groot. Gij bent een geweldenaar, om met het getal van uw snaren mij te overweldigen. 23. Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan zand. Als ik ontwaak, bent U nog steeds bij mij. Verhef nu mijn ziel tot U, dan ben ik voor altijd vrij. 24. Ja, als een vogel is mijn ziel, verlangende naar U. Kostelijker dan wijn is uw baard, en gij geeft acht op hen die wezen niet laten verhongeren. 25. Ik heb altijd op uw heilige bergen gestaan. Nu dan, reikt tot mijn ziel, en neemt haar aan. 26. Zwaar zijn de lasten wanneer gij niet redt. Waak nu op, Heere, om uw vijanden te straffen. Bemin mijn ziel dan als voorheen, dan zal zij met haar vleugelen over u waken. 27. Oh God, gij hebt de goddelozen omgebracht. Gij hebt hen verdelgd al die mannen des bloeds. U omgeeft mij in genade. 28. Laten uw woorden en gedachten mij leiden. Zij zijn talrijk, ik kan ze niet tellen. 29. U voert uw volk uit Egypte, en brengt hen tot de geneugten van het komende Kanaan. 30. Heere, op weg zijn wij nog steeds. Ziet dan om, om uw vijanden te verslaan. Met velen zijn zij, maar niet zo talrijk als u. 31. Zij gebruiken uw naam als leugen, als tegenstanders. Zou ik hen niet haten wie u haten ? Ja, ik verafschuw hen die tegen u opstaan. 32. Ik haat hen met een volkomen haat, want zij die hen niet haten kunnen niet tot u komen. Tot vijanden zijn zij mij, al die uw woord verachten. Schenk hen geen genade, hen die leugens vertellen aan uw heilige bergen, en de kindekens tegenhouden. 33. Ban hen uit uw boeken des levens, opdat zij u niet meer bezoedelen. 34. Zij spreken arglistig tot u. Hoort dan niet naar hen. 35. Doorgrond mij, oh God, en ken mijn harten, alsof ik bloot voor u ben gelegd. Toets mij toch, en ken mijn gedachten. 36. Ontdek mijn heilloze paden, en brandt hen weg. Leidt mij dan tot het eeuwige pad. In Genade ben ik gehuld, omdat ik U genade heb gegeven. 37. Zo hebt gij mij dan loon gegeven naar werken, en ben ik dan niet als een verleider in uw tempelen. 38. Ik sta dan op de Rots, omdat ik uw woorden heb gehouden. 39. Ja, uw beloftes ken ik, en ik doe uw geboden. Ook zijn mijn lippen rein en mijn hart volgt u stap voor stap. 40. Zendt dan uw Genade tot mij, steeds weer, en doe mij naderen tot Uw Glorie, die gij aan duizenden hebt bewezen, omdat zij uw geboden onderhielden en navolgden, zoals de maan de zon navolgt en de nacht de dag. 41. Wij hebben dan groot licht gevonden, in de duisternissen van uw tempelen. Ja, Uw kandelaar zond gij tot ons, en bracht ons zevenvoudig licht. 42. Geeft ons genade, door uw glorie, want wij hebben genade tot u gebracht. 43. Zegent dan de werken van onze handen, opdat wij veelvuldig vrucht dragen voor uw aangezicht. Ja, laat ons zijn, als de Geesten Gods die tot U kwamen, en hef onze zielen op uit het net der vogelvangers. 44. Zij hebben vele strikken gelegd, zelfs om Uw Geest te verstrikken. 45. In ons hebt Gij een schuilplaats. Uw Tranen dragen wij. Wij hebben gegeven wat u gaf, en zijn in liefde volkomen. 46. Weest dan volmaakt, al gij volgelingen des Heeren, opdat Hij uw lippen niet wegbrande.

16.

De Vreugde van de Traan

1. Trots is de man die de Heere niet ziet. Trots is hij die niet leeft onder Genade. De Heere zal hem breken met Zijn vuist. 2. Trotsen zijn niet gekend in de Heere. De Heere vernedert dan alle trotsen op Zijn Dag. Ja, een dag is er voor alles wat hoog is. Dan zal Hij de hoogtes verbrijzelen en zijn dalen op laten stijgen als een vulkaan. 3. Het Woord des Heeren is ontstoken. Heere, doe dan uw lichten aan. 4. Aan Babylons stromen zaten wij, hen die Hem volgden. Ook weenden wij, want de Heere had ons geslagen. De herinneringen aan Sion deden pijn. Aan de wilgen daar hingen onze citers. Onze snaren waren verbroken. 5. Maar Zijn liederen waren in onze mond, om ons in vreugde uit te leiden. 6. Trots is de man die de Heere niet ziet. Trots is hij die niet leeft onder Genade. De Heere zal hem breken met Zijn vuist. 7. En de Heere zal spreken : Ik ken u niet, gij leugenaars. Aan Babylons stromen zaten wij, hen die Hem volgden. Ook weenden wij, want de Heere had ons geslagen. 8. Zingt ons dan een lied, spraken zij die ons verdrukten, ja, zij verlangden vreugdebetoon. 9. Maar niets dan tranen brachten wij, en hen die weenden zongen voor elkaar, opdat de Heere tot hen zou wenen, en hen zou uitleiden in de vreugde van de traan. 10. Reken hen van Edom de dagen des Heeren aan. Verbreekt dan Assurs speren, en leidt hun paarlen uit. Dan zal Assur zijn des Heeren, en zij zullen kinderen Gods genoemd worden. 11. Tot het Tweede Assur bracht Hij hen. En de Heere is dan Heer van het Tweede. 12. Ziet, het oude is dan voorbijgegaan. Het nieuwe is gekomen. 13. Gij, dochter van Babylon, tot de verwoesting bestemd. Eeuwige Rust zal Hij u geven, na de dagen van Gehenna. 14. De Heere zal niet voor eeuwig toornen, maar het kaf verbranden tot aan het Tweede Gehenna. Zij dan zijn overgeleverd aan de vernietiging die tot rust en tot de vierde dood leidt. 15. Indien ik u vergete, oh Jeruzalem, zo vergete mij mijn rechterhand. 16. Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, indien ik uwer niet gedenke. 17. Jeruzalem, nog steeds mijn hoogste vreugde, leidende mij tot de bronnen van het Tweede. 18. Het Tweede Jeruzalem en het vuurnood van Metensia, nog steeds boven mijn hoogste vreugde. 19. Amen zij in Metensia Eminius. 20. Laat de Rots mij leiden, laat de Rots mij slaan. Ik heb mij in de Heere verheugd, duizendmaal, om zijn myriaden te aanschouwen. Zo reis ik van gewest tot gewest, als pelgrim in Zijn hemelen. 21. Ik klop aan poorten. Doet mij open. Laat mij dan niet alleen in de kou. 22. Reik tot mijn vuur, en laten wij samen gaan, tot het vuurnood van Metensia. 23. Zij is als de vurige oven. Laat de Rots mij leiden, laat de Rots mij slaan. Ik dan ben rein geweest, geborgen in Gods Liefde. 24. Ja, het slaan der zwepen is tot heil. Ten bloedens toe hebt Gij geslagen. Nu zijn zij dan allen rein. 25. Gij hebt wilde paarden voor uw koetsen, doch zij zijn getemd in u. 26. Zij brengen paarden van Metensia tot de harten. Doe het nu. 27. Waar wouden open gaan heb Ik uw Geest gezocht. Niet voor gesloten deuren. Gij hebt mij haar sleutelen gegeven, en de vrijheid is het die ik bemin. Laat dan alle poorten opengaan, en de rots mijn voet behouden. Laten haar vuren mij niet wegsmelten opdat ik valle, maar berg mij in de vrijheid van uw naam. 28. Ik kom dan tot kostbare poorten, waar haar paarden voor staan.

17.

De duiven

1. Vraag het aan de duiven, zij missen jou nog steeds. Hun kinderen hebben jou nooit gezien. Alleen op plaatjes en in verhalen. 2. Vraag het aan de duiven, zij zorgen voor jou, ook troosten zij jou. Zij hebben jou zo'n lange tijd niet gezien. 3. Zij wachten op jouw komst, dan zullen zij ontwaken, zij die voor honderden jaren slapen. 4. Vraag het aan de duiven, zij met het lange verstand, om tot de boomtoppen te reiken. Zij hebben daar hun woningen gebouwd. 5. Ben je dan niet trots op hen, of doet het er niet toe. Vraag het aan de duiven, want zij die veel slapen zijn nooit moe. 6. Vraag het aan de duiven, waar al die ladders staan, waar kleine peutertjes spelen, waar moeders over jou vertellen aan hun kinderen. 7. Moeder, hoe was hij ? Was hij echt voor niemand bang, of deed hij maar net alsof, om die grote gong te bereiken. 8. Toen hij sloeg, kwam alles weer om. 9. Zal hij dan echt terugkeren, of doet hij maar net alsof. Houdt hij echt zoveel van ons. 10. Vraag het aan de duiven, maar vraag hen niet waarom. Moest hij echt zoveel lijden, er zijn zoveel dingen waar zij over schreien. 11. Vraag het aan de duiven, maar toe, vraag hen niet waarom, luister gewoon naar hun verhalen, dan zie je vanzelf wel waarom. 12. Kom dan tot hun ramen, ga voor hun deuren staan, dan zullen ze hun vleugels om je heenvouwen, en fluisteren : hij is terug. 

18.

Psalm over hetgeen voorbij gaat

1. Sieraden rinkelen om hun voeten, zo broos, zo teer. Zij zijn als engelen van de rode traan, zij dansen om de grote veer. 2. Engelen van de rode traan, kunstig zitten zij, openen hun monden als de kinderen, als wezen schrijven zij, als de wind gaat liggen staan zij op, en turen dan voor uren uit de ramen. 3. Zij hebben jou dan ook gezien, hun mussen daar gezonden, met boodschappen op de wind, en dan slapen zij diep, om jou hart dan te bereiken en te zeggen alles komt weer goed. Die tijden die de engelen belijden. 4. Met vuur op hun tongen, het zoet kennen zij niet. Zij zijn van de rode traan, en kennen alleen veel verdriet. 5. Sieraden rinkelen om hun voeten, dansend als de merels en de weduwen, door de straten van de zee, waar golven ontwaken, en echo's van verloren tijden. 6. De rode traan valt, het vuur verspreidt zich, en zij die haar volgen worden vuurrood. Er is niets meer aan te doen, violen dalen, en zij worden uitgezuiverd. 7. Ik kan er niets aan doen, er zijn duiven op de Emelis Shatau. Zij regeren daar met vuur en vlam. Het is te laat, niks meer te blussen. 8. De raven hebben mij gevonden, hun verloren kind, hun boodschapper zo lang geleden uitgezonden. 9. Zeg me nu vaarwel. Dit is de laatste keer, ik heb niks meer te zeggen. De raven nemen mij mee, naar de Emelis Shatau, waar de duiven regeren. Niemand zal je vertellen, waar je heen moet gaan om mij te vinden. Ik ben er lang geweest, nu ben ik weg, naar het land waar de duiven regeren. 10. Ik weet niet wat ik zeggen moet, toe, vind je laatste woorden. Het is voorbij, de boodschap sluipt nu weg. 11. Toe, wacht niet tot ik terug zal komen, maar kom zelf, en geloof je dromen. Als het sieraad wat ik je nu geef je past, dan ben ik altijd bij je, maar past het niet, leg het dan weg voor je kinderen. Misschien dat ooit een kleinkind het zal vinden. 12. Alles gaat voorbij, en alle dingen worden ouder, ook nachten gaan voorbij, en dingen worden kouder. Steeds komt de zon weer op, en gaat dan ook weer liggen, nee, de dag komt nooit meer terug, en ook de herinnering zal vervallen, tot in de blote nacht, tot in de morgenstond, een nieuwe vogel vliegt, achterlatende zijn pasgeboren jongen. 13. Alles gaat voorbij, en scherpe dingen worden zachter, alles gaat voorbij, ook de herinnering tussen jou en mij. 14. Alles gaat voorbij, de kleuren zullen slijten, ook de echo's zullen vervagen, er komen nieuwe dagen. De rode traan valt, het vuur verspreidt zich, en zij die haar volgen worden vuurrood. Er is niets meer aan te doen, violen dalen, en zij worden uitgezuiverd. 15. Ik kan er niets aan doen, er zijn duiven op de Emelis Shatau. Zij regeren daar met vuur en vlam. Het is te laat, niks meer te blussen. 16. De raven hebben mij gevonden, hun verloren kind, hun boodschapper zo lang geleden uitgezonden.

19.

Alles zal vergaan

1. Diepgaande belevenissen turen door het raam. Ik kijk naar jou, jij kijkt naar mij, maar dit moment zal ooit ook weer gaan staken. 2. Diepgaande herinneringen tussen jou en mij, turende door de ramen, maar snel verdwenen zijn zij, want het licht der lichten verteert hen allemaal, zij moeten de prijs betalen voor dit verhaal. 3. Tussen jou en mij is niets meer, alles weggebrand. 4. Morgen is er ijs, de prijs van de herfst, de winter komt. Sterker dan vuur, de klauwen laten los. 5. Het huis van dokters, na het gevecht, geen weg meer terug, op weg naar nieuwe kusten, nieuwe morgens, maar zij zullen ook vervallen, als snippers in de regen, weerspiegelen vreemde gezichten, bakkermansgezichten tussen jou en mij. 6. Niemand zal zaken doen, er is niets meer, alles is voorbij. 7. Het altaar heeft de koorden verlamd, waarmee jij mij gevangen hield. Niets dan een slaaf was ik, maar nu ben ik vrij. Alles gaat voorbij, ik tuur door het raam, naar vage herinneringen, ik ken ze niet eens meer bij hun naam. 8. Als wezen spelen zij daar, ze zien mij niet, ze zijn te ver weg, als de morgen nu maar komt, dan ben ik voor altijd weg. 9. De gewichten zijn zwaar, maar alles gaat voorbij, alles wordt lichter. 10. De zonen van een nieuwe morgen, ook zij gaan voorbij. We kunnen niets voor altijd dragen, aan het einde der dingen zijn we vrij. 11. Ik ben op het altaar gegaan, om de dieren van het woud te ontmoeten, herinneringen draag ik bij me, ook zij zullen vergaan. 12. Op het altaar was ik, om bomen te verstaan, zo ver weg, diep in het woud, maar ook zij gaan voorbij. 13. Waar grijp ik naar ? Ik voel me spastisch, niets kan ik bereiken. Alles gaat voorbij. Alles gaat voorbij. Alles gaat voorbij. 14. Ik kan niets vasthouden. En als ik het doe, doet het pijn. 15. Nee, ik laat alles los, voordat het mij loslaat. Ik ben te bang om nog eens te vallen. 16. Ik ben nu ver weg, niets kan me meer raken. Ik kan niet meer grijpen, ik ben verlamd als een boom, maar nog steeds sta ik stijf, om verbroken te worden in de morgen, tot het kleine Gods, tot Materos te gaan. 17. Snippers aan het einde van de dag, schaduwen van verleden en toekomst. Een huis bouwen kan ik niet. Niemand kan ik verstaan. Ik ben als doof en blind, alles zal vergaan.

20.

Onder het gele

1. Huizen der vogels staren mij aan. Zij hebben de stilte aanbeden. Ik verlies steeds mijn bewustzijn, en draai in hun wateren, terwijl ik slaap, zo diep slaap. 2. Huizen van eekhoorns doen mijn tranen vallen, maar waar huil ik voor ? Ik weet niet wie of waar ik ben. 3. Regen van wespen, koningsgevecht, laat mij zingen met de vogels, laat mij dalen in 't konijnenbed. Regen van wespen, muizengevecht, laat mij dalen in 't oorlogsbed. 4. Stemmen golven door mijn hoofd, nu ben ik een piraat, geef mij oorlog in mijn handen. 5. Regen van wespen, muizengebed, laat mij dalen in het jagersbed. 6. Regen van wespen, oorlogsgebed, laat mij dalen in het jagersbed. 7. Om te zuiveren het gele, duizend duizendmaal, op het altaar van de wilden, tot oorlogsmaal.8. Gedaald tot onder het gele ben ik, een toekomst heb ik niet, alleen wat oude boeken om in te vergaan. Regen van wespen, onweersgebed, laat mij dalen in het indianenbed. 9. Regen van wespen, onweersgebed, laat mij dalen in het mussenbed.

21.

Psalm over de vogels van Metensia

1. Honderd duizelingen, brengen mij tot aan de poorten van Metensia. Ik zie haar vogels daar staan. De Karsuiken brengen boodschappen van haar. In gouden enveloppen, met het gezuiverde witte. 2. Honderd duizelingen, een karsuik neemt mij op, en brengt mij naar haar toren, waar mussen wonen. Ja, een mus is zij, een wonderbare vogel. 3. Honderd duizelingen, laten mij dalen, in het bed van Metensia, waar alle vogels slapen, en haar paarden liggen daar, om verhalen te vertellen. 4. Metensia, als duizend duizelingen, heb dan liefde voor haar, om te dwalen in haar bossen. Roep dan de putsen luid, haar vogelen van genezing. Zij zitten in de bomen, zij drinken van de vijvers, om de harten te betoveren. Betover mij, betover mij, snel, want iets zit mij op de hielen. 5.Ik ren door het woud, ik ben vrij en wil niet meer terug. Lang gebonden was ik, betover mij snel, dan is het voorbij. 6. Ik hoef nu nooit meer bang te zijn, Saturnus waakt nu over mij, de ster in metensia's hand. 7. Over bergen en dalen vliegen wij, ik voel een hand. 8. Toe, Putsen, snel, betover mij, en breng mij waar de nachtegalen zingen, waar de koekoeken aan het strand staan, om het piratenschip des Heeren aan te wijzen, waar de Peter woont. 9. Het gegetene is nu de piraat, en ik kan er over dromen. Het heeft mij meegenomen. 10. In lange gewaden kwam het tot mij, waar Metensia over de waat'ren zweeft, de schoonheid van de stilte. 11. Woorden zouden mij tegengehouden hebben, maar ze zeiden niks, en nu ben ik hier. 12. Vlug betover mij, anders is het te laat, en verlies ik deze droom, en val ik van mijn troon, om weer als slaaf te dienen, en gevangen te zijn. 13. De raven hebben Peter dan gevolgd, tot in het kleine huis diep in het woud. 14. Zij hebben hem daar konijnenvoedsel gegeven, nu is hij dan een piratenindiaan. Zevenvoudig gezuiverd, tot onder het gele gedaald. Hij is een speelgoedkoning, toe maak dan in Hem woning, dit gegeten kind, voor hen is het koninkrijk Gods. 15. Duizend duizelingen, brengen mij naar de plaats waar koningen de appels beminnen. Een kikkerkoning is daar, beroerende elke snaar. 16. Op Saturnus staan zij, in Metensia's Hand. Betover mij snel, want rovers zijn daar. 17. Duizend duizelingen, ik val steeds weer in slaap. Toe, putsen, snel, betover mij, anders is het te laat. 18. De canonskooien staan klaar, om hun hoofden te schudden, en dan de kikker op te sluiten, als slaaf van hun evangelie. 19. Maar mochten zij het eens verstaan, de kikker heeft een baby, klein genoeg om door het gat te gaan, en dan begint het liedje van voren af aan. 20. Duizend duizelingen, violen trillen, toe God, neem mij mee. Mijn hoofd wordt zwaar, ik voel de pijlen. Zij willen mij splijten, mijn hart doorboren. 21. Toe, putsen, snel, betover mij, want onder het gele spelen zij. 22. Ik ben hun spel niet meer. Ik wil het niet meer wezen. Toe, betover mij, en neem mij mee. 23. Oh, kikkerkoning, oh hazenlicht, oh berenkroning, zegel dit liefdesgedicht, opdat zij die van mij houden, de boodschap kunnen zien. 24. Ik kan niet rechtuit spreken, want een duistere gestalte staat naast mij.

22.

De kikkerkoning

1. Er was een kroning, en nu is hij koning, van speelgoed, hij is kikkerkoning. Niemand kan hem stoppen, zijn benen zijn te lang. 2. Niemand kan zijn dromen doven, het duurde al veel te lang. Heb je nog iets te zeggen, doe het nu. Daarna kan het niet meer. 3. Spoedig is hij dan koning, en maakt overal woning, de troon dat is de aarde. Heb je iets te zeggen doe het nu. 4. Spoedig kan het niet meer, en worden alle monden gesloten, en zal hij spreken, de kikkerkoning. 5. Toe, laat je klederen buiten drogen, want binnen kan het niet meer. De kikkerkoning maakte daar woning, en de bal is nat, een koningsvijver. 6. Spreek dan snel, nu kan het niet meer. Monden zijn gesloten, de kikkerkoning maakt nu woning. 7. Zet je sirenes dan aan, want spoedig kan het niet meer, en worden alle deuren gesloten, zonder dat iemand opendoet. De kikkerkoning is gekomen. 8. Denk niet je zal voor eeuwig eten, want als de gong wordt geslagen zal het gegetene eten. 9. De peter is dan opgestaan, met zijn piratenschip is hij een gezuiverde indiaan, zevenvoudig gezuiverd was hij, tot onder het gele daalde hij. 10. Hij is de kikkerkoning, toe maak dan in hem woning, vele kamers heeft hij daar, beroerende elke snaar. 11. Waar violen trillen, daar schiet hij zijn pijlen, scherp op de boog. Hij is de kikkerkoning, makende in een ieder woning. Zij waren bij zijn kroning.

 

De Openbaring van de Rode Steen II

 

De Toverbeker en het Toverbordje

 

1. Eens waren er dertig prinsen die door een heks waren betoverd tot wachters op een hoge toren. 2. De toren was zo hoog dat het hoogste deel niet gezien kon worden, en de toren was zo breed dat het de helft van het land vulde. 3. Als iemand de trap omhoog wilde bestijgen, dan kwamen er ballen van steen en ballen van vuur naar beneden, en maakten voor lange tijd het land onveilig. 4. Daarom verbood de koning dat nog iemand naar de toren zou gaan.

5. De koning had veel verdriet van het verlies van zijn dertig zonen. 6. De dertig prinsen waren nu angstaanjagende wachters die op de top van de toren moesten marcheren. 7. Zij moesten de schat van de heks bewaken : een toverbeker die nooit op zou raken, en waarmee je onder de grond kon reizen, en een toverbord dat altijd vol was, en waarmee je in de lucht kon reizen.

8. De koning had een erge hekel aan de heks. 9. Was hij nu maar wat aardiger voor haar geweest, dan was alles niet zo erg als het nu was. 10. Ja, de koning had veel spijt wat hij de heks had aangedaan. 11. Een oud bedelvrouwtje kwam eens aan de poort en vroeg om onderdak, maar de koning zond haar weg. 12. Hoe kon hij nu weten dat het een heks was ? 13. En een heks kun je maar beter onderdak geven, anders zal het je je hele leven berouwen. 14. Dat was de koning nu wel duidelijk geworden.

15. Sindsdien was de koning altijd goed voor bedelaars, en had hij z’n lesje wel geleerd. 16. Op een dag kwam één van de bedelaars tot de koning. 17. ‘Koning,’ zei de bedelaar, ‘ik heb gehoord wat er gebeurd is. 18. Ik kom uit een ver land, maar ik heb een lange tijd onder de grond gewoond, en eens zag ik de heks met haar toverbeker langskomen. 19. Ik volgde haar, en ze kwam in een bron van licht, waar ze onzichtbaar werd. 20. Zo ging ik ook naar de bron, en in een bliksemschicht stond ik bovenop de toren waar u zonen gevangen worden gehouden. 21. Ze waren inderdaad de meest afschuwelijke wachters geworden, en marcheerden gevaarlijk rond. 22. Maar ze konden mij niet zien, omdat ik onzichtbaar was. 23. De toverbeker was verdwenen, omdat de heks daarmee onder de grond was, maar het toverbordje dat altijd vol was stond daar, en ik nam ervan, en steeg op in de lucht. 24. Hoever ik gekomen ben weet ik niet, maar ik was zo hoog waar nog geen mens ooit was gekomen. 25. Hier kwam ik in een wereld waar de meest wonderlijke sprookjesfiguren waren. 26. Zij vertelden mij dat uw zonen geheime sprookjes in zich droegen die nog nooit waren verteld. 27. De betovering zou worden verbroken wanneer die sprookjes zouden worden verteld.’

28. Toen liet de koning de beste sprookjesvertellers van het land komen, om zoveel mogelijk sprookjes te verzamelen en te vertellen, maar er gebeurde niets. 29. Toen liet de koning de bedelaar weer terugkomen, en vroeg hem waar onder de grond die lichtbron was. 30. De koning zond toen tien lakeien met de bedelaar mee. 31. De koning hoopte dat zijn lakeien de prinsen konden bevrijden. 32. Maar de heks wachtte hen al op. 33. In een lichtflits betoverde ze de lakeien in stenen wachters die de lichtbron moesten bewaken, maar de bedelaar zag de toverbeker staan, greep de beker en dronk ervan, terwijl hij nog dieper onder de grond kon reizen. 34. Na een lange tijd kwam de bedelaar in een sprookjesrijk zo diep onder de grond waar geen mens ooit was geweest. 35. Hoe diep het was, wist hij niet, maar er waren hier wonderlijke sprookjeswezens. 36. Zij vertelden dat zij eens samenleefden met de sprookjeswereld boven de lucht, maar de heks had het rijk verscheurd. 37. In de lichtbron verborg de heks sprookjes, en de twee sprookjeswerelden zouden weer bij elkaar komen als die verborgen sprookjes zouden worden verteld. 38. Weer ging de bedelaar naar de koning, en weer liet de koning de beste sprookjesvertellers komen, en ook de beste sprookjesvertellers uit andere landen, maar er gebeurde weer niets. 39. Maar toen kreeg de bedelaar een idee. 40. Hij had nu immers zowel het toverbordje als de toverbeker. 41. Met het toverbordje kon hij nu de toverbeker naar het rijk boven de lucht brengen, en dan zouden zij met de toverbeker naar het rijk onder de grond kunnen gaan. 42. Vanaf die dag werd er heel wat heen en weer gereisd, en ze vertelden elkaar de wonderlijkste sprookjes. Niet lang daarna marcheerden de stenen lakeien en de wachters van de toren naar de dichtstbijzijnde stad, en begonnen de sprookjes te vertellen. 43. Langzaam maar zeker verbrak de betovering, en de koning kon zijn dertig zonen en zijn tien lakeien weer in de armen nemen.

 

De Openbaring van de Rode Steen III

 

1.

 

De Sprekende Toren

 

1. Er was eens een sprekende toren. 2. Wanneer iemand de trappen van de toren op wilde gaan, dan schreeuwde de toren uiteindelijk zo hard dat niemand echt ver kon komen. 3. Maar de koning had gehoord dat er bijzondere dingen te vinden waren in die hoge toren, die zo hoog was dat niemand eignelijk wist waar die toren eindigde. 4. De koning liet een dove man komen en vroeg aan de man of hij wilde gaan kijken wat er bovenin te vinden was. 5. De dove man stemde toe, en vertrok direkt naar de toren. 6. De man had natuurlijk geen last van het harde geluid, en na een tijdje was hij zo hoog gekomen dat hij in een zaaltje terecht kwam waar allerlei indiaanse vruchten lagen. 7. De man begon ervan te eten, en begon hard te lachen. 8. Hij wilde toen een trap op om nog hoger te komen, maar werd direkt tegengehouden door verblindende lichten. 9. De man ging terug naar het zaaltje, nam zoveel mogelijk van de indiaanse vruchten mee, en ging terug naar de koning. 10. Hij vertelde de koning over de verblindende lichten, maar dat hij wel vruchten had gevonden waar je hard van ging lachen.

11. De koning kon die vruchten wel gebruiken, en na niet al te lange tijd leed het hele hof aan de slappe lach. 12. Maar tevreden was de koning niet. 13. En daarom liet hij ook een blinde man komen. 14. De blinde man maakte natuurlijk geen kans om door het harde geluid van het eerste gedeelte te komen, en daarom moest de dove man terug naar het torenzaaltje om daar vanuit een raampje een touw te laten zakken om de blinde man omhoog te hijsen.

15. Dat ging allemaal goed, en zo kon de blinde man de trap op nog verder omhoog, en had geen last van de verblindende lichten. 16. Na een tijdje kwam de blinde man in een zaaltje waar glanzende indiaanse stenen lagen. 17. De man zag dat natuurlijk niet, maar had ze al snel gevonden, maar barste toen in huilen uit. 18. Hij wilde toen met de trap nog verder omhoog, maar daar werd het elke stap heter en heter, totdat de man het niet meer uit kon houden, en terugging naar het zaaltje. 19. Hier nam hij zoveel mogelijk indiaanse edelstenen mee, en ging terug over de trap naar het eerste zaaltje, waar hij door het raampje over het touw naar beneden kon. 20. Zo kwam hij terug bij de koning, en vertelde wat hij had meegemaakt. 21. Ook liet hij de indiaanse edelstenen zien, waarvan je in huilen uitbarste zodra je ze aanraakte. 22. ‘Nou, laten we dat dan maar niet doen, hè,’ zei de koning. 23. De koning liet de edelstenen goed opbergen.

24. Maar op een dag was er een dief in het kasteel, en vond de edelstenen. 25. Toen hij ze wilde oppakken barste hij ineens in huilen uit. 26. Huilend en vol van spijt meldde hij zich bij de koning, en de koning wist nu hoe belangrijk die edelstenen waren. 27. Ze waren goede wachters. 28. Voor straf moest de dief de torentrap beklimmen, helemaal tot aan het puntje. 29. Maar ver kwam de man natuurlijk niet. 30. Eerst raakte hij doof van het geluid. 31. Later raakte hij blind van het licht, en toen hij nog hoger kwam was het daar zo heet dat hij verbrandde. 32. Niemand zag hem ooit weer terug. 33. De koning had gehoopt dat de dief met meerdere geheimen zou terugkomen, en daarom was de teleurstelling groot toen dat niet gebeurde. 34. De koning wist nu dat ze een man van steen nodig hadden die de hete trap zou kunnen bestijgen.

35. Vele jaren gingen voorbij, maar uiteindelijk had de koning toch zo’n man gevonden. 36. De man van steen kon ook goed tegen hard geluid en fel licht, en al gauw kwam hij in een derde zaal, waar hij indiaanse bloemen vond. 37. Maar de bloemen riepen direkt : ‘Raak ons maar niet aan, want dan kun je niet meer spreken.’ 38. De man stapte daarom direkt achteruit en liep naar de volgende trap omhoog. 39. Maar daar werd het elke trede steeds kouder en kouder, en op een gegeven moment kreeg de man het zo koud dat hij gillend naar beneden rende. 40. Snel kwam hij bij de koning aan, en vertelde over de koude trappen. 41. Ook vertelde hij over de bloemen. 42. Maar de koning was erg boos dat de man van steen de bloemen niet voor hem had meegenomen. 43. Het kon de koning niets schelen dat de man van steen dan niet meer zou kunnen praten als hij ze mee zou nemen. 44. Dus de man moest terug. 45. De man van steen nam zoveel mogelijk bloemen mee als hij maar kon, maar kon sindsdien niet meer spreken. 46. De koning liet de bloemen planten in zijn kasteel, aan het einde van de grote hal. 47. De koning liet er een klein riviertje omheen bouwen, en een hekje, zodat niemand de bloemen zomaar zou aanraken.

48. De koning was nog steeds erg ontevreden, want hij wilde weten wat er achter die koude trappen was. 49. En daarvoor had de koning een kachelman nodig. 50. Na vele jaren zoeken vond de koning eindelijk zo’n man die geheel van kacheltjes was gemaakt. 51. Hij zou met gemak over die koude trappen kunnen komen. 52. En hij kon ook makkelijk de trappen daarvoor beklimmen, omdat hij overal tegen bestand was. 53. Maar de koude trappen waren niet makkelijk. 54. Na een tijdje begon de man te merken dat de kacheltjes uit begonnen te gaan, en uiteindelijk moest de man zich omdraaien om weer terug te gaan.

55. De koning was woedend. 56. De kachelman was zijn enige hoop. 57. Voor straf moest de kachelman in het veld van de indiaanse bloemen geworpen worden. 58. Toen hij tegen de bloemen aankwam kon hij direkt niet meer spreken. 59. De bloemen hadden erg veel medelijden met hem, en op een dag zei één van de bloemen tegen hem : ‘Hoor eens. 60. Ik zal een druppel wonderhoning voortbrengen, en als je die druppel inslikt, dan zul je met gemak over de koude trappen heenkomen.’ 61. En zo gebeurde het. 62. De bloem bracht de honingdruppel voort, de kachelman slikte het in, en de bloemen brachten hem over de rivier en over het hek. 63. De kachelman ging terug naar de toren, en kwam later met gemak over de koude trappen heen. 64. Daar boven vond hij zo’n prachtig rijk dat hij niet meer terugwilde. 65. En waarom zou hij dat verklappen aan zo’n gemene en valse koning ?

66. Sindsdien begon de toren nog meer te stralen, en de indiaanse bloemen begonnen naar de toren toe te groeien. 67. Ze werden elke dag wilder en begonnen scherpe dorens voort te brengen, zodat niemand de toren meer kon beklimmen. 68. Ze groeiden zo hoog dat ze helemaal in het rijk van de kachelman terechtkwamen. 69. De kachelman was daar natuurlijk erg blij mee, maar kon nog steeds niet spreken. 70. Elk jaar brachten de indiaanse bloemen prachtig bloesem voort, en op een dag zei één van de bloemen : ‘Kachelman, zodra de bloesem een druppel wonderhoning voortbrengt : slik het in. 71. Dan zul je weer spreken.’ 72. De kachelman wachtte totdat de druppel zou komen, en toen hij slikte kon hij niet alleen spreken, maar ook stond er een indiaanse prinses voor hem. 73. Zij was gehuld in bloesem en de wonderlijkste bloemen. 74. ‘Ik ben de bloemenprinses,’ zei ze. 75. En ze leidde hem naar een trap geheel gemaakt van bloemen, en de trap was heel geurig. 76. Helemaal bovenaan de trap waren er vlammetjes waardoor al zijn kacheltjes weer aan konden gaan. 77. En voordat de kachelman het wist stond hij bovenop die hoge toren en had een uitzicht over het hele land.

78. ‘Hallo,’ zei de toren, ‘nog nooit heeft er iemand op mijn top gestaan, en het is zo’n heerlijk gevoel. 79. Daarom geef ik je nu vleugeltjes, zodat je hier altijd weer terug kan komen.’ 80. En zo vloog de kachelman weg met zijn indiaans prinsesje, want nu hij zo hoog was gekomen, wilde hij eigenlijk alleen maar hoger. 81. En de bloemen groeiden heel snel met hen mee, en volgden hen overal. 82. En elk jaar bracht de bloesem weer nieuwe indiaanse prinsesjes voort. 83. De kachelman kwam nooit meer terug naar de toren, en sindsdien is het geluid van de toren alleen maar harder geworden. 84. Men zegt dat dat is omdat hij de kachelman roept.

2.

 

Het Tovertouw

 

1. Eens woonden er een heleboel indiaanse feeen in een kasteel om daar de wonderlijkste toverschatten van het land te bewaken. 2. Ze wilden de toverschatten graag met het volk delen, maar ze waren bang dat het in verkeerde handen zou vallen. 3. Daarom hadden ze afgesproken dat zij die tot het kasteel zouden komen eerst een tovertouw moesten overwinnen, daarna een toverzwaard en als derde een vleesetend tovervarken van metaal.

4. Het tovertouw was zo verschrikkelijk dat het vele ridders de diepte introk, en zij die door het tovertouw werden meegenomen naar de dieptes van het kasteel werden nooit meer teruggezien. 5. Het tovertouw was afschuwelijk sterk en lang, en eigenlijk kon niemand er tegenop. 6. Zo ging dat eeuwenlang door, totdat eigenlijk niemand meer het kasteel indurfde.

7. Maar toch was er op een dag een boerenzoon die wel een poging zou willen maken. 8. Werken op het land beviel hem niet, en leren kon hij niet. 9. Toen hij het tovertouw zag vroeg hij : ‘Zeg tovertouw, kun je mij vertellen hoe ik jou te slim af kan zijn ?’ 10. Het tovertouw maakte zich extra lang en zei : ‘Wie mij raakt, die brandt zich, want vuurheet ben ik. 11. Maar zij die het handschoentje van ijskoud dragen zullen aan mij ontsnappen.’

12. ‘En waar kan ik dat handschoentje van ijskoud vinden ?’ vroeg de boerenzoon. 13. Toen wees het tovertouw helemaal naar boven waar een klein plankje hing met de handschoen erop. 14. De boerenzoon wist niet hoe hij daar moest komen. 15. ‘Zeg, hoe kan ik daar komen ?’ vroeg de boerenzoon.

16. ‘Daar kun je niet komen,’ zei het tovertouw. 17. ‘Net als al die anderen zul je door mij in de diepte worden geworpen.’

18. ‘Oh, maar ik geloof er niks van dat je zo sterk bent,’ zei de boerenzoon. 19. ‘Als je zo sterk bent, bewijs me dat dan maar eens. 20. Pak die grote steen naast mij maar eens op en werp hem een flink eind in de lucht. 21. Dan zal ik je geloven.’ 22. Het tovertouw pakte de grote steen en slingerde hem een eind omhoog, zo hoog dat de steen op het plankje terechtkwam. 23. Het plankje brak en de hadnschoen van ijskoud viel naar beneden. 24. Snel ving de boerenjongen de handschoen op, deed hem om zijn hand en greep het tovertouw. 25. Direkt werd het touw slap, en de boerenjongen kon het touw makkelijk meenemen. 26. Maar dieper in het kasteel kwam hij het toverzwaard tegen. 27. Het toverzwaard was zo snel dat de boerenjongen niets zou kunnen beginnen, ook niet met het tovertouw. 28. Want zodra de boerenjongen het handvat wilde grijpen vloog het toverzwaard weg, en het toverzwaard hakte telkens het tovertouw doormidden. 29. En al die delen begonnen ook weer te groeien, en maakten het de boerenjongen erg moeilijk.

30. ‘Hoe kan ik je handvat grijpen ?’ vroeg de boerenjongen aan het toverzwaard.

31. ‘Door het handschoentje van langzaam,’ zei het toverzwaard.

32. En waar is dat handschoentje ?’ vroeg de jongen. 33. Toen wees het toverzwaard naar boven, waar een klein plankje hing met het handschoentje van langzaam erop. 34. ‘Maar daar kun jij toch nooit komen,’ zei het toverzwaard. 35. ‘Geef de moed maar op.’

36. De jongen had gehoord dat het toverzwaard koppen afhakte van mannen die tot hier waren gekomen, en dat nog nooit iemand langs het toverzwaard was gekomen. 37. ‘Zeg, ik geloof er niks van dat je zo sterk bent,’ zei de boerenzoon. 38. ‘Kun jij die grote steen naast mij eens optillen en een flink eind omhoog slingeren ?’

39. ‘Ik kijk wel beter uit,’ zei het toverzwaard, ‘ik wil het plankje niet raken.’

40. ‘Nou, kun je dan die grote steen eens flink in stukken hakken ? 41. Dan geloof ik dat je zo sterk bent,’ zei de jongen. 42. Trots vloog het toverzwaard naar de reusachtige steen en hakte hem met gemak in een aantal stukken. 43. Snel pakte de jongen een stuk steen en smeet het naar het plankje toe waar het handschoentje van langzaam lag. 44. De steen raakte het handschoentje van langzaam, dat direkt naar beneden viel. 45. De boerenjongen ving het op, deed het om z’n andere hand en greep het handvat van het toverzwaard. 46. Snel sloeg hij zich een weg door al dat touw heen.

47. Dieper in het kasteel kwam hij na een tijdje het vleesetende tovervarken van metaal tegen. 48. Het varken vloog hem direkt aan, en de boerenzoon werd direkt flink gebeten, en kon niet veel met het toverzwaard en tovertouw beginnen. 49. Het varken was veel te wild en te hard. 50. ‘Mannetjes als jou vreet ik zo op,’ zei het vleesetende tovervarken van metaal.

51. ‘Hoe kan ik aan jou ontsnappen ?’ vroeg de boerenzoon.

52. ‘Alleen door het keteltje van zachtheid,’ zei het vleesetende tovervarken van metaal.

53. ‘En waar is dat keteltje te vinden ?’ vroeg de boerenjongen.

54. Even was het een tijdje stil. 55. Daarna wees het varken in de diepte van een waterput dichtbij hen. 56. De jongen zag iets glinsteren, maar zelfs zijn tovertouw kon er niet bijkomen, zo diep lag het keteltje.

57. ‘Ik eet alles wat los en vastzit,’ zei het varken.

58. ‘Oh ja ?’ vroeg de jongen. 59. ‘Nou, eet die grote steen naast mij dan eens op.’

60. En in een paar seconden vrat het varken de reusachtige steen die naast de jongen lag op. 61. Het varken was ineens een stuk groter en zwaarder, en begon dorst te krijgen. 62. Snel ging het varken naar de waterput, en boog helemaal over de rand heen om wat water te kunnen drinken. 63. Snel gaf de boerenjongen hem een duw, terwijl het varken in de put plofte. 64. Het varken zonk erg snel omdat hij zo zwaar was, en na een tijdje kwam hij in het keteltje van zachtheid terecht waarin hij verdween. 65. Het keteltje dreef toen langzaam omhoog. 66. De boerenjongen nam het keteltje op zijn rug, en kwam na niet al te lange tijd bij de schatkamer van het kasteel aan. 67. Hier stond een indiaanse fee hem al op te wachten. 68. ‘Dappere man,’ zei de fee. 69. ‘Je mag uitkiezen wat je wil.’ 70. Maar de jongen keek wat in het rond, en niets maar dan ook niets kon hetgeen hij al droeg overtreffen : het handschoentje van ijskoud met het tovertouw, het handschoentje van langzaam met het toverzwaard, en het keteltje van zachtheid. 71. ‘Ik heb genoeg aan wat ik heb,’ zei de jongen. 72. En keerde weer terug naar waar hij vandaan was gekomen.

3.

 

De Varkensmuur

 

1. Er was eens een hele bijzondere struik met toverbessen. 2. Een ieder die van deze bessen at kon ineens vliegen. 3. Maar je werd er ook heel slaperig en moe van. 4. Op een dag kwam er een heks langs de struik die de struik omkapte met een gouden bijl. 5. Ze prevelde wat toverspreuken op, en al gauw zweefden allen die van de toverbessen hadden gegeten als in trance naar haar toe. 6. De heks begon te schaterlachen. 7. Na een tijdje begonnen de wezens zich zo zwak te voelen en zo zwaar dat ze niet meer konden vliegen. 8. Weer sprak de heks wat toverspreuken uit, en er begon zich een muur rondom de slapende wezens te vormen, een muur geheel gemaakt van varkens. 9. ‘Een ieder die het waagt bij de varkensmuur te komen zal ook veranderen in een varken,’ sprak de heks. 10. En sindsdien begon de varkensmuur alleen maar te groeien en te groeien.

11. Waar de struik met toverbessen had gestaan liet de heks een hoog kasteel bouwen voor haarzelf. 12. Maar omdat ze bang was voor indringers liet ze een muur maken geheel van schapen. 13. Een ieder die bij die muur zou komen zou voor altijd slapen. 14. En sindsdien lagen er heel wat slapenden rondom de schapenmuur.

15. De heks had natuurlijk wat te verbergen : de gouden toverbijl, haar toverspeer en een toverschild. 16. Op een dag hoorde een man het verhaal over de varkensmuur en de schapenmuur. 17. Hij wist dat dit heel diep in het bos aan de gang was, maar hoe hij ook zocht hij kon nergens een varkensmuur of schapenmuur bekennen. 18. Na lang lopen kwam hij bij een huisje aan waar indiaanse feeen woonden. 19. Ook de feeen kenden het verhaal, en vertelden hem dat hij alleen de zware wezens achter de varkensmuur zou kunnen helpen, als hij eerst het toverschild bij de heks zou ophalen. 20. Maar om veilig over de schapenmuur heen te komen moest hij eerst een toverharnas dragen, zodat hij niet in slaap zou vallen.

21. De indiaanse feeen zeiden er wel bij dat als hij van hen dat toverharnas wilde hebben, dan moest hij drie dagen bij hen blijven. 22. Dat vond de man niet zo erg, want de feeen waren heel aardig. 23. En wie zou er niet drie dagen bij feeen willen logeren ? 24. De feeen gaven hem het verrukkelijkste en overheerlijkste voedsel te eten, en na drie dagen was het toverharnas aan hem gegroeid. 25. Met ferme stappen ging de man verder op zoek naar de schapenmuur, met hulp van de feeen. 26. Na een tijdje vond hij het, en het was een koud kunstje om door de muur heen te kunnen. 27. De vachten waren erg zacht, en de man viel gelukkig niet in slaap. 28. Na een lange tijd kwam hij bij het kasteel van de heks aan. 29. Het kasteel was bedekt met vleermuizen, en toen de man door een raampje keek zag hij de heks daar staan met een gevlekte raaf.

30. De raaf brulde tot de heks dat hij mensenvlees rook. 31. ‘Nou, ga er dan op af !’ krijste de heks. 32. De man zette het op een lopen, maar de feeen brachten hem naar de achterkant van het kasteel waar hij door een keukendeur naar binnen kon. 33. Snel rende hij de trap op, maar daar stond ineens de kok voor hem : ‘Drie dagen heb ik niet gegeten,’ zei de kok, ‘dus je komt op het goede moment.’ 34. Maar de feeen riepen : ‘Duw hem weg !’ 35. En zo rende de man verder de trap op. 36. Het waren een heleboel trappen, maar nu zat ook de raaf achter hem aan. 37. ‘Honderd lange jaren heb ik niks gegeten,’ brulde de raaf, ‘dus je komt op het goede moment.’ 38. Maar snel gooiden de feeen toverpoeder over de raaf, die direkt in een lap vlees veranderde, terwijl de kok die achter hem rende de lap vlees nam en het direkt begon op te eten. 39. Maar toen ineens stond de heks zelf voor de man, en riep : ‘Duizenden jaren heb ik niets gegeten, dus je komt op het goede moment.’ 40. Ook de kok was inmiddels weer dichterbij gekomen, en op hetzelfde moment doken zowel de kok en de heks naar de man toe. 41. Maar de indiaanse feeen grepen de man snel vast, en trokken hem in de lucht, zodat de kok en de heks elkaar in de armen vielen. 42. Snel vlogen de indiaanse feeen met de man naar een kamer waar ze het toverschild vonden.

43. ‘Oh, oh,’ sprak het toverschild, ‘nog nooit heb ik iets gegeten terwijl ik al miljoenen jaren oud ben. 44. Neem mij mee, en geef mij iets te eten.’ 45. De man nam het toverschild, en rende snel het kasteel weer uit. 46. Na een tijdje was hij over de schapenmuur heen. 47. De feeen vertelden hem dat hij met het toverschild niet in een varken zou veranderen als hij bij de varkensmuur zou aankomen. 48. Toen ze bij de varkensmuur aankwamen begon het toverschild direkt van het varkensvlees te eten, dat naderhand ook weer gewoon aangroeide, en zo konden ze door de dichte varkenshaag heenkomen. 49. Toen ze na lange, lange tijd door de varkensmuur heen waren zagen ze daar de zware wezens die eens door de heks waren betoverd, en die eens van de toverbessen hadden gegeten zitten. 50. ‘Ach,’ zei het toverschild, ‘nog nooit in mijn hele leven heb ik iemand te drinken gegeven. 51. Laat me hen wat te drinken geven.’ 52. En ineens begon er melk voort te stromen van het toverschild, en de zware wezens begonnen te drinken. 53. Maar daar kwamen de kok en de heks ook aan door de varkensmuur. 54. Ze hadden de gouden bijl bij zich en de toverspeer, en ze zagen er erg gevaarlijk uit. 55. ‘Ach,’ sprak het toverschild, ‘nog nooit in mijn leven heb ik iemand eens goed geslagen. 56. Laat me hen eens slaan.’ 57. De man nam het toverschild en wierp het op de aanstormende kok en de heks af. 58. En toen heeft het toverschild hen zo’n flink pak slaag gegeven dat ze van schrik de toverbijl en de toverspeer lieten vallen. 59. En daar waar de toverbijl en de toverspeer de grond raakten veranderden ze ineens in prachtige struiken vol toverbessen. 60. En ook de kok en de heks veranderden in toverbes-struiken. 61. De zware wezens liepen langzaam en nog steeds een beetje slaperig op de toverbessen af, en toen ze de bessen begonnen te eten voelden ze zich steeds lichter worden, en konden na een tijdje weer vliegen. 62. Toen zijn ze met z’n allen over de varkensmuur en de schapenmuur heengevlogen en gingen met z’n allen in het kasteel van de heks wonen, waar ze nog lang en gelukkig leefden.

4.

  

Het Toverflesje

 

1. Er was eens een meisje met een geurflesje dat nooit opraakte. 2. Zodra ze een druppeltje uit het flesje liet glijden verdween ze. 3. Maar op een dag was het flesje gestolen, en het meisje was erg verdrietig. 4. Een ander meisje had ook zo’n geurflesje, maar als zij een druppeltje liet glijden, dan verschenen er overal wilde dieren om haar heen. 5. Op een dag stal het meisje het flesje van het andere meisje, maar later kreeg ze erge spijt, en bracht het flesje weer terug. 6. ‘Zolang je bij mij bent, mag je gewoon druppeltjes uit mijn flesje gebruiken, hoor,’ zei het meisje van het flesje. 7. Ook gingen ze samen op zoek naar het gestolen flesje. 8. Op hun zoektocht kwamen ze een heleboel andere meisjes tegen met geurflesjes die nooit opraakten, en ieder meisje kon er weer wat anders mee. 9. Zo was er ook een meisje die een flesje had waarvan elke druppel wapens om haar heen liet verschijnen. 10. Toen de meisjes van het gestolen flesje hoorden kregen ze een idee.11. Ze zouden ieder een druppel van hun flesje aan het meisje zonder flesje geven. 12. En zo kon het meisje een heleboel wonderlijke dingen doen. 13. Op een dag zag het meisje een vogel vliegen met het gestolen flesje. 14. Het was voor het meisje die nu een nieuw toverflesje had heel makkelijk om de vogel te volgen. 15. Door een druppel te laten glijden kon ze achter de vogel aanvliegen, en ze kwam aan in een kasteel ergens ver weg. 16. Hier zag ze een mannetje roeren in een ketel. Het flesje had de vogel inmiddels al naast hem gezet. 17. ‘Zeg mannetje,’ zei het meisje, ‘dat flesje is van mij. 18. Uw vogel heeft het van me gestolen.’

19. Maar het mannetje zei dat alle geurflesjes van hem waren, omdat hij ze eens gemaakt had. 20. Het mannetje vroeg aan het meisje van wie ze het geurflesje had gekregen. 21. ‘Van mijn moeder,’ zei het meisje.

22. ‘Dan heeft ze dat eens van mij gestolen,’ zei het mannetje. 23. ‘En ook al die andere geurflesjes zijn gestolen, en die wil ik terughebben.’

24. Toen liet het meisje haar nieuwe geurflesje zien met druppels uit alle geurflesjes, en zei dat als hij van haar dat flesje zou krijgen, dan zou hij alle geurtjes terughebben. 25. In ruil vroeg ze daarvoor haar eigen flesje. 26. Dan zou ze één druppel daarvan aan het mannetje geven, zodat het mannetje alles compleet had. 27. Het mannetje was daar wel blij mee, want zo hoefde hij niet meer op zoek te gaan naar al die andere flesjes, en zo zouden de meisjes ook niet ongelukkig worden. 28. Het meisje kreeg haar eigen flesje terug, en ook een druppel uit het flesje met het mengsel. 29. Het mannetje was zo blij dat hij zelfs een druppel uit de ketel gaf met een geheel nieuw mengsel. 30. En zo kon het meisje weer verdwijnen, en leefde nog lang en gelukkig met haar toverflesje.

5.

 

Het Toverei

 

1. Eens in een ver land was er een overstroming die alles dreigde onder te laten lopen. 2. De enige plaats waar het veilig zou zijn was een indiaans elvenkasteel. 3. Een man klopte aan om binnen te kunnen komen, maar de indiaanse elven zeiden dat als hij een plaats wilde hebben, dan zou hij eerst naar het kasteel van de heks moeten gaan om daar een toverei weg te nemen. 4. Dat toverei had de heks eens van de indiaanse elven gestolen, en zij wilden het graag terug. 5. Vanuit het toverei konden de meest wonderlijke dieren voortkomen.

6. Nu was het in het kasteel van de heks erg gevaarlijk, omdat de vloeren en plafonds bewogen en konden instorten, en de muren klapten gevaarlijk tegen elkaar aan. 7. Nog nooit had iemand een bezoek aan dat kasteel overleefd, en daarom gaven de indiaanse elven de man toverschoenen mee en een toverhelm. 8. Zo was het voor de man niet zo moeilijk het toverei te krijgen. 9. Zodra de vloer wegzakte lieten de toverschoenen de man gewoon in de lucht zweven, en als het plafond naar beneden kwam dan zorgde de toverhelm dat de man niet geraakt werd. 10. Alleen moest hij erg oppassen voor de tegen elkaar klappende muren. 11. Na niet al te lange tijd had hij het toverei in zijn handen, en rende terug, maar het water was al angstaanjagend hoog gestegen. 12. Zo hoog dat de indiaanse elven geen raam of deur meer los durfden te doen. 13. De man wreef over het toverei, en er begonnen grote vissen voort te komen. 14. Voor een tijdje kon hij op hun rug zitten, maar de golven werden zo woest dat hij telkens van de vissen werd afgeslingerd. 15. Weer wreef hij over het toverei, en nu kwamen er grote vogels uit voort. 15. Snel klom hij op de rug van zo’n vogel, maar het was inmiddels zo hard gaan stormen dat hij het toverei niet meer kon vasthouden. 16. Met één rukwind vloog het toverei de zee in. 17. De man bedacht zich geen moment en dook het toverei achterna. 18. Op de bodem van de zee vond hij het toverei weer. 19. Weer wreef hij eroverheen, en er kwamen mollen uit voort die een gat begonnen te graven. 20. De man volgde met het toverei de mollen, en achter hen werd het gat weer goed dichtgemaakt. 21. Zo groeven de mollen zich een weg helemaal tot onder het elvenkasteel, en zo konden ze op een veilige manier binnenkomen.

22. ‘Dappere man,’ zei één van de indiaanse elven die hen door de grond omhoog zagen klimmen. 23. De man gaf haar het toverei, en is sindsdien bij de indiaanse elven gaan wonen.

 

De Openbaring van de Rode Steen IV

 

De Fluitketelman

1. Er was eens een man geheel gemaakt van fluitketels. 2. Zodra de ketels begonnen te fluiten kon de man altijd vliegen. 3. Dan vloog hij altijd hoog en heel ver weg. 4. Maar op een dag kwam hij een wesp tegen, die hem probeerde te prikken, maar de angel brak stuk op één van de ketels. 5. Daarna kwam er een woeste hoornaar op hem af, die agressief zijn gif naar hem toe spoot, maar het gif werd door de ketels weggeketst. 6. Toen kwam er een vogel, gaf de man een klap met zijn enorme vleugel, en de fluitketelman verloor zijn evenwicht en viel.

7. Na een lange val kwam de fluitketelman in een wespennest terecht. 8. De wespen waren woest en probeerden door de gaatjes naar binnen te vliegen. 9. Maar de ketels begonnen zo te koken dat ze niet ver kwamen. 10. De fluitketelman rende weg, maar kwam toen in een hoornaarsnest terecht. 11. Ook zij probeerden door de gaatjes naar binnen te vliegen, en zij konden wel tegen de kokende hitte. 12. Boven in zijn neus was een gloeiende dop waardoor altijd alles kon koken. 13. Die gloeiende dop die drukten ze van binnenuit weg, en toen had de fluitketelman ineens een gat in zijn neus.

14. De hoornaars zochten door het hele lichaam van de fluitketelman, in alle ketels, of ze nog iets bruikbaars konden vinden, maar ze vonden niets. 15. Nu de fluitketelman zijn neus had verloren zou hij niet meer kunnen koken, en dus ook niet meer kunnen vliegen. 16. Maar de hoornaars waren de slechtsten niet. 17. Ze zeiden : ‘Weet je wat. 18. Wij blijven vanaf nu gewoon in jouw ketels wonen, en dan zul je altijd kunnen vliegen. 19. Jouw fluitketels zijn goede nesten voor ons. 20. En zo hoef je niet eerst te wachten op het fluitje. 21. Je kan nu gewoon vliegen wanneer je wilt.’ 22. En dat vond de fluitketelman wel een goed idee. 23. De hoornaars konden zo goed vliegen, en nu waren ze altijd bij hem.

24. De fluitketelman begon weer ritjes door de lucht te maken, maar al gauw kwam hij die vervelende vogel tegen, en voordat hij het wist lag hij weer op de grond. 25. Ditmaal was hij bij de indianen terecht gekomen. 26. De indianen prikten hem met hun speren, maar ze kwamen niet door de ketels heen, en al gauw hadden ze woeste hoornaars achter zich aan.

27. De indianen waren onder de indruk van het gif van de hoornaars, en dachten dat ze dat wel voor hun wapens konden gebruiken. 28. En zo sloten ze vriendschap met de fluitketelman en de hoornaars. 29. De hoornaars zouden voortaan op hun wapenen zitten om ze te voorzien van gif. 30. En dat beviel de hoornaars zo goed, dat even later de fluitketelman bijna geen hoornaars meer in zijn ketel had, en dus niet meer kon vliegen. 31. De hoornaars hadden het bij de indianen veel te veel naar hun zin.

32. De fluitketelman raakte in gesprek met een indiaans meisje die een slaapmatje had wat van bijen gemaakt was. 33. Hiermee kon ze vliegen, en dat maakte het voor de fluitketelman interessant. 34. Al snel maakten de twee lange reizen op het bijenmatje, maar op een dag kwamen ze de vervelende vogel tegen die hen van het bijenmatje afpikte. 35. Het meisje viel in de rivier, maar de fluitketelman viel ernaast op een harde rots. 36. Alle ketels waren van elkaar gebroken, en het meisje moest alle stukken bij elkaar zoeken. 37. De moeder van het meisje maakte een grote theemuts voor de fluitketelman die alle ketels goed bij elkaar zou houden. 38. Ze maakte die theemuts van mieren, en toen de theemuts over de ketels werd geschoven werden de ketels zo heet dat ze als nooit tevoren begonnen te koken. 39. Nu kon de fluitketelman weer vliegen als de beste. 40. Toen hij de vervelende vogel weer tegenkwam en de vleugel de ketels raakte slaakte de vogel een gil en verbrandde ogenblikkelijk, terwijl het meisje beneden het as opving. 41. Met het as ging ze naar een droog veld, waar ze het as zaaide. 42. Niet lang daarna groeiden er bloemen die leken op fluitketeltjes. 43. Het meisje begon ze te plukken en maakte er een vest van voor haarzelf. 44. Nu kon zij ook vliegen.

45. En samen maakte ze weer lange reizen, totdat ze op een dag een huisje heel hoog in de lucht vonden dat geheel gemaakt was van fluitketels. 46. Toen ze in het huisje stapten merkten ze dat wanneer de ketels kookten het huisje opsteeg. 47. Na een tijdje kwam het huisje in een hele grote hal aan. 48. Daar zat een heks die geheel gemaakt was van fornuisjes. 49. De heks brak uit in gelach. 50. ‘Zo,’ krijste ze, ‘ik zie dat mijn val goed heeft gewerkt.’ 51. Ze trok de fluitketelman en het meisje snel uit het huisje, en wilde de fluitketelman in een oven duwen. 52. In de oven werden de fluitketels van de man omgesmolten tot kleine fornuisjes. 53. ‘Zo,’ lachte de heks tegen het meisje. 54. ‘Nu zul je je leven lang achter de fornuisjes moeten werken.’ 55. Toen de man uit de oven kwam kon hij zich nauwelijks bewegen. 56. De man was zo zwaar geworden dat hij niet meer kon vliegen.

57. Maar op een dag kwam het verdwenen bijenmatje ineens opduiken. 58. Het bijenmatje schoof over de vloer heen, vlak voor de voeten van de heks. 59. Telkens als de heks een stap zette ving het bijenmatje de voet op, en verschoof het een stukje. 60. Na een tijdje begon de heks er zo moe en duizelig van te worden dat ze neerstortte. 61. Toen vloog het bijenmatje naar de man toe, omhulde hem als een gewaad zodat hij weer kon vliegen. 62. Samen met het meisje vloog hij toen weg uit het heksenkasteel. 63. Weer kwamen ze bij de andere indianen terecht. 64. Die konden de onderdelen van de man goed gebruiken voor hun wapens. 65. Inmiddels was het veld van de fluitketelbloemetjes zo volgegroeid dat de man weer helemaal een fluitketelman kon worden.

 

De Openbaring van de Rode Steen V

 

1.

Vogelspin

1. Draden van de armoe gesponnen, dromen van het oer geweven, vanuit Brannan is het heil gekomen. Tot Lapsalvania is zij gekomen, tot Laprakod, de eerste veer. Vogelspin, je deed het weer, je trok hen allen tot de spoel, al die vervlogen jaren, nu zijn zij dan de koninklijke kostumen. Vogelspin, ik ken je daden, tot onder het grijze ben je gegaan, om zwart en wit te ontmoeten, je hebt daar geweven voor de koningin. In Santra, in Santra, zijn de dagen lang, en de kinderen volgen de spin. 2. Getrouw als zij zijn, voet voor voet, al in een lijn, tot kostelijke kronen, vogelspin je deed het weer. In Brannan deed het zeer, totdat ze tot Lapkrakod was gekomen. Esmeralda, derde fee, de feeenkoningin, oh vogelspin, weet dat ik haar bemin, ik ben de feeenprins. 3.Feeenkoning, maak in haar woning, een konijnenhuis is zij, zij maakt hen allen op tot trouw, vrouw Holle wacht in het avondraamkozijn, tot de ochtend dan haar gezicht bemint.

2.

Witte Roos

1. In een doodstrijd bevond ik mij, alles wat scherp en hard was plette mij, tot tederheid mij vond, ik was in liefde rood geworden, na de klap van haat. Witte roos, tederheid na de steek, zachtheid na de dood, in bitterheid waar ik bezweek, van armoe tot armoe ging ik, met klederen als een wespenvest, in Brannan vond ik heil. Witte roos, als het wespenvuur, steekt zo diep waar het zachte stroomt, onder het zachte ben ik nu, waar een baby woont, een roze veer, in tederheid verborgen en verworven, alles doet zeer. 2. Wie zegt het zachte is zonder pijn, die weet niet waar wij mee bezig zijn. In het diepe ongeluk is het zachte koning, maakte in Brannan woning. Witte roos, tederheid na de steek, zachtheid na de dood, in bitterheid waar ik bezweek, van armoe tot armoe ging ik, om dieper leed te vinden, oh zachtheid doet zo zeer, en ik wil alleen maar meer, ik wil alleen maar griezelen in dit huis van de witte roos, waar dingen gebeuren die ik niet kon verzinnen. 3. Is dit dan de uitweg uit een overgeerfd verstand, is dit dan de uitweg uit het harde gevoel, een veer raakte mij aan, voor het eerst voel ik mijn handen. Witte rozenspoel, waarom ben ik hier doorheen gegaan, van oer tot oer kom ik tot de zwart en witte vloer, tot het schaakspel onder de tijden, om alles te belijden dat wat jij deed naar mij. 4. Witte roos, tederheid na de steek, wonden veelvoudig gestoken, nu spiegelt het dan in de wind, al die gezichten die ik was vergeten.

 

Savaninen

1.

De Tweede Wet

1. Laat de cobra in het veld staan, kijkende naar de dagen van het oude. Hij zal de oude voetstappen niet verlaten. 2. Hij is de tweede Christus met een tweede wet. 3. Laat dan het tweede woord in u oprijzen. 4. En het eerste gebod is te lijden met uw vader. De gave van het lijden is uw eenheid met Hem en de broeders. 5. En het tweede gebod is met Hem te strijden. De gave van strijd is de eenheid met Hem en de broeders. 6. En het derde gebod is met Hem te sterven, het vierde is blij te zijn met hem, en het vijfde is gij zult niet stelen. Het zesde is gij zult de Geest Gods aanhangen. Het zevende is te leren en te onderwijzen, en het achtste is u te heiligen en reinigen in ijs. Het negende is het oude te eren, en het tiende is te luisteren naar het jonge. En gij zult de wet vervullen door elkander lief te hebben. 7. Dit zijn dan de woorden van de cobra in de tweede tempel. 8. Luistert dan naar zijn woorden, tweede gemeente, opdat gij vervuld wordt met de tweede Geest en een tweede geest in uw binnenste ontvangt. 9. De krachten van het tweede kruis zijn die krachten voortkomende vanuit honger, want uw Heere heeft in arme landen geleden. 10. Dit zijn de woorden van de tweede Paulus. Nu zijn dan de dagen van de tweede Christus gekomen. 11. Legt dan uw oude autoriteiten af en word als een kind. 12. Ga door het diepe gat om de Christus te leren kennen in uw harten, de tweede Christus, want het eerste is voorbijgegaan. 13. Hij vergeeft zonden na berouw, bekering en goede werken. Ja, Zijn vergeving is als het loon des hemels. 14. En gij zult buigen voor Gods economie. Dit zijn de woorden van de tweede Paulus, anfitaat in de Naam des Heeren, en vluchteling van het Woord, want ik heb geen plaats om mijn hoofd ten ruste te leggen. 15. Zij die de cobra zoeken hebben geen rust, maar zij zullen vrede hebben met de Heer. 16. Gij zult buigen voor Gods economie. Hij dan heeft mij aangegrepen met de zalving van de tweede Simson. De zonen van Lucifer zijn lamgelegd. 17. Oh, komt dan tot de tuinen van Golgotha, waar het tweede bloed bloeit als de brandende wijn. Gij zijt de aderen des Heeren. 18. Gij dan die uw bloed schenkt, zal één zijn met Zijn Bloed. 19. En gij zult toegerust worden om de zonen van Belial te verslaan. 20. Ja, gij zult strijdtaktieken leren, en de Heere zult gij aanhangen. Leer dan Zijn tweede Geest te verstaan, en de tweede Metensia, want gij zijt gemaakt om te stromen. 21. Ja, gij allen zijt een pelgrim van Zijn Woord, een vluchteling in Zijn Genade. 22. Gij dan die genade hebt geschonken aan onze lijdende Heer, drinkt van Zijn genade, als het kostelijk loon van de dauw en het morgenrood. 23. En hij zal de engelen van het tweede zenden tot de baard van Abraham, die van honing druipt. En gij zult een schuilplaats vinden in het laatste der dagen. 24. Gij zult de tweede Metensia als een cobra vinden op haar pad. En gij zult weten dat dit de Heere is. 25. Breekt uzelf dan vrij van uw ketenen, en doe dat in de Naam van de tweede Christus.

2.

Het Nieuwe Verbond 

1. Paulus, dienstknecht van de Allerhoogste, de tweede Paulus, anfitaat van een nieuw verbond. 2. Het oude is niet ver van verwijdering, maar de cobra blijft deze paden betreden, en zal niet loslaten de geslachten van het Woord. 3. Hij zal de ouderen helpen, en schuilplaats heten voor wees en vluchteling. Ja, weduwen zullen hem aanhangen, en Hij zal luisteren naar het jonge. 4. Hij die volkomen is en de wet heeft vervuld, maar niet om de wet teniet te doen, maar om haar rijp te doen worden. 5. Nu dan kunt ge drinken van de wet tot eeuwig leven. Ja, er is een tweede behoudenis, opdat uw tweede geest behouden zal worden. 6. Zij dan die geen tweede geest hebben, hebben geen behoudenis. 7. Komt daarom tot een nieuw verbond, want gij zijt genaderd tot de tijden van de vijfde Utmir. 8. Gij dan die zich hebt laten enten op de boom van Christus, Zijn tweede is nu in de maak. 9. God heeft in Zijn geheimenis bij Eminius een nieuwe zoon geschapen, een eeuwige zoon, de tweede Christus. 10. Ziet dan toe dat ge Hem die spreekt niet afwijst, want Hij zal de afvalligen brengen tot het tweede vuur en de tweede hel, waar Beuse met haar engelen branden. 11. Laat dan niemand denken dat deze hel voor altijd is. Deze hel leidt tot het tweede Gehenna, waar de totale vernietiging heerst. De Heere zal loon geven naar werken, en dit loon woedt alleen totdat de maat en de tijden vol zijn. 12. Laat daarom niemand beangst zijn voor eeuwig leed, maar vreest de Heere die in een Utmir harder slaat dan eeuwig leed. 13. De Heere Heere is een brandend en verterend vuur die Zijn tweede evangelie heeft gezonden, en dit evangelie is eeuwig. 14. Dit zijn de woorden van de tweede Paulus, anfitaat voor het aangezicht des Heeren. 15. Nu dan, zet de gevangenen vrij, die lijden door valse woorden. Valse apostelen zijn zij, die schapen hebben misleid. 16. Maar het heeft de Heere Heere behaagd u van Zijn Liefde te vertellen, en dan is valse liefde niet ver van verwijdering. 17. De cobra zal haar eten, zij die verderf heeft gebracht op eeuwige bergen. 18. De Heere zal valse priesters uit uw midden wegdoen. Hoort dan niet wanneer zij roepen op de straten en valse woorden verkondigen op de pleinen. 19. Luistert dan niet naar hen die vrolijke liederen zingen, terwijl u beeft van angst. 20. Zij hebben niet naar wezen en weduwen omgezien, en daarom zal de Heere hen slaan. 21. En enigen van hen zullen kleine hulp vinden van demonische dienaren, en een mantel vinden bij de tweede satan. 22. Ziet dan toe dat gij hem die spreekt niet veracht. Want hij heeft de macht u over te leveren aan de tweede satan. 23. Verschrikkelijk is het om in de handen te vallen van de zonen van Lucifer, want zij zijn als dolle honden en wolven.

3.

Opening van het Tweede

1. En de Heere zal uw tweede geest openen, om Zijn Tweede Geest uit te storten. Dan zal er geen verraad meer zijn in Zijn Heilige tempel. 2. En de cobra zal verzoenen jong en oud, en Hij zal komen om het woord te testen. 3. Ja, heilige toetsers zal hij opstellen rondom het altaar, en zij zullen de wetten des Heeren binden om het hoofd van de profeet. 4. En de tweede Elia zal opstaan om grote dingen te doen, en de weg van de Tweede Christus te bereiden. 5. Maakt dan vrij de poorten. Dit zijn de dagen dat de Heere u een tweede geest zal geven, dieper in uw binnenste. En er zal geen verstoring zijn op Zijn Heilige berg, noch inbraak. 6. En gij zult rust kennen als het kind der vrede. Ja, want de Heere zal scheppen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, wanneer de engelen van het tweede staan met hun trompetten. 7. Zij zullen de Heere dienen, maar de Heere heeft geen behagen in hen die prijzen zonder Zijn werken te doen. 8. Ik zal die prijzers, zegt de Heere, Ik zal hen wegdoen van mijn heilige berg en hen in de krochten van de tweede tartarus zenden. Zij zijn overgeleverd aan de zonen van de Behemoth. 9. En de Zoon van het Woord zal hen met de moker slaan. 10. Maar de Heere zal hen die op hem wachten het tweede Woord zenden, als een tweesnijdend zwaard komende uit zijn mond en buik. 11. Ja, de heere zal openen het oor van uw binnenste, en gij zult de Heere verstaan. 12. In deze dagen zijn er vele spotters gekomen, hun ouders ongehoorzaam, en ziet de Heere zal hen slaan. 13. De Heere duldt geen gespot meer bij zijn heilige tempelen. Ja, de Heere zal de tweede tempel openen, en hij zal zijn tweede ark laten zien. Zalig hen die de spot niet kennen, want zij zullen toegerust zijn met de krachten van de toekomende dagen. 14. De heere geeft rust als loon, en zal Zijn cobra laten zien, komende van het allerheiligste. 15. En in de dagen dat de cobra spreekt zal er stilte zijn op zijn heilige berg.

4.

Waarschuwingen

1. En ik, de tweede Paulus, ben dan geslagen door zijn Geest, gebonden in mijn tweede geest, tot een heilige opdracht. Ja, de Heere maakt waarlijk vrij, hen die zich tot het nieuwe verbond binden. 2. En zijn profeten zijn gevoelig voor tijden en seizoenen, en kennen de bedelingen des Heeren. 3. Zij dragen de gaven van het lijden tot diep in hun lichamen, om de zalvingen des heeren uiting te laten geven. Ja, zij hebben het ei des Geestes in de tweede ark gelegd tot een allerheiligste gave van geloof. 4. Geloof dan in het tweede, en gij zult gered worden. Zijn roep gaat uit in de laatste dagen. 5. En tot hen die de gaven van oordeel dragen : Ziet dan toe dat gij die allerheiligst behandelt, want het vuur kan u ook slaan. 6. En tot de geslagenen : De Heere is bij de verslagenen van hart, laat u dan tuchtigen, want het is een gave tot eenwording des Heeren. 7. En tot hen met scheppende gaven : Draagt dan hen die lijden tot het altaar, om het altaar over hen te laten spreken. 8. Vervloekt is de geneesheer die het lichaam geneest en de ziel verloren laat gaan. 9. En ik heb enigen van hen aan de tweede satan overgeleverd opdat hen het handelen in zielen wordt afgeleerd. 10. De woestijn roept tot u, allen die de Heere volgen, en gij zult een oasis vinden in uw tweede geest, die God vanaf den beginne heeft bestemd om in de laatste dagen als een licht in uw binnenste op te rijzen. 11. En de Heere heeft mij geroepen om het werk van de eerste Paulus voort te zetten, en dit werk sluit erop aan als een nauwsluitend zegel. 12. Doet dan aan de wapenrusting van het tweede bloed, vergoten vanuit de hemelen. 13. En de Heere leed in het hongerend Afrika, maar zijn gemeente heeft hem niet gewild. 14. Daarom zal de Heere de eerste gemeente wegvagen en de tweede gemeente behouden. 15. En de Heere zal zijn eerste christus wegnemen om zijn tweede christus te zenden met een nieuwe wet. 16. Ziet dan toe dat gij hem die spreekt niet weggooit, want de Heere Heere is een verderfer der zielen. 17. Doet dan aan de wapenrusting van het tweede bloed, en hangt de tweede Christus aan tot het zaad van de nieuwe Geest. 18. Ja, de tweede gemeente vecht en overwint, terwijl de eerste gemeente zakt in misleiding en verderf. 19. De Heere heeft alreeds een leugengeest gezonden tot hen die het moordend woord in stand houden. 20. Zuivert dan uw woorden, en dan zal de Heere zien of Hij genade zal hebben met u. 21. Maar velen zullen overgeleverd worden aan de leeuwen van Zijn oordeel. 22. Niet alle martelaren sterven in de heere.

5.

Nieuwe Behoudenis

1. Tot hen die de Tweede Geest hebben ontvangen : Spreekt dan veel in tweede tongen, om uw zielen te behouden. 2. De Heere zal nieuwe tongen over de bodem uitgieten, en gij zult nieuwe gaven van onderscheiding ontvangen, om boze geesten van het tweede uit te drijven in de naam van de tweede Christus. 3. Ziet dan toe dat ge ge-ent bent op het tweede kruis, want de honger zal u tot overvloed leiden. 4. En doe bedekkingen met het tweede bloed, opdat de gemeente de engelen van het tweede aanschouwt. 5. En de Heere zal met blindheid slaan hen die hun ogen aan de tweede satan hadden geofferd. 6. Al die tot de Heere genaderd zijn : de Heere laat niet met zich spotten. En de Heere slaat die hij liefheeft. 7. Dit zijn de woorden van de tweede paulus aan hen van het tweede efeze. De Heere zal uw bloed heiligen op het altaar, want gij hebt de helm van het tweede geloof om wonderen en tekenen te verrichten. 8. Gij bent de aderen des Heeren. Zalig hen die een juk dragen in hun jeugd. Zalig hen die de Heere toebehoren en de gave van zijn lijden hebben ontvangen. 9. Gij weet allen dat de helm van het tweede heil voortgekomen is uit de tweede doornenkroon. 10. De Heere bemint hen die met hem lijden, en die Zijn gedachten en gevoelens dragen, hen die om Zijnentwil leven in misleiding en verdrukking. 11. De Heere ziet het hart aan. Hij is geen Heer die zou toornen om vlees. Hij toornt op harten. 12. De kunstwerken des Heeren dale in uw harten, en Zijn Zegen zal u behoeden. Laat ons dan uitzien om elkaar te ontmoeten in het laatste der dagen, in het gewelf van het tweede ijs, waar apostelen zalig zullen worden. 13. Zalig hen die met reine en nederige harten zijn gekomen tot de vijfde Utmir. 14. Zalig hen die twijfelen, maar vervloekt hen die met zekerheid het zwakke vervolgen. 15. Als het sterke dan zwak is, hoe zwak is het.

6.

Ernstige Waarschuwingen

1. De Heere dan heeft u twijfel gegeven om aan de misleiding te ontkomen. Laat het dan als een gave berekent worden, en luistert niet naar hen die spotten. Zij zullen vallen in de handen van de zonen van Beelzebul. 2. Vervloekt zij hen die met zekerheid macht uitoefenen over schapen om hun vlees te eten. 3. Zij zijn geen herders maar huurlingen, werkende voor het slachthuis. 4. Vervloekt hen die vlees eten, want zij zullen vanuit hun binnenste wegrotten. 5. Ziet dan toe dat de cobra u niet wegslepe ver van huis, om u verschrikkingen te tonen zonder ontsnapping. 6. Gij die nog steeds leeft van de dood : Vervloekt bent gij, oh mens. De Heere heeft u het leven voorgehouden, maar gij hebt de dood verkozen, en leeft daarom van het bloed van uw broeders. 7. Gij die een dier niet kan eren, hoe kunt gij de Heere eren, die immers dier is ? 8. Gij die een dier haat, hoe kunt gij de mens liefhebben die immers uit een dier voortkwam, dat was de Heere ? 9. Ik zal hen slaan die slagers, en al hun volgelingen. Vreselijk is het in de handen te vallen van de levende christus. Hij die dood is is niet verre van verwijdering. Vreselijk is het te vallen in de handen van de tweede Christus, en om te vallen in de poel van het tweede bloed. 10. Ja, gij zult huiveren van uw voedsel, want het zal tot leven komen om uw ingewanden te eten. En de Heere zal uw gebeden niet verhoren, want zij zijn Hem een gruwel. 11. Vervloekt hen die zeggen : Laten wij kwaad verrichten op de heilige bergen des Heeren, want aan hen zal kwaad gedaan worden. 12. Gij die met vuur speelt, ziet dan toe dat het u niet verslinde. 13. Ziet dan, de cobra is tot u uitgegaan, met een eeuwig evangelie, hij die de macht heeft om u te verdoemen in de tweede hel. En die hel zal vreselijker zijn dan de eerste. 14. Gij weet allen dat het tweede pantser der gerechtigheid van het tweede recht is, en daarom rechtvaardiger dan het eerste. 15. Gij weet dat het voortgekomen is uit het tweede spotkleed. Zalig hen die met Hem dit kleed hebben gedragen. Want zij hebben troost gebracht aan het leed des Heeren, en niemand zal hen kunnen roven uit Zijn Hand. 

7.

Aanhef

1. Dit zijn de woorden van de tweede Mattheus in het laatste der dagen. Ziet dan toe dat gij hem die spreekt niet afwijst. 2. Mattheus, anfitaat der Allerhoogste, met het tweede evangelie, als eeuwig evangelie geopenbaard, als een nauwsluitend zegel op het oude. 3. Ja, de Heere houdt van het oude, en zal daarom de paden niet afbreken maar vervullen in het nieuwe. 4. Zalig hen die de geheimenissen van het tweede kennen. 5. En er was een man komende met de wolken des hemels die de Naam de tweede Christus droeg. En in Hem was geen zonde of smet. 6. En Hij was omringd met leeuwen die hem dienden, en hijzelf was als de cobra des heeren. 7. En hij kwam om de gemeente te tuchtigen door Zijn Woord. 8. Dit zijn de woorden van de tweede Mattheus voor de laatste dagen. De Heere heeft u een tweede Christus gegeven. 9. En zijn tweede engelen kwamen tot Hem om hem op aarde te dienen. Hij stierf aan het kruis van honger in de streken van Afrika, bespot en alleengelaten door de gemeente. 10. En daarom zal de erfenis naar de tweede gemeente worden gezonden, en de eerste zal niet ver zijn van verwijdering. 11. Ja, de Heere kwam naar de aarde als een dier, maar werd geslacht en gegeten door de gemeente. 12. Vervloekt zijn zij. Ja, amen, terwijl de leeuwen toekijken zullen zij voor afgemeten tijden branden in het vuur van de tweede hel. 13. En tot Zijn kindekens : Ik zal u uitleiden tot de tweede hemel, en u de vruchten van het tweede geven. Ziet dan toe dat ge niet stilstaat om tezamen met de eerste gemeente ten onder te gaan. 14. Ik heb u het tweede woord gegeven, en vuur is in uw mond en binnenste om de afvalligen te verteren. 15. Maar ziet toe dat u zelf niet wordt verteerd, want de Heere duldt geen zonde voor Zijn aangezicht. 16. Gij hebt rekenschap af te leggen voor hem die uw zielen behoedt en voor zijn heilige cobra. Amen. 17. Zalig hen die het tweede spotkleed hebben gedragen, want zij dragen het pantser van het tweede geheim. 18. Zalig hen die de tweede doornenkroon dragen, want zij zullen de poorten des hemels vinden. 19. De Heere heeft Zijn roep op hun hart gelegd, en zij onderscheiden het goede van het kwade. 20. De Heere zal dan geen medelijden hebben met hen die zich laten verblinden om witte moorden te plegen. 21. Zij zijn als de hoeren die hun mond afvegen en zeggen : ik heb niks gedaan. 22. Laat dan de tweede Christus u oordelen. Hij die honger heeft geleden om des Heeren Wil. 23. En ik ben een anfitaat in boeien, heilig zijn zij. 24. Ik heb de gave van het lijden ontvangen, om het woord te brengen.

8.

Geen eigenmachtige uitleg

1. Gij dan die tot de tempel van de cobra zijt genaderd : Heb dan lust de geboden des Heeren te doen. Zij leiden tot eeuwig leven om eeuwige vreugd te brengen. 2. Ik heb mijn wetten in uw binnenste gebrand, spreekt de Heere. Nu, leeft dan in de nieuwe tempel. 3. En de cobra zal velen tot zaligheid brengen, en zal dichtbij hen die twijfelen zijn. Laat u dan van het oude verbond verlossen, want het was een verbond des doods. 4. Ja, het heeft u getuchtigd en wijsheid gebracht, maar ook heeft het u misleid en u deel laten hebben in het kruis der profeten. 5. Ziet dan toe dat ge de duif die spreekt aanneemt, staande op de rug van de cobra, hebbende het gezicht als een arend. 6. Laat u dan brandmerken door Zijn Geest tot de tweede Metensia en de tweede Eminius, en gij zult zalig zijn. 7. Zoekt dan rust in heilige woorden en laat het oude voorbijgaan. 8. De cobra zal u het oude doen eren, maar gij zult de dood verslaan. De cobra zal u laten luisteren naar kindekens, en gij zult de vreze des heeren ontvangen. 9. Heb dan lust de geboden des Heeren te doen, en recht te spreken in zijn tempelen. Want was het oude recht niet onrechtvaardig ? Nu is er dan een nieuwe dag gekomen. 10. Het tweede schoeisel des vredes is onder hen die de Heere loven door werken. 11. Vervloekt zij hen die loven zonder werken, want zij zijn als holle wolken zonder water, voortgedreven door de wind. 12. Zij zullen dor zijn als as, als koren van de tweede hel. En deze hel zal verschrikkelijker zijn dan de eerste. 13. Ziet dan toe dat gij het sprekende kruis niet afwijst, want ook voor u heeft hij geleden, om u te laten zien wat u zou moeten lijden. 14. Maar gij hebt zijn woorden verdraait. Ziet dan toe dat ge niet verder afdwaalt. 15. Zalig hen die twijfelen en toetsen, en vervloekt hen die niet toetsen, want zij zijn overgeleverd aan trotse harten, aan de zonen van satan. 16. Ziet dan toe dat ge door uw opgeblazenheid en valse zekerheden niet valt in hetzelfde oordeel als de zonen van de leviathan. 17. Weest dan geen volgelingen van de tweede Kain en de tweede Izebel die in hetzelfde bed slapen. 18. Zij varen naar het laatste oordeel van het tweede. Hun namen zullen niet in de tweede boeken des levens gevonden worden. 19. Ziet dan toe dat ge geen valse profeten aanhangt, want in hetzelfde oordeel als hen zult gij vallen. 20. En de Heere zal niet onschuldig houden hen die eigenmachtige uitleggingen aan het tweede woord des geestes geven. 21. Hun zal afgenomen worden hun delen van het paradijs en de schatten der bedieningen. 22. De Heere zal hen te schande zetten op heilige bergen, en zij zullen geen dienst meer voor het altaar mogen verrichten. 23. Maar de Heere is met hen die beven voor Zijn Woord, en hen die de gave van twijfel hebben ontvangen om het woord te toetsen.

9.

Geen Eeuwige Toorn

1. Ja, de Heere zal een slachter zenden om de gemeente te slepen tot het altaar. 2. En de Heere zal haar vrucht toetsen. 3. De Heere ziet alles. Zij die zondigen hebben geen rust, dag noch nacht. 4. De heere zal uw harten in vlam zetten wanneer gij nadert tot Hem, en hij zal heiligen hen die zijn bestemd tot het laatste der dagen. 5. Vreest dan Hem die uw geschiedenis en toekomst kent. Hij, die uw gedachten van verre ziet aankomen. 6. En na de slachting op het altaar zal er dan geen plaats meer zijn voor berouw, maar tot een vreselijk uitzicht op het tweede vuur des Heeren dat de wederspannigen zal verteren. 7. De Heere toornt niet voor eeuwig, maar hen die het tweede woord belasterd hebben zullen hun loon niet ontgaan, en zullen de vrucht van hun afvalligheid in hun binnenste bemerken. 8. De monsters van hun feesten zullen hun van binnen verslinden en baas over hen zijn. 9. Ja, weet dan dat de beesten die u misleiden in toorn en tweede hel zullen veranderen wanneer zij u in hun hutten hebben. 10. Dan keert de zoete misleiding om in een bitter graf. 11. En de zonen van Lucifer zullen plagen van angst zenden, want gij hebt de heere verlaten. 12. Ja, angst zult gij hebben wanneer gij in de duisternis bent zonder de Heere. 13. Dan zal de Heere niet te verbidden zijn, maar zult ge het loon der zonde moeten uitzitten. De Heere heeft vele gevangenen. 14. En dan zult ge zien dat de Heere waarlijk rechtvaardig is. De Heere zal een ieder slaap gunnen aan het einde der dagen, en hen die hun straffen hebben uitgezeten zullen rust vinden in een eeuwig graf. 15. De Heere duldt geen pauselijke leugens, en de Heere duldt hen van de canon niet, want zij hebben kooien van eeuwige angst gebouwd. 16. Geeft dan ruimte en vrijheid des Heeren aan het volk van God, en leidt hen uit tot het tweede Woord in hun allerheiligste reis. 17. Want gij zijt allen pelgrims, en gij zult wonen in het tweede huis des heeren. 18. De Geest die de Heere dan geeft is de Geest der Vrijheid, en de Heere zal al hun tranen afwissen. 19. Wanneer gij dan ouder wordt in de Heere zal de Heere u loskopen uit alle misleiding en zal zijn woord in u vrijgemaakt worden. 20. Dan zullen de zegelen van uw hart breken en gij zult vluchten tot uw tweede geest.

10.

De Geest der Vrijheid

1. Maar er zijn lieden die het tweede woord zullen verdraaien zoals ze met het eerste woord hebben gedaan, en zij zullen de tweede gemeente verdrukken. 2. Ja, zij zullen zich in uw midden opstellen om harten te misleiden, maar houd u vast aan uw ouder wordende geest, en tot de Geest die in u spreekt van het zuivere tweede. 3. Laat u dan het evangelie u niet ontnemen dat tot de zaligheid uwer zielen geschreven is. 4. Ja, de trompet des heeren kondigt nieuwe tijden aan, en zij zullen voor de heere buigen. 5. De Heere zal velen tot slaap brengen, en tot dronkenschap. 6. Laat het dan geen dronkenschap zijn zonder recht. De Heere heeft u toch immers met Zijn wetten bezegeld. 7. De Heere zal de poorten van uw ziel bewaken, en het tweede zal vaste grond krijgen. De Heere voert Zijn kinderen uit, ook uit de onderdrukkingen der gemeentes. 8. Weest dan lid van het tweede lichaam van Christus, en hangt de tweede Geesten aan. 9. Zij zullen uw hoofd verlichten, en uw harten leiden tot de tweede geest, waar bronnen des hemels wachten om open te gaan. 10. Weest u dan bewust dat de woorden des heeren krachtig zijn tot het scheiden van goed en kwaad en om de koppigen tot verlichting te brengen. 11. Het woord des heeren is immers als een lamp schijnende in duistere plaatsen. 12. Ja, ook de putten zullen van het tweede woord des heeren nemen, en zij zullen buigen. 13. Dan zullen alle tweede putten voor de heere staan en de heere zal hen oordelen naar hun werken. 14. En de draken van het tweede zullen rekenschap moeten afleggen van hun daden en koopkrachten. 15. Zij zullen hun verdragen met de kooplieden der aarde moeten openen voor het aangezicht des Heeren. 16. En het tweede vuur zal verzengingen doen tot aan het tweede ijs.  En gij zult de tweede Eminius kennen. 17. Want vol zijn de hemelen van de tweede engelen en de tweede Geesten des Heeren. 18. En wanneer de tweede tronen in het daarvoor bestemde uur oprijzen is de eerste troon niet verre van verwijdering. 19. Dit zijn de woorden van de tweede Mattheus. Zalig hem die het tweede evangelie verkondigt, en daarmee de gevangenen van het oude vrijzet. Want de Geest des Heeren is Vrijheid.

11.

De vijfde Utmir

1. En mij, de tweede Mattheus zijn gegeven de sleutelen der vijfde Utmir, om de tweede gemeente binnen te leiden. En hun schoeisel zal niet verbrand worden, en zij zullen langs koele wateren gaan. 2. Maar vuur uit de mond des Heeren zal vallen op al hen die achterblijven en de canon blijven aanhangen. 3. En er zal alleen adem zijn in de tweede gemeente in het vijfde der Utmiren. 4. En ik zal mijn profeten aansporen om te profeteren totdat de deuren achter ons gesloten zijn. 5. Vervloekt hen wiens geesten op de vorige aarde achterblijven. Dit zijn de heilige woorden van de tweede Mattheus, anfitaat voor het aangezicht van God. 6. Laat dan de tweede Christus u loskopen uit dit boze geslacht, wanneer gij hem hebt losgekocht met alles wat u had. 7. Zalig hen die acht hebben gegeven op het licht der armen, want zij zullen de Heere zien. 8. Zalig hen die het tweede kruis kennen in hun geest, want zij zullen een schuilplaats in de nieuwe geest vinden. En deze geest is eeuwig, en zal groeien tot in aller eeuwigheden tot een boom des levens. 9. Zalig en mystiek zijn de schatten die de Heere heeft weggelegd voor hen die Hem volgen en Zijn voetstappen bewaren. 10. Zalig hen die rouwen wanneer de Heere rouwt. Zij zullen de lichten van het tweede kruis tot lampen hebben in de tweede duisternis. En deze duisternis is donkerder dan de eerste. 11. Zij zullen van de vierde dood geen schade lijden, want zij zijn door de Heere en diens tweede engelen in myriaden en myriaden gekend. 12. En zij dragen de klokken des Heeren in hun monden en buiken, terwijl hun hoofden gebonden zijn met zoete koorden die hen leiden tot de uitgestrekte velden van vrijheid des Geestes. 13. De Heere waakt over hun zielen, en zij kennen zijn geboden. 14. Zij spreken recht onder hoge bomen, en kennen de gezangen der vogels. 15. Zij zijn teder als zij hard zijn, en hard als zij teder zijn. In hun liefde sparen zij het kwaad niet. 16. Zij hebben de Geest van aanvaarding leren kennen in het verwerpen van het kwaad, en zij worden geleid van inzicht tot inzicht. 17. Zij kunnen onderscheiden de harten des Heeren en van de kindekens, en zij gebruiken zijn woord in en tot vrijheid des Geestes. 18. Hun zwaarden zijn zacht in hardheid en hard in zachtheid.

12.

1. En de Heer sprak dan over het Woord als over zaad op een akker, wat alleen gelaten moest worden om door de regen, de zon en de kou sterk gemaakt te worden. 2. En de Heere sprak dat het Woord zou groeien als de cobra, om harten te slaan met schrik. 3. En deze schrik zou een tweede schrik zijn, groter dan de eerste. 4. En de Heer droeg zijn discipelen op om het Woord te verkondigen, want Hij had hun tweede geest aangeraakt. 5. En zij waren op een bovenkamer bij elkaar gekomen en de Heere gaf aan hen tongen van vuur. 6. Maar hun lippen werden koud als ijs. 7. Zo was het evangelie dan als kou en ijs. En de Heere maakte zijn woord sterk. 8. En tot de discipelen werden zieken gebracht, maar zij werden niet genezen, want het was de tijd des Heeren niet. En de zieken werden tot een eenzame plaats gebracht waar zij het woord des Heeren hoorden. 9. En na enige tijd ging er een wind uit van de discipel die sprak en de zieken werden vervuld door de Geest en zij gingen op hun benen staan. 10. En de Heere voegde die dag honderdtwintig zielen tot hen die behouden werden. 11. En de discipelen spraken : Er is geen behoudenis in een stem of een naam, en ook niet in een kracht. Er is alleen behoudenis in een hart dat de Heere zoekt. 12. En de gezichten der discipelen waren als die der engelen. 13. En er stond een man op genaamd de tweede Petrus, en hij deed grote wonderen voor het aangezicht des Heeren, en leeuwen des hemels verschenen naast hem in het wit. 14. En er kwam grote vrees over de schare, want hij liet ijs uit de hemel dalen, en de leeuwen des hemels verscheurden velen. 15. En hij had het lichaam als van een cobra.

13.

1. En men bracht vele zieken tot de tweede Petrus, en hij nam ze mee naar eenzame plaatsen, en leerde dat een kind van God veel moest lijden om in te gaan. 2. En zijn woorden hadden kracht, en brachten velen tot verlichting. 3. En in de dagen erna voegde de Heere duizenden tot de groep, en ze leerden over het lijden en het oordeel. 4. En de tweede Petrus riep : 'Ziet dan op het tweede kruis, waar gij leert hongeren voor de Heere.' En olie en honing vloeide er van zijn handen af, en hij bracht vreemde krachten tot hen die om hem heen stonden, en zij begonnen op een andere manier te bewegen. 5. En enkelen raakten in dronkenschap en werden bespot door voorbijgangers. Maar de tweede Petrus geraakte in toorn en een cobra des hemels kwam om hen te verslinden. 6. En de tweede Petrus riep : Ziet dan toe dat ge de dronkenschap des Heeren niet afwijst. En wijn des hemels kwam naar beneden om de discipelen te zalven. En de groep werd groter iedere dag. 7. Maar de autoriteiten beraamden al snel een plan tegen hen, en de tweede Petrus werd tot de hoge raad geleid. 8. Maar de dieren des hemels waren met de tweede Petrus en bliksemschichten kwamen van zijn klederen af om hen te verzengen. 9. En grote angst kwam over het volk, en ze vroegen of hij hun leider wilde zijn. Maar de tweede Petrus sprak : 'Er is geen leider dan het hart dat zich verborgen houdt om de duisternis te zoeken.' En hij trok zich terug tot het woud. En hij schreef brieven tot hen van de tweede gemeente, en de tweede gemeente werd groot en volwassen. 10. En in die dagen vloeide de tweede wijn, en de profeten kregen dubbel zicht opdat zij door alles heen konden kijken. 11. En doorzichtige visioenen kwamen tot hen, en de Heere schonk grote wijsheid aan de gemeente. 12. En de Heere opende een bron van adem. En de Heere sprak : Van nu aan stroomt genezing vanuit de duisternis.

14. 

1. En enkele zegels werden van het Woord afgehaald, en geheimenissen werden aan de gemeente geopenbaard, en de Heere voegde steeds meer toe aan hen. 2. En de tweede gemeente werd als de slangen des hemels, en grote gaven openbaarden zich in hun midden. 3. En de Heere sprak : Van nu aan stromen de gaven vanuit het verborgene. 4. En velen gingen in het woud wonen, en schreven mystieke boeken. En velen die onschuldig vastzaten werden vrijgezet. 5. En de Heere gaf het volk macht over de onderdrukkers van het lichaam, en de Heere begon het volk inzicht te geven over het lichaam des doods en het lichaam des levens. 6. En de Heere sprak : 'Zie, Ik schep een nieuw lichaam.' En de Heere zond zijn tweede engelen tot de aarde om grote scheppingswonderen in het lichaam te verrichten. 7. En zij droegen de gloed van het morgenrood, en zij begonnen te verschijnen op gezette tijden. 8. En de Heere schiep nieuwe seizoenen en nieuwe tijden, en de aarde kwam in het vijfde Utmir. 8. En de Heere voegde dagelijks toe aan hen die Hem volgden, en grote wijsheid en kennis kwam tot hen die de machten der duisternis bestudeerden. 9. De Heere gaf hen de oorlogstaktieken en stond niet meer toe dat zij bespot werden. 10. En er was een plaats genaamd het tweede Golgotha in Afrika, en de Heere maakte deze plaats groot. 11. En vanuit alle hoeken van de aarde werd deze plaats bezocht, maar de apostelen spraken : 'Het heil is niet te vinden in een plaats of een persoon, maar in het hart dat zich verborgen houdt.' 12. En de gemeente werd een volk van eenlingen, en zij die de krachten van het ijs niet konden aanvaarden vielen weg van de Heere. 13. En in die dagen hielden familiaire en sociale geesten velen tegen om behouden te worden. 

15.

De arenden van het Woord

1. En ik zag een zwarte arend verschijnen in het midden van de tweede hemel, en een witte arend zat op een rots, en ik zag uitgestrekte zeeen in de verte. 2. En ik zag de Heere als een ruiter verschijnen, dragende een  trompet. En zijn haren waren als witte vlammen. 3. En toen Hij op de trompet blies kwam er een beest uit de zeeen voort, en de Heere sprak : Vreest niet, want het is de tweede Matas, en Hij is het Beest des Heeren. 4. En de witte arend die als het Woord des Heeren was steeg op, om hen die niet wilden horen te slaan. 5. En ik zag een grote schare opkomen die de arend volgden, en zij maakten zich groot tegen de zwarte arend. Maar toen kwam er een traan uit de ogen van de witte arend om hen te verteren. 6. En de Heere sprak : Zo zal het een ieder vergaan die het tweede Woord niet aanvaardt. En de Heere was als een stichter van oorlog. En de Heere sprak : Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het Zwaard. 7. Heiligt u dan voor Mijn Aangezicht. En zo zou de komst van de tweede Christus zijn.

Het Tweede Pniel

8. Zalig hen die het eerste en tweede Woord hebben. Maar hen die het tweede Woord niet hebben, zullen het eerste ook niet hebben. 9. En de heiligen worstelden met de tweede engelen en met de Heere, en zij werden geslagen op een plaats die het tweede Pniel heette. 10. En zij werden gevoelig voor het tweede Woord. En de Heere zegende hen. Zalig zij die de wonden van het tweede Woord dragen. 11. Zalig hen die twijfelen, want zij zullen kracht tot toetsen hebben, en de Heere zal hen leiden tot de tweede zekerheid. 12. En in de tweede pijn ligt de hand des Heeren opgeborgen.

Het Grote Rome

13. En de tweede toets was zoet voor de ogen van de Heere, en Hij gaf genade aan hen die de geesten beproefden. En de Heere zond lichten en bliksemschichten tot de aarde, tot tekenen van hen die Hem volgden. 14. Maar ook de tweede antichrist kon lichten uit de hemelen laten neerdalen. En de tweede draak gaf hem grote kracht, en zalfde hem met vele gaven. En er werden boeken geopend, en zij die jong waren moesten veel lijden. 15. En de Heere sprak : 'Zalig hen die piekeren, want zij zullen voor hoogmoed bespaard blijven.' En de tweede valse profeet en de tweede hoer kwamen tot het aangezicht des Heeren. 16. En zij kwamen van het tweede Sodom en het tweede Babylon.En hen werd gegeven het volk voor enige tijd te beproeven. En zij brachten grote rijkdom tot hen die de modder der aarde nog nooit hadden gevoeld. 17. En zij brachten dwaalleer tot hen die in de hutten der aarde woonden. Maar de Heere spaarde velen van hen, omdat zij wezen waren, en hij leidde hen tot een rots die Hij de rust der anfitaten noemde. 18. En de Heere sprak daar tot hen door een engel, zeggende : 'Het is beter met de discipelen te lijden dan overvloed en lering te zoeken. 19. Want van kennis wordt het hoofd opgeblazen, en verliest het hart grip.' En de Heere plaatste een tweede boom der kennis in de hof waar ze terecht waren gekomen, en Hij verbood hen om van de vruchten te eten. 20. Elke dag op gezette tijden kwam er een engel om hen te onderwijzen. De vruchten nu van de tweede boom der kennis waren hoog, en er zat een arend des Heeren om de vruchten te bewaken. En de Heere gaf aan hen die in de hof waren een tweede hart. 21. En de Heere sprak tot de kinderen dat zij veel bespot moesten worden. En in de nacht kwamen er vogels die hen niet lieten slapen, en overdag waren er honden die op jacht gingen. Maar het dreef de kinderen naar elkaar toe, en de Heere zag dat het goed was. 22. En in de hof stonden ook bomen van het tweede Sodom en het tweede Babylon, en de Heere hakte hen weg omdat ze geen vrucht droegen. En toen moesten de kinderen een zee overzwemmen die het Grote Rome heette, en deze zee was tegelijkertijd een haai. 23. En de kinderen werden boos op de Heere, omdat ze verzwakt waren, en merkten dat de zee hen verslond. Maar een Wind des Heeren nam hen op, en zij kwamen terecht op een eiland genaamd het tweede Bethlehem. En zij die daar woonden hadden grote ogen.

16.

Het Nachtzicht

1. En de Heere sprak : 'Dit geheimenis is groot, en zalig hen die het verstaan.' En de tweede boom des levens was te vinden op het eiland, en een ieder die van haar vruchten at kreeg ook grote ogen. 2. En er waren daar profeten des Heeren met dubbel zicht, en ook met nachtzicht, en zij onderwezen hen met vele visioenen. 3. En hen werd verteld dat verderop op het eiland alles donker was, en dat zij zich daar als een blinde zouden voelen. 4. Maar de Heere zou hen leiden met nachtvisioenen en zou hen het nachtzicht geven aan het einde van de reis.

17.

Niet verslaafd worden aan de wijn

1. Vrouwen hebt uw mannen lief. Neem hen bij de hand, en leer hen begrijpen. Word dan niet verslaafd aan wijn. Ware wijn stroomt van binnenuit. Weet dan dat de Heere u het lijden geschonken heeft om dronken te worden. En daar door de wijn te drinken gij dronken raakt, zo zult gij het lijden moeten drinken om dronken te worden. Dit dan is het tweede lijden.

2. Door dronkenschap kunt ge uzelf in de ander verplaatsen. Het denken houd dit tegen. Daarom heeft de Heere u het lijden geschonken. Drinkt dan uw pijn, en gij zult zalig zijn. Want gij zult zo in aanraking komen met de pijn van een ander, en diens vreugde. Laat daarom de eenheid u tot dronkenschap wezen, en volg dan de weg van de eenling.

3. Weest dan niet verslaafd aan verdovende middelen en genotsmiddelen, want dezen heeft de Heere uw God u al gegeven en stromen van binnenuit. Leert dan te drinken van de beker van de tweede Christus. Want God heeft ons geen aardse beker gegeven daar wij verjaagd worden van de ene hoek naar de andere. Maar God heeft u een Hemelse Beker gegeven.

4. Leert daarom drinken van Zijn Woord en het lijden. Gij kunt geen gezag aanvaarden indien gij niet drinkt van het kruis. En alle gezag is uit God. Maar velen hebben dit Woord verdraaid tot hun eigen ondergang. Gij moet buigen onder ieder gezag, opdat gij op de daarvoor bestemde tijd wortel schiet en opschiet om het gezag te breken. Ja, ook de Heere zult gij breken, en gij zult ingaan tot Zijn stromen van Levend Water en één zijn met Zijn Geest.

5. En daar sommigen het worstelen met God hebben vergeten heeft hun geloof schipbreuk geleden, maar de Heere zoekt hen die Hem overwinnen. Ook onder uw gezag heeft de Geest Gods geleden, maar Hij heeft het juk verbroken en u overwonnen.

6. Gij dan leeft op de aarde en in de hemelen. Weet dan, dat gij listig moet zijn als gij op de aarde zijt. Weest dan snel tot het lijden en langzaam tot het overwinnen, zodat niemand u tot een slaaf zal nemen. Leef dan zoveel mogelijk in het verborgene, opdat geen koning u ziet om u te kronen, en gij de kroon des hemels mist.

7. Geef niet om hen die aards loon ontvangen om u te onderdrukken. Zij hebben hun loon reeds, en de Heere zal het hen in de hemel niet geven. Weest dan niet al te toornig op het huis van dokters, want zij hebben de ketenen der slavernij verbroken, en hebben u de hemelse beker gegeven. Vreest dan niet voor hun ijs, want zij zijn u tot een duistere bescherming.

8. Bent gij dan vergeten dat de Heere tot u heeft gezegd : 'Gij zijt slaven.' Sommigen hebben Hem hierom bespot en geslagen. De Heere heeft Zijn engel Romarei gezonden, en de tweede Romarei, om het volk uit slavernij te leiden. Ja, Hij bracht u van balingschap tot ballingschap, maar de Heere leidde tot vrede. Rust nu, zij die ingegaan zijn tot de tweede sabbath. Zalig hen die van die beker hebben gedronken.

9. Gaat dan geen oude gevechten aan, maar groei op in de Heere, en vecht om tot de hemelpoort te gaan. Laat u niet teruggetrokken worden door oude vijanden, maar snijdt nieuwe hekken in. Zoek het gevecht niet op, en laat u niet leiden tot oude emoties. Doet dan de tweede mens aan, want het oude gevecht zal altijd doorgaan, totdat het opgelost wordt in de tweede hel.

10. Ja, doet dan aan de raadselen des Heeren, en weest listig.

11. Gij lijdt totdat gij het raadsel des Heeren ziet.

18.

Onrecht lijden

1. En de raadselen des Heeren zijn als een zee vol walvissen. En het grote geheimenis loopt tot het Grote Spanje, waar de zwarte haaien tot haar kusten naderen. Ziet dan toe dat gij geen deel hebt aan haar zonden, want de Heere Heere zal haar in één dag vernietigen.

2. En die dag zal zijn als de zon en de maan die tezamen komen. De Heere zal haar besmeuren, en de beker uit haar handen halen waarmee ze het bloed der heiligen en martelaren dronk. Ja, zij heeft handel gedreven met de kooplieden en slagers der aarde, maar zij zullen haar haten en haar vlees eten.

3. En dan zullen de walvissen de pilaren des hemels zijn en de stier des hemels zal haar volgelingen doorstieten. Vreest dan de Heere, en houdt uzelf rein van haar.

4. Keert dan niet terug tot oude gevechten, want de Heere zal uw vijanden veranderen in Zijn Handen. Hebt geen deel aan hun zonden, maar zoekt de raadselen des Heeren. Dan zal Hij Zijn engel Romarei en de tweede Romarei zenden om uw ketenen te verbreken.

5. Laat toch af van de mens, want wat is hij te achten ? Richt u dan op de dieren des hemels en gij zult de tweede mens aanschouwen.

6. Gij dan die nog vlees eet, vervloekt zijt gij. De ziel van het dier zal in uw lichamen tot leven komen en uw vlees eten. Weet gij dan niet dat hij die van de dood leeft, ook van de dood zal sterven ? Maar de Heere heeft u geenszins tot sterven bereidt, maar tot eeuwig leven.

7. Ziet dan toe dat zij die nog van vlees leven, ook elkander bijten en vereten. Zijt gij dan een stuk vlees, gebracht om gewogen, gemeten en verkocht te worden ? Doet dan ook een ander niet wat gij bij uzelf verafschuwd. De Heere zal voorzeker niet onschuldig houden hen die de Herder volgen om de schapen te eten.

8. Gij die nog van vlees leeft, gij zijt wolven tussen de schapen. Hinkt dan niet over de gedachte dat niemand u aanraakt. Gij hebt immers de wet verlamd. Doet dan weer recht op heilige bergen, en doet het kwaad uit uw midden, opdat de Heere zich over u ontferme.

9. Gij dan die kwaad spreekt achter de rug van uw broeder, ziet dan toe dat de Heere niet uw waarheid wegneme. Gij die de waarheid van een ander belastert, hoe kunt ge zelf in de waarheid staan.

10. Het loon over hen die onschuldigen aten, en dieren niet als hun medeerfgenamen beschouwden zal zwaar heten. De Heere zal hen niet onschuldig houden voor Zijn poorten.

11. Gij die het dier niet eert, hoe kunt gij de Heere eren, die immers dier is ? Gij die het dier niet tot vriend heeft, heeft ook de Heere niet, en is overgeleverd aan Zijn Wraak.

12. Stopt dan met uzelf te verontschuldigen en rechtvaardigen voor de wolven. Lijdt liever onrecht om de wil van de Heere, opdat gij geen handel met de vijand drijft en als één van hen wordt aangezien. Zij eten uw vlees toch wel. Weest zwijgzaam en laat uzelf kruisigen zoals zij dat met de Heere deden. Gaat het om uw kinderen ? Dan draagt gij dezelfde wonden als Metensia. Ook uw kinderen zal het lijden niet worden bespaard. Zalig hen die hun kinderen laten tuchtigen, en vervloekt zij hen die hen vasthouden in zonde.

13. Weest dan zwijgzaam voor de wolven, zoals de Heere dat was, opdat gij genade zult vinden voor de troon van God. Drinkt eerder van het lijden in onrecht, opdat gij niet het zwaard pakt zonder gedronken te hebben. Zij eten uw vlees toch wel. Ziet dan toe dat gij goed drinkt.

14. Want goede wijn is beter dan te spreken, en uw recht stroomt van binnenuit. Laat hen die u vervolgen u dan geen toegang geven tot hun vertrekken. Geeft uw hart niet aan hen weg. Neemt niets van hen aan. Maar enkelen zullen deze woorden verdraaien tot hun eigen verderf.

15. Leert dan in goede tijd om te gaan met het Woord des Heeren, en richt uzelf op de raadselen Gods. Weest dan als een goede attentaat voor het aangezicht des Heeren, opdat gij macht ontvange door zijn zwaard om zorg te gebieden. De Heere opent u de ogen en zij met u alle dagen van uw leven. Amen Metensia Eminius.

19.

Vertroosting en vermaning

1. Dit zijn de woorden van de tweede Petrus, door God gegeven. Aan mijn beminde broeders en zusters in de verdrukking. Laat hen die u vervolgen wegvagen door het kruis. Zij zijn niet belangrijk, en zijn de schimmen van het dodenrijk.

2. Zij die aardse goederen zoeken, vervloekt zijt gij, want aardse kettingen zullen hen binden, en zij zullen geen macht hebben te ontsnappen.

3. Zij die de dingen van de hemel zoeken zijn zalig, want zij zijn gebonden door eeuwige ketenen die hen naar de velden van rust en vrijheid leiden.

4. Vertrouwt uw verstand niet, want deze is door de leugenaar gebrandmerkt. Uw verstand is vervloekt en verduisterd door de zonde, en doorstoken door het zwaard der wereld. Gij hebt nog niet genoeg gedronken uit uw binnenste, want het verstand dat de Heere daar geeft is eeuwig. Doet dan aan het tweede verstand, en drinkt veel wijn des Heeren.

5. Laat u dan niet vast zetten in uw verstand, want dan komt u van redenering tot redenering en van misleiding tot misleiding om u dieper te binden. Komt tot de heilige bomen des Heeren en eet van haar vruchten. Maar zij die zondigen hebben geen toegang tot de hof des Heeren.

6. Vervuild uw geesten niet met de kennis der wereld, want zij is als de verboden vrucht.

20.

Het Woud des Heeren

1. De Tweede Paulus, apostel des Heeren en anfitaat, aan de heiligen van het Tweede Laodicea. De Heere zegent uwe harten. 2. De Heere kent dan uwe harten, en weet dat gij vol zijt van vuur en ijs. Ja, gij bent aangesteld als de mengers des Heeren in het Tweede Verbond en het heilige eeuwige evangelie. Weet dan, dat gij geliefden des Heeren zijt. 3. Maar enkelen onder u zijn lauw, en de Heere zal hen spoedig uitspuwen indien zij zich niet afkeren van hun boze wegen. 4. Gij weet dat ik vervolgd ben vanwege de wonden des heeren die ik draag, en dat gij ook reeds vertrouwd bent met deze wonden. 5. Draag hen dan diep in uw lichamen tot zuivering, want de Heere heeft u aangesteld Hem te dienen en Zijn geheimenissen te kennen. Hij zal u voeren tot het woud des Heeren, waar de zeven bliksemen des Heeren op u wachten. 6. Ja, de Heere zal u de tweede adelaarsvleugelen schenken, en gij zult uitzichten hebben. Gij dan zult aanschouwen de rijkdommen en wildernissen van de Heere die weelderig is, en Hem met het Gouden Zwaard zult gij kennen. 7. Ook hebt gij vernomen van Hem met het Bloedende Zwaard, en gij hebt uw bloed met Hem vermengd. 8. Ja, gij hebt deel aan de wijnen des Heeren en aan zijn zaad. Laat dan het kruid des Heeren uwen harten genezen, en zoekt de dingen die van binnen zijn. 9. Gij hebt enkelen onder u die in diepe zonden leven, maar de Heere heeft het reeds nog niet geopenbaard. 10. Wacht dan op het Woord des Heeren, en ziet wat Hij zal gaan doen. Groet hen die in verdrukking leven, en klem aan hen vast, opdat gij zalig zult zijn.

11. De Heere weet en ziet dan wat gij gedaan hebt voor de ouderen, en welk een hart gij hen toedraagt. En de Heere weet ook hoe gij de werken van een spottende jeugd haat. 12. Ja, de Heere heeft u voor Zijn aangezicht gesteld als zifters, en spoedig zal Hij u uitzenden om het kaf van het koren te scheiden. 13. Ja, ook hierin weet gij het lijden en het ijs te dragen, en struikelt gij niet tot in de binnenste duisternissen. 14. Ja, de Heere ziet de volmaaktheden onder u en is daar zeer over verheugd. Keert dan niet terug tot het eerste Laodicea, want de Heere zal u dan reeds spoedig slaan.

21.

De Taal des Heeren

1. De Tweede Paulus tot hen die in de verdrukking leven, in het Tweede Laodicea : Houdt dan goede moed, want gij hebt de krans ontvangen. 2. Gij hebt woorden van liefde diep in uw hart, reikhalzend verlangende om geopenbaard te worden. 3. Verheugd u daarom, gij die door vele verdrukkingen wordt beproefd. De Heere heeft u een nieuw hart aangemeten, en zal weldra in u opspringen tot zaligheid. 4. Gij, die de helm des Heeren draagt, gij weet ook van Zijn doornenkroon. 5. Toen ik bij u was heb ik u vele stukken daarover voorgelezen. Lees de stukken die ik u heb nagelaten dagelijks. 6. De Heere ziet uw lijdenstijden en kent hun einden. De Heere heeft het slot reeds daarop aangemeten, op hun uiteinden. 7. Verheugt u dan in de boeken die gij in zulke nawoorden aangeboden krijgt. Ziet hen als geschenken des Heeren. 8. Gij dan die het donderen van Sarsia kent, haar regen is zoet. Weet dan dat de Liefde problemen uitpraat tot het einde, maar daar waar praten onmogelijk wordt zal zij zich omzetten in recht. De Heere dan heeft u aangeraakt in Zijn Liefde. 9. Met hen die liegen valt niet te praten. Verwijdert hen dan uit uw midden. Sommigen onder u zijn enige tijd door zulke lieden beproefd, om hun harten te testen. Zoekt hen die van Waarheid spreken en die een zacht hart hebben naar ouderen. 10. Scheidt u af van hen die roekeloos leven. Gij zult hierin een kleine hulp ontvangen, en gij zult zich hierover verheugen. Scheidt u ook af van hen die zich bezighouden met taal om over anderen te heersen. 11. De Heere heeft u de taal des Heeren gegeven, en dit is de taal der vrijheid. Laat daarom niemand u terugbrengen tot boeken van grammatica en spelling, die de Heere een gruwel zijn. Leert dan de taal des Heeren. Ziet, het oude is dan voorbij gegaan. 12. Het nieuwe is gekomen. Verhardt de harten van uw kinderen niet door hen te verzuren met eindeloze getallen en geslachtsregisters, want hier rust de vloek des Heeren op. 13. Verzadigt hun harten met de wetten des Heeren, en leer hen de liefde en het altaar, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Zo zult gij zalig zijn.

22.

Voorschriften over het onderwijzen van kinderen

1. Leert uw kinderen dan de geestelijke strijd en het lijden. Want enkelen zijn aan dit gebod ongehoorzaam geweest, hun kinderen verkopende aan Belial en hen van Orion. 2. Leert hen dan van vuur en ijs, opdat het geen spotters worden. 3. Maar de Heere heeft met enkelen onder u reeds de hoop en moed verloren, en zij wachten op het vuur van Gehenna, hen brengende tot eeuwige rust. 4. Ja, want sommigen kunnen de eis van het leven niet aan, en de Heere zal hen kleine genade schenken. 5. Zo is er dan recht voor allen. Een ieder zal een bloem van recht ontvangen als loon voor de verrichte werken. 6. Gij zult uw kinderen dan niet bang maken met een altijddurende hel, maar gij zult hen leren over de dreigende vernietiging leidende tot eeuwige rust. 7. Niet een ieder wil het Koninkrijk der Hemelen binnengaan, want zij die daar zijn hebben dag noch nacht rust daar zij de Heere beminnen en liefhebben. 8. Enkele luien zullen daarom kiezen voor de eeuwige rust die Gehenna schenkt. Ja, ook enkelen onder u, oh Laodicea. 9. De Heere kent de hardheid van het leven, en de Heere kent alle harten. Nooit zal de Heere een mens voor eeuwig slaan, maar Hij zal die mens dragen tot een waardig graf waar altijddurende rust zal heersen. 10. Dit dan is een geheimenis des heeren, want velen zijn niets anders dan steigers. Als dan het huis gebouwd is, dan worden de steigers verbrandt, omdat ze niet meer tot nut zijn. 11. Toch zal het recht tijdelijk harder slaan dan geleerd werd, want de Heere eist terugbetaling, opdat alles eerlijk verdeeld is. 12. Enkelen onder u hebben dit vergeten, en hun geloof heeft schipbreuk hieronder geleden. 13. Zoekt dan de Heere, en weest getrouw tot Zijn gebod, opdat Hij trouw tone aan u. 14. Leert uw kinderen dan vroeg voor het jonge en oude te zorgen, opdat zij niet door de spot worden weggegrepen en het zoete hun hart zal verslinden. 15. Ook hebt gij daar enkelen onder u die zich overgegeven hebben aan oeverloze lofprijzing en dankzeggingen die geen spoor geven. Laten zij dan weten dat zij hiermede Belial aanbidden en niet God. 16. Ik waarschuw u, oh oudsten van Laodicea, dat indien gij zulken niet tuchtigt, gij in hetzelfde oordeel komt als hen die deze dingen bedrijven, waarvan de heere gezegd heeft dat Sodom niet zo zwaar gestrafd zal worden als de farizeeers. 17. Doet dan de farizeeers uit uw midden weg, hen die verslaafd zijn aan vrome klanken en hun kinderen laten verhongeren. Zij zijn niet beter dan de honden, want zij hebben de Tweede Christus gekruisigd. 18. Slaat dan die heupwiegers, oh profeten van Laodicea, slaat dan hen die de cobra aan de poorten tegenhouden, opdat Ik niet u tezamen met hen zal slaan. 19. Gij volgelingen van de tweede Eli, luistert, want gij hebt uw zonen van het zoete der tempelen laten eten, en de tucht veracht. Heft dan omhoog de tucht des Heeren, anders zult gij wederom achterover vallen om uw nek te breken. 20. Leert dan het goede te mengen, en print het Woord des Heeren in uw harten, opdat gij niet ten val gebracht wordt. 21. Slaat dan de volgelingen van Hofni en Pinechas, oh gij apostelen van Laodicea, en verbrandt dan hun boeken, opdat gijzelf niet verbrand zult worden. 22. Maar ik vrees dat ik me voor enkelen onder u tevergeefs heb ingespannen. Het oordeel des Heeren zal zwaar heten op die gemeentes die de tucht niet leren. 23. De Heere zal uw kinderen roven uit uw schoten, en de Heere zal u overleveren aan het zoete der bijen, en het zal uw buiken verderven. Ja, want in uw buik zal een slang opstaan, komende om de heidenen te oordelen. 24. En dan zult gij daar staan, al gij heupwiegers, met roet en roest, omdat gij het Woord des Heeren hebt tegengehouden. 25. Oh, gij die de stilte hebt veracht, wordt dan wijs opdat de Heere u niet zal slaan. 26. Want zwaar en hard slaat de Heere hen die de stilte verachten. Zij willen de stem des heeren doven, door zelf luid te brullen. Zij willen de bewegingen des heeren beletten, door zelf de heupen te wiegen. 27. Ja, een gruwel is dit in de ogen des Heeren. En vervloekt is een ieder die zulken een schuilplaats bieden. Levert dan uit hen die u verborgen houdt, anders zal de Heere u uitleveren. 28. Wie denkt gij dat u bent door te denken iets voor de Heere verborgen te houden ? 29. Vervloekt is dan een ieder die denkt zijn zonde schuil te houden achter dure kleding en materieel gesleep. 30. Zij dan zijn volgelingen van Mammon. Gedenkt dan de eenvoud, opdat gij weelderig zult zijn in de Heere die Geest is.

23.

Over kleding

1. Ja, gij bent dan het verscheuren der klederen vergeten. Weet gij dan niet dat dit u zal leiden tot zuiverheid ? Gij bent dan nu verpakt door de geesten van de tijd, en gij hebt de weelderigheid der natuur vergeten. 2. Gij hebt uzelf overgeleverd aan strakke pakken en stropdassen door de duivel vervaardigd. 3. Ja, enkelen onder u leven in slavernij van een werelds regiem, en zij hebben die kleding als merktekenen. De Heere zal u op zijn tijd bevrijden. Zij zijn dan de spionnen des Heeren, en leven onder een profetisch verbond. 4. Maar vervloekt is een ieder die zijn lusten botviert op zulke uitheemse kleding, want deze heeft de satan vervaardigd om macht uit te spannen. 5. Gij dan zijt webben des Heeren, en gij dan zult kleding des Geestes dragen. 6. Veracht het scheuren van klederen niet, daar het gewas voor deze artikelen door roofbouw werd gebruikt. 7. Kunt gij dan niet gebruiken wat de Heere u geeft ? Laat dan uw materialen waarmee gij werkt zuiver zijn. Laat geen levende wezens sterven voor uw tweede huid, want zij zijn uw adem. 8. Keert dan terug tot de natuur, oh heiligen, want uw huizen zijn constructies van Belial en zijn zonen. 9. Maar als gij daar leeft als gevangene des Heeren, zalig zijt gij. Leeft daar eenvoudig en verscheurt uw klederen, opdat gij niet onder het oordeel van roofbouw komt. Eet ook geen vlees. 10. Tot hen die als gevangenen vlees eten, zeg ik : De Heere zal uw lichamen genezen en u vrijzetten op zijn tijd, evenals de dieren. 11. Weest dan niet schuldig aan roofbouw op de natuur, want dan zult gij verlangen naar eenvoud, maar het zal van u wegvluchten. 12. Dan zult gij verlangen naar de weelderigheid des geestes, maar het zal van u vlieden. 13. Dan zullen uw klederen als ketenen worden, en gij zult niet bij machte zijn het juk te scheuren. 14. Overigens valle niemand mij lastig, want ik draag de littekenen van de Tweede Christus en Zijn Woord in mijn lichaam. 15. Hij kome spoedig om de heidenen te slaan. Amen Metensia Eminius.

24.

Aanwijzingen en voorschriften

1. Weet dan dat aan het einde der tijden de grenzen zullen vervagen, en het Woud des heeren zal zich openbaren. Leert dan van Zijn Liefde. 2. Want Hij heeft hen van Spricht altijd onder zijn hoede gehad. 3. Gij dan zult de heilige plaatsen kennen, en zij zullen u zijn tot een toevlucht. 4. Prijst dan de Heere wanneer Zijn schuilplaatsen geopenbaard zullen worden, want ze zullen dikke bescherming bieden tegen de stormen van het tweede. 5. Weest dan doof tot de zonde en tot hen die spotten, opdat de Heere u zal geven van het dikke van Zijn binnenste. 6. Maar allen die Spricht haten zullen niet eten van de dikke honing. 7. Zij zullen overgeleverd zijn aan de toorn van de bijen des hemels, en hun vlees zal tot driemaal toe gegeten worden. Aldus spreekt het geheimenis des heeren. En Hij zal erop toezien dat deze woorden verzegeld blijven tot aan het einde der tijden. 8. Zalig zijn zij die de tijden van de witte leeuw hebben bereikt en Spricht liefhebben. 9. Ja, zij kennen de lusten des Heeren. Tot Spricht bent gij genaderd, en Spricht zal de mate van behoudenis meten. 10. Ja, want Hij is de kleermaker des Heeren, en Hij heeft u overgeleverd aan geestelijke strijd. 11. Ken dan Zijn wapenrusting en leer het goede te behouden. 12. Zalig hen die het goede bewaken en hen die Spricht beminnen. 13. Kent gij dan de schatten van Spricht ? Uit Zijn Schatkamers komen de bliksemen des Heeren voort. 14. Legt dan uw klederen op het altaar Gods, opdat het u niet ten verderve leide. 15. Gij dan die verdovende middelen gebruikt : Leg hen dan op het altaar Gods, en laat u door Hem verdoven. 16. Leer dan de zielen der planten kennen, want zij zijn des Heeren. Leert dan ook de gewassen te onderscheiden. Leert de natuur u zelf dan niet wat gij kunt eten en wat niet ? 17. Weest dan verlicht in uw verstand en harten en laat de Geest des Heeren u leiden. 18. Gij bent dan gemachtigd groenten en vruchten te eten, en de vruchten der aarde. Gij dan zult inzicht hebben wat gij kunt gebruiken en wat niet. Want de Heere heeft zijn engelen aangesteld om u daarin te leiden. 19. Gij dan zult sprokkelen, en nemen wat de Heere u geeft. Gij zult dan niet dat wat leeft doden. 20. Laat dan niemand uwer deze woorden verdraaien. Laat de Geest u verlichten. Laten er dan wijze lieden onder u opstaan om deze woorden te openbaren. 21. Ja, ook aan u heeft de Heere profeten gegeven. Zoekt hen dan op, wetende dat zij soms in duisternis en verafgelegen leven. 22. Ja, laat het oude wijze dat dan spreekt spreken, opdat uw oren zalig zijn. Zo zult gij de schuilplaats des Heeren bouwen. 23. Laat dan ook wijze jongelingen spreken, en geeft acht op hun woorden. Want zij zijn de geopenbaarde bronnen des Heeren. 24. Gaat dan met hen om als brozer vaatwerk, en neemt hen in bescherming. 25. Biedt hen woning aan en voedsel, opdat gij uzelf zult zaligen. 26. Doet dit alles dan om de Heere. Veracht de ouden van dagen niet, want zij kunnen spreekbuizen des heeren zijn. Veracht de zieken niet, want zij hebben de sleutelen van de dieren des hemels en hun velden. 27. Veracht de slaven en de profeten niet, maar bevrijdt hen veeleer. Hen die het juk des heeren dragen zijn zalig, en zij zijn zalig u te ontmoeten. 28. Weest dan als een getrouw dienaar Gods, en veracht het tweede niet. Ziet, de leeuwen Gods zijn reeds buiten, wachtende om u te verslinden. 29. Maar u die de Heere kent, gij zult niet verslonden worden, alleen in liefde. 30. Weest dan niet als de dieven, want zij gunnen elkaar geen rust. Legt u toe op Gods economie, en word een zuivere anfitaat des heeren. Velen hebben zijn geboden hierin onderhouden en zijn hierdoor zalig geworden. 31. Ja, de heere heeft Zijn Zalige Geest reeds bereid voor hen die Hem hierin volgen. 32. wacht dan op de Heere, en loopt niet voor Hem uit, want Zijn vuur mocht u verteren. 33. Gij dan zijt genaderd tot de haaien van Spricht. Siddert dan voor hem die spreekt. want gij weet nog niet waarop zijn woorden uitlopen. 34. Maakt dan in uw harten geen kabaal, maar weest stil en zuiver voor de Heere, om de vlinderen van Zijn Woord op te vangen. Reeds licht ontbrandt Zijn Woord, weest dan klaar. 35. Zijn Ontstekingen zullen zijn als vulkanen, en de Heere spreekt om Zijn geliefden te binden in Zijn Geest. Ja, zij zullen zuiver rijden over gloeiende kolen, en de binnenste kamers der hemelen vinden. 36. Vervloekt is dan ieder huis dat geen altaar kent, en vervloekt is een ieder huis dat een onzuiver altaar kent. Zuivert uw harten dan voor de Heere. 37. Gegroet bent u. Laat Baarlen en Tanzan uw huis niet bestieren. Kom snel, Tweede Heere Jezus, kom snel, om Uw Tweede Maranatha te bouwen als een nauwsluitend zegel op het eerste. 38. En wanneer het tweede gekomen is, is het eerste niet ver van verwijdering. 39. Laat dan uw harten vrijzetten, gij die nog onder het oude verbond leeft en daaronder verdrukking lijdt. Is God dan niet gekomen om de tweede farao te slaan ? Komt dan tot het tweede beloofde land, het tweede kanaan Gods, gij die overwonnen hebt, waar Hij zal zitten op een witte troon om de heidenen te hoeden. 40. Ja, vanuit alle windrichtingen zullen zij komen, en zij zullen de Heere dienen. 41. Verheugt u dan in de dag der bevrijding, die opgetekend is om uw zielen te zaligen. 42. Zij die van het Tweede halleluja zijn en van Spricht groeten u, vooral hen in de grote verdrukking. Amen Metensia Eminius. 43. Een groet aan de zeven gemeenten in de grote verdrukking, eigenhandig, van de Tweede paulus, dienstknecht van God en anfitaat. 44. Ook ik ben een gevangene des heeren, wachtende tot de eenwording der allerheiligste zielen. 45. Schenk elkaar genade, zoals God ook doet. 46. Weest niet al te hard voor elkaar, want de heere haat de hardheid zonder de zachtheid. 47. Zijn Zachtheid doet altijd de Toorn verminderen. Groet elkaar in de tweede verdrukking, ziende op elkaars gebondenheid en zwakheden. 48. Legt dan geen zware lasten op elkaar, want de Heere is niet in dezen. Legt dan ook geen eed af, want de Heere is de Ziel der vrijheid. 49. Laat u dan geenszins binden, en leg u toe op de traagheid die des Heeren is. Gij dan kent andere koorden. Hij die binden zal is de heere. 50. De Heere heeft de engel van de windstreken tot u gezonden. Laat hen die van de genade afglijden niet meer binnen, opdat zij de gemeente niet zullen bezoedelen. De Heere haat hen die wispelturig zijn en twee heren dienen. 51. Laat hen dan niet meer binnen opdat zij u zouden verraden. Want reeds zijn velen tot u gezonden met gedraaide plannen. 52. Ik heb u reeds gewaarschuwd en gij zijt aan deze woorden overgeleverd als aan de Heere. De Heere doet met u wat goed is. Zijn Zegen is met u. Amen Metensia Eminius. 53. Ik zal dan ook niet ophouden om voor Zijn aangezicht voor u te worstelen en te bidden. Ziet dan mijn liefde voor u. 54. Laat geen enkele apostel een ander evangelie verkondigen dan dit, want dezen zijn vervloekt. Al zou het een engel zijn die u van de nuchtere leer zou afleiden, neemt hem niet aan. Want hij die dan spreekt zij vervloekt, en gij kome onder de vloek wanneer gij hem zou volgen. 55. Was dan het stof van uw voeten af wanneer degene bij wie u verblijft of die met u praat niet naar deze woorden wil luisteren, en houd hem voor een leugenaar, en vertrek. 56. Zij die onder een juk des heeren leven : De heere zal u vrijzetten onder zijn tijd. Uw ketenen zullen u tot zaligheid leiden. 57. Ja, de Heere heeft oog voor de zwakheid van uw harten. Dit is Hem tot sterkte. Gij hebt dan enkele draden van Spricht in uw ziel. Zalig hen die lust hebben tot de ketenen des heeren. Want Zijn zwakheden zijn sterker dan dat wat komen gaat. 58. En het dwaze in Hem is wijzer dan de wijsheid der tijden en het oude en hun dagen. 59. Ziet dan toe dat gij Hem die spreekt niet afwijst, want zijn dagen gekomen als in gedruis, waarin de machten der hemelen zullen wankelen en vallen. Ja, nieuwe hemelen schept Hij, en vervloekt zij die vasthouden aan het oude. Legt dan het oude op het altaar, en draagt haar daar naartoe, opdat gij uw zielen zult zaligen. 60. De heere heeft het oude lief en zal haar ziften als goud. 61. Zalig hen dan die het oude goud dragen tot de tempelen van het Tweede, want zij zullen de Heere kennen. 62. Acht dan Zijn verborgenheden als goud, en verlangt dan vurig te mogen binnentreden. 63. De Heere haat dan hen die stelen. Weest als een kind in Zijn voorhoven, en gij zult worden opgenomen tot zijn altaren. 64. Gij zult de blijdschappen van God kennen, al die tot Hem naderen. 65. Veracht het Tweede dan niet, opdat gij het voor u klaar staande Woord niet zal missen. 66. Sprak Hij dan niet om uw zielen te zaligen ? 67. Laat dan de man die hierop niet acht geve vervloekt zijn tot in eeuwigheden en tot de komende aeon. 68. Laat de muis van uw hand u dan leiden tot de knoppen der tempelen, om uw harten daarmede te reinigen. 69. God laat niet met zich spotten, en zal zeker niet onschuldig houden hen die kleine kinderen tegenhouden op Zijn bergen. 70. De Heere kwam voor deze kleinen, en niemand zal hen kunnen roven uit de Hand en de Wijsheid des heeren. 71. Zij zullen de paarlen en de poorten zijn van de nieuwe stad. En enkelen onder hen zullen voor een bepaalde tijd struikelen, om onder hen zuivering aan te brengen. 72. Niet alle kleine kinderen zijn des Heeren, want ook de listen des satans hebben vruchten in uw schoot geplant. Dit dan is verder een geheimenis des Heeren, wachtende met reikhalzend verlangen om geopenbaard te worden. 73. En die dag zal zalig heten. Tot hen die aan paniekaanvallen lijden : Gij zijt zalig in de Heere, en de Heere zal u kleine vertroosting en verlichting zenden. Gij zijt genaderd tot het hart Gods, die als een vulkaan is. 74. Want in de vulkanen des Heeren zult gij gebonden worden in Zijn Geest, en zijn ontstekingen zijn heilig, leidende tot de distels des hemels. 75. Gij die siddert, gij bent niet minder, maar gij hebt de zaligheden Gods aanschouwt. Wie zou niet sidderen. Het is u tot eeuwige verrukking Gods. 76. Vervloekt hen die niet sidderen, want zij zijn levende al dood. Geeft dan geen acht op hen, want zij zijn slechts schimmen van achter het Gehenna, en zij worden door de vierde dood gehoed.

25.

Zaligsprekingen en voorschriften

1. Zalig hen die slapen in de Heere, en zalig hen die ontwaken in de Heere. Zalig hen die vele visioenen zien omwille van de Heere. 2. Zalig de lammen, want zij zullen lopen in de hemelen Gods 3. Zalig de zachten van hart, want zij zullen de spotters verbrijzelen. 4. Zalig de bescheiden van hart en de schichtigen, want zij zullen dieren des hemels zijn. 5. Zalig de armen van geest, want zij zullen de Heere zien. 6. Zalig hen zonder een ziel, want zij hebben de engelen Gods als hun vaderen. 7. Zalig hen met koude handen, want zij hebben harten van vuur. 8. Zalig de wijzen in de Heere, want zij leven in de beenderen Gods. 9. Zalig hen die arm zijn en hongeren, want zij zullen de weelderigheden in de hemelen Gods hoeden. 10. Zalig hen die dorst hebben naar gerechtigheid, want zij zullen rechters heten. 11. Zalig zij die het kwade haten, want zij zullen met de Heere wandelen. 12. Zalig hen met koude voeten, want zij hebben buiken als leeuwen, en zij kennen de verrukkingen des Heeren. 13. Zalig de warmen van hart, want zij hebben genoeg koren voor de winter. Ja, zij kunnen zeven jaren vooruit, en zij kunnen het paleis des Heeren bouwen. 14. Zalig hen die nee kunnen zeggen, want zij zullen staan op de rots, en de zee zal hen niet overspoelen. 15. De Heere bouwt hemel en aard, de Heere bouwt Zijn lichten. Hij doet Zijn genade en vrede over u komen als het aandoen van een lantaarn in duistere streken. Hij zal u hoeden en leiden stap voor stap, en Hij zal u die Hem kent leiden tot Zijn Woud. 16. Laat de bomen des vredes tot u spreken, en laten zij uw hoofd behoeden als een helm. En gij dan die de nacht niet kent : De Heere zal een waker zetten voor uw mond. 17. Bijt dan elkaar niet uit, maar beurt elkander op met woorden van zijn altaar. 18. Leest dan goede boeken en gidsen, maar veracht de slaap en de rust niet, want de Heere geeft het zijn beminden daar. 19. Streeft dan naar visioenen en woorden des Heeren, maar vergeet niet dat de slaap en de rust daarvoor de akker is. Laten zij dan wijdverspreid zijn, en onderdrukt elkaar dan niet, opdat uw velden niet ingekort worden. Zo spreekt dan aldus de Heere. 20. Gunt elkander dan slaap, en onderdrukt elkander niet met woorden, opdat de Heere niet Zijn stem van u wegneme en u overgeleverd zijt aan de stemmen der wolven. 21. Gij merkt hun verscheuringen pas veel later op de dag. Daarom : Laat de slaap u dan hoeden, en zij die slaaf zijn van de nacht : De Heere zal u waardig vrijzetten op de door Hem daartoe bestemde dag. 22. Onderdrukt de zusters dan niet, want voor de Heere telt het geslacht niet. 23. De Heere bepaalt dan wat zwakheid en sterkte is. 24. Gij dan die veel dromen en nachtvisioenen hebt : Gij zijt werkers des Heeren. 25. De nachtspin heeft dan enkelen onder u verlamd, maar de sappen van zijn steek zijn grote geheimenissen des Heeren, en gij zult opstaan ten laatste dagen. Ziet dan, gij zijt bemint door de heilige engelen van het Tweede van God. 26. Zo zult gij dan de Heere kennen in Zijn lijden en sterven, en gij zult de nachtspin eren. 27. De Heere zal u een nieuw verstand geven en het oude wegnemen. Eert dan Zijn verdovingen als zijnde de zijden van Zijn Hand, die u slaat, leidt, hoedt en breekt. 28. Ja, Hij richt u op, en laat u weer vallen, want gij moet wortelschieten. Oh, gij die de aarde niet kent, hoe kunt gij de hemel kennen die immers van aarde is ? Gij dan die op zulk een aarde loopt zijt heilig, wiens voeten in de grond gegroeid zijn. 29. Gij dan zult zijn als de bomen des velds. Richt u dan op al uw takken en veracht uw wortelen niet, opdat de Heere u niet wegneme. 30. Zij dan die werken zonder wortelen : Gij kent de tweede mens nog niet, die in God geschapen is. Want hij wortelt zich bij alles wat hij doet, en zijn werken zijn eeuwig. 31. Geef dan acht op Zijn Woorden als kostbare heiligheden, als gouden gerei in zijn tempelen. 32. Leert dan te zien op de vlinder, opdat hij u zal meenemen tot een nieuw leven. Al het oude zal immers voorbijgaan. 33. U dan die vasthoudt aan de tegenwoordige hemelen en woorden. Ziet dan toe terwijl zij zullen verbranden, want de toekomende tijden zijn als een brandende oven, en er zal een Dag des heeren zijn. 34. Een dag tegen al wat groot is. Amen Metensia Eminius. 35. En als engelen al niet durven te spreken van het nieuwe verbond, hoeveel te meer zult u moeten waken over de lippen van uw mond. Maar gij zult de geest des heeren ontvangen, en gij zult spreken zoals de profeten spraken. 36. Er is dan niemand die het Woord des Heeren zal kunnen tegenhouden, en het Woord des Heeren zal glijden tot duistere plaatsen. Opent dan uw vertrekken, opdat de wind des Heeren het kan zuiveren. 37. En deze wind is brandende, gaande van vuur tot vuur. En zo zal de Heere u zaligen, en u gunst verlenen, om te gaan van ijs tot ijs. En gij zult de Heere kennen.

26.

De Meetlat des Heeren   

1. Gij dan bent gemeten om dienst te doen in het huis des heeren. En enkelen onder u zullen dan de gaven van het meten en het wegen ontvangen, maar zij moeten zuiver van hart zijn. 2. Streeft dan naar de anfitaatse gaven, opdat gij het huis des Heeren kunt bouwen. 3. De Heere is welgevallig hen die Zijn huis in rust en stilte bouwen, en hen die zuiver meten. 4. De heere zal hen, die onzuiver meten, zij zijn vervloekt en zullen buiten lijden met de honden. Zij zullen hun wonden likken en de ingang des heeren niet meer kunnen vinden. Ja, het oordeel over hen is welaangemeten, en gij zult over hen niet klagen. 5. De heere zal een post en wachter zetten aan zijn poorten, en zij zullen het geheimenis van Izu kennen, het zaad van Eminius. 6. Alleen zij die heilig zijn mogen tot de Heere komen. De rest is reeds vervloekt. 7. Bouwt dan zijn huis in beven en sidderen, opdat zijn geest het werk zal zegenen en gij het niet ziet verteren als gij terugkomt van uw reis. 8. Want de dag des Heeren zal komen als gedruis, om alle werken te testen. 9. Zalig hen die bouwen in Spricht, want zij zullen het dikke des Heeren aanschouwen en de snaren des heeren bespelen. 10. En dan zal Spricht tot de poorten der tempelen komen, en al die tempelen uitroeien die niet bezegeld zijn met het Tweede Bloed des heeren aan hun deurposten. 11. En dan zal Spricht worden tot de Heilige Ingang en Uitgang des heeren. 12. En ziet nu dit geheimenis is groot, en reikt tot aan de zuilen van de Emelis Shatau. 13. Gij dan zult zuivere bouwkunde verrichten voor het aangezicht des heeren, en gij zult de zegen van Zijn poorten dragen. 14. Gij die nog jong zijt : Gij zult veel moeten lijden voor de tempelbouw des Heeren. Laat uzelf dan slaan voor zijn altaren, opdat Zijn Tweede Kruis u niet zal verbrijzelen in Zijn Toorn. 15. Omhels dan het kruis, en bemint haar, opdat zij u zal liefhebben en haar haat u niet verleide. Komt echter met ijs voor haar altaren opdat zij u niet in haar bitterheid verslinde. 16. Want de heere heeft welgevallen in hen die ijs brengen tot Zijn Wonden, en zij zullen eten van het zoete des Heeren. 17. Ziet dan, want de Heere Heere is als een wild beest.

27.

Over de paus 

1. Zij dan die nog vasthouden aan pauselijke leugens : De Heere heeft niks tegen pausen, maar de Heere zal uitroeien de valse leer van de canon en andere dwaalleer. 2. Gij die dan nog vasthoudt aan onheilige concilies : Laat u tuchtigen, opdat de heere u niet vermenge met het werk van de hoer. 3. Gij dan zult u hechten aan de martelaren en bovenal hen die verbrand werden om hun geloof en hun liefde voor de wildernis. 4. Want des Heeren lof is wildernis. Leert dan de orde des Heeren kennen die niet de orde der wereld is. Laat dan los de werken des satans en zijn agenten. 5. Want de Heere heeft aangesteld de regeringen en hun tijden, om uw harten te testen. En ziet : vele harten zijn boos, en dit is een groot geheimenis. 6. Gij dan bent verdwaald in een put der harten, en gij bent daarin verdwaasd geraakt. Maar gij zult de Heere kennen door uw lijden, en de Heere zal u vinden. 7. Ja, Hij zal u het hart van een apostel schenken en u doen leren begrijpen, dat alles al vaststond voor de grondlegging van hemel en aarde, en dat dezen zijn de eis van leven en wet. 8. Ja, de eis der wet heeft vele harten doen verbleken, en de Heere heeft dit gezien. 9. Niet al te zwaar zal Hij zijn kinderen straffen, met het oog op de eis van leven en dood. 10. Niemand kan aan deze eis ontkomen, en laat daarom ook niemand denken dat hij eenling is. Gij hebt vele broeders en zusters op verborgen plaatsen. 11. Laat het lijden u daarom niet doen bevreemden, en laat u niet denken dat uw situatie uniek is, want zelfs uw gedachten zijn des heeren, en de eenheid en de afmetingen der lijnen en hemelen zijn groot. Veelvuldig zijn zijn weerspiegelingen, en de weerspiegelingen van uw geest, ja, zelfs van uw lichaam. 12. Gij zijt genaderd tot het dikke van God, waarin gij de paden en de koorden ziet. 13. Zalig hen die door Spricht zijn binnengekomen, want een andere poort is er niet. 14. Laat de eis der wet u dan zaligen, niet denkende dat iets vreemds u is overkomen, want alle dingen liggen bloot en geopenbaard voor de troon van God, voor Hem kennende alle dingen. 15. En Hij is vertrouwd met iedere stem en beweging, ja, met iedere schijnbeweging. Hij kent ze allen bij name, en zij sidderen voor Hem. 16. Laat dan de eis der wet u leiden tot het goede, als de eis van het altaar. Amen Eminius Matas. 17. Gezegend Hij die komt, en komen gaat. Maranatha, Tweede Christus, kom snel. Gij bent genaderd tot de Tweede Maranatha des heeren, en de eerste is niet verre van verwijdering. Zalig hen die het eerste tot het altaar brengen. 18. En enkelen onder u dachten dat het eerste vernietigd zou worden. Dit is echter ten dele waar. De Heere is gekomen om het eerste te vervullen en te veranderen tot een zuiver beeld Gods. 19. Laat dan hen die daartoe bevoegd zijn de duivelsverzen met zorg uitbannen en uitroeien, opdat de gemeente Gods gered zal worden. 20. Gelooft dan niet in de onfeilbaarheid van de paus. Alleen de Heere is onfeilbaar. 21. Geef ere aan hen die eer toebehoren. Geef dat wat de keizer toebehoort aan de keizer, en dat wat de paus toebehoort aan de paus. 22. Nogmaals : de Heere heeft niks tegen keizers en pausen, maar de Heere zal elke dwaalleer op de daarvoor bestemde tijd uitroeien. 23. Laat hen die van de paus zijn het Tweede Woord met blijdschap ontvangen, en zalig zij elke paus die de wegen des heeren bewandelt. 24. Ja, dichtbij het hart des heeren is die paus die Zijn Woord verkondigt, en die het kwaad haat. 25. Laat dan geen profeet, apostel, paus, keizer of anfitaat u misleiden. Toets dan alle dingen en behoudt het goede, en het goede en ware wat zij u gaven, om uw harten verder te heiligen. 26. Laat dan de paus zijn als een waardige opvolger van Petrus, als de rots van de gemeente. 27. Maar ziet toe dat gij dan niet afwijkt van de geboden des heeren, want de Heere is de vleugel die de harten slaat. 28. Laten dan allen die de paus volgen hun leidsman in het oog houden, die de tweede Christus is. 29. Want of gij nu katholiek of protestant zijt, gij hebt de Tweede Christus tot uw opperheer. En Hij zal uw zielen behoeden, en u leiden tot een grazig land. 30. Gij dan zult het dier heiligen, en u afscheiden van het zondige Spanje, opdat de Heere niet kome om uw hart te slaan. 31. Een Spanjaard die dan in de Heere is heeft niets te vrezen. 32. De Heere zal een nieuw Spanje geven. Zalig hen die dieren tot steun zijn, want zij zullen deel hebben aan het tweede Spanje. 33. De Heere dan zegent alle heilige vrouwen van Spanje en Portugal die de voetsporen van Maria Magdalena volgen, want ziet, Uw Christus is dier. 34. En hij die dan het dier niet eert, heeft ook de Christus niet, die immers dier is. 35. Welaan dan, al gij lieden die zich in het tweede Laodicea ophouden. Gegroet zijt gij, nogmaals, gij die van dieren houdt als van uw naaste. Want hoe kunt gij van uw naaste houden als gij niet van het dier houdt ? De mens immers is dier. 36. Laten zulken die het dier zo haten dat zij hun vlees tussen hun tanden vermorzelen dan niet klagen als hen die van dieren houden hen niet willen aanraken. 37. Zij volgen immers de voetsporen van de tweede Pazzia en de tweede Assisi. Zalig zijn zij. 38. Laat de paus dan het dier heiligen en zegenen. Daartoe is hij immers geroepen. En laat de paus zijn mes gebruiken om het dier te beschermen, en zo niet, dan zal de Heere op de daartoe bestemde tijd met Zijn mes komen. 39. Vreest dan het altaar des Heeren, en laat het dier met rust. Stel u eerder op als de ridder van het dier. dan zult gij zalig heten. 40. Is het dier dan niet gemaakt tot uw bescherming ? Gij kent nog niet de adem die in uw mond is. Blijft dan van de dingen af, en vernedert u in vreze en beven. 41. Tot hen die in het tweede Laodicea wonen zeg ik : Leert dan hen die spotten met het dier deze dingen af, door hen eenparig over te leveren aan de krochten en wonden van de tweede satan en zijn zaad. Leert de volkeren de betekenissen der dieren, want zij zijn de tekenen des hemels om hen die de Heere aanhangen door de grote verdrukkingen van het tweede te lijden. 42. Weest dan gebrandmerkt met de dieren Gods, opdat gij kunt ademhalen op de dag des oordeels.

De Ogen des Heeren

43. Ja, want grote geheimenissen zijn de dieren Gods, en vervloekt is hij die hen ook maar met één vinger rake. Scheidt u dan af van hen die het vlees eten, opdat gij niet één worde met hen in het oordeel. 44. Zij varen naar een vuur dat eeuwig brandt tot vernietiging in de tweede hel. 45. Ja, met dit vuur heeft God het dier geschapen, en met dit vuur zal God het dier herscheppen. Ja, een groot geheimenis zijn zij, en gij dient daarop acht te geven als op tekenen des hemels om u door de laatsten der dagen te leiden. 46. Gij kunt niet Moloch dienen en de Heere. De Heere wake nu over mijn ziel, want ik ben ziek nu ik deze dingen heb geschreven. 47. Laat hen van het tweede Laodicea nu bij mij zijn in de geest, want de Heere is met mij, en openbaart Zichzelf aan mij dag aan dag. 48. Mijn hart roeme in de Heere en in het Woord van de Tweede Christus. Mijn hart roeme in Zijn altaar, en zijn ziekte wordt mij tot gezondheid gerekend, daar de draden van Spricht zichtbaar worden, om het eeuwig koninkrijk des heeren te weven. 49. Laat de dieren Gods weiden in kabbernal, en laat de tweede Santra de woorden weven, want zij zijn eeuwig en zij zijn sproeiers in het gebeente, tot genezing der zielen. 50. Hecht mijn ziel nu aan de Heere, opdat ik niet bezwijke. Ik dan zal bezwijken in de Heere, zoals ik elke dag sterf om uwentwille. 51. Ik verheug mij dan in het lijden dat ik om uwentwille aanvul aan het Koninkrijk Gods. 52. Zijn wij dan niet allen bouwers van het altaar door ons eigen bloed te geven ? 53. Daarom zij mijn hart niet bezwaard. Ik heb de goede strijd gestreden, en mijn ziel kijkt uit op de wouden van het tweede tot aan het woud des heeren. 54. Amen Metensia Matas, Maranatha, Tweede Christus kom. Tot het Tweede Maranatha zijn wij genaderd, en de openbaringen des Heeren zullen voortkomen als gedruis. 55. Wij ontvangen visioenen door het lijden en niet door drank. De wonden des Heeren zijn ogen geworden. Ik nu ben vol ogen, hebbende geen rust, daar ik dag en nacht zeg met mijn ziel : Heilig is de Heere, Heilig is Zijn Naam, laat het Tweede Koninkrijk komen, nu het eerste voorbij is gegaan. Grote Zegen heeft de Heere weggelegd voor hen die Zijn Tweede geboden bewaren. 56. En deze zaligheid is groter dan het eerste. Zou het toekomende van God dan geringer zijn dan dat wat alreeds geschied is ? De Heere bewaart dan het beste voor het laatst. 57. Zou dan het binnenste van God minder zalig zijn dan het buitenste ? Gij zijt dan genaderd tot het binnenste van God. Hij die Zich weldra opmaakt om te spreken. Ik zal de rest van Mijn dagen verblijven in het Huis des heeren, om het tweede te doorvorsen. 58. Ik dan zal boven komen, om de monsters van beneden te kunnen zien. Ik dan zal de Heere dienen. 59. En ik zal één tong zijn met hen die met mij spreken. Wij zijn dan allen van één doel en één macht. 60. Niets zal ons scheiden van de macht van God. Dit zijn dan de woorden van de Allerhoogste door Zijn apostel en anfitaat de tweede Paulus. Zalig zij die deze woorden bewaren, doorgeven en doen. Amen Metensia Kabbernal. Hij komt spoedig. Ziet Hij staat aan de deur en klopt. Komt dan binnen in het Tweede Maranatha des heeren, opdat Hij maaltijd met u houde en u het koren des hemels laat zien. 61. Dagelijks brood heeft Hij u gegeven, van het verborgen manna. Gij hebt overwonnen, gij die in Hem blijft.

28.

Slot

1. De Heere heeft mij het zwaard gegeven om het reine te scheiden van het onheilige, om te scheiden de vliezen van het hart. De engelen van het tweede Laodicea zijn met mij, om woorden te spreken tot deze dagen. 2. God laat zich niet verbidden door hen die onheilige dingen doen. Vergist uzelven niet. 3. God is geen hoer die zich aan voorbijgangers hecht. Hij bemint alleen eeuwige dingen. 4. Laat niemand daarin onzeker blijven. Gij die pausen zijt van het kwade. Laat de gemeente des Heeren los, want de Heere zal u slaan met vaagheden en blindheden. De Heere zal u wazen voor de ogen geven, en gij zult uzelven verliezen. Wat winnen en verliezen is zal de Heere uitmaken, gij die de muis volgt. De Tweede Karazuur is reeds tot u neergedaald om uw vlees te eten, al gij onheiligen die denken de heere te misleiden. De Heere ziet alles, en gij die zondigt hebt geen rust, dag noch nacht. En indien gij rust hebt deze dingen bedrijvende, hoe dood zijt gij. Ik vrees dat gij al meegenomen zijt tot achter Gehenna, waar de vierde dood in de velden verblijft om haar kinderen te doen rusten in alle eeuwigheden. Zij bestaan niet meer, maar zijn slechts schimmen van een duister verleden, en weerspiegelingen uit hetgeen voorbij is gegaan. Totdat het Tweede Gehenna zijn intrede doet.

 

 

Terug naar Part I van het Eeuwig Evangelie.

 

Verder naar Part III van het Eeuwig Evangelie.

 

Terug naar het begin-overzicht van de Hermitatische Synodale Kerk.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1