| BERICHT UIT COSTA RICA NETTY LE BLANC - JANUARI 2001 |
| Voorbereiding Onze vriendin is gearriveerd en het reisschema gaat onmiddellijk in. De info waarschuwt voor hoogteziekte op de Chirrip�, dus moet ze eerst wennen aan de bergen. San Jos� ligt op 1.100 meter, dus dat is een goed begin. We �doen� de Rincon de la Vieja (1.916 m). Het pad naar boven is een goede oefening, maar na een kilometer of zes komen we plotseling het bos uit, de volle regen en storm in. Het pad is nauwelijks nog beloopbaar, de wind rukt aan ons lijf alsof hij de berg wil beschermen tegen indringers. We gaan terug, we zijn niet gekleed op zulk geweld. De Iraz� bezoeken we per auto, en koesteren ons heerlijk in de zon op 3.432 m hoogte (gevolg: verbrande neuzen en nekken). Vanaf de vulkaan menen we de Chirrip� te kunnen zien. Een verre top steekt hoog boven de omringende bergen uit, en boven de wolken. Dat moet hem zijn, besluiten we. |
![]() |
![]() |
| De hoogste berg (2) |
| 11.00 uur, halverwege Ineens gaat het een stukje naar beneden, we lijken een ondiepe kom in te lopen. Daar is Refugio Llano Bonito (2.450 m). We zijn al halverwege, zeggen we verbaasd tegen elkaar. De afgelopen uren zijn we dus pakweg 700 meter gestegen. Het viel me niet makkelijk, maar het viel ook niet heel erg tegen. Toch brengt het idee van nog eens zo�n afstand me aan het twijfelen. Ga ik door of ga ik terug? Na een halfuurtje rust, een droog t-shirt, een kleffe boterham, een slok water en veel peptalk, zie ik het wel weer zitten. Ik ga door, ik z�l boven komen. Op dat moment negeer ik het vermoeden dat ik deze beslissing nog vaak en verschrikkelijk zal betreuren. |
| Voorbereiding Op weg naar San Gerardo de Rivas verpozen we een paar dagen in de vallei van de Savegre in de Cerro de la Muerte. We lopen en lopen, zien de quetzal* en slapen twee koude nachten op 2.200 m. We lopen veel en constateren dat we gemiddeld 2 km per uur in de bergen halen. Dus voor 14 km kunnen we rekenen op zeven uur! Voortdurend speculeren we over het onbekende. Hoeveel uur zouden we er over doen? Hoogteziekte zal in ieder geval geen probleem zijn, na al deze voorbereidingen. We zijn er klaar voor, hoewel ik er als een berg tegenop zie. |
| 12.00 uur De boomgrens blijkt een stuk hoger te liggen dan mijn ademgrens. In het bos is het wat bedompt en duister, van de takken hangen lange gele mosbaarden. Een duidelijke indicatie van hoe vochtig het hier altijd is in dit nevelwoud, wolkenbos. Het is een immense opluchting wanneer we het bos uitkomen in een open gebied. Het uitzicht is adembenemend. Overal om ons heen bergen, we kijken al over enkele toppen heen. Wolken hangen eromheen, de zon schijnt op de kale heuvels. Zo te zien lag de boomgrens ooit een stuk hoger, te oordelen aan de afgebrande kale stammen die grillig omhoog steken tegen de blauwe lucht. Een enorme bosbrand heeft gewoed in 1992 en nu, na negen jaar staan de jonge eiken pas anderhalve meter hoog. De bodem is bedekt met allerlei bloeiende heesters en planten. Piepkleine kolibries zoemen voorbij en lijken een soort zelfmoordactie uit te voeren: ze vliegen steil omhoog om vervolgens met een rotvaart loodrecht naar beneden te duiken. |
![]() |
| 13.30 uur Na het bos krijgen we een korte adempauze. Het pad slingert zoetjes langs de bergwanden omhoog. En dan plotseling weer steil naar boven, dat is de Monte Sin Fe (berg zonder hoop). Tegemoetkomende afdalers melden dat het niet zo heel ver meer is, maar dat het laatste stuk onbarmharig steil is. In de valse veronderstelling dat ons eindpunt nu niet ver meer is, daalt het tempo. We nemen vele pauzes, om naar vogels te kijken en om het landschap te bewonderen (om op adem te komen). Na de volgende bocht is het pad goed zichtbaar: het daalt slingerend naar links en gaat dan weer om de volgende helling omhoog, en omhoog en omhoog. Het zicht op deze nieuwe uitdaging beneemt me even alle moed en ik ga er even bij zitten. Neem een slok water en krijg een dosis peptalk toegediend. Ik klamp me vast aan de gedachte dat aan alles een eind komt. |
![]() |