Zo u nu ook naar mijn geboorteplaats informeert, daar men het heden ten dage immers van het grootste belang voor iemands stand acht waar hij zijn eerste geschreeuw heeft laten horen, welnu: ik ben niet op het drijvende Delos, noch in de golvenrijke zee of in een gewelfde grot geboren, maar op de eilanden der gelukzaligen waar alles groeit 'zonder zaaien of ploegen'. Daar kent men geen inspanning of verdriet, geen ziekte heerst er, en nergens op het land ziet men affodil, malve, zeelook, wolsboon of tuinboon, of meer van dat vulgaire spul. Maar overal wordt het oog en tevens de neus gestreeld door wijnruit, klis, marjolijn, ambrosia, rolklaver, roos, viooltje, hyacint en adonisbloemen.
Temidden van deze pracht ben ik geboren en ik ben mijn leven volstrekt niet huilend begonnen, maar ik lachte meteen mijn moeder lief toe. Heus, ik benijd Kronos' zoon, de allerhoogste, zijn voedstergeit niet, want mij hebben twee heel knappe nimfen aan haar borst gevoed, Bacchus' dochter Methe en Apaedia, dochter van Pan. U ziet hoe ze zich ook hier bevinden onder mijn overige begeleidsters en kameniers. Als u hun namen wilt weten, zult u die van mij alleen in het Grieks horen.
[Erasmus]