Ethiek en verlangen (volgens het zevende seminarie van Jacques Lacan)
 
 
Het is algemeen geweten dat er op de teksten van J. Lacan heel weinig reacties zijn verschenen, waarschijnlijk omdat hij zo'n moeilijk auteur is, zijn teksten zijn moeilijk te vatten.  In ieder geval ligt het werk van Lacan in het verlengde van de grote objectrelatietheorieën.
 
In het zevende seminarie gaat Lacan het debat aan met de grote filosofische en ethische traditie o.a. Aristoteles, Bentham, Kant… en hij ontwikkelt een eigen psychoanalytische ethiek.

De psychoanalytische traditie gaat ervan uit dat de wezenlijke structuren van het mens-zijn zich uiten in de pathologische variaties hiervan.
De Lacaniaanse notie "gespleten subject" moet worden begrepen in het licht van verscheidene subjectieve posities (nl. hysterische, dwangneurotische etc….), die zelf exclusief vanuit de psychopathologie bepaald worden.  De psychoanalyse heeft nood aan een open debat tussen de verscheidene stromingen waarin ze zich in de loop van de jaren heeft opgesplitst.
 
Wat houdt psychoanalyse in ?

Twee mensen delen gedurende jaren een tweetal maal per week dezelfde ruimte, waarbij één van beiden, liggend op een divan, zo ongecontroleerd mogelijk alles eruit flapt wat bij hem opkomt, waarbij de ander ingaat op elke hapering.  Het maakt grote emotionele spanningen los. Van een directe therapeutische communicatie is geen sprake, de analyticus zal heel zelden rechtstreeks antwoorden op vragen door de analysant gesteld.  Zelfs al 'weet' de analyticus waar de oorsprong van het probleem van de analysant ligt, hij zal dat inzicht niet rechtstreeks aan de analysant melden. En dat is nu net wat de analysant vraagt, dat iemand eindelijk eens zegt wat er met hem gaande is, waarom hij zich zus of zo voelt.
Lacan heeft reeds in zijn vorige seminaries uiteengezet dat er met de 'vraag' ("la demande") van de analysant iets aan de hand is.  Deze vraag is niet zo onschuldig, omdat ze de analyticus en de analysant bij voorbaat reeds een specifieke en allesbepalende plaats toekent.  Door de vraag te stellen, verwacht de analysant een antwoord van de analyticus. De analyticus, echter "weet" dat de analysant zijn probleem niet kwijt kan en dit ook niet kwijt wil.  De problemen van de analysant betreffen namelijk "hemzelf", hij zit in de rats met zichzelf.
Een mens is niet zomaar zichzelf, hij is een verlangen naar zichzelf.  De mens kan niet ophouden met verlangen, dan zou hij ophouden te bestaan. We kunnen dus stellen dat hij leeft met een onvervuld verlangen, dat hem blijvend op zijn fundamentele tekort wijst. Dat verlangen wordt door de hulpvraag doorgeschoven naar de analyticus, in de hoop dat deze de pijn kan verlichten en het gevoel van tekort kan wegnemen.  Maar de analyticus zal de analysant nooit kunnen geven waarnaar hij verlangt, hij zal hem enkel zijn verlangen daarnaar kunnen geven.  Hij zal hem enkel kunnen helpen in de mate dat hij diens vraag juist pijnlijk onbeantwoord laat.
Lacan zegt dat het het verlangen is van de mens om goed te voelen, om opnieuw in het reine te komen met zichzelf, om identiek, conform te zijn aan een norm.  Maar in de marge van het dialectisch proces komt het nooit volledig opgeloste mysterie van zijn verlangen bloot te liggen.
In Lacaniaanse termen zeggen we dat de analysant de imaginaire houding die in zijn vraag besloten ligt, moet inruilen voor het symbolische.  Hij moet het afleren zich in een spiegelverhouding aan zijn analyticus vast te klampen alsof elk tekort dat hij voelt onmiddellijk door de ander zal worden ingevuld.  De analysant moet zich neerleggen bij het feit dat hij het van een bemiddeling moet hebben, die zijn verlangen alsmaar verder opjaagt.
 
om verder te gaan : druk hier
Untitled
Hosted by www.Geocities.ws

1