Mijn naam weet u dus, mijn waarde... ja, hoe moet ik u noemen? Natuurlijk: Dwaze zotten! Dat is immers de meest eervolle titel waarmee de godin Zotheid haar gelovigen kan toespreken? Maar aangezien het niet aan zovelen bekend is uit welk geslacht ik stam, zal ik nu trachten dit uiteen te zetten, zo de muzen mij bijstaan. Welnu, mijn vader was niet Chaos, noch Orcus, geen Saturnus of Japetus of een ander van dat slag afgezaagde en wormstekige goden, maar Plutus, de rijkdom, die - of Hesiodus en Homerus en ook Jupiter zelf dat nu leuk vinden of niet - enig en alleen de vader van mensen en goden is. Op zijn wenk alleen worden ook nu nog, net als vroeger, heilige en wereldse zaken helemaal door elkaar gehaald. Naar zijn wil worden oorlogen, vrede, militair gezag, raadscolleges, rechtbanken, volksvertegenwoordigingen, huwelijken, overeenkomsten, verdragen, wetten, kunsten en wetenschappen, humor, ernst - ik kom adem te kort - kortom alle publieke en particuliere aangelegenheden der mensen geregeld.
Zonder zijn bemoeiing zou die hele schare godheden die u bij de dichters vindt, ja nog sterker, zelfs die uitverkoren oppergoden helemaal niet bestaan, of ze zouden op zijn minst thuis moeten eten en er heel schraaltjes van leven. Wie hem boos heeft gemaakt, kan zelfs door Pallas niet afdoende worden beschermd. Wie hem daarentegen genadig heeft weten te stemmen, kan zelfs tot de grote Jupiter met zijn bliksemschicht zeggen: 'Loop naar de duivel!' Van zo'n vader ben ik nu het kind! En ik ben niet geboren uit zijn hersens zoals die zure en norse Pallas uit die van Jupiter, maar uit de nimf Neotete, veruit de lieflijkste en tegelijkertijd de vrolijkste van allen. En dat dan ook weer niet terwijl hij door een onzalig huwelijk met haar verbonden was - zo is immers die manke smid geboren - maar, wat aanzienlijk prettiger is, 'zich met haar in de liefde verenigend', zoals Homerus zegt.
Vergis u echter niet: niet die Plutus van Aristophanes is mijn vader, want die was al afgeleefd en blind; maar die van vroeger, toen hij nog jong was en onstuimig door zijn jeugd, en niet alleen door zijn jeugd, maar veel meer nog door de nectar die hij toen juist bij een drinkgelag der goden nogal in grote hoeveelheden en tamelijk onversneden had gedronken.
[Erasmus]