De drie grote Filosofen
Rond 450 voor Chr. Was Athene het culturele centrum van de Griekse wereld. In de filosofie werd de aandacht gericht op het individu en de plaats van het individu in de maatschappij. Langzaam ontwikkelde er daar de eerste democratie en om dit te bereiken moesten de mensen genoeg opgeleid worden om deel te nemen in het democratische proces. Leraren en Filosofen uit heel Griekenland kwamen naar Athene, ze noemden zichzelf sofisten, sofist betekent wijs en ge�nformeerd persoon. Hun mening was dat ook al kunnen de antwoorden op filosofische vraagstukken  wel bestaan, de mens kan de waarheid achter de raadsels van de natuur en het universum niet weten. De mens zal moeten leren samenleven met elkaar.

Socrates
Socrates was geboren in Athene en bracht het grootste deel van zijn leven door met het praten met mensen op marktpleinen. Hij zei: �De bomen kunnen me niets leren�. Socrates was een filosoof �hij die van wijsheid houdt� Het leven van Socrates is vooral bekend geworden door wat Plato over hem heeft geschreven, wie een van zijn pupillen was.

Het leek niet of Socrates de mensen instructie wilde geven, in tegendeel hij leek te willen leren van de mensen waar hij mee sprak. Vooral om een gesprek te beginnen stelde hij vragen alsof hij niets wist, maar in de discussie kwamen de tegenstanders meestal zo ver dat ze zich realiseerden hoe zwak hun argumenten waren en in hoek gedrongen moesten ze wel beseffen wat goed en slecht was.

Socrates wist dat hij weinig wist over het leven en de wereld en dat zat hem dwars, maar hij was in ieder geval wijzer dan de mensen die doorbazelen over hun kennis over dingen waar ze in feite niets van weten. �Ik weet een ding zeker, en dat is dat ik niets weet�.
Hij werd geleid door een innerlijke stem en dit �geweten� vertelde hem wat hij moest doen, �wie weet wat goed is, zal goed doen� daarom is leren zo belangrijk, hij geloofde in tegenstelling tot de sofisten dat het vermogen goed en kwaad te onderscheiden in de mens zit en niet in de maatschappij. Niemand kan gelukkig zijn als hij tegen beter weten in handelt en hij die weet hoe hij geluk moet bereiken zal dat ook nastreven. Daarom: �wie weet wat goed is, zal goed doen�.

Plato
Plato was 29 jaar toen Socrates op bevel van de raad van Athene een beker vergif dronk en stierf. Plato hield zich vooral bezig met wat eeuwig was en met wat veranderde. Zo vonden bijvoorbeeld de Griekse sofisten dat �het besef van goed en kwaad� iets was dat veranderde. Het verschilt per maatschappij en verandert ook met de tijd. Socrates daarintegen zag het als iets eeuwigs dat in de mens zelf zit. Plato gelooft dat alles in de wereld aan verandering onderhevig is, het materiaal is vergankelijk, maar alles is gemaakt naar voorbeeld van een tijdloze mal of vorm. Zo kunnen paarden wel van elkaar verschillen, maar het idee paard is altijd hetzelfde. Een perfecte cirkel bestaat niet op aarde toch weten we hoe deze er uit ziet, omdat we hem al eens gezien hebben in de wereld der idee�n.
De mens is een dualistisch wezen, het heeft een vergankelijk lichaam, maar we hebben een onstervelijke ziel, de ziel komt uit de wereld der idee�n, maar zodra je in je lichaam komt is het alles wat het in deze wereld gezien heeft weer vergeten. Maar op het moment dat je een paard ziet, ook al is er iets mis met het paard herinnert de ziel het idee paard weer, waardoor je weet hoe het moet zijn. Alles wat we zien, zijn slechts �schaduwen� van de mallen.

Plato illustreert dit met de mythe van de grot.
Stel je voor dat mensen in een ondergrondse grot leven en met de rug naar de opening zitten hun handen en voeten gebonden zodat ze alleen naar de achterste muur van de grot kunnen kijken. Achter hen is een hoge muur waarlangs mens-achtige figuren verschillende figuren langs de bovenkant van de muur houden. Omdat er een vuur achter de figuren brandt zien de mensen een schaduwspel op de achterste muur. De mensen hebben zo gezeten sinds zij geboren zijn dus denken ze dat het schaduwspel de enige realiteit is die er bestaat.

Stel je nou voor dat een van die mensen zich los weet te maken en zich afvraagd waar al die schaduwen vandaan komen? Wat zal er gebeuren als hij zich omdraait en alle figuren ziet die er boven de muur gehouden worden. Hij zal stomverbaasd zijn dat hij alleen schaduwen heeft gezien �n de duidelijkheid van de figuren in werkelijkheid. En als hij dan ook nog over de muur weet te klimmen zal hij de schoonheid van de wereld gewoon niet kunnen bevatten, hij zal de kleurrijke bloemen en dieren zien, en beseffen dat er in de grot slechts schaduwen waren. De gelukkige grotbewoner zou dolblij de wereld in kunnen rennen, maar in plaats daarvan denkt hij aan de mensen die nog in de grot zitten. Hij gaat terug en probeert de mensen daar te overtuigen dat de schaduwen slechts een reflectie van de werkelijkheid zijn, maar ze geloven hem niet en wijzen naar de muur zeggende dat dat de einig werkelijkheid is. Uiteindelijk doden ze hem.

Plato illustreert hier de filosoof mee, in het bijzonder Socrates die uiteindelijk moest sterven omdat zijn denkbeelden niet in de convensionele wereld pasten. Hij bedoeld hier niet mee, dat de wereld maar een donkere trieste plaats is, maar dat een schilderij van een mooi landschap ook slechts een schilderij is.

Aristoteles
Aristoteles was bijna 20 jaar een pupil op de academie van Plato, en deze was zeer ge�nterresseerd in de natuur, hij was niet alleen de laatste van de grote Griekse filosofen hij was Europa�s eerste bioloog. Plato ging zo op in de theori�n over de wereld der idee�n dat hij practisch geen aandacht had voor de veranderingen in de natuur die we tegenwoordig natuurlijke processen noemen. Plato ging helemaal op in het beredeneren van de wereld van idee�n terwijl Aristoteles ook aandacht had voor de wereld van de zintuigen.
Aristoteles vond dat Plato alles had omgedraaid, mensen moeten eerst een aantal paarden zien, voordat het idee paard gevormd wordt, er is geen wereld der idee�n, het paard en het idee paard zijn onafscheidelijk.
Volgens Plato was de hoogste werkelijkheid, dat wat we beredeneren met ons verstand en dat van Aristoteles dat wat we ontvangen via onze zintuigen.

Theorie van oorzaken.
Met bijvoorbeeld regen: Je hebt een materiele oorzaak dat water verdampt en wolken vormt en de formele oorzaak is dat de regen ook geen andere kant op kan dan naar de aarde te vallen, maar het uiteindelijke doel is dat de planten en dieren regenwater nodig hebben, het doel.
Aristoteles geloofde dat er een doel was voor alles dat er in de natuur gebeurde, hij geloofde dat sinaasappelen alleen groeien om gegeten te worden door de mens.

Aristoteles ordende de natuur ook in in categorie�n en subcategorie�n. Allereerst verdeelt hij de natuur in levende en levenloze dingen en alleen levende dingen hebben de potentie te veranderen. Verder verdeelt hij de levende eerst in planten en andere levende wezens, later verdeelt hij laatstgenoemde ook weer onder in mensen en dieren. Hij zette de mensen boven aan in de schaal van de natuur, maar daar boven stond ook nog God die alles in de eerste instantie in beweging heeft gebracht.
Hoe moeten we leven? Een mens kan alleen gelukkig worden door al z�n mogelijkheden te gebruiken. Er zijn 3 vormen van geluk, de eerste is een leven vol plezier en genieten, de tweede is het leven van een verantwoordelijk en vrij burger en het derde is het leven van een denker en filosoof. Aristoteles legde er de nadruk alle drie tegelijker tijd aanwezig moeten zijn voor een gelukkig leven vol voldoening.
Socrates, Plato en Aristoteles
Raphael School of Athens
Hosted by www.Geocities.ws

1