| Swing | |||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||
| Zonder het element Swing heeft het de Jazz geen betekenis: "It don't mean a thing if it ain't got that swing!" Swing is toonaangevend voor de opvattingen en interpretatie van Jazz. Het is hierbij de bedoeling dat de verhouding van de gespeelde toon tot de beat niet precies op de tel maar meestal iets ervoor of erna is. Het begrip swing hangt dus nauw samen met de variaties in timing op een instrument. Swing is dus een kwestie van; Timing, Frasering en Feeling. Swing is een vrij intersubjectief begrip wat het moeilijk maakt te omschrijven, want wat maakt swing tot swing? Count Basie antwoordde hier eens op: "Ik denk dat Swing alleen een kwestie is van goede dingen die worden samengebracht waarbij je echt lekker met je voet kunt meetikken." Het was in de swing periode dat de geschooldheid, instrumentbeheersing en virtuositeit toenamen. Ondanks deze gegevens veranderde er weinig in de manier van improviseren die nog steeds bestond uit parafrases (bewerking van een frase met versierende toevoegsels). Ondanks dat de Swing Era ruwweg in de jaren 30 zou vallen zijn in opnames uit 1925 van bijv. Louis Armstrong en Duke Ellington al swingelementen te horen. De speelstijl komt beduidend "losser" van de strakke marsachtige, hoogstens syncopische opvatting van daarvoor. Swing wordt daarom ook wel eens omschreven als loskomen van de grond of opstijgen / vliegen. Door dit element leende de Swing zich uitstekend als dansmuziek. Men ging massaal naar de jazzclubs, restaurants en bars waar jazz gespeeld werd. Een aantal beroemde Jazzclubs in Harlem zijn o.a. the Cotton Club, the Savoy Ballroom (met een eigen huisorkest; the Savoy Sultans) en het Apollo Theater. Geleidelijk aan werden de Big Bands populair, een ware explosie van zwarte en witte jazzbands beheersten de jaren 30. De witte bands werden gekenmerkt door de "sweet" stijl, de zwarte bands door de "hot" stijl. De gemiddelde bezetting van een Big Band uit die tijd was als volgt: 3 tot 4 trompetten, 2 tot 3 trombones, 3 tot 4 saxofoons en een ritmesectie met piano, slaggitaar (vervanging van de banjo), bas (vervanging van de tuba) en drums. Arrangeren kwam nu ook opzetten, meestal maakten de orkestleiders zelf de arrangementen voor hun orkest (zoals bijv. Duke Ellington) maar vaak was er ook een speler uit het orkest die de arrangementen maakte. Zo werden de aan afspraken (bijv. Riffs) gebonden vertolkingen vervangen door uit het hoofd geleerde partijen en uitgeschreven arrangementen. De arrangementen waren onverbrekelijk verbonden aan specifieke geluidskenmerken van de spelers van de betreffende big band. Hierdoor ontstonden letterlijk unieke uitvoeringen, Duke Ellington was hier een meester in. Ruimte voor improvisatie binnen deze arrangementen werd benut door de solisten, vele solisten hebben op deze manier een grote naam opgebouwd als individueel jazzvertolker. Veel bands hadden vocalisten in dienst, het was hun aandeel dat ervoor zorgde dat er een sterke relatie ontstond tussen de populaire Amerikaanse muziek en de jazz. Populaire songs gingen steeds meer tot het repertoire van de big bands behoren. Een groot aantal van die populaire songs (van de hand van componisten als bijv. Gershwin en Porter) behoren vandaag de dag tot de "standards". |
|||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||
![]() |
![]() |
||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||
| Terug naar Begin<< |Vorige| >>Volgende | |||||||||||||||