Lever content die bij presentatie aan de gebruiker in essentie dezelfde functie of hetzelfde doel uitdrukt als auditieve of visuele content. Hoewel sommige mensen (bewegende) beelden, geluiden, applets etc. niet direct kunnen gebruiken, kunnen ze wellicht wel pagina's gebruiken die informatie bevatten die equivalent is aan visuele of auditieve content. De equivalente informatie moet hetelfde doel dienen als de visuele of auditieve content. Zo zou het tekstequivalent voor de afbeelding van een opwaartse pijl die naar een inhoudsopgave linkt kunnen zijn "Naar de inhoudsopgave". In sommige gevallen zou een equivalent ook de verschijningsvorm van visuele content moeten beschrijven (bijvoorbeeld voor complexe grafische afbeeldingen, reclameborden of diagrammen) of het geluid van auditieve content (bijvoorbeeld voor geluidsopnamen die worden gebruikt in het onderwijs).
Deze richtlijn legt de nadruk op het belang om tekstequivalenten te leveren van niet-tekstuele content (beelden, geluidsopnamen, video). De kracht van tekstequivalenten ligt daarin dat zij weergegeven kunnen worden op een wijze die toegankelijk is voor mensen uit verschillende groepen gehandicapten die verschillende technologieën gebruiken. Tekst kan gemakkelijk worden uitgevoerd naar spraaksynthese-apparaten en brailleleesregels en kan visueel worden gepresenteerd (in diverse maten) op computerbeeldschermen en papier. Synthetische spraak is van vitaal belang voor personen die blind zijn en voor veel mensen met de lees problemen die vaak samengaan met cognitieve problemen, leerproblemen en doofheid. Brailleschrift is van essentieel belang voor personen die zowel doof als blind zijn, evenals voor veel personen wier enige zintuiglijke handicap blindheid is. Visueel getoonde tekst is van nut voor gebruikers die doof zijn, evenals voor de meerderheid van de Webgebruikers.
Het leveren van niet-tekstuele equivalenten (bijvoorbeeld afbeeldingen, video-opnamen en geluidsopnamen) van tekst is ook profijtelijk voor sommige gebruikers, in het bijzonder niet-lezers of mensen die problemen hebben met lezen. In films of visuele presentaties wordt visuele actie als lichaamstaal of andere visuele gebaren niet begeleid door voldoende auditieve informatie, die dezelfde informatie overbrengt. Tenzij van deze visuele informatie een verbale beschrijving wordt meegeleverd zullen mensen die de visuele inhoud niet kunnen zien (of bekijken) niet in staat zijn om die informatie waar te nemen.
Wees er zeker van dat tekst en grafische afbeeldingen begrijpelijk zijn als je ze zonder kleur ziet. Als alleen kleur wordt gebruikt om informatie over te brengen, zullen mensen die bepaalde kleuren niet kunnen onderscheiden en gebruikers van apparaten zonder kleurenbeeld of met een nietvisuele afbeelding, die informatie niet ontvangen. Als de voorgrond- en achtergrondkleur te weinig van elkaar verschillen in HUE, vertonen ze wellicht te weinig contrast als ze op monochrome beeldbuizen worden gezien of gezien worden door mensen met diverse types kleurenblinheid.
Maak documenten op met de juiste structuurelementen. Stuur de presentatie met style sheets en liever niet met presentatie-elementen en -attributen. Als je de opmaak incorrect gebruikt - niet volgens de specificatie - hinder je de toegankelijkheid. Als je de opmaak oneigenlijk gebruikt voor een presentatie-effect (bijvoorbeeld als je een tabel gebruikt voor layout of een kop om de fontafmeting te veranderen) maak je het gebruikers met speciale software moeilijk om de indeling van de pagina te begrijpen of om erdoor te navigeren. Bovendien, als je presentatiemopmaak gebruikt in plaats van structurele opmaak om structuur over te brengen (bijvoorbeeld als je iets met een PRE-element maakt wat op een tabel moet lijken) maak je het andere apparaten moeilijk om een pagina begrijpelijk weer te geven (zie ook de beschrijving van het verschil tussen content, structuur en presentatie). Contentontwikkelaars komen wel eens in de verleiding om constructies te gebruiken (of te misbruiken) die op oudere browsers een gewenst formatteringseffect hebben. Zij moeten dan wel bedenken dat deze gewoontes toegankelijkheidsproblemen veroorzaken en zich afvragen of het formatteringseffect wel belangrijk genoeg is om het document ontoegankelijk te maken voor sommige gebruikers.
Aan de andere (uiterste) kant moeten contentontwikkelaars geen geschikte opmaak opofferen omdat een zekere browser of hulptechnologie die niet correct kan verwerken. Zo is het bijvoorbeeld raadzaam om het TABLE-element in HTML te gebruiken om tabelinformatie op te maken, al zullen er oudere schermlezers zijn die parallelle tekst niet correct kunnen verwerken. (zie ook ijkpunt 10.3). Een correct gebruik van TABLE en het creëren van tabellen die zich netjes laten transformeren (zie ook richtlijn 5) maakt het software mogelijk om tabellen anders dan als tweedimensionale roosters weer te geven.
Gebruik opmaak die de uitspraak en interpretatie van afgekorte of buitenlandse tekst mogelijk maakt. Als contentontwikkelaars veranderingen van de natuurlijke taal in een document aangeven, kunnen spraaksynthesizers en brailleapparaten automatisch switchen naar de nieuwe taal, waardoor ze het document toegankelijker maken voor meertalige gebruikers. Contentontwikkelaars moeten de overheersende natuurlijke taal van de inhoud van een document aangeven (door opmaak of HTTP-headers). Contentontwikkelaars moeten ook de volledige uitwerkingen van afkortingen en acroniemen geven. Behalve dat ze hulptechnologieën van dienst is, geeft opmaak in een natuurlijke taal zoekmachines de gelegenheid keywords te vinden en documenten in een gewenste taal te identificeren. Opmaak in een natuurlijke taal verbetert ook de leesbaarheid van het Web voor alle mensen, inclusief mensen met leermoeilijkheden, cognitieve problemen of mensen die doof zijn.
Als afkortingen en veranderingen in de natuurlijke taal niet worden aangegeven, worden ze mogelijk onontcijferbaar, als ze in brailleschrift of machinaal geluid worden omgezet.
Let erop dat tabellen de noodzakelijke opmaak hebben om door toegankelijke browsers en andere user agents getransformeerd te worden. Tabellen moeten gebruikt worden voor het weergeven van data ("datatabellen"). Contentontwikkelaars moeten het gebruik van tabellen voor de layout van pagina's ("layouttabellen") vermijden. Tabellen voor welk gebruik dan ook leveren ook speciale problemen op voor gebruikers van schermlezers (zie ook ijkpunt 10.3). Sommige user agents geven gebruikers de gelegenheid om langs tabelcellen te navigeren en de header en andere informatie in de cel te bekijken. Mits ze correct zijn opgemaakt, zullen deze tabellen user agents van de juiste informatie voorzien. (Zie ook richtlijn 3.)
Zorg ervoor dat pagina's toegankelijk zijn, ook als nieuwe technologieën niet worden ondersteund of worden uitgezet. Hoewel contentontwikkelaars worden aangemoedigd om nieuwe technologieën te gebruiken die problemen oplossen die bestaande technologieën met zich meebrachten, moeten ze er wel op letten dat hun pagina's ook nog werken bij oudere browsers en bij mensen die bepaalde functies uitzetten.
Zorg ervoor dat bewegende, knipperende, scrollende of zelf-updatende objecten of pagina's stopgezet of stilgezet kunnen worden. Sommige mensen met cognitieve of visuele handicaps zijn niet in staat om bewegende tekst snel genoeg of überhaupt te lezen. Beweging kan ook voor zoveel afleiding zorgen dat de rest van de pagina onleesbaar wordt voor mensen met cognitieve handicaps. Schermlezers zijn niet in staat bewegende tekst te lezen. Mensen met fysieke handicaps zijn mogelijk niet in staat om snel of nauwkeurig genoeg te bewegen om interactief te werken met bewegende objecten. NB Alle volgende ijkpunten brengen enige verantwoordelijkheid voor de contentontwikkelaar met zich mee totdat user agents hiervoor adequate sturingsmechanismen leveren.
Zorg ervoor dat de gebruikersinterface principes van toegankelijk ontwerp volgt: apparaatonafhankelijk toegang tot functionaliteit, toetsenbordbesturing, self-voicing, etc. Als een ingebed object zijn "eigen interface" heeft, moet de interface - evenals de interface tot de browser zelf - toegankelijk zijn. Als de interface van het ingebedde object niet toegankelijk gemaakt kan worden, moet een alternatieve toegankelijke oplossing worden geleverd. NB Raadpleeg s.v.p. de User Agent Toegankelijkheids Richtlijnen ([WAI-USERAGENT]) en de Authoring Tool Toegankelijkheids Richtlijnen ([WAI-AUTOOL]) voor informatie over toegankelijke interfaces.
Gebruik eigenschappen die activering mogelijk maken van pagina-elementen via een verscheidenheid van invoerapparaten. Apparaatonafhankelijke toegang betekent dat de gebruiker interactief kan werken met de user agent of het document met een invoer- (of uitvoer-) apparaat van zijn keuze - muis, toetsenbord, stem, "hoofdspriet", of iets dergelijks. Als bijvoorbeeld een formulier alleen kan worden ingevuld met behulp van een muis of een ander "aanwijsapparaat", zal iemand zonder gezichtsvermogen die de pagina gebruikt met behulp van steminvoer of met een toetsenbord met een ander invoerpapparaat zonder "aanwijsfuncties", niet in staat zijn het formulier te gebruiken.
NB Het leveren van tekstequivalenten voor image maps of afbeeldingen gebruikt als links maakt het mogelijk voor gebruikers ermee interactief te werken zonder een "aanwijsapparaat". Zie ook richtlijn 1.
In het algemeen zijn pagina's die interactie met het toetsenbord toelaten ook toegankelijk door middel van spraakinvoer of door middel van een opdrachtregel.
Gebruik interimoplossingen voor de toegankelijkheid zo dat hulptechnologieën en oudere browsers correct werken. Oudere browsers staan bijvoorbeeld gebruikers niet toe om te navigeren naar lege invoervelden. Oudere schermlezers lezen lijsten van opeenvolgende links als één link. Die elementen zijn daarom moeilijk of helemaal niet toegankelijk. Ook kan het veranderen van het actuele venster of het te voorshcijn springen van nieuwe vensters erg desoriënterend werken op gebruikers die niet kunnen zien dat dit is gebeurd.
Gebruik W3C-technologieën (volgens de specificatie) en volg de richtlijnen voor toegankelijkheid. Als het niet mogelijk is om een W3C- technologie te gebruiken of als het gebruik ervan tot materiaal leidt dat niet netjes is te transformeren, is het beter om een alternatieve versie van de content te leveren die toegankelijk is.
De huidige richtlijnen bevelen W3C-technologieën (bijvoorbeeld HTML, CSS, etc.) aan om verschillende redenen: W3C-technologieën omvatten "ingebouwde" functies voor toegankelijkheid. W3C-specificaties worden in een vroeg stadium beoordeeld om er zeker van te zijn dat toegankelijkheidsaspecten tijdens de ontwerpfase in acht worden genomen. W3C-specificaties worden ontwikkeld in een open proces gericht op concensus van de industrie. Vele niet-W3C formaten (bijvoorbeeld PDF, Shockwave, etc.) vereisen voor het waarnemen óf plug-ins óf stand-alone applicaties. Vaak kunnen deze formaten niet bekeken of genavigeerd worden met standaard user agents (met inbegrip van hulptechnologieën). Als je niet-W3C en niet-standaardfuncties (gepatenteerde elementen), -attributen, -eigenschappen en -extensies vermijdt, zal dat ertoe leiden dat pagina's toegankelijker worden voor meer mensen, die een breder scala van hardware en software gebruiken. Als ontoegankelijke technologieën (gepatenteerd of niet) gebruikt moeten worden, moeten er wel equivalente toegankelijke pagina's geleverd worden. Zelfs als W3C-technologieën worden gebruikt, dan moet dat gebeuren in overeenstemming met de richtlijnen voor toegankelijkheid. Als je nieuwe technologieën gebruikt, wees er dan zeker van dat ze zich netjes laten transformeren. (Zie ook richtlijn 6).
Het converteren van documenten (van PDF, PostScript, RTF, etc.) naar markuptalen van W3C (HTML, XML) resulteert niet altijd in een toegankelijk document. Valideer daarom elke pagina op toegankelijkheid en bruikbaarheid na het conversieproces (zie ook de sectie over validatie). Als een pagina niet gemakkelijk te converteren is, herzie de pagina dan totdat het origineel op de juiste manier converteert of lever een HLML- of plattetekstversie.
Contentontwikkelaars moeten alleen hun toevlucht nemen tot alternatieve pagina's als andere oplossingen niet lukken, omdat alternatieve pagina's in het algemeen minder vaak worden geactualiseerd dan "primaire" pagina's. Een verouderde pagina is waarschijnlijk even frustrerend als een pagina die ontoegankelijk is, aangezien in beide gevallen de informatie uit de oorspronkelijke pagina niet beschikbaar is. Het automatisch genereren van alternatieve pagina's leidt waarschijnlijk tot een meer frequente actualisering, maar contentontwikkelaars moeten er steeds zorgvuldig op letten dat de gegenereerde pagina's steeds zinvol zijn en dat gebruikers in staat zijn een site te navigeren door volgende links op primaire pagina's, alternatieve pagina's of beide. Voordat je je toevlucht neemt tot een alternatieve pagina, kan je beter het ontwerp van de originele pagina heroverwegen; als je die toegankelijk maakt, verbeter je hem waarschijnlijk voor alle gebruikers.
Lever informatie over context en oriëntatie en help daarmee gebruikers complexe pagina's of elementen te begrijpen. Het groeperen van elementen en het leveren van contextuele informatie met betrekking tot de relaties tussen elementen kan nuttig zijn voor alle gebruikers. Complexe relaties tussen delen van een pagina kunnen moeilijk interpreteerbaar zijn voor mensen met een cognitieve of visuele handicap.
Lever duidelijke en consistente navigatiemechanismen - oriëntatie-informatie, navigatiebalken, een site map, etc. - en verhoog de kans dat iemand vindt wat hij zoekt op een site. Duidelijke en consistente navigatiemechanismen zijn belangrijk voor mensen met cognitieve handicaps of blindheid en zijn nuttig voor alle gebruikers.
Zorg ervoor dat documenten duidelijk en simpel zijn zodat ze gemakkelijker begrepen kunnen worden. Consistente paginalayout, herkenbare grafische afbeeldingen en gemakkelijk verstaanbare taal is van nut voor alle gebruikers. In het bijzonder helpen ze mensen met een cognitieve handicap of mensen die moeilijk kunnen lezen. (Maar zorg ervoor dat afbeeldingen tekstequivalenten hebben voor mensen die blind dan wel slechtziend zijn of voor iedere gebruiker die grafische afbeeldingen niet kan zien of ervoor heeft gekozen die niet te zien. Zie ook richtlijn 1.) Het gebruik van duidelijke en simpele taal bevordert effectieve communicatie. Toegang tot geschreven informatie kan moeilijk zijn voor mensen met cognitieve handicaps of leerproblemen. Het gebruik van duidelijke en simpele taal is ook nuttig voor mensen wier eerste taal van je eigen eerste taal verschilt met inbegrip van die mensen die primair met tekens communiceren.