| 4.3 Kritische analyse van de houding van marktpartijen 4.3.1. Houding van de mutualiteiten Er zijn enkele vraagtekens te plaatsen bij het beleid van een aantal verstrekkers. Zo is de onafhankelijkheid van verschillende hulpmiddelenwinkels, die gekoppeld zijn aan mutualiteiten, niet altijd volledig duidelijk. Deze winkels hebben een onafhankelijk rechtspersoonlijkheid maar zijn gekoppeld aan de mutualiteiten, die daardoor hun objectiviteit verliezen. Mutualiteiten mogen hun leden informeren, en als zij informatie over rolstoelen geven moet die vergezeld zijn van het erkenningnummer van een verstrekker. Toevallig is dat het nummer van de verstrekker van hun eigen hulpmiddelenwinkel. Toen ik de verschillende mutualiteiten vroeg naar een lijst van alle erkende verstrekkers in Belgi� voor het marktonderzoek dat ik voerde, werd ik onmiddellijk doorverwezen naar de eigen ve-strekker. Andere informatie kon niet openbaar gemaakt worden, noch door de mutualiteiten, noch door het RIZIV. De privileges van informatieverstrekking naar leden toe, worden door de Medica Ortho-shop Club ook toegepast. Aangesloten verstrekkers kunnen op die manier de leden informatie verschaffen, met vermelding van hun erkenningnummer en verkooppunt. Dat er een Club bestaat, die haar leden tracht te informeren, komt de transparantie op de rolstoelmarkt ten goede. Maar dat instellingen verbonden aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering dat ook doen, en daarmee hun eigen verstrekkers een streepje voor geven is erg dubbelzinnig. Zeker als we weten dat de mutualiteiten het meest genoemd worden als bron van informatie over verstrekkers, zoals ook duidelijk werd in grafiek 3.6. 4.3.2. Onvolledigheid van andere contactbronnen Ook voorschrijvende geneesheren en instellingen, die vaak bemiddelen als contactbron tussen verstrekkers en rolstoelgebruikers, zijn niet altijd even objectief. Dat wordt mede veroorzaakt door de goede PR van bepaalde verstrekkers en de sterke business-to-business focus van de volledige rolstoelmarkt. Het is begrijpelijk dat de instellingen om administratieve en/of organisatorische redenen verkiezen met slechts ��n verstrekker te werken. Dit veroorzaakt echter haast monopolistische situaties en komt de concurrentie zeker niet ten goede. Slechts ��n bepaalde verstrekker krijgt als eerste de gelegenheid de consument te benaderen. Deze kan altijd naar een andere verstrekker vragen, maar aangezien reeds uitvoerig werd aangetoond dat de rolstoelmarkt onvoldoende transparant is, is dit niet voor de hand liggend. Er zijn tal van voorbeelden waar ��n verstrekker de consument als eerste kan benaderen. Ook CTO past deze werkwijze toe, mevr Vanhouteghem (2002) nuanceerde dit. In bepaalde centra waar CTO nu aanwezig is waren voorheen andere verstrekkers. Die voldeden echter niet langer aan de eisen van de instelling, of konden de zware investeringen van deze methode niet meer opbrengen. Andere verstrekkers kiezen bewust voor een minder intensieve methode. Want aanwezigheid in centra en instellingen vereist meer werk en hogere investeringen in onder andere demopakketten. Ook wees zij erop dat CTO als grote verstrekker vanzelfsprekend vaker aanwezig is in de markt maar dat ook kleinere ondernemingen deze werkwijze toepassen. |