Storey, David (2001) Territory: The claiming of space. Harlow: Pearson Education Limited

storeyd2001boek

Samenvatting: Territory: the claiming of space

 

H2 Territory and territoriality

 

Het huidige denken over terriorialiteit richt zich op twee soorten theorieën:

 

A Biologische/genetische verklaringen voor terriorialiteit: Terriorialiteit is een kenmerk van alle levende wezens, het is een vorm van natuurlijk gedrag en daarom ook biologisch bepaald

B Terrioritaal gedrag ontstaat vanuit sociaal-politieke omstandigheden

 

A Biologische en genetische benaderingen

2 verschillende opvattingen:

1 deterministisch: het verkrijgen van territorium is een natuurlijk fenomeen het is biologisch bepaald

2 adaptieve, behaviouristische: men bepaalt uiteindelijk zelf over terriorialiteit

 

1 Agressie is een natuurlijk fenomeen en dat kan gebruikt worden om een bepaald territorium te krijgen, vervolgens zal het verdedigd worden.

Gedragspatronen zijn genetisch bepaald, zo ook de behoefte aan een territorium en de verdediging daarvan. Dit geldt voor zowel het individuele als het groepsniveau (verdediging tegen groepen mensen) (Ratzel).

Territoriaal gedrag is meer een gevolg van ons evolutionair verleden dan van cultuur.

 

Maar hier is kritiek op:

-Het is slechte wetenschap: Er is te weinig empirisch bewijs, de voorbeelden zijn te selectief en er wordt verondersteld dat menselijk gedrag geëxtrapoleerd kan worden vanuit het gedrag van dieren. Er is echter geen aandacht voor de cognitieve verschillen en menselijke capaciteiten als cultuur en taal.

-Tegenstrijdige argumenten: Bewijs van gedrag is nog geen bewijs dat dit gedrag biologisch bepaald is. Het kan ook geconditioneerd wezen.

-Door biologische verklaringen ontstaat er een rechtvaardiging van geweld.

 

2 Mensen maken uiteindelijk zelf de keuzes. Biologie geeft mogelijkheden en geen beperkingen.

 

B Sociaal-politieke theorieën

In plaats van de aangeboren behoefte aan een territorium wordt deze behoefte bepaald door economische, sociale politieke en culturele factoren: aangeleerde zaken (dit hoofdstuk gaat eigenlijk over het nature-nurture debat).

 

Gottman: Er is een relatie tussen een politiek georganiseerde groep en de geografische ruimte. Terriorialiteit is geografische ruimte onder gezag van een bepaalde groep, er is dus een scheiding van andere groepen. Het is een vorm van macht.

Er zijn twee redenen voor terriorialiteit:

-veiligheid

-ruimte kan zo economisch georganiseerd worden

 

Sach: Terriorialiteit is de reflectie van macht. Door controle over geografische ruimte kan een groep macht uitoefenen over mensen en verschijnselen. Het is een geografische expressie van sociale macht. Dit geldt ook op individueel niveau.

 

Op kaarten wordt territorialiteit duidelijk: kaarten zijn niet altijd neutraal, ze worden vaak politiek gebruikt

 

In werkelijkheid is het zo dat zowel biologische als sociale factoren een rol spelen bij terriorialiteit.

 

Mensen willen zich vaak identificeren mat een territorium. Het is belangrijk voor de identiteit. Mensen hebben gevoelens ten opzichte van een plaats.

 Boek ‘Territory’ - hoofdstuk 3; The territorial state - samenvatting

 

 

·        ·        Natie: een collectie van mensen, verbonden door een bepaald gevoel of door solidariteit, gemeenschappelijke cultuur en gezamenlijke geschiedenis; meestal komt dit tot uiting in een verbondenheid aan een bepaald gebied of thuisland (sociale samenhang).



·        ·        Staat: rechtskundige en politieke organisatie met macht over zijn inwoners (mensen die binnen de grenzen leven)

Een staat is ’s-werelds meest dominante vorm van politieke organisatie; men ziet indeling in staten als iets vanzelfsprekends dat niet verandert. Echter, (aantal en) aard van staten verandert voortdurend.



·        ·        Origine van staten: een menselijke creatie, bestaat al erg lang; staten groeiden en verdwenen ook weer door de geschiedenis heen.



·        ·        Twee theorieën over staat-formatie en evolutie:
1. ‘Developmentalist’ (ontwikkelingstheorie)
2. ‘Functionalist’ (functioneel)



1. Developmentalist

2. Functionalist

·        ·        Staat: organisme dat territorium nodig heeft (Friedrich Ratzel), breidt zich uit om grootte en macht te vermeerderen en heeft een natuurlijke behoefte aan meer territorium (Lebensraum), die koloniale uitbreiding overzee rechtvaardigt (vgl. Hitler’s Nazi-ideologie).

·        ·        Van Valkenburg (1939): staten doorlopen een aantal fasen (jeugd, adolescent, volwassenheid en bejaard) => staten veranderen in de tijd, worden sterker, stabieler en veerkrachtiger.

 

Hartshorne (1950): staten staan onder twee soorten druk:

1.      1.      Centrifugale krachten: deze ‘trekken’ de staten uiteen; in-stabiliseren de staat. (Bijv: te grote staten, regionale ongelijkheden, etnische diversiteit, taalverschillen, etc.)

2.      2.      Centripetale krachten: binden de staat samen en werken stabiliserend. (Bijv. gemeenschappelijke taal, zelfde religie, geen regionale ongelijkheden, etc.)

 

Kritiekpunten:

·        ·        Beide theorieën gaan uit van een bestaande politieke realiteit en stellen voorop wat gebeurd zou kunnen zijn. Ze leggen dus niet uit waarom bijzondere politieke gedaanten/ formaties eerder verrijzen dan anderen.

·        ·        Ontwikkelingstheorie (development): houdt geen rekening met andere staten en dat uitbreiding van de ene staat vaak ten koste gaat van één of meerdere andere staten.

·        ·        Verklaringen komen nauwelijks aan bod.

·        ·        Relatieve machtsverhoudingen moeten meegenomen worden om de evolutie van het wereld-staten-systeem te begrijpen => staten zijn elementen in een breder kapitalistisch systeem in plaats van een geïsoleerd iets.




·        ·        Staten zijn ruimtelijke entiteiten, bestaande uit 4 essentiële kenmerken:
1. Territorium/ gebied
2. Mensen
3. Grenzen (zijn veranderlijk) => Door een opgelegde grens ontstaan economische, 
    sociale en culturele verschillen aan weerszijden van de grens, ook verschillen in  
    overheidsbeleid hebben hier invloed op.
4. Soevereiniteit => Onafhankelijkheid, herkenning door anderen/ andere staten



·        ·        Staten zijn niet statisch, maar dynamisch en veranderlijk; gevormd en hervormd door de interactie van menselijke politieke-/ beleidsactiviteiten.



·        ·        Functie van een staat: staat zorgt voor een wettelijk raamwerk, infrastructuur en service waarvan de inwoners gebruik kunnen maken. De taken van een staat:
1. Economie reguleren
2. Zorgen voor publieke goederen (gezondheidszorg, transportdiensten)
3. ‘Raamwerk’ dat het gedrag van de inwoners stuurt.
4. Verdediging van het gebied en de mensen tegen externe agressie en interne 
    bedreigingen

Tegenwoordig veel de-nationalisatie: diensten worden geprivatiseerd; terugtrekkende overheid. Ondanks dit blijft de staat echter altijd aanwezig, geeft nl. de kaders aan, interventie, regulatie, etc.



·        ·        Drie vormen van theorie van een staat:
1. Meervoudige (‘pluralist’) theorie
Staat is neutraal; democratie, staat handelt in de geest van de inwoners.
2. Elite theorie
Staat wordt gecontroleerd door kleine elite, die staat tegenover de massa. Meerdere elite-groepen strijden vaak om de macht. (Als kritiekpunt op deze theorie wordt vaak gevraagd waarom er noodzakelijkerwijs een elite bestaat, is dit wel iets natuurlijks?)
3. Marxistische theorie
De gemeenschap is ingedeeld in klassen(klassenstructuur): de kapitalistische klasse die de productie controleert en de werkende klasse/ arbeiders, die werken voor de kapitalistische klasse. (instrumentalist)



Marxisten vinden de andere twee theorieën te oppervlakkig. Staat kan niet neutraal zijn volgens hen, maar is zélf een belang, diep ingebed in socio-economische relaties. De staat is de ‘agent’ van de regerende klasse en houdt de machtsongelijkheden in stand. (Functionalist)

 

Pluralist

Elite

 

Marxist

 

 

 

 

 

 

State is neutral

Controlled by small elite

Instrumentalist

 

Functionalist

 

 

 

 

 

 

 

Class composition of ‘controllers’

 

State serves the needs of capital

 

 

·        ·        Sommige zaken worden nooit onderwerp van het politieke debat, komen nooit op de agenda = ‘non-decision-making’ (Bachrach/ Baratz)



·        ·        Voortbestaan van de staat, ondanks tegenstellingen met de belangen van het volk; Gramsci’s ideeën van hegemonie (overwicht) => resultaat van twee vormen van controle:
1. Afgedwongen hulpmiddelen (instituties als politie, leger, rechterlijke macht); houden
    mensen in een rechte lijn.
2. Ideologische hulpmiddelen (subtieler; algemene gevoelens, spontane toestemming voor
    de richting van het sociale leven)



·        ·        Relatie staat als territoriaal apparaat van macht ó mensen over wie de staat macht uitoefent (inwoners).
- Hobbes (1651): mensen verlenen al hun macht/ kracht aan één regering die daarmee de
   persoonlijkheid van het volk draagt.
- Rousseau (1973): individuelen geven ttoeeestemming om geregeerd te worden; mensen
   worden het onderwerp van de soevereine regel.



·        ·        Nationaliteit: iemands’ relatie met de staat (burgerschap) bevat de rechten en plichten van dat persoon als lid van de staatsinrichting.
- Marshall (1950): drie verschillende rreccchten: burgerlijke rechten (vrijheid van meningsuiting, rechtvaardigheid), politieke rechten (stemrecht) en sociale rechten (recht op minimale levensstandaard)



·        ·        Burgerschap: was vroeger een voorrecht voor de elite, nu voor bijna iedereen (in sommige staten heersen bepaalde eisen voor het burgerschap, waardoor veel mensen zich geen volwaardig burger voelen)



·        ·        Baubock (1994): Burgerschap in een wereld van internationale migratie moet in liberale democratieën verleend worden voor de tevredenheid van het verkrijgen van residentie.
 

 H4 Naties en nationalisme

 

In dit hoofdstuk worden de verschillende verschijningsvormen van naties en nationalisme besproken. Er wordt gezocht naar de wortels van het nationalisme, de positieve en de negatieve kanten worden belicht en er wordt een afweging gemaakt over de territoriale ideologie van het nationalisme.

 

Natie en staat

Staten zijn organisaties met macht over inwoners in een afgebakend gebied.

Naties zijn sociale collectiviteiten met een binding aan een zekere geschiedenis. Bovendien zijn naties niet alleen fysieke realiteit, maar ook mentale constructies. De overeenkomst tussen natie en staat kan vrijwel volledig zijn. Naties streven immers naar een wettige verschijningsvorm door het oprichten van eigen politieke instituties en het afbakenen van een eigen gebied.

Frankrijk is een goed voorbeeld van een land waarbij natie en staat in grote lijnen samenvallen, uitgezonderd minderheden en afscheidingsbewegingen (bv. De Basken).

Hoewel wordt erkend dat in feite elke nationaliteit recht heeft op zelfbeschikking, zijn er toch veel naties zonder staat. Bijvoorbeeld de Koerden, die verspreid leven over Irak, Turkije en Syrie.

Er zijn ook voorbeelden van één natie die meerdere landen bevolkt. Denk aan de Arabische natie: Saudi Arabië, Irak, Koeweit en Egypte.

In veel landen wonen minderheden die een eigen nationaliteit hebben.

 

De wortels van de natie

Naties hebben niet altijd hun huidige verschijningsvorm gehad, maar zijn in de loop der tijd ontstaan. Hoe? Daar zijn drie theorieën over.

 

1. Primordialist theories

Deze theorie ziet naties als natuurlijke entiteiten die eigenlijk altijd bestaan hebben. De natie heeft historische wortels. Hieruit zijn taal, religie, ras en etniciteit voortgekomen. Als gevolg van dit idee spreekt het voor zich dat er een diepe verbondenheid is met de grond waarop de natie voorkomt. Verschillende etniciteiten in voormalig Joegoslavië hebben zich op deze theorie gebaseerd.

 

2. Perennialist theories

Enerzijds accepteert men dat naties geconstrueerde natuurlijke eenheden zijn, maar anderzijds ziet men de historische ontwikkeling van naties als minstens even belangrijk.

 

3. Modernist theories

deze theorie gaat er vanuit dat naties pas vanaf de 18de eeuw zijn ontstaan. Ze voorzagen in een systeem waardoor kapitalistische samenlevingen konden worden geordend. In verschillende perioden zijn mensen loyaal geweest aan God of de koning. Nu is men loyaal aan elkaar en ontstaan naties. Modernisten zien naties meer als sociale krachten en minder als onafhankelijke entiteiten. Het begrip nationalisme is in ieder geval pas sinds de 19de eeuw in zwang.

 

Nationale identiteit

Er zitten twee componenten in het begrip nationale identiteit (Verdery, 1996):

- Een collectieve identiteit die refereert aan nationale kenmerken en gewoonten en bv. Taal en kleedgewoonten bevat.

- Ieder individu ziet als lid van de nationaliteit. Over het algemeen hangt dit samen met het geboorteland.

 

Volgens Guibernau, 1996) bevat nationale identiteit vijf kenmerken:

- psychologisch: bewustwording van het behoren tot een natie

- cultureel: delen in de gemeenschappelijke cultuur

- territorium: natie bevind zich in een afgebakend gebied

- historisch: bezit van gemeenschappelijke geschiedenis

- politiek: het recht om zichzelf te besturen

 

 

 

Verder valt op dat de nationale identiteit sterk wordt beïnvloedt door externe relaties: 'wat vinden anderen van ons?'

Voor veel mensen is de nationale identiteit belangrijk. Voor een deel wordt er de eigen identiteit aan ontleent. Identiteit blijft echter per definitie subjectief. 

 

Nationaliteit en etniciteit

Op basis van het voorgaande zou kunnen worden geconcludeerd dat een natie hetzelfde is als een etnische groep. Een etnische groep is een groep mensen die bij elkaar horen op basis van cultuur en door de zelfperceptie het gevoel hebben een afgescheiden groep te vormen. Toch is er een verschil. Etnische groepen leven vaak redelijk vreedzaam in een grotere staat. De wens van onafhankelijkheid is vaak niet aanwezig. Het belangrijkste doel is dan ook om de rechten van de leden van de etnische groep te beschermen. Bovendien is een etnische groep vaak onderdeel van een grotere nationaliteit. Sommige etnische groepen ontwikkelen zich in de loop der tijd tot naties.

 

Nationalisme

Het zich verbonden voelen met een land noemen we nationalisme. Dit verbindt alle inwoners van een land aan elkaar. Het is niet alleen een gevoel van het vormen van een sociale eenheid, maar ook de gehechtheid aan de grond waarop men leeft.

 

Types van nationalisme

1. nationalisme op basis van burgerschap: in veel West-Europese landen is het vanzelfsprekend dat men zich verbindt met de nationaliteit van het land van geboorte. Dit type zou meer progressief zijn, meer gericht op orde en democratie. Daarnaast kent dit type een top-down structuur. De regering versterkt het nationale gevoel.

2. nationalisme op basis van etniciteit: in veel Oost-Europese landen is het vanzelfsprekend dat men zich tot de nationaliteit van het voorgeslacht rekent. Dit type zou irrationeel en ongestructureerd zijn. Daarnaast kent dit type een bottom-up structuur. Vanuit de etnische groepen komen bepaalde geluiden uiteindelijk bij de politiek terecht.

 

Nationalisme: progressief of regressief

De laatste jaren heeft nationalisme een negatieve klank gekregen. Het kan immers zeer bloedige consequenties hebben. Toch kan nationalisme vreedzaam bestaan, vooral in staten waar het grootste gedeelte van de bevolking zich tot dezelfde natie rekent.

 

Functies van het nationalisme

1.      Nationalisme is in een goed functionerende staat een middel om de bevolking te mobiliseren.

2.      Nationalisme kan gebruikt worden voor het in stand houden van de politieke hegemonie.

3.      Nationalisme kan gebruikt worden om de mensen aan de rand van de samenleving aan te spreken. Werklozen en armen kunnen trots zijn op hun land.

4.      Nationalisme kan gebruikt worden om sociale onrechtvaardigheden aan de kaak te stellen. Bijvoorbeeld de koerden die hun benarde positie in Irak benadrukken.

5.      Nationalisme is een voorwaarde voor een goed functionerend democratisch bestel. Wanneer een land zich als natie verbonden voelt is er meer discussie mogelijk

 

Hoofdstuk 5

Nationalisme en het belang van een plaats

 

 

 

Naast het belang van de geschiedenis voor het bijeen houden van een natie, is er behoefte aan een nationale geografie. Mensen, gebeurtenissen en plaatsen kunnen betrokkenheid bij een natie bewerkstelligen.

 

Het belang van geschiedenis

Alle naties hebben een verleden nodig om hun huidige bestaan aan te rechtvaardigen en beweegredenen voor ruimtelijke claims te verschaffen.

Vaak is een nationale geschiedenis niet gelijk aan de werkelijke geschiedenis. Voor het betrekken van de mensen bij de natie is een geschikte geschiedenis nodig. Indien deze er niet is, moet er een worden verzonnen.

Mensen worden gebruikt om de nationale mythe te verspreiden. Hiervoor worden niet alleen politici of overwinnaars gebruikt, maar ook bv. sportmensen.

Ook gebeurtenissen worden gebruikt om een land te vertegenwoordigen. 

Niet de individuen, gebeurtenissen of plaatsen op zich zijn belangrijk voor de betrokkenheid van het volk, als wel de lading die het volk er aan geeft.

 

Territorium en natie

Een gebied is niet alleen een basiselement voor het bestaan van een natie, maar ook voor de nationale mythe. Mensen en gebeurtenissen worden meestal gekoppeld aan een plaats.

Daarnaast zijn toespelingen op de nationale bodem en het hechten van belang aan een bepaald gebied ruimtelijke elementen. In dit begrip past ook de term ontstaanszone of het originele kernland.

Territoria en specifieke gebieden worden dikwijls toegezongen in nationale liederen. Een vrij gewoon ogend landschap wordt daarin verheven tot iets heiligs.

 

Territorium en nationalisme op de Balkan

Na de WO I is Joegoslavië ontstaan tussen, in het zuiden het Ottomaanse Rijk en in het noorden Oostenrijk-Hongarije. De regio bevat veel verschillende etnische groepen die tot het uiteenvallen van de staat soms strijdig, maar ook vredig met elkaar konden leven. Op een gegeven moment wilden de niet-Serven zich afscheiden van de Belgrado-georiënteerde staat.

Het Dayton-akkoord uit 1995, met een oplossing voor het conflict, resulteert in een onstabiel gebied. Voor het akkoord waren alle etnische groepen verdeeld over Joegoslavië. Het akkoord erkent echter twee verschillende gebieden: een Moslim-Kroatische Federatie en een Bosnisch Servische Republiek. Elke etnische groep eist het gebied op waar zij recht op denkt te hebben. De Serven hebben nu een eigen republiek, maar zingen in liederen over gebieden die liggen in vroeger Servisch gebied, huidig Macedonië.

Voor de oorlog viel Kosovo onder Joegoslavië, maar bezat het autonomie. Tegenwoordig valt Kosovo, met hoofdzakelijk Albanese bevolking, onder Servisch gezag. Dit leidt voor de Albanezen opnieuw tot strijd. De Serven aan de andere kant zijn eensgezind het gezag over Kosovo te behouden. Zij hebben daar ooit een slag verloren en hun nationalisme wordt gevoed door deze geschiedenis.  

Ook Macedonië is een gebied dat opgeëist wordt door meerdere groepen. Alexander de Grote, een Griekse Held, en Prins Marko, een Servische én Bulgaarse held, komen uit dit gebied. Zo zijn er drie groepen die vanuit de geschiedenis aanspraak willen maken op Macedonië.

 

Engels nationalisme en territoriale beeldspraak

Er is een verschil tussen Brits en Engels. Engelsen zien dit verschil minder goed dan Schotten en bewoners van Wales. Als Engelsen beeldspraken maken over Groot-Brittannië, hebben deze meer betrekking op Engeland.

Tijdens de industrialisatie en urbanisatie in Engeland werd het platteland als idyllisch beschouwd, terwijl de stad vervuilend was. Veel mensen denken nu nog dat Engeland hoofdzakelijk uit rurale gebieden bestaat.

 

Ierland

De identiteit van Ierland is gevormd door het beeld van rust en bekendheid in de moderne samenleving. Dit beeld is mede gevormd door het verzet tegen de stedelijke kolonisator Engeland. Ook hierdoor is het westen van Ierland het puurst en meest rustgevend.

In 1921 is het eiland in tweeën verdeeld. In verhalen en liederen wordt de bezetting door Engeland gezien als de verstoring van de eenheid op het eiland. Protestanten in Noord-Ierland houden jaarlijks Oranjemarsen, ten eerste ter nagedachtenis aan de Slag van Boyne aldaar, ten tweede om de protestantse religie en cultuur te verdedigen en als laatste als symbool van onderdrukking door nationalisten uit het zuiden. Het gevolg is dat republikeinen zich niet gewild en niet veilig voelen. De protestanten laten zo merken dat het hun gebied is.

 

Palestina-Israël

Israël werd in 1948 gesticht om de Joden te huisvesten. Juist Israël is als locatie gekozen vanwege de historische achtergrond als het Beloofde Land. Het probleem is dat ook Palestijnen het gebied bewonen. Aanvankelijk was Israël opgesplitst in twee gebieden. Israël eigende zich echter het grootste deel van het land op van de in minderheid zijnde Palestijnen. Palestijnen die nog in Israëls grondgebied woonden, werden simpelweg de grens over gezet en Israël werd gezuiverd(...). Nederzettingen in Israël worden aangeduid met ‘Joods’, ‘Arabisch’ en ‘Gemengd’. De term Palestina mocht in Israël niet meer vertoond worden. Daardoor werd het een symbool voor het Palestijnse nationalisme.

 

Hoofdstuk 6 De toekomst van de soevereine staat

 

De huidige wereld met staten staat onder druk. Deze druk komt zowel van onder als van boven.

Druk van onder: nationalisme en fragmentatie

Druk van boven: globalisering, dit maakt nationale verschillen en staatsgrenzen steeds minder belangrijk.

Druk van onder

Interne druk leidt tot het uiteenvallen van staten of het doen van concessies aan etnische minderheden.

Bv: de voormalige Sovjet-Unie die uiteengevallen is in vijftien onafhankelijke republieken. Daarnaast is Moskou nog steeds in conflict met Tsjetsjenië waar ze wel al concessies aan hebben gedaan.

 

Muir (1997): sommige staten hebben geen volledige of effectieve beheersing over (delen van) hun gebied. In een aantal landen, speciaal Derde Wereldlanden, staan delen onder militaire controle en groepen om de orde effectief te handhaven.

Deze gaten zijn het resultaat van verschillende factoren:

-         centrifugale krachten, zoals verschil in etniciteit, taal, regionale ongelijkheid.

Bv: Colombia: heeft te maken met drugshandel en guerrillatroepen, Sudan wordt gedeeltelijk beheerst door oorlogsleiders.

Nationalisme binnen staten

Er zijn landen waar nationale groeperingen een eigen politieke eenheid wensen: een staat binnen een staat. Bv. Baskenland in Spanje en Noord-Ierland in Groot-Brittannië.

Dit gaat vaak gepaard met gewelddadige en militaire acties. (ETA in Spanje)

Dit leidt tot een instabiele staat.

Het kan ook vreedzamer.

Bv.: In Catalonië en Galicië in Spanje of onafhankelijkheids besprekingen  in Groot-Brittannië over Schotland en Wales.

In Afrika is het Eritrea gelukt om onafhankelijk te worden maar dit heeft wel lang geduurd. Binnen Afrika zijn er veel problemen. De oorzaak: Afrika is grotendeel gekolonialiseerd (geweest) door externe machten. Het concept en de vorm van een staat betekent voor de inwoners niet zoveel ondanks pogingen van natievorming. Dit leidt tot veel burgeroorlogen en in feite zijn de Afrikaanse staten daardoor onbeheersbaar (Wole Soyinka’s, 1996).

Forrest (1988) maakt onderscheid tussen harde en zwakke staten: de zwakke staten hebben feitelijk nooit stabiele groepen gehad, eerder hadden ze de kans om nationale groepen te construeren uit verschillende partijen en groepen. 

Twee risico’s bij dit idee:

1                    Het gevaar aan te nemen dat alle Afrikaanse staten hetzelfde zijn of in ieder geval de Derde Wereld landen. Dit negeert de verschillen in historie en geografie van een complex gedeelte in de wereld.

2                    Het aannemen van het probleem dat het wezenlijk Afrikaans is. (het ontbreken van een goede civiele cultuur en de onmogelijkheid om over Afrika te regeren) Het probleem zou namelijk wel eens ergens anders kunnen liggen. Muir: de Europese cultuur kun je niet zomaar overbrengen in een kolonie.

Bovendien is de politieke realiteit: zowel in Europa als in Afrika zijn er instabiele staten.

 

Verschil in taal

Culturele verschillen zijn belangrijk. Een taal is een centrifugale kracht die instabiliteit veroorzaakt.

De identificatie kan sterker zijn met het taalgebied waar je vandaan komt dan met de staat waarin je woont (bv: België, waar een Frans sprekend gedeelte is en een Vlaams sprekend gedeelte). De interne verschillen kunnen verschillen creëren.

In de Canadese staat Quebec is een tweetalige politiek aangenomen om de mensen tevreden te stellen. De meerderheid verzette zich in 1990 bij een referendum tegen afscheiding van Canada. Ondanks dat is er een scheiding tussen Frans Canada en Engels Canada die nog steeds doordringt in het politieke en culturele leven.

Kern-periferie contrasten

Interne kolonialisering: regio’s die dominant zijn en zich ontwikkelen ten koste van de periferie. Dit leidt tot sociaal-economische verschillen. (Hechter, 1975)

Deze spanningen kunnen druk zetten op de staat met de roep om afscheiding die voortvloeit uit enerzijds de periferie of minder voorkomend, de kern.

Perifeer nationalisme heeft te maken met regionale ongelijkheid en een aangeboren natiegevoel. De periferie is vaak afhankelijk van de kern en dit kan leiden tot bepaalde boosheid jegens deze kernen: dit kan weer leiden tot de roep om afscheiding.

Antwoorden van staten op afscheidingsbewegingen

Aantal mechanismen om disintegratie te weerstaan:

-         -         Dwingend: met geweld, militaire acties in combinatie met het rechtsysteem. De intentie: het verminderen van de weerstand door openlijke pressie, executie of gevangenneming. Dit moet een sfeer van angst creëren zodat de mensen geen actie meer ondernemen.

-                 Iets subtieler: het verbieden van vrijheid van mening en media. Doel: het behoeden van de politieke en territoriale integriteit van de staat. De staat is natuurlijk en alles wat zich daar tegen verzet is onnatuurlijk.

-         -         Aanpassend: het geven van beperkte vrijheden zoals zelfbestuur om verdere afscheiding te voorkomen. Doel: het verminderen van de druk en kracht.

Belangrijk punt: deze druk van afscheidende nationalisten en van de periferie kunnen worden gezien als bedreigingen tegen het bestaan en legitimatie van de bestaande staat of ten bedrage van het bereik van de staat maar ze zijn niet veelbetekenend voor de overdracht van de staat als een concept.

Druk van boven

Globalisering: toenemende onderling afhankelijke wereld waar kennis over ander landen constant beschikbaar is voor iedereen en er contact is over de hele wereld.

Anthony Giddens: Globalisering is de wereldwijde intensivering van sociale relaties die een schakel vormen met verder verwijderde locaties op zo’n manier dat lokale activiteiten en gebeurtenissen worden gevormd door gebeurtenissen die ver weg voorkomen.

®    ®    verbreding en verdieping van sociale relaties over ruimte: de wereld wordt kleiner door verschillende mechanismen en processen: economische transacties, telecommunicatie, informatietechnologie, televisie, snelleren en goedkopere luchtvaart.

Tijd - ruimte: in een toenemende onderling afhankelijke wereld verspreiden mode en andere trends zich snel over de wereld en verdringen ze politieke en culturele grenzen (Harvey/Massey).

Wereldsteden worden belangrijker dan individuele staten.

Grenzen, natie en staat steeds minder belangrijk.

Verschillende elementen binnen globalisatieproces (Held 1989):

1.         1.      groei internationale handel, kapitaalstromen

2.          2.      Verbeterde communicatie en technologie

3.            TNC’s: handelsblokken (hebben ook invloed op de politiek)

4.           Internationale instituten (UN, IMF, Wereldbank)

5.          Regionale economische blokken (bv EU)

6.          Defensieve en militaire verbonden

7.           Processen gericht op harmonieus internationaal recht

8.           Culturele verspreiding

 

® Economische, politieke, culturele en milieu dimensies. Maar het hangt allemaal met elkaar samen en kan niet los van elkaar gezien worden.

Economische dimensies:

Toename internationale handel en groei buitenlandse investeringen, TNC’s, en handelsblokken zoals de EU.

EU: oorspronkelijke doel: verbreding economie, gecentreerd op de markt van zes landen. Sindsdien is het uitgebreid tot 15 landen en een wachtlijst. Nu heeft het ook een politiek doel. Desondanks blijven de verschillende staten trouw aan hun eigen nationale symbolen en cultuur.

Politieke dimensies:

Einde Koude oorlog: Het uiteenvallen van het communisme en het omschakelen naar het kapitalisme worden gezien als homogeniserende krachten die leiden tot het einde van een ideologie en belangrijke conflicten.

Toenemende politieke samenwerking is gedeeltelijk oorzaak van de verminderde belangrijkheid van alleenstaande staten.

Andere denkbeelden over politieke integratie: anarchisten die het liefste een wereld zouden zien waarin grenzen niet bestaan.

Cultureel:

Steeds meer uniform in kleding, muziek en gebruiken. Bijvoorbeeld 1 wereldtaal.

Daarentegen wel meer nadruk op andere vormen van identiteit zoals homorechten, die grensoverstijgend zijn.

Omgeving:

Sinds 1960 steeds meer aandacht voor milieuproblematiek wereldwijd: is niet gebonden aan staten.

Doen staten er nog toe?

Toekomst: grenzen minder belangrijk maar:

1.      1.      Globalisering vindt al heel lang plaats

2.      2.      Globalisering wordt niet door iedereen of op dezelfde manier waargenomen

3.      3.      Tegen globalisering wordt actief weerstand geboden

4.      4.      Staten en grenzen zullen doorgaan met bepaalde functies en blijven bestaan.

Globalisering is niet nieuw en niet universeel

Globalisering is niet nieuw en heeft altijd al geleid tot de verbinding van plaatsen en mensen. Bv: het imperialisme en kolonialisering. De VOC zou nu een TNC genoemd kunnen worden. Het gaat nu alleen sneller.

Het is ongelijk verdeeld en niet alle mensen ervaren het hetzelfde. Vooral in arme landen weten mensen vaak weinig over het gebied buiten hun eigen leefomgeving. Kortom: het schetst geen compleet beeld maar het betekent niet dat de buitenwereld geen invloed heeft. Rijke, westerse landen kunnen d.m.v. het vestigen van een fabriek wel veel invloed uitoefenen.

Weerstand tegen globalisatie

Locale actiegroepen kunnen zich verzetten tegen TNC’s hoewel ze wel veel macht hebben.

In de politieke sfeer: tegen stemmen bij bijv. aansluiting bij een groter geheel.

Een wereld zonder staten ligt nog ver weg: nationale identiteit en fragmentatie is aan de orde van de dag, vooral in Oost-Europa.

Zijn staten noodzakelijk?

Ja, hoewel grenzen steeds minder belangrijk worden zijn staten nog steeds noodzakelijk. Anders problemen met bv concurrentie.

De grenzen veranderen: in de EU verharden de buitengrenzen en worden de binnengrenzen zwakker.

Meer verandering in vorm van de staten maar niet in een fundamentele verandering in het idee van de beheersing van staten.

Het wereldsysteem van staten is nog niet dood: ondanks of misschien dankzij globalisering, lijken staten en grenzen voort te bestaan in hun functioneren als belangrijke elementen in ons alledaagse leven en in de toekomst.

Conclusie

Twee soorten druk die de huidige wereld met staten bedreigen:

1.      1.      Druk van onder (binnenuit): interne scheidingen binnen staten zoals nationaliteit, ruimtelijke ongelijkheid en verschil in taal.

2.      .      2.      Druk van boven: globalisering van politiek, economie, sociaal-cultureel, en milieu.

De druk bestaat maar die wil nog niet leiden tot het verdwijnen van de staat. De meeste interne druk centreert zich rond de herplaatsing van de huidige staat met een of meer nieuwe. Veel tendensen van globalisering worden tegengehouden: gesuggereerd dat nationale perspectieven en begrenzingen belangrijk zullen blijven.

 

Dit alles suggereert dat een op hande zijnde bedreiging van de staat overdreven is en dat plaats, en met zijn bestrijding over beheersing van gebied, er zeker toe blijft doen.

 Samenvatting hoofdstuk 7 Substate territorial divisions

 

Boek: Territory, the claiming of space; eerste druk 2001

Auteur: David Storey; hoogleraar geografie aan de universiteit van Worcester, Verenigd

  Koninkrijk

 

 

In de eerste zes hoofdstukken worden hoofdzakelijk territoria en territoriaal gedrag besproken op macro – niveau gericht op discussies m.b.t. nationalisme, vorming van staten en territoriale relaties tussen staten. Territoriale strategieën en territoriaal gedrag kunnen ook op een kleiner / lager ruimtelijk schaalniveau plaatsvinden.

Dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk zullen zich richten op andere territoriale vormen en de benutting van territoriale strategieën op het niveau van de substaat. Aan de orde komen informele territoria ( rassen, volkeren en geslachten ). Het gaat dus om geformaliseerde  territoria onder het niveau van de staat. Welke interne territoriale verdelingen / mogelijkheden gebruiken regeringen of hun instellingen om de staat te besturen.

Bij deze interne territoriale verdeling kunnen we twee mogelijkheden onderscheiden,  territoria die vrijwel krachteloos zijn en zwak ontwikkeld tot vrij machtige, hoog ontwikkelde gebieden. Een aanvulling op deze verdeling zijn een aantal quasi – staten of halve staatsorganen met bijzondere verantwoordelijkheden met betrekking tot hun toegekende gebied.

Je kunt dit opvatten als verlengstukken van de staat met regionale verantwoordelijkheden.

Vb. Verenigd Koninkrijk: overheid laat steeds meer organen privatiseren. Door het toegenomen aantal locale voorzieningen wordt de locale “staat” steeds meer gefragmentariseerd.

Hoofdzaak is niet zo zeer om vast te leggen welke specifieke territoriale afspraken er zijn, maar meer om te benadrukken hoe de ruimte wordt gebruikt in betrekking tot besturen en controle.

 

Formele politiek – territoriale verdelingen

 

De meeste landen hebben een interne politieke – territoriale indeling. Dit zijn geografische eenheden, die een beperkte mate van macht hebben over hun eigen aangelegenheden. De mate waarin staten de macht overdragen aan locale autoriteiten is ruimtelijk divers.

Binnen landen kan de mate van autonomie van gebieden in de loop van de tijd veranderen.

Op  basisniveau kan er een onderscheid gemaakt worden tussen gecentraliseerde staten en federale staten. In federale staten zoals de VS en de BRD hebben regionale regeringen een grote mate van zelfstandigheid en kunnen ze zelf wetten vaststellen. In sterk gecentraliseerde staten is de regionale invloed minimaal. Uiteraard bestaan er vele tussenvormen.

 

Federale staten

 

De federale staat is een politiek – territoriaal systeem, waarbij de meeste macht is overgedragen aan het locale niveau.

Federalisme vinden we vaak in multi – etnische staten. Doel hiervan is om een redelijke balans te vinden tussen nationale en regionale belangen, vaak ook tussen verschillende etnische groepen binnen de grenzen van een land. Federale staten zijn vaak een praktisch antwoord op spanningen die het voortbestaan van de staat zouden kunnen ondermijnen. Deze federale staten onderscheiden zich van volledig onafhankelijke staten, door hun gebrek aan kracht in de buitenlandse politiek en hun gebrek aan complete soevereiniteit over hun grondgebied (b.v. voormalige Sovjet – Unie).

 

Voorbeeld VS:            elke staat heeft een bepaalde mate van macht maar ze blijven allemaal onderdeel van de federale regering (Washington).

 

Voorbeeld Spanje:       bestaat uit 17 provincies, die een beperkte mate van zelfregulering bezitten ® asymmetrisch: Baskenland en Catalonië hebben meer autonomie dan de andere provincies.

 

 

Een speciale vorm van decentralisatie vinden we in het Zuid – Afrika van de apartheid.

De “Group Areas Act” en verenigde wetgeving vonden dat mensen moesten leven in gebieden, die gevormd waren voor hun raciale groep. Blanke macht werd ruimtelijk uitgedrukt. Eén van de meest duidelijke ruimtelijke openbaringen was het creëren van de zelfbesturende “homelands”. In de praktijk waren het niet meer dan regio’s met een beperkte mate van zelfregulering.

 

Lokaal bestuur

 

Staten hebben nog steeds mechanismen nodig om hun soevereine territorium te beheren. In het Verenigd Koninkrijk is er een complex systeem van lokale bestuursvormen (tussen Engeland, Wales, Schotland en Noord – Ierland zijn er verschillen; zelfs in Engeland en Wales zijn verschillen). Lokaal bestuur in het Verenigd Koninkrijk werkt op verschillende niveaus binnen een ruimtelijke hiërarchie.

Onder het niveau van het graafschap zijn verschillende groepen van districtsraden en door heel Groot – Brittannië een  twee – rangen systeem van lokaal bestuur, dat werkt met verantwoordelijkheden gescheiden tussen graafschap en districtsraden.

In 1998 is de situatie nog complexer geworden door de invoering van eenheidsgezag in sommige graafschappen. Onder het graafschap en het district hebben we nog een orgaan, namelijk die van de parochies.

Wanneer we kijken naar het lokale bestuur en we zien dat er bij sommige gebieden ogenschijnlijke overlapping is tussen de organen, dan is de situatie nog ingewikkelder door de aanwezigheid van talrijke quasi – bestuurlijke niet gekozen organen, die verantwoordelijk zijn voor bepaalde functies.

 

Terwijl het systeem in het Verenigd Koninkrijk voor het grootste gedeelte is gebaseerd op een historische indeling, is het Franse systeem van departementen gevormd omwille van administratieve redenen na de revolutie in de 19e eeuw ® rationeel systeem van lokaal bestuur. De departementen werden gesticht om een territoriale basis te vormen van waaruit de nieuwe republiek kon worden bestuurd. Alhoewel er veranderingen hebben plaatsgevonden in de mate van macht, is de verdeling nog steeds van kracht.

 

Terwijl veel landen deze interne territoriale verdeling hanteren, laten recente ontwikkelingen in de dienstensector op lokaal niveau zien dat de verdeling tussen publieke sector en private sector wordt verdoezeld.

De rol van de lokale autoriteiten is de laatste jaren substantieel gewijzigd. Centraal hierin is de verkleining van de rol van de staat als verzorger van diensten en de toename van het aantal organen die op één of andere manier een rol spelen in de lokale diensten voorziening.

 

Rolling back the state …….. het terugdringen van de staatsbemoeienis

 

De opkomst van een nieuwe rechtse politiek in het Verenigd Koninkrijk (1970) en elders, heeft geresulteerd in een verandering in denken waarop lokaal bestuur wordt opgevat.

De grote onderscheid  is die van het leveren van diensten / voorzieningen voor iedereen, naar de mogelijk bieden om gebruik te maken van voorzieningen door lokale autoriteiten.

Dit onderscheid vertoont een vrije markt–ideologie met als doel een minimum ingrijpen van de staat. Dit leidt tot privatisering. Bij deze strategie hoort een ideologische component. Ingrijpen van de staat in de dienstverlening werd als negatief gezien. De invloed van het individu stond voorop. Collectivisme werd afgewezen.

De rol van zowel het centrale bestuur als het lokale bestuur als dienstverleners werd aanzienlijk verminderd. De privatisering is door velen bekritiseerd. De privatisering wordt gezien als een vermindering van de democratie door macht te verplaatsen van lokaal gekozen autoriteiten en verleende krachten naar niet gekozen quasi – autonome niet bestuurlijke organen.

 

 

Volgens Hill (1994) heeft er een decentralisatie plaatsgevonden naar individuen en gemeenten terwijl er een centralisatie van macht heeft plaatsgevonden in de handen van niet gekozen organisaties. Hill (1994): welvaart is bepalend in plaats van politieke doelen en machtsinvloeden

.

Theorieën over decentralisatie

 

Vanuit het perspectief van de liberaal – pluralisten kunnen vormen van lokaal bestuur worden gezien als een verzameling van mechanismen, waardoor lokale wensen en behoeftes kunnen worden bepaald en worden gerealiseerd. Lokale besturen moeten een acceptabele oplossing kunnen vinden voor lokale problemen. Ze moeten ook de oplossingen voor tegenstrijdige beelden op lokaal niveau vergemakkelijken.

De besturen van lokale regeringen kunnen worden gezien als een filter tussen nationale belangen en lokale belangen aan de ene kant en aan de andere kant tussen wedijverende belangen groepen op lokaal niveau.

Lokale regeringen moeten ervoor zorgen dat de ruimtelijke “blindheid” van het nationaal beleid op lokaal niveau wordt voorkomen door op het lokale niveau ruimtelijke invulling te geven aan dat nationale beleid.

Vanuit dit liberaal – pluralistische standpunt wordt de lokale staat gezien als een middel, waardoor de centrale staat meer kan participeren in de oplossing van lokale wensen en behoeftes. Daarnaast kan door het scheppen van een verzameling van mechanismen een grotere politieke betrokkenheid bereikt worden. Dit houdt ook in dat zulke afspraken de staat de mogelijkheid geven op een meer efficiëntere manier te werken.

 

Vanuit een meer structurele visie wordt de territoriale onderverdeling gezien als een mechanisme, waardoor de staat zichzelf beter kan organiseren. Om de territoriale integriteit te behouden, moet de staat z’n overwicht over alle geografische deelgebieden in standhouden.

Door interne territoriale afspraken kan de staat zijn legitimiteit over de gehele geografische ruimte verzekeren. Zelfs in hoog ontwikkelde staten is het doel niet een grotere democratie of gevoeligheid voor lokale behoeften, maar het verzekeren van binnenlandse hegemonie van de staat.

 

Federalisme of andere hoog ontwikkelde structuren kunnen worden gezien als politiek territoriale strategieën, uitgevoerd in een poging de heersende centrifugale en centripetale krachten waar staten onderdeel van zijn, overeen te brengen. Het  toegeven aan een veelbetekenende autonomie kan worden gezien als een andere manier om met krachten van b.v. separatisten om te gaan (bijv. Spanje, Basken).

 

Decentralisatie strategieën kunnen meer worden gezien als een poging om de hegemonie van de staat te handhaven, dan hem te verzwakken.

 

Om de territoriale hegemonie te handhaven heeft de staat twee methoden:

 

1.                  assimilatie – beleid (alle regio’s op dezelfde manier behandelen)

2.                  decentralisatie

 

Uiteindelijk zijn beide benaderingen ontworpen om territoriale afscheiding te voorkomen en de controle van de staat voor alle regio’s te handhaven.

Vb.:     succesvolle afscheiding: Eritrea « Ethiopië

            Minder succesvol: Noord – Ierland

 

Bewegingen naar een “Europa van de regio’s” gaan in de richting van het overslaan van staatsstruc-turen. Regionale eenheden leggen hun eigen contacten aan de andere zijde van de grens van hun eigen staat.

 

 

Territorialisering op basis van een gemeenschapsgevoel

 

Het nut van het lokale gemeenschapsgevoel en de betrokkenheid bij een plek is bevorderlijk geweest voor de ontwikkeling van een nieuwe dimensie in het zoeken naar nieuwe vormen van bestuur op lokaal niveau. Het gaat er om gemeenschappelijke antwoorden te vinden op specifieke sociale of economische problemen zoals criminaliteit, landelijke ontwikkeling en dienstverlening.

Meer recentelijk binnen Europa is het idee om lokale personen en organisaties toestemming te geven om mee te denken om hun eigen problemen op te lossen  (actief burgerschap). Dit is echter geen nieuw fenomeen. Er bestaat een lange historie van lokale mobilisatie, vooral in stedelijke gebieden (buurtverenigingen).

 

Post – modernistische benadering: benadrukt landelijke diversiteit en lokale verschillen ® minimaliseren directe betrokkenheid van de staat.

 

Groepen met een gemeenschapsgevoel en lokale samenwerkingsverbanden worden een onderdeel van het mechanisme van de lokale staat.

 

Zelfhulp en de aanpak van vrijwilligers en de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden zullen alleen stap voor stap een oplossing brengen en zullen alleen die mensen helpen die erbij betrokken zijn, maar niet de structuren wijzigen die de problemen in eerste plaats creëren.

 

Ray (1998) stelt, dat binnen een landelijke samenhang, zulke strategieën alleen werken door het creëren en handhaven van een sterke territoriale identiteit. Territoriale strategieën worden benut en plaatsgebonden identiteiten worden gezien als het sleutelmechanisme bij het kweken van een speciale innovatiegeest en samenwerking.

 

In een aanzienlijke mate is deze benutting van territoriale strategieën meer een midden – klasse fenomeen, gesteund door diegene die zowel tijd en geld ervoor hebben om bij deze coöperatieve projecten te worden betrokken ® transnationale dimensie

 

Dit wordt gecombineerd met een Europa van regio’s, door te benadrukken dat er meer contact is tussen lokale regeringen en tussen samenwerkingsverbanden.

De nationale regeringen worden overgeslagen, dit suggereert een re – territorialisatie langs de internationale grenzen, in combinatie met een vermindering van de belangrijkheid van nationale grenzen.

Het laat ook zien dat er een interactie is tussen lokaal en het mondiale, waarbij kleinere territoriale eenheden in contact worden gebracht met lokaliteiten ver buiten hun directe dagelijkse contacten. Deze ideeën van gemeenschapsontwikkeling tonen de splitsing van lokale en regionale regeringen. Gemeenschapsontwikkeling kan gezien worden als een lokaal gevoelige poging om de democratie te verdiepen, maar ook een middel om behoud van de territoriale hegemonie van de staat.

 

Administratieve verdeling en de zin van plaatsen

 

Het algemeen geschetste beeld, dat interne territorialisatie een mechanisme is voor het behoud van politieke controle. Zoals we gezien hebben in relatie tot nationale identiteit en vorming van een staat, leidt het trekken van grenzen tot vorming en behoud van een territoriale identiteit.

Wanneer specifieke territoriale formaties een lange historie hebben, of verondersteld worden die te hebben, dan zullen de mensen een sterke band hebben met hun regio of ten minste met een bepaald gedeelte van hun streek.

Het gevoel van betrokkenheid bij een plaats en de wijze waarop grenzen ooit gevormd zijn, vormen krachtige elementen in het scheppen van een identiteit.

 

Plaats en de private sector

 

De benutting van een territoriale strategie is geen voorrecht van de regering, zowel in gecentraliseerde vorm als in vergaande decentralisatie. De private sector zal ook territoriale strategieën ontwikkelen om daarmee hun zaken beter te regelen.

Territorialiteit is een zinvolle organisatorische methode en een middel waardoor bedrijven de efficiëntie kunnen verbeteren.

 

Samenvatting Territory Hoofdstuk 9

 

Conclusies

 

Dit boek heeft een aantal voorbelden gegeven van territoriaal gevormde gebieden door de mens en strategieën, op verschillende schalen van locaal naar globaal.

·        ·        Een nu nog bepalend element in de huidige situatie is de territoriale ideologie van nationalisme. Het bestaan van territoriale eenheden en de grenzen ertussen geven de wereld van de politiek weer, waarin controle over het territoriale gebied gezien kan worden als macht; de verdeling van de ruimte in territoriale gebieden geven een ruimtelijke weergave van macht. Deze weergave van macht en controle blijkt nog steeds van belang te zijn.

·        ·        Niet alleen bestaat er de territoriale vorm van een staat, ook kan er op basis van het weglaten van een bepaald gedeelte van de bevolking, bijvoorbeeld op basis van ras, etniciteit, geslacht of seksuele oriëntatie, een nieuwe vorm van territorialiteit ontstaan.

·        ·        Een hoofdgedachte uit het boek is dat door territoriale gebieden macht kan worden getoond of betwist. Territoriale gebieden worden gebruikt als betekenis voor sociale, politieke en economische controle. Hieruit volgt dat territoriale gebieden geen natuurlijke zijn maar door de mens zijn gemaakt! Plaats is zeker van belang.

·        ·        Allerlei verschillende groepen proberen het territoriale gebied te veroveren en hierdoor ontstaan constante ‘ruzies’.

·        ·        Geografen moeten niet alleen constateren dat er problemen zijn, maar het is van belang dat ze de onderliggende oorzaken ervan te weten zien te komen. Het zijn vooral de achterliggende gedachten van mechanismen die onderzoek vragen dan de territoriale gebieden zelf.

 

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1