HOME Vergilius Aeneas & Dido Vergilius Aeneas & Dido in de onderwereld
Vergilius, Aeneis 6.450-476
Aeneas ontmoet Dido in de onderwereld
Daar ook te midden van hen, met nog verse wond,
dwaalde de Phoenicische Dido door het grote woud. Toen
de Trojaanse held naast haar stond en in de donkere scha-
duw haar had herkend, zoals hij die bij het begin van de
maand de maan door de nevels opkomen ziet of meent te
hebben gezien, stortte hij tranen en sprak met tedere liefde
haar toe: 'Ongelukkige Dido, zo kwam tot mij een ware tij-
ding, dat gij zijt gestorven en met het zwaard uw einde ge-
zocht hebt? Ach, ben ik de reden geweest van uw dood? Ik
zweer bij de sterren, bij de hemelse goden, bij de trouw die
moge zijn in de diepte der aarde, tegen mijn wil, koningin,
heb ik uw kusten verlaten. Dezelfde bevelen der goden, die
mij nu dwingen door het rijk van de schimmen te gaan,
door plaatsen verweerd door verval, door donkere nacht,
hebben ook toen door hun macht mij gedwongen. Niet kon ik geloven, dat ik door van u te scheiden u zo name-
loos leed bracht. Houd uw schreden in en onttrek u niet
aan mijn aanblik. Voor wie wilt gij vluchten? Dit is de laat-
ste maal, dat het lot mij vergunt tot u te spreken. Met zulke
woorden trachtte Aeneas haar brandend hart en norse blik
te verzachten en haar tranen te wekken. Maar zij hield haar
ogen van hem gekeerd en strak gericht naar de grond; haar
gelaat bleef onberoerd door zijn taal, alsof daar stond een
harde rots of een blok Marpesisch marmer. Ten laatste
snelde zij heen en vluchtte vijandig in het schaduwrijk
woud, waar Sychaeus, haar eerste gemaal, het leed met
haar deelde en liefde met liefde vergold. Lang staarde Ae-
neas, geschokt door het wrede lot, met tranen in het oog
haar na, van medelijden vervuld.