| BERICHT VAN CUBA NETTY LE BLANC - NOVEMBER 2001 |
| Cuba: de ultieme cocktail (2) |
![]() |
| Dinsdag, de reis naar Pinar del Rio voert ons door weinig spectaculair landschap. Vlak, grote velden met ca�a (suikerriet). Nou moet ik eerlijk zeggen dat na geruime tijd in Costa Rica het landschap van Cuba en de schilderachtige huisjes niet zoveel indruk maken, het lijkt wel op elkaar. Wat ons opvalt als echt anders: de huizen hebben voornamelijk daken met pannen of palmbladeren in plaats van golfplaat; de snelwegen zijn goed en erg leeg! In Pinar del Rio worden we aangeklampt door mensen die een kamer in hun casa particular aanbieden. Nou hebben we daar een broertje dood aan, we kijken eerst liever zelf rond. Pinar is een provinciale stad, druk en warm. Ook hier typische, Spaans aandoende gebouwen. De auto�s stinken enorm, ik krijg er hoofdpijn van. Eerst maar wat eten, dus we gaan op zoek naar een paladar. Een behulpzame zwarte jongen vraagt of hij ons ergens mee kan helpen, hij brengt ons naar een verstopt restaurant op een dakterrasje. Hij heet Tony (alias Antonio) en hij wil graag Engels spreken. Hij �studeert Windows� en wil het graag ver schoppen in de wereld. Het is een schatje, maar we raken hem niet kwijt. Het probleem is dat hij alles belangeloos doet, wanneer we hem geld aanbieden is hij waarlijk geschokt. We zijn toch vrienden! Tony brengt ons naar een casa particular van een kennis. Inclusief ontbijt $10 per nacht. Schoon en netjes, en vreselijk aardige mensen. We willen een ijsje, Tony neemt ons mee naar Coppelia, de beroemde ijsgigant van Cuba. Jammer genoeg hebben ze nu even geen ijs. Hij weet nog een ander adres, een banketbakker. Ook daar geen ijs. Bij de dollarsupermarkt (zie Pesos y pesos y pesos) liggen nog wat verpakte ijsjes in de vrieskist. Dat is Cuba: het weinige wat er te koop is, is niet altijd verkrijgbaar. Zuivelprodukten zijn schaars door het tekort aan veevoer. Maar schaarste geldt ook voor andere etenswaren, zo hebben we bijvoorbeeld geen enkele keer vers brood bij het ontbijt gekregen (een luxeprobleem, ter illustratie). Die avond is er een groot feest in de stad. Tony komt ons ophalen. Eerst willen we een klein hapje om de maag te vullen. Een pizzaatje lijkt ons wel wat. Tony doet alle mogelijke moeite om ons pizza te laten eten bij een echt restaurant, maar wij willen pizza van langs de straat. We krijgen het idee dat hij die niet goed genoeg voor ons vindt. Gelukkig is er nergens officiele pizza voorradig en eindigen waar we wilden. De straatpizza�s zijn aan te bevelen, vers, lekker en goedkoop. Terwijl wij eten doet Tony alsof hij niet bij ons hoort en hij is blij wanneer we eindelijk klaar zijn. De bestemming is een danscaf� en ruim voor aanvang zitten we aan de mojitos. Mijn hoofdpijn wordt flink gestimuleerd door de rum en ik probeer alleen naar huis te vertrekken. Maar, zegt Tony, we zijn vrienden, samen uit samen thuis. Dus lig ik om tien uur in bed met een bonkend hoofd, pijnlijke keel en een verstopte neus. Autouitlaatgassenallergie? Ik worstel me door de nacht met de wetenschap dat we de volgende dag naar de frisse lucht gaan. Tony komt ons om negen uur ophalen. Niet met de Amerikaanse klassieker die hij ons beloofd had, maar met twee vrienden in een gammele Moskovitch Deluxe. Zelf ook gammel na een slapeloze nacht propten we ons op de achterbank. Na een paar meter bleek de uitlaat op geniale wijze uit te komen in cabine, zodat we de reis moesten uitzitten met de ramen wijd open en zo weinig mogelijk ademend. Groen en geel rolden we in Vi�ales, 27 km verderop, bij de casa particular van een familielid van de jongens uit de auto. De rest van de dag heb ik met de koudekippenkoorts in bed doorgebracht, terwijl buiten tropische temperaturen heersten. Harold maakte in de tussentijd vele vrienden in en om het dorp. Donderdag, Harold rijdt voor met een brommertje, we gaan op avontuur. Stilzitten lukt me wel, ondanks een algemene zwakte en een houten reet na tientallen kilometers op stoffige, onverharde wegen. Vi�ales is bekend van- wege de merkwaardige rotsen (mogotes), door eeuwenlang gesijpel van water uitgeholde en gebeeldhouwde kalksteenformaties met vele grotten en gaten. Doet een beetje denken aan Chinese prenten. Hier is het landschap wel degelijk anders dan in Costa Rica, het is prachtig. De valleitjes tussen de rotsformaties zijn vruchtbaar, er wordt vooral tabak verbouwd. Je ziet dan ook overal mannen (soms vrouwen) met een sigaar in de mond geklemd, tijdens het ploegen, fietsen, lopen en drinken. Onze huismoeder serveerde een eenvoudige doch smakelijke avondmaaltijd, heel wat beter (en goedkoper) dan de lunch die we onderweg gebruikten in het staatstoeristenoord. Zouden de offici�le koks leren koken van oostblokkers? Smakeloos, fantasieloos, soep met klontjes, tomatensaus zonder tomaten, lauw opgediend na lang wachten. De reisgids waarschuwde er al voor, maar we kunnen het nu zelf bevestigen: vermijd de staatsrestaurants! Vrijdag, we gaan wandelen. Het weggetje dat langs ons huis loopt, heeft Harold gisteren gedeeltelijk al verkend met zijn brommertje. Hij kwam echter niet verder dan waar er een riviertje de weg overstroomde. Het is nog vroeg en nog niet al te warm. Boeren werken in hun velden, de tabak wordt geplant. In veel velden staan de tere groene zaailingen in de rode aarde. Ik zou graag de volwassen planten willen zien, zeker wanneer ze bloeien! Het pad kronkelt, stijgt en daalt licht. Vogels tsjiepen tevreden, een roofvogel laat zijn gemauw horen, het geurt kruidig. Wat een verademing! Iedere nieuwe kronkel in de weg biedt een ander uitzicht. Hier kijk je uit over een lager liggende vallei, daar op een bebost stuk, verderop weer loopt het pad langs een steile rots, waar zich toch nog bomen aan vast weten te klampen. En na nog een bocht zien we het riviertje. Terug of schoenen uit? Modder sprietst tussen de tenen, verderop is het zanderig, het water is lekker koel. Het pad wordt veel gebruikt door ossenkarren, dus aan weerszijden is het pad tot klonterige blubber gekarnd. Het is inmiddels lunchpauze. In de schaduw van grote bomen zitten de veldarbeiders te praten en te eten. De ossen staan lijdzaam te wachten langs het pad. Even verderop zien we een schitterend vogeltje: felgroen, spits snaveltje, rode keel. Terwijl we doodstil staan te kijken, komen er vier piepkleine biggetjes de weg op scharrelen. Zodra we bewegen schieten ze het struikgewas in. Hun ouders liggen languit in de blubber. Uiteindelijk voert het pad ons langs een monsterlijk geval van graffiti: een in 1960 beschilderde rotswand met als thema de geschiedenis vanaf de prehistorie. Bussen vol toeristen worden uitgeladen, bakken vol dollars stromen binnen. Hoe enorm groot het ding is, dringt pas tot ons door als we piepkleine onderhoudsschildertjes aan dunne draadjes langs de wand zien bungelen. |
![]() |
![]() |